Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6969
2026-09-03
Strafrecht
05-231104-25 + 05-149601-25 (gev. ttz) + 05-188271-25 (gev. ttz.)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor poging doodslag, zware mishandeling, huisvredebreuk, dierenmishandeling en belediging van een politieagent. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 899 dagen waarvan 540 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, en een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijk deel zijn bijzondere voorwaarden verbonden.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2019:1465 Hoge Raad 15-10-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (68.121 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05-231104-25 + 05-149601-25 (gev. ttz) + 05-188271-25 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 3 september 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] (Syrië),
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .
Raadsvrouw: mr. C.E. Dijkhuis, advocaat in Alkmaar. Zij neemt waar voor mr. J.C. Duin, advocaat in Alkmaar.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 november 2025, 11 december 2026, 12 februari 2026, 9 september 2026, 25 juni 2026 en
20 augustus 2026.
1De inhoud van de tenlastelegging
Ten aanzien van parketnummer 05-231104-25
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven met een mes, althans een scherp voorwerp, meermaals, althans eenmalig, in de hand,
in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een snijwond in de duim, althans in de hand (waarvoor medisch ingrijpen noodzakelijk is geweest) heeft toegebracht,
door die [slachtoffer 1] meermaals, althans eenmalig, met een mes, althans een scherp voorwerp, in de hand, in elk geval in het lichaam, te snijden en/of steken;
2
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een snijwond van (ongeveer) 25 centimeter op de borst, althans op het lichaam, en/of met blijvend(e) litteken(s)
en/of ontsiering, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 2] meermaals, althans eenmalig, met een mes, althans een scherp voorwerp, in de borst en/of de linker onderarm, in elk geval in het lichaam, te snijden.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten die [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermaals, althans eenmalig, met een
mes, althans een scherp voorwerp, in de borst en/of de buik en/of de linker onderarm heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Ten aanzien van parketnummer 05-188271-25
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Harderwijk in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, [adres] bij een ander, te weten bij [aangever 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.
Ten aanzien van parketnummer 05-149601-25
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 14 mei 2025 te Harderwijk zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een dier, te weten een hond (genaamd [naam] ), pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van dat dier heeft benadeeld, door
- die hond meermalen op/tegen het lichaam te schoppen en/of trappen en/of
- die hond aan de halsband over straat/de weg te sleuren en/of aan de halsband (mee) te trekken en/of rukken en/of aan de halsband omhoog (van de grond) te trekken;
2
hij op of omstreeks 14 mei 2025 te Harderwijk opzettelijk een ambtenaar, te weten [aangever 2] , hoofdagent Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "Jij hoerenkind, ik neuk je in je kut", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder parketnummer 05-231104-25 primair tenlastegelegde feiten en de feiten onder de parketnummers 05-188271-25 en 05-149601-25.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de feiten onder parketnummer 05-231104-25 vrijspraak bepleit vanwege een gebrek aan opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin. Verder is zowel bij [slachtoffer 2] als bij [slachtoffer 1] geen sprake van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het feit onder parketnummer 05-188271-25 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Het verhaal van verdachte staat haaks op het verhaal van aangeefster en er zijn geen onafhankelijke getuigen die hebben waargenomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan huisvredebreuk. Ten aanzien van de feiten onder parketnummer 05-149601-25 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1. Verdachte ontkent de hond te hebben geslagen of geschopt. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van parketnummer 05-231104-25
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat op 1 september 2025 een ruzie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 2] over een vijf euro briefje. Later die dag zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar de woning van verdachte gegaan. Over wat daar heeft plaatsgevonden, lopen de verhalen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en verdachte uiteen. De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden wat er precies is gebeurd.
Aangevers
Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 1 september 2025 samen met [slachtoffer 1] was. Op een gegeven moment werd [slachtoffer 1] gebeld door verdachte. Verdachte zei dat hij [slachtoffer 2] moest hebben. [slachtoffer 1] heeft de telefoon aan [slachtoffer 2] gegeven. [slachtoffer 2] hoorde verdachte zeggen dat hij hem zou fucken en dat hij de vijf euro bij [slachtoffer 2] terug zou halen. Ze kregen ruzie en [slachtoffer 2] zei dat hij naar verdachte toe zou komen. Een minuut later belde [slachtoffer 2] naar de politie dat hij naar verdachte ging, naar [adres] in Harderwijk.
[slachtoffer 2] is daar naartoe gegaan, heeft aangebeld en is vervolgens teruggelopen naar het fietspad. Verdachte kwam naar buiten en in zijn zakken zag [slachtoffer 2] een schittering van een mes. Verdachte zei direct ‘Ga weg of ik maak je dood’ en bleef achter [slachtoffer 2] aanlopen. [slachtoffer 2] bleef staan en zei tegen verdachte dat hij beter naar achteren kon lopen. Verdachte zei toen nog een keer ‘Ik maak je dood’. [slachtoffer 2] heeft verdachte toen twee klappen gegeven en hij liep daarna terug. Hij was verdachte even kwijt en hoorde vervolgens een vrouw roepen dat hij naast hem stond. Verdachte stond naast [slachtoffer 2] en zwaaide met het mes. [slachtoffer 2] deed zijn arm omhoog om zichzelf te beschermen en is daardoor in zijn onderarm geraakt met het mes. [verdachte] bleef zwaaien met het mes en [slachtoffer 2] moest dit ontwijken. [slachtoffer 2] is met het mes geraakt op zijn linkerborst, in zijn linkerzij en net boven zijn navel. [slachtoffer 1] kwam toen tussen [slachtoffer 2] en verdachte in en gooide zijn rugzak tussen hen in om het mes uit verdachte zijn handen weg te halen. Dit lukte niet. Verdachte maakte vervolgens stekende bewegingen met het mes richting [slachtoffer 1] . Hij liep verwondingen op bij zijn linkerhand. [slachtoffer 1] viel op de grond en probeerde zich te weren. Hij werd hierop geraakt met het mes in zijn linker onderarm. Er kwamen omstanders om te helpen met de verwondingen waarna verdachte terugliep naar zijn woning. Het mes was een zilverkleurig anti val mes van ongeveer 15 centimeter inclusief lemmet, aldus [slachtoffer 2] .
Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij die dag eerst telefonisch spraakmemo’s van verdachte heeft gekregen, maar dat hij niet verstond wat verdachte daarop zei. Verdachte stuurde ook de locatie van zijn huis. Daar moesten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naartoe komen. Toen ze bij zijn huis aankwamen, kwam verdachte met een mes op hen af. [slachtoffer 1] viel op de grond en moest het mes afweren met zijn tas, handen en benen. [slachtoffer 1] heeft naar verdachte getrapt, terwijl hij met het mes werd gestoken. Verdachte sneed meerdere keren met het mes. [slachtoffer 1] voelde het op zijn hand en zag later ook dat het mes zijn borst had geraakt. Daarnaast heeft hij een grote wond op zijn linker onderarm en zijn linker duim. Hij heeft ook nog twee krassen op zijn borst, eentje op zijn rechterborst tussen zijn navel en tepel en eentje net boven zijn linker tepel op zijn borst. Het betrof een mes dat je uit moest klappen met een bruin handvat en een zilver lemmet. Het was ongeveer 15 tot 18 centimeter.
In een aanvullend verhoor heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij zijn fiets had neergezet bij een hek. Dit was ongeveer 10 meter van het huis af. [slachtoffer 1] bleef bij de fietsen staan en [slachtoffer 2] ging naar de woning. [slachtoffer 2] ging naar de intercom en toen kwam verdachte naar buiten. Ze begonnen in het Nederlands te praten. Ze stonden ongeveer 5 meter van de buitendeur. Op het moment dat zij praatten, zag [slachtoffer 1] dat verdachte het mes achter uit zijn broek pakte. Verdachte had het mes in de kontzak van zijn broek zitten. [slachtoffer 1] zag dat verdachte met het mes van boven naar beneden over de borstkast van [slachtoffer 2] ging. [slachtoffer 1] zag dat [slachtoffer 2] weg begon te rennen. Vervolgens pakte [slachtoffer 1] zijn rugzak om het mes weg te slaan en begon hij zichzelf te verdedigen. Hij is daarbij op de grond gevallen. Toen hij op de grond lag, bleef verdachte op [slachtoffer 1] in steken. [slachtoffer 1] heeft geprobeerd het mes uit zijn handen te trappen. Verdachte heeft meer dan vijf keer geprobeerd om hem te steken. Hij hoorde ook dat verdachte zei: ‘I’ll kill you’.
Getuigen
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij aan het werk was in zijn tuin en over de schutting keek. Getuige zag een gevecht en zag op dat moment een man op de grond liggen. Hij zag dat zijn buurman zich naar de man op de grond boog en met het mes uithaalde. De man op de grond schreeuwde het uit.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij buiten geschreeuw hoorde en verdachte boven op een ander persoon zag. Eerst dacht hij dat verdachte de andere persoon drie of vier keer achter elkaar sloeg. Hij zag namelijk dat verdachte een zwaaiende beweging van achter naar voren maakte en insloeg op de persoon die met ingetrokken armen en benen zichzelf probeerde te beschermen. Getuige schreeuwde naar verdachte dat hij moest stoppen. Toen draaide verdachte zich om en zag getuige dat hij een mes in zijn rechterhand had. Verdachte kwam toen op getuige af en stopte op 50 centimeter voor hem. Getuige hoorde hem zeggen ‘Ik maak iedereen af’. Doordat verdachte op getuige af kwam lopen, kon de andere man weglopen.
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij een hoop geschreeuw hoorde. Hij zag een man op de grond liggen. Verdachte zat boven op hem en prikte hem met het mes. Getuige hoorde ze schreeuwen. Getuige zag dat [getuige 2] naar hen toeliep en verdachte van de man afhaalde.
Tussenconclusie
Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, nadat hij twee klappen heeft gehad van [slachtoffer 2] , direct meerdere steekbewegingen met een mes gemaakt heeft richting [slachtoffer 2] en hem hierbij heeft geraakt op zijn borst, linkerzijde van de onderbuik en linker onderarm. Vervolgens heeft verdachte zich gericht op [slachtoffer 1] , waarbij [slachtoffer 1] op een gegeven moment op de grond viel. Terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag, heeft verdachte meerdere keren met het mes op hem ingestoken, terwijl [slachtoffer 1] het mes probeerde af te weren met onder andere zijn handen.
Letsel
Uit de brief van het Ziekenhuis St. Jansdal blijkt dat bij [slachtoffer 2] sprake was van een steekverwonding thorax, abdomen en rechteronderarm zonder pees en vaatletsel. Bij de thorax was sprake van een forse laceratie links tot aan de fascia waarbij de spierbundel zichtbaar was en bij de rechteronderarm is sprake van een diepe wond. Alle verwondingen zijn gehecht. Uit de medische informatie van het ziekenhuis blijkt dat de geschatte duur van de genezing tussen de 14 en 28 dagen was. Uit het letselonderzoek dat op 8 september 2025 bij [slachtoffer 2] is verricht volgt dat hij ter hoogte van zijn linkerborst een scherp begrensde horizontale streepvormige huidbeschadiging had van circa 16 centimeter. Er waren op dat moment 21 hechtingen aanwezig. Op de linkerzijde van de onderbuik bevond zich een scherpe huidonderbreking van circa 9 centimeter. Hier waren 11 hechtingen zichtbaar. In het midden van de strekzijde van de linkerarm was een diagonaal lopende rode scherpe huidonderbreking te zien van circa 8 centimeter, waarbij 10 hechtingen zichtbaar waren.
Uit het letselonderzoek dat op 8 september 2025 bij [slachtoffer 1] is verricht, volgt dat er letsel aan de buigpees van de duim en de zenuw in de duim is geconstateerd. Hieraan is [slachtoffer 1] geopereerd. Zowel het peesletsel als het zenuwletsel is gehecht. Uit het letselonderzoek blijkt dat [slachtoffer 1] op zijn linker onderarm een streepvormige huisonderbreking heeft van circa 5 centimeter dwars over de lenterichting van de arm. Aan de buigzijde van de linkerhand verlopend van het polsgewricht tot aan het midden van de handpalm bevindt zich een scherpe huidonderbreking van 3,5 centimeter. Aan de binnenzijde van de linkerhand op de duimmuis en op de linkerduim zijn een drietal scherpe huidonderbrekingen te zien die met elkaar in verbinding staan in de vorm van een Z van circa 2 centimeter, 3 centimeter en 2,5 centimeter. Op de linkerborst 3 tot 4 centimeter boven de tepel bevindt zich een enkele diagonaal lopende scherp begrensde streepvormige huidbeschadiging van circa 2,5 centimeter. Aan de rechterkant van de borstkas op de overgang van de borst naar de buik bevindt zich een enkele scherp begrensde diagonaal verlopende huidbeschadiging van circa 4 centimeter.
Conclusie
Verdachte wordt primair verweten dat hij [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer 2] met een mes op de borst en linker onder arm heeft geraakt. Hierdoor is op de borst een snijwond van ongeveer 16 centimeter en op de onderbuik een snijwond van 9 centimeter ontstaan. Bij de borst was de spierbundel zichtbaar. Op de linker onderarm was een diepe (snij)wond van ongeveer 8 centimeter ontstaan.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of deze snijwonden als zwaar lichamelijk letsel kunnen worden gekwalificeerd. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd.
De rechtbank stelt vast dat het gaat om diepe snijwonden waarbij ook spierweefsel zichtbaar was. Alle snijwonden moesten ook worden gehecht en daarbij zijn in totaal 42 hechtingen geplaatst. Er is sprake van forse littekens op de buik. Gelet op hoeveelheid snijwonden, de plek van de snijwonden en de daardoor ontstane littekens en het daarmee gepaard gaande ontsierend effect ervan en de diepte en lengte van deze wonden, is de rechtbank van oordeel dat het letsel kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.
Verdachte heeft dit zwaar lichamelijk letsel veroorzaakt door met kracht met een mes snijdende bewegingen te maken in de borsttreek en buikstreek van [slachtoffer 2] . Bij dergelijk handelen is het risico op zwaar lichamelijk aanmerkelijk. Door zijn handelen heeft verdachte het risico op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel op de koop toegenomen. Aldus heeft verdachte voorwaardelijk opzet op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel gehad. De rechtbank acht het primair tenlastegelegde onder feit 2 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Verder wordt verdachte onder 1 primair verweten dat hij [slachtoffer 1] heeft gepoogd van het leven te beroven. Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer 1] heeft gestoken terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag. Daarbij heeft verdachte onder andere de duim, linker onderarm en borst van [slachtoffer 1] geraakt. Dit is gebeurd in een poging verdachte af te weren onderscheidenlijk zichzelf te beschermen, zo volgt uit de aangifte van [slachtoffer 2] en de getuigenverklaring van [getuige 2] . De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of deze gedragingen van verdachte kunnen worden gekwalificeerd als een poging doodslag. Hiervoor moet de rechtbank vaststellen dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, namelijk het bovenop iemand zitten die op dat moment op de grond ligt en die persoon meermalen steken met een mes, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als zijnde zo zeer gericht op de dood dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Aan dit oordeel draagt bij dat bij [slachtoffer 1] ook op twee plekken op de borst scherpbegrensde huidonderbrekingen zijn geconstateerd. De rechtbank gaat er op basis van de voorgaande bewijsmiddelen vanuit dat ook deze verwondingen door verdachte met zijn mes zijn toegebracht. In de borst bevinden zich vitale organen. Door met zijn mes in die richting te steken, is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . De rechtbank acht daarom de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging doodslag wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van parketnummer 05-188271-25
Aangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat zij op 18 juni 2025 in haar woning aan [adres] in Harderwijk een pakketje geadresseerd aan haar buurman, verdachte, heeft aangenomen, omdat verdachte niet thuis was. Op 19 juni 2025 was aangeefster in haar badkamer. Ze hoorde dat er lang werd aangebeld en hard op de deur werd gebonkt terwijl zij in bad zat. Aangeefster hoorde daarna geritsel van planten en gestommel rondom haar woning. Ze hoorde daarna nog meer gestommel in de nabijgelegen kamer. Aangeefster keek in de richting van de slaapkamer en zag verdachte in de slaapkamer staan. Ze zag dat hij haar even aankeek en stilstond. Aangeefster schreeuwde naar verdachte dat hij weg moest gaan. Ze zag dat hij de slaapkamer verliet en richting haar keuken liep. Daar stond hij kort stil. Daarna liep hij richting haar hal. Verdachte pakte het pakketje, dat eerder voor hem bij haar was afgeleverd, en verliet de woning.
Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij de begeleider van verdachte is. Op 19 juni 2025 had getuige een begeleidingsmoment met verdachte. Verdachte vertelde dat hij al twee dagen bij zijn buurvrouw had aangebeld voor zijn pakketje, maar dat niemand opendeed. Ze zijn nog samen naar de woning gegaan om te kijken of de buurvrouw thuis was, maar dit was niet het geval. Later op de dag belde verdachte getuige in paniek op dat hij het pakketje bij de buurvrouw had gepakt en dat hij bang was dat dat voor problemen zou zorgen. Getuige is direct naar hem toegereden en toen was de politie al ter plaatse. Verdachte vertelde dat hij via het slaapkamerraam naar binnen was gegaan. Hij zag dat de buurvrouw onder de douche stond. Hij is daarna snel naar zijn pakketje gegaan om vervolgens weer de woning uit te gaan.
Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Iemand die zichzelf toegang tot een woning verschaft door via het slaapkamerraam naar binnen te klimmen zonder dat degene bij wie die woning in gebruik is hiervan op de hoogte is, wordt geacht wederrechtelijk te zijn binnengedrongen.
Ten aanzien van parketnummer 05-149601-25
Feit 1
Op 14 mei 2025 gingen agenten naar de straat [adres] in Harderwijk naar aanleiding van een melding dat iemand een man samen met een Duitse herder zag lopen en dat de man de hond een harde trap had gegeven. Ter plaatse zagen verbalisanten verdachte samen met de hond. Verbalisanten zagen dat de hond op de grond lag en piepende geluiden maakte. De hond probeerde op te staan, maar dit lukte niet omdat hij door zijn poten zakte. Hierbij maakte hij nog meer piepende geluiden. Het was zichtbaar dat de hond gewond was en pijn had. De hond had enorm veel moeite met lopen en bleef steeds op zijn buik liggen. Verbalisanten zagen verder dat de hond mank liep en dat hij zich meermaals verstapte met zijn linker voorpoot.
Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij op 14 mei 2025 over de Stationslaan in Harderwijk liep. Hij zag dat een man naar een Mechelse herder liep en deze mee wilde nemen. Getuige zag dat de hond probeerde te lopen, maar duidelijk veel pijn had en gewond was. De hond kon moeizaam lopen en zette maar kleine korte stapjes. Getuige zag dat de man de hond bij zijn halsband pakte en de hond aan de halsband over straat sleurde. Daarna liep de man een soort steeg in. Getuige zag dat de man een trap tegen de borstkas van de hond aan gaf. Dit deed hij met zijn voet. Het was een volle uithaal, met kracht. Getuige heeft toen de politie gebeld. De man die is aangehouden door de politie is 100% de man die de hond heeft geschopt.
Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat zij op 14 mei 2025 op haar balkon stond. Zij woont aan [adres] in Harderwijk. Getuige hoorde ineens geschreeuw en zag een man met een hond in de steeg. De hond lag op de grond. Getuige zag toen dat de man met beide handen de halsband van de hond vastpakte en tot twee keer toe met kracht aan de halsband van de hond trok. Door de kracht die de man zette, kwam de hond een stukje van de grond. De hond stond toen. Vervolgens zag getuige dat de man zijn hond een schop gaf. Getuige hoorde de hond daarna heel hard piepen dan wel een jankend geluid maken.
Op 14 mei 2025 is de hond, genaamd [naam] , onderzocht door de dierenarts. Uit het verslag blijkt dat zijn nagels wat zijn afgesleten en dat alle vier de poten kapotte zoolkussens hebben. Het eelt laat op grote delen los. Dit zijn verse laesies. Oppervlakkige palpatie van de rug en ribkorf is pijnlijk.
Uit de waarschijnlijksheidsbepaling blijkt dat de waarschijnlijkheid dat de hond is mishandeld wordt ingeschat als zeer waarschijnlijk, namelijk een 8 op de schaal van 1 tot en met 10. Hierbij is leidend de combinatie van de lichamelijke (pijnlijke) problematiek van de hond, waaronder de waarneembare schade aan de voetzoolkussens, mogelijk oud trauma (oorzaak onbekend), de melding van 14 mei 2025 over dat de hond geschopt is en de beambten die dan ter plaatse komen en een hond treffen die zeer veel pijn lijkt te hebben en de waarneming bij de gedragsobservatie van 12 juni 2025 van het direct overgaan tot vermijden bij een slagbeweging.
Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank feit 1 wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Verbalisant [aangever 2] was op 14 mei 2025 op het [adres] in Harderwijk naar aanleiding van de melding dierenmishandeling. Verbalisant [aangever 2] nam een vrouw apart om een verklaring af te nemen. Terwijl verbalisant met de vrouw in gesprek was, hoorde verbalisant verdachte luid schelden in de Turkse taal. Daarbij keek verdachte de verbalisant aan. Aangezien verbalisant de Turkse taal vloeiend spreekt en verstaat, begreep ze direct wat er werd gezegd. Verbalisant hoorde verdachte in de Turkse taal naar haar roepen: ‘Jij hoerenkind, ik neuk je in je kut’. Verbalisant liep naar verdachte toe en gaf aan dat ze zijn woorden volledig had verstaan en dit gedrag onacceptabel vond. Bij een tweede keer zou hij aangehouden worden voor belediging. Verbalisant hoorde verdachte daarna opnieuw in het Turks dezelfde grove beledigingen uiten. Hoewel deze woorden mogelijk niet door omstanders begrepen werden, voelde verbalisant zich door de uitlatingen in haar eer aangetast en beledigd. Verdachte wist dat verbalisant de taal spreekt en begreep dus heel goed wat hij deed. Zeker omdat zij hem daarvoor had gewaarschuwd en aan had gegeven te kunnen verstaan wat er gezegd werd. Verbalisant zag dat verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding ‘Hé Turk’ riep. De beledigingen werden door verdachte op niet mis te verstane wijze geschreeuwd, waardoor in woord en gebaar voor omstanders duidelijk was dat verdachte verbalisant doelbewust wilde beledigen.
Op grond van het bovengenoemde acht de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft de hiervoor genoemde woorden opzettelijk geuit tegen een verbalisant die de Turkse taal machtig is en dit is verdachte ook medegedeeld door de verbalisant. De tekst is naar zijn aard beledigend en verbalisant heeft deze tekst ook beledigend opgevat. De verklaring van verdachte dat verbalisant hem eerst heeft beledigd en dat hij haar daarom terug beledigde, acht de rechtbank niet aannemelijk omdat dit nergens door wordt ondersteund.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Ten aanzien van parketnummer 05-231104-25
1, primair
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven met een mes, althans een scherp voorwerp, meermaals, althans eenmalig, in de hand,
in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2, primair
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een snijwond van (ongeveer) 25 centimeter op de borst, althans op het lichaam, en/of met blijvend(e) litteken(s)
en/of ontsiering, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 2] meermaals, althans eenmalig, met een mes, althans een scherp voorwerp, in de borst en/of de linker onderarm, in elk geval in het lichaam, te snijden.
Ten aanzien van parketnummer 05-188271-25
hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Harderwijk in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, [adres] bij een ander, te weten bij [aangever 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.
Ten aanzien van parketnummer 05-149601-25
1
hij op of omstreeks 14 mei 2025 te Harderwijk zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een dier, te weten een hond (genaamd [naam] ), pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van dat dier heeft benadeeld, door
- die hond meermalen op/tegen het lichaam te schoppen en/of trappen en/of
- die hond aan de halsband over straat/de weg te sleuren en/of aan de halsband (mee) te trekken en/of rukken en/of aan de halsband omhoog (van de grond) te trekken;
2
hij op of omstreeks 14 mei 2025 te Harderwijk opzettelijk een ambtenaar, te weten [aangever 2] , hoofdagent Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "Jij hoerenkind, ik neuk je in je kut", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 05-231104-25
feit 1, primair:
poging tot doodslag
feit 2, primair:
zware mishandeling
Ten aanzien van parketnummer 05-188271-25
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
Ten aanzien van parketnummer 05-149601-25
feit 1:
zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren
feit 2:
eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
5De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6De strafbaarheid van verdachte
Verdachte is ten aanzien van de feiten onder parketnummer 05-149601-25 en 05-188271-25 strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Ten aanzien van parketnummer 05-231104-25
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten onder parketnummer 05-231104-25 primair op het standpunt gesteld dat sprake was van een noodweersituatie, omdat verdachte als eerste is aangevallen door [slachtoffer 2] . Hij heeft gehandeld uit zelfverdediging. Zijn handelen was ook proportioneel, omdat hij bij zijn woning werd geconfronteerd met twee mannen. Daarmee ging het om een situatie van twee tegen één. Het mes is gebruikt als verdedigingsmiddel om afstand te creëren en was als middel niet gericht om (ernstig) letsel toe te brengen. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat, als de rechtbank van oordeel is dat verdachte bij zijn verdediging de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, sprake is van een geslaagd beroep op noodweerexces. Er was bij verdachte sprake van een hevige gemoedsbeweging die rechtstreeks voortvloeide uit de onverwachte confrontatie met twee personen en het geweld dat tegen verdachte werd gebruikt.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte zelf de deur open heeft gedaan, terwijl [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] een eind verderop stonden. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte direct is aangevallen. Een enkele vrees dat hij zou worden aangevallen, is in deze specifieke situatie onvoldoende. De situatie was niet zodanig bedreigend voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging door verdachte noodzakelijk en geboden was. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat, indien de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake was van een noodweersituatie, het beroep op noodweer faalt. Er is namelijk niet gebleken dat [slachtoffer 2] dan wel [slachtoffer 1] verdachte met een mes dan wel nagelknipper als eerste zou hebben gestoken. Dan blijven de mogelijke vuistslagen en trappen die beide slachtoffers hebben uitgedeeld over. Dat zouden zij hebben gedaan ter verdediging. Als zij daarmee zijn begonnen, dan was verdediging noodzakelijk en geboden, maar dan is niet proportioneel door verdachte gereageerd. In alle gevallen faalt het beroep op noodweer. Verdachte komt tot slot ook geen beroep op noodweerexces toe, want een eventuele hevige gemoedsbeweging is niet veroorzaakt door de aanranding.
Beoordeling door de rechtbank
Voor noodweer in de zin van artikel 41 Wetboek van Strafrecht dient sprake te zijn van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf, eerbaarheid of goed van verdachte of een ander waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Bij de beantwoording van de vraag of van noodweer sprake is, dient de rechtbank eerst de vraag te beantwoorden of sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf, eerbaarheid of goed (een noodweersituatie).
De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn naar de woning van verdachte gegaan. [slachtoffer 2] heeft aangebeld en verdachte is naar buiten gekomen en had daarbij een mes bij zich. Buiten is het tot een confrontatie gekomen, waarbij [slachtoffer 2] verdachte als eerste twee klappen heeft gegeven. Verdachte zegt dat [slachtoffer 2] meteen bij de voordeur heeft geslagen, [slachtoffer 2] zegt dat verdachte eerst de weg op kwam lopen en daar al aan het dreigen was.
Echter, zelfs indien de rechtbank uit zou gaan van de lezing van verdachte dat [slachtoffer 2] meteen heeft geslagen, dan nog kan een beroep op noodweer niet slagen. Verdachte is zelf met een mes naar de voordeur gegaan en heeft vervolgens in reactie op het slaan [slachtoffer 2] meerdere keren gestoken. Deze gedragingen staan naar het oordeel van de rechtbank in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding en overschrijden de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Daarbij komt dat verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken door naar binnen te gaan. Het beroep op noodweer ten aanzien van de aanranding door [slachtoffer 2] slaagt dan ook niet.
Vervolgens is de vraag of met betrekking tot feit 2 sprake was van noodweerexces. De rechtbank moet daartoe beoordelen of aannemelijk is geworden dat verdachte als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging in zijn verdediging verder is gegaan dan geboden was. Hiervoor acht de rechtbank de berichten uit de onderzochte telefoon van [slachtoffer 1] relevant. Op 1 september 2025 om 18.01 uur is met de telefoon van [slachtoffer 1] een spraakbericht gestuurd naar verdachte. In dat spraakbericht wordt onder andere het volgende gezegd: ‘Ik ben nu onderweg naar jou toe hé. Ik sta letterlijk en figuurlijk bijna bij jou in de buurt. Als jij een man bent, kom jij naar buiten.’. Om 18.03 uur reageert verdachte daarop met het volgende bericht: ‘I com so ther then we see’. Uit deze berichten maakt de rechtbank op dat verdachte wist dat [slachtoffer 2] (en [slachtoffer 1] ) naar hem toe zouden komen en er een confrontatie zou plaatsvinden. Vervolgens heeft verdachte deze confrontatie opgezocht en de deur open gedaan, waarbij hij een mes bij zich had. Voor zover al sprake was van een hevige gemoedsbeweging is deze niet is veroorzaakt door de twee klappen van [slachtoffer 2] , maar al eerder bij verdachte was veroorzaakt als gevolg van de ruzie tussen verdachte en de aangevers. Verdachte was niet bang maar kwaad, hetgeen ook blijkt uit het feit dat hij, nadat [slachtoffer 2] gewond was door het steken, achter [slachtoffer 1] is aangegaan, van wie op dat moment geen dreiging uitging. Het beroep op noodweerexces slaagt dan ook niet.
Verdachte is ook met betrekking tot feit 2 strafbaar.
Ten aanzien van hetgeen is bewezenverklaard onder feit 1 (poging tot doodslag van [slachtoffer 1] ) is van een noodweersituatie geen sprake. Dat sprake was van een aanranding door [slachtoffer 1] is niet aannemelijk geworden. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer. Nu niet aannemelijk is dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond, kan ook geen sprake zijn van noodweerexces. Verdachte is dan ook strafbaar met betrekking tot feit 1.
7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft primair gevorderd aan verdachte een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest, dit zijn 355 dagen als verdachte de dag na de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak terecht kan in de Mondriaankliniek, en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van een locatieverbod voor het adres van [slachtoffer 2] , te worden verbonden. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat deze bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie oplegging van een gevangenisstraf van 42 maanden gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit aan verdachte een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest zonder voorwaardelijk deel op te leggen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om, in het geval er wel een voorwaardelijk strafdeel aan verdachte wordt opgelegd, daaraan de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte per [geboortedag] 2026 in een kliniek wordt geplaatst.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag, een zware mishandeling, huisvredebreuk, dierenmishandeling en de belediging van een politieagente. Op 1 september 2025 heeft een ruzie plaatsgevonden tussen verdachte en een van de slachtoffers over een briefje van vijf euro. Hierop zijn de slachtoffers naar de woning van verdachte gegaan en daar is het helemaal uit de hand gelopen. Nadat verdachte twee klappen had gekregen van een van de slachtoffers, heeft verdachte met een mes meerdere steekbewegingen gemaakt richting dit slachtoffer. Hierdoor heeft het slachtoffer forse steekwonden op zijn borst en linker onderarm opgelopen. Vervolgens heeft verdachte zich gericht op het andere slachtoffer en, nadat dit slachtoffer op de grond was gevallen, meermalen op hem ingestoken. Doordat het slachtoffer zichzelf probeerde te beschermen met onder andere zijn handen, heeft hij fors letsel aan zijn duim opgelopen. Dergelijk geweld maakt een inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dit geldt temeer nu meerdere mensen getuige waren van dit geweld en zich genoodzaakt hebben gezien ook in te grijpen.
Verder is verdachte wederrechtelijk de woning van zijn buurvrouw binnengedrongen om daar zijn pakketje, dat eerder bij haar was bezorgd, te pakken. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het grote indruk op het slachtoffer heeft gemaakt dat zij, terwijl zij rustig in bad zat, ineens met verdachte werd geconfronteerd. Dat dat voor haar heel beangstigend is geweest, kan de rechtbank zich goed voorstellen.
Tot slot heeft verdachte zijn hond mishandeld en een politieagente beledigd.
Uit de justitiële documentatie van 26 mei 2026 blijkt onder andere dat verdachte in de afgelopen vijf jaar meermalen is veroordeeld voor belediging van een ambtenaar in functie, waarbij de meest recente veroordeling was op 23 september 2025. Voor deze belediging (samen met een vernieling en wederspannigheid) is een gevangenisstraf van één maand opgelegd.
Uit het reclasseringsadvies van 19 juni 2026 blijkt dat verdachte in 2015 vanuit Syrië naar Nederland is gekomen en al vrij snel in beeld kwam bij justitie. Er is sprake van instabiliteit op het gebied van huisvesting, middelengebruik en er worden problemen in zijn psychosociaal functioneren gezien. Hierbij wordt onder meer gedoeld op een beperkte impulscontrole, traumaklachten en lage cognitieve vermogens. Alcoholgebruik in combinatie met de genoemde psychische problematiek lijken (ten dele) de oorzaak van agressief gedrag. Verdachte neemt geen verantwoordelijkheid voor de tenlasteleggingen en is wantrouwend richting instanties. Hij is bekend met het niet nakomen van afspraken. Er worden op dit moment geen beschermende factoren gezien. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Een ambulant traject is eerder geprobeerd, maar dit heeft niet geleid tot gedragsverandering. De reclassering acht een klinisch traject een passende stap. De reclassering adviseert daarom aan verdachte op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende voorwaarden: meldplicht, opneming in een zorginstelling (Mondriaankliniek), ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, beheersing middelengebruik, dagbesteding, openheid geven zijn financiën, een contactverbod met [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [aangever 1] en een locatieverbod voor de [adres] in Harderwijk en het adres van [slachtoffer 2] . De reclassering adviseert om deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij bereid is om naar de kliniek te gaan als dat nodig is en zich aan de voorwaarden te houden.
Gelet op de ernst van de strafbare feiten, en dan met name de poging doodslag en de zware mishandeling, acht de rechtbank een gevangenisstraf van langere duur passend. De rechtbank acht het echter ook noodzakelijk dat verdachte de juiste behandeling krijgt en hiervoor opgenomen wordt in een kliniek. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte per 26 augustus 2026 terecht kon in de Mondriaankliniek en de rechtbank heeft om die reden de voorlopige hechtenis per die datum geschorst. De rechtbank acht het van belang dat dit (prille) ingezette traject niet wordt doorkruist met een nog langere gevangenisstraf. Om die reden zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die gelijk is aan het voorarrest. Daarnaast acht de rechtbank een forse voorwaardelijke gevangenisstraf passend. Hiermee wil de rechtbank de ernst van de feiten tot uitdrukking brengen en het dient daarbij ook als stok achter de deur voor verdachte. Alles afwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 540 dagen passend. Dit betekent dat de rechtbank een gevangenisstraf van 899 dagen zal opleggen waarvan 540 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, en een proeftijd van 3 jaar. Verdachte heeft het onvoorwaardelijk deel al helemaal uitgezeten en kan dan aansluitend klinisch worden behandeld. Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. Verdachte krijgt daarmee de kans om aan zichzelf te werken. Mocht dat om wat voor reden dan ook niet lukken, dan heeft dat tot gevolg dat verdachte alsnog een bij de feiten passende gevangenisstraf zal dienen uit te gaan zitten.
De rechtbank zal geen locatieverbod opnemen voor het adres van slachtoffer [slachtoffer 2] , omdat vanwege het zwervende bestaan van dit slachtoffer geen adres bekend is.
De rechtbank zal eveneens geen dadelijk uitvoerbaarheid bevelen maar kiest ervoor om in plaats daarvan het onder dezelfde voorwaarden reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis te laten doorlopen. Op die manier wordt hetzelfde beoogd, namelijk dat verdachte lopende een eventueel hoger beroep in de kliniek verblijft, terwijl een eventuele overtreding niet leidt tot executieperikelen rondom een niet-onherroepelijk vonnis maar tot opheffing van een schorsing.
8De beoordeling van de civiele vorderingen
Ten aanzien van parketnummer 05-188271-25
De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met het tenlastegelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 400,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Enkel schending van het huisrecht en zonder nadere onderbouwing is onvoldoende om een aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden gematigd tot een bedrag van € 150,-.
Overwegingen van de rechtbank
De benadeelde partij heeft gesteld dat zij door het handelen van verdachte ‘op andere wijze in de persoon’ is aangetast. Ter onderstreping van de aard en ernst van de normschending in dit geval heeft de benadeelde partij erop gewezen dat juist de woning voor een slachtoffer een veilige, onschendbare plek dient te zijn, omdat het privéleven in die woning haar basis heeft. In de onderhavige zaak is verdachte via het slaapkamerraam de woning van benadeelde binnengegaan om zijn pakketje te pakken. Op dat moment lag benadeelde in bad en hoorde gestommel rond haar slaapkamer. Benadeelde is gaan kijken en zag toen dat verdachte in haar slaapkamer stond. De rechtbank wil zonder meer aannemen dat dit een beangstigende situatie is geweest voor benadeelde. Uit de jurisprudentie - óók uit het door de benadeelde aangehaalde arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:1465) - blijkt weliswaar dat niet is uitgesloten dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer, voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. En daartoe is in onderhavige zaak, concreet met betrekking tot de voor de benadeelde specifieke gevolgen, onvoldoende voorhanden. Hetgeen de benadeelde ter zitting heeft aangevoerd en de verwijzingen naar jurisprudentie volstaan daarvoor niet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW niet kan worden vastgesteld. De rechtbank zal de benadeelde partij bij gebrek aan een wettelijke grondslag dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot vergoeding van immateriële schade.
Ten aanzien van parketnummer 05-231104-25
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 672,19 aan materiële schade, € 16.000,- aan smartengeld en € 17,- aan proceskosten, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van het eigen risico kan worden toegewezen. Ten aanzien van de kleding kan een bedrag worden geschat. De posten die zien op de hotelovernachting en reiskosten voor het letselonderzoek zijn onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade dient dit bedrag gematigd te worden tot € 1.500,-. Voor het toegewezen deel van de vordering verzoekt de officier van justitie de wettelijke rente toe te kennen en vordert zij verder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de posten die zien op de hotelovernachting, kleding en reiskosten onvoldoende is onderbouwd en moet worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag moet worden gematigd tot € 1.000,-.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 672,19 aan materiële schade gevorderd. Dit bedrag bestaat uit drie posten: eigen risico van € 367,04, kleding van € 177,90 en een hotelovernachting van € 127,25.
Dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het strafbare handelen van verdachte het eigen risico (€ 367,04) verschuldigd is geworden, is niet betwist, dus is dit bedrag voor toewijzing vatbaar.
Wat betreft de gevorderde kosten in verband met de schade aan de kleding van de benadeelde (€ 177,90) is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist dat het deze concreet aangeduide kledingstukken met deze waarde zouden betreffen die als gevolg van de steekpartij bebloed zijn geraakt. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen.
Ten aanzien van de gevorderde kosten in verband met de hotelovernachting (€ 127,25) is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat deze post in onvoldoende rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde, te meer gelet op de datum van deze overnachting (3 op 4 september 2025) afgezet tegen de pleegdatum (1 september 2025). De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
Tot slot heeft de benadeelde vergoeding van de reiskosten (€ 17,-) voor het letselonderzoek gevorderd. De verdediging heeft betwist dat hiervoor treinkosten ter hoogte van dit bedrag zijn gemaakt. De benadeelde partij heeft dit (ter zitting) niet nader onderbouwd, zodat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De vordering tot vergoeding van materiële schade zal tot een bedrag van € 544,94 worden toegewezen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld, aangezien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van litteken op zijn borst en linker onderarm. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag aan smartengeld heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Daarbij heeft zij onder andere acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar de bedragen die worden toegewezen in geval van (paragraaf 10) littekens aan andere delen van het lichaam, aansluitend bij categorie (b) middelzware littekenvorming, waarvoor een bandbreedte is opgenomen van € 5.500,- tot € 16.000,-. De rechtbank heeft hierbij onder andere gelet op het feit dat er op meerdere plekken op het lichaam van de benadeelde partij littekens zijn ontstaan, waaronder één van 16 centimeter vlak onder de tepel en één op de onderarm van 8 centimeter, waarmee de benadeelde dagelijks wordt geconfronteerd. Alles afwegende acht de rechtbank een bedrag van € 7.500,-, dus een bedrag aan de onderkant van de schaal, billijk. Zij zal het smartengeld op dat bedrag vaststellen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is wettelijke rente verschuldigd over de toegewezen bedragen. Voor het smartengeld en de materiële schade in verband met de kledingstukken geldt daarvoor als ingangsdatum de pleegdatum (1 september 2025). Bij gebreke van stellingen over het moment waarop de benadeelde partij het eigen risico verschuldigd is geworden, zal de rechtbank bepalen dat de wettelijke rente over dat bedrag wordt toegekend met ingang van de vonnisdatum (3 september 2026).
De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 36 f, 45, 57, 63, 138, 266, 267, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2.1 en 8.12 van de Wet dieren.
10De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 899 (achthonderdnegenennegentig) dagen en bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 540 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Mondriaan op het adres John F. Kennedylaan 301 te Heerlen.
verdachte zich tijdens de proeftijd voor twaalf maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door FPA/FVA Mondriaan of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder meer gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en traumaproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Mondriaan of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder meer gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en traumaproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start nadat de klinische behandeling is afgesloten. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van (on)betaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur.
verdachte openheid geeft over zijn financiën en medewerking verleent aan budgetbeheer indien de reclassering dit nodig vindt. Tevens werkt verdachte, indien geïndiceerd, mee aan het aflossen van schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.
verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:
- De heer [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag] 1979, adres bekend bij het OM (niet bij de rechtbank),
- De heer [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag] 1982, adres bekend bij het OM (niet bij de rechtbank)
- Mevrouw [aangever 1] , geboren op [geboortedag] 1970, [adres] te Harderwijk.
- verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen een straal van 500 meter rondom de [adres] te Harderwijk.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de hiervoor genoemde voorwaarde (met uitzondering van het contact- en locatieverbod) en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Benadeelde partij [aangever 1]
verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van smartengeld;
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 2 van parketnummer 05-231104-25 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 544,94 aan materiële schade en € 7.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente over € 177,90 (materiële schade) en € 7.500,- (smartengeld) vanaf 1 september 2025, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over € 367,04 (materiële schade) vanaf 3 september 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 544,94 aan materiële schade en € 7.500,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente over € 177,90 (materiële schade) en € 7.500,- (smartengeld) vanaf 1 september 2025, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over € 367,04 (materiële schade) vanaf 3 september 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 65 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Klaasen (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en mr. C.J.M. van Oijen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Tuitert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 september 2026.
Ten aanzien van parketnummer 05-231104-25 is het bewijs terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 202509091 300. DOS, onderzoek BUGEL/ ON3R025056, gesloten op 13 november 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Ten aanzien van parketnummer 05-188271-25 is het bewijs terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025287223, gesloten op 19 juni 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Ten aanzien van parketnummer 05-149601-25 is het bewijs terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025223852, gesloten op 4 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 72 en 73.
Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 2] , p. 79 en 80.
Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 72 en 73.
Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 83 en 84.
Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 1] , p. 90 en 92.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 97.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 100 en 101.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 103.
Schriftelijk bescheid, inhoudende brief van het Ziekenhuis St. Jansdal, p. 183 en 185.
Schriftelijk bescheid, inhoudende medische informatie van Ziekenhuis St. Jansdal, p. 182.
Schriftelijk bescheid, inhoudende Letselonderzoek- en verslag zonder benoeming, p. 194 t/m 198.
Schriftelijk bescheid, inhoudende Letselonderzoek en-verslag zonder benoeming, p. 199 t/m 210.
Proces-verbaal van aangifte, p. 18 en 19.
Proces-verbaal van verhoort getuige [getuige 4] , p. 22 en 23.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 24 en 25.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 28 en 29.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , p. 31.
Schriftelijk bescheid, inhoudende brief dierenarts, p. 50.
Schriftelijk bescheid, inhoudende Waarschijnlijkheidsbepaling dierenmishandeling, apart dossier, p. 3 en 4.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 25.
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05-231104-25 + 05-149601-25 (gev. ttz) + 05-188271-25 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 3 september 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] (Syrië),
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .
Raadsvrouw: mr. C.E. Dijkhuis, advocaat in Alkmaar. Zij neemt waar voor mr. J.C. Duin, advocaat in Alkmaar.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 november 2025, 11 december 2026, 12 februari 2026, 9 september 2026, 25 juni 2026 en
20 augustus 2026.
1De inhoud van de tenlastelegging
Ten aanzien van parketnummer 05-231104-25
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven met een mes, althans een scherp voorwerp, meermaals, althans eenmalig, in de hand,
in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een snijwond in de duim, althans in de hand (waarvoor medisch ingrijpen noodzakelijk is geweest) heeft toegebracht,
door die [slachtoffer 1] meermaals, althans eenmalig, met een mes, althans een scherp voorwerp, in de hand, in elk geval in het lichaam, te snijden en/of steken;
2
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een snijwond van (ongeveer) 25 centimeter op de borst, althans op het lichaam, en/of met blijvend(e) litteken(s)
en/of ontsiering, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 2] meermaals, althans eenmalig, met een mes, althans een scherp voorwerp, in de borst en/of de linker onderarm, in elk geval in het lichaam, te snijden.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten die [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermaals, althans eenmalig, met een
mes, althans een scherp voorwerp, in de borst en/of de buik en/of de linker onderarm heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Ten aanzien van parketnummer 05-188271-25
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Harderwijk in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, [adres] bij een ander, te weten bij [aangever 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.
Ten aanzien van parketnummer 05-149601-25
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 14 mei 2025 te Harderwijk zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een dier, te weten een hond (genaamd [naam] ), pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van dat dier heeft benadeeld, door
- die hond meermalen op/tegen het lichaam te schoppen en/of trappen en/of
- die hond aan de halsband over straat/de weg te sleuren en/of aan de halsband (mee) te trekken en/of rukken en/of aan de halsband omhoog (van de grond) te trekken;
2
hij op of omstreeks 14 mei 2025 te Harderwijk opzettelijk een ambtenaar, te weten [aangever 2] , hoofdagent Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "Jij hoerenkind, ik neuk je in je kut", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder parketnummer 05-231104-25 primair tenlastegelegde feiten en de feiten onder de parketnummers 05-188271-25 en 05-149601-25.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de feiten onder parketnummer 05-231104-25 vrijspraak bepleit vanwege een gebrek aan opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin. Verder is zowel bij [slachtoffer 2] als bij [slachtoffer 1] geen sprake van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het feit onder parketnummer 05-188271-25 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Het verhaal van verdachte staat haaks op het verhaal van aangeefster en er zijn geen onafhankelijke getuigen die hebben waargenomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan huisvredebreuk. Ten aanzien van de feiten onder parketnummer 05-149601-25 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1. Verdachte ontkent de hond te hebben geslagen of geschopt. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van parketnummer 05-231104-25
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat op 1 september 2025 een ruzie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 2] over een vijf euro briefje. Later die dag zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar de woning van verdachte gegaan. Over wat daar heeft plaatsgevonden, lopen de verhalen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en verdachte uiteen. De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden wat er precies is gebeurd.
Aangevers
Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 1 september 2025 samen met [slachtoffer 1] was. Op een gegeven moment werd [slachtoffer 1] gebeld door verdachte. Verdachte zei dat hij [slachtoffer 2] moest hebben. [slachtoffer 1] heeft de telefoon aan [slachtoffer 2] gegeven. [slachtoffer 2] hoorde verdachte zeggen dat hij hem zou fucken en dat hij de vijf euro bij [slachtoffer 2] terug zou halen. Ze kregen ruzie en [slachtoffer 2] zei dat hij naar verdachte toe zou komen. Een minuut later belde [slachtoffer 2] naar de politie dat hij naar verdachte ging, naar [adres] in Harderwijk.
[slachtoffer 2] is daar naartoe gegaan, heeft aangebeld en is vervolgens teruggelopen naar het fietspad. Verdachte kwam naar buiten en in zijn zakken zag [slachtoffer 2] een schittering van een mes. Verdachte zei direct ‘Ga weg of ik maak je dood’ en bleef achter [slachtoffer 2] aanlopen. [slachtoffer 2] bleef staan en zei tegen verdachte dat hij beter naar achteren kon lopen. Verdachte zei toen nog een keer ‘Ik maak je dood’. [slachtoffer 2] heeft verdachte toen twee klappen gegeven en hij liep daarna terug. Hij was verdachte even kwijt en hoorde vervolgens een vrouw roepen dat hij naast hem stond. Verdachte stond naast [slachtoffer 2] en zwaaide met het mes. [slachtoffer 2] deed zijn arm omhoog om zichzelf te beschermen en is daardoor in zijn onderarm geraakt met het mes. [verdachte] bleef zwaaien met het mes en [slachtoffer 2] moest dit ontwijken. [slachtoffer 2] is met het mes geraakt op zijn linkerborst, in zijn linkerzij en net boven zijn navel. [slachtoffer 1] kwam toen tussen [slachtoffer 2] en verdachte in en gooide zijn rugzak tussen hen in om het mes uit verdachte zijn handen weg te halen. Dit lukte niet. Verdachte maakte vervolgens stekende bewegingen met het mes richting [slachtoffer 1] . Hij liep verwondingen op bij zijn linkerhand. [slachtoffer 1] viel op de grond en probeerde zich te weren. Hij werd hierop geraakt met het mes in zijn linker onderarm. Er kwamen omstanders om te helpen met de verwondingen waarna verdachte terugliep naar zijn woning. Het mes was een zilverkleurig anti val mes van ongeveer 15 centimeter inclusief lemmet, aldus [slachtoffer 2] .
Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij die dag eerst telefonisch spraakmemo’s van verdachte heeft gekregen, maar dat hij niet verstond wat verdachte daarop zei. Verdachte stuurde ook de locatie van zijn huis. Daar moesten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naartoe komen. Toen ze bij zijn huis aankwamen, kwam verdachte met een mes op hen af. [slachtoffer 1] viel op de grond en moest het mes afweren met zijn tas, handen en benen. [slachtoffer 1] heeft naar verdachte getrapt, terwijl hij met het mes werd gestoken. Verdachte sneed meerdere keren met het mes. [slachtoffer 1] voelde het op zijn hand en zag later ook dat het mes zijn borst had geraakt. Daarnaast heeft hij een grote wond op zijn linker onderarm en zijn linker duim. Hij heeft ook nog twee krassen op zijn borst, eentje op zijn rechterborst tussen zijn navel en tepel en eentje net boven zijn linker tepel op zijn borst. Het betrof een mes dat je uit moest klappen met een bruin handvat en een zilver lemmet. Het was ongeveer 15 tot 18 centimeter.
In een aanvullend verhoor heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij zijn fiets had neergezet bij een hek. Dit was ongeveer 10 meter van het huis af. [slachtoffer 1] bleef bij de fietsen staan en [slachtoffer 2] ging naar de woning. [slachtoffer 2] ging naar de intercom en toen kwam verdachte naar buiten. Ze begonnen in het Nederlands te praten. Ze stonden ongeveer 5 meter van de buitendeur. Op het moment dat zij praatten, zag [slachtoffer 1] dat verdachte het mes achter uit zijn broek pakte. Verdachte had het mes in de kontzak van zijn broek zitten. [slachtoffer 1] zag dat verdachte met het mes van boven naar beneden over de borstkast van [slachtoffer 2] ging. [slachtoffer 1] zag dat [slachtoffer 2] weg begon te rennen. Vervolgens pakte [slachtoffer 1] zijn rugzak om het mes weg te slaan en begon hij zichzelf te verdedigen. Hij is daarbij op de grond gevallen. Toen hij op de grond lag, bleef verdachte op [slachtoffer 1] in steken. [slachtoffer 1] heeft geprobeerd het mes uit zijn handen te trappen. Verdachte heeft meer dan vijf keer geprobeerd om hem te steken. Hij hoorde ook dat verdachte zei: ‘I’ll kill you’.
Getuigen
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij aan het werk was in zijn tuin en over de schutting keek. Getuige zag een gevecht en zag op dat moment een man op de grond liggen. Hij zag dat zijn buurman zich naar de man op de grond boog en met het mes uithaalde. De man op de grond schreeuwde het uit.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij buiten geschreeuw hoorde en verdachte boven op een ander persoon zag. Eerst dacht hij dat verdachte de andere persoon drie of vier keer achter elkaar sloeg. Hij zag namelijk dat verdachte een zwaaiende beweging van achter naar voren maakte en insloeg op de persoon die met ingetrokken armen en benen zichzelf probeerde te beschermen. Getuige schreeuwde naar verdachte dat hij moest stoppen. Toen draaide verdachte zich om en zag getuige dat hij een mes in zijn rechterhand had. Verdachte kwam toen op getuige af en stopte op 50 centimeter voor hem. Getuige hoorde hem zeggen ‘Ik maak iedereen af’. Doordat verdachte op getuige af kwam lopen, kon de andere man weglopen.
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij een hoop geschreeuw hoorde. Hij zag een man op de grond liggen. Verdachte zat boven op hem en prikte hem met het mes. Getuige hoorde ze schreeuwen. Getuige zag dat [getuige 2] naar hen toeliep en verdachte van de man afhaalde.
Tussenconclusie
Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, nadat hij twee klappen heeft gehad van [slachtoffer 2] , direct meerdere steekbewegingen met een mes gemaakt heeft richting [slachtoffer 2] en hem hierbij heeft geraakt op zijn borst, linkerzijde van de onderbuik en linker onderarm. Vervolgens heeft verdachte zich gericht op [slachtoffer 1] , waarbij [slachtoffer 1] op een gegeven moment op de grond viel. Terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag, heeft verdachte meerdere keren met het mes op hem ingestoken, terwijl [slachtoffer 1] het mes probeerde af te weren met onder andere zijn handen.
Letsel
Uit de brief van het Ziekenhuis St. Jansdal blijkt dat bij [slachtoffer 2] sprake was van een steekverwonding thorax, abdomen en rechteronderarm zonder pees en vaatletsel. Bij de thorax was sprake van een forse laceratie links tot aan de fascia waarbij de spierbundel zichtbaar was en bij de rechteronderarm is sprake van een diepe wond. Alle verwondingen zijn gehecht. Uit de medische informatie van het ziekenhuis blijkt dat de geschatte duur van de genezing tussen de 14 en 28 dagen was. Uit het letselonderzoek dat op 8 september 2025 bij [slachtoffer 2] is verricht volgt dat hij ter hoogte van zijn linkerborst een scherp begrensde horizontale streepvormige huidbeschadiging had van circa 16 centimeter. Er waren op dat moment 21 hechtingen aanwezig. Op de linkerzijde van de onderbuik bevond zich een scherpe huidonderbreking van circa 9 centimeter. Hier waren 11 hechtingen zichtbaar. In het midden van de strekzijde van de linkerarm was een diagonaal lopende rode scherpe huidonderbreking te zien van circa 8 centimeter, waarbij 10 hechtingen zichtbaar waren.
Uit het letselonderzoek dat op 8 september 2025 bij [slachtoffer 1] is verricht, volgt dat er letsel aan de buigpees van de duim en de zenuw in de duim is geconstateerd. Hieraan is [slachtoffer 1] geopereerd. Zowel het peesletsel als het zenuwletsel is gehecht. Uit het letselonderzoek blijkt dat [slachtoffer 1] op zijn linker onderarm een streepvormige huisonderbreking heeft van circa 5 centimeter dwars over de lenterichting van de arm. Aan de buigzijde van de linkerhand verlopend van het polsgewricht tot aan het midden van de handpalm bevindt zich een scherpe huidonderbreking van 3,5 centimeter. Aan de binnenzijde van de linkerhand op de duimmuis en op de linkerduim zijn een drietal scherpe huidonderbrekingen te zien die met elkaar in verbinding staan in de vorm van een Z van circa 2 centimeter, 3 centimeter en 2,5 centimeter. Op de linkerborst 3 tot 4 centimeter boven de tepel bevindt zich een enkele diagonaal lopende scherp begrensde streepvormige huidbeschadiging van circa 2,5 centimeter. Aan de rechterkant van de borstkas op de overgang van de borst naar de buik bevindt zich een enkele scherp begrensde diagonaal verlopende huidbeschadiging van circa 4 centimeter.
Conclusie
Verdachte wordt primair verweten dat hij [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer 2] met een mes op de borst en linker onder arm heeft geraakt. Hierdoor is op de borst een snijwond van ongeveer 16 centimeter en op de onderbuik een snijwond van 9 centimeter ontstaan. Bij de borst was de spierbundel zichtbaar. Op de linker onderarm was een diepe (snij)wond van ongeveer 8 centimeter ontstaan.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of deze snijwonden als zwaar lichamelijk letsel kunnen worden gekwalificeerd. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd.
De rechtbank stelt vast dat het gaat om diepe snijwonden waarbij ook spierweefsel zichtbaar was. Alle snijwonden moesten ook worden gehecht en daarbij zijn in totaal 42 hechtingen geplaatst. Er is sprake van forse littekens op de buik. Gelet op hoeveelheid snijwonden, de plek van de snijwonden en de daardoor ontstane littekens en het daarmee gepaard gaande ontsierend effect ervan en de diepte en lengte van deze wonden, is de rechtbank van oordeel dat het letsel kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.
Verdachte heeft dit zwaar lichamelijk letsel veroorzaakt door met kracht met een mes snijdende bewegingen te maken in de borsttreek en buikstreek van [slachtoffer 2] . Bij dergelijk handelen is het risico op zwaar lichamelijk aanmerkelijk. Door zijn handelen heeft verdachte het risico op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel op de koop toegenomen. Aldus heeft verdachte voorwaardelijk opzet op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel gehad. De rechtbank acht het primair tenlastegelegde onder feit 2 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Verder wordt verdachte onder 1 primair verweten dat hij [slachtoffer 1] heeft gepoogd van het leven te beroven. Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer 1] heeft gestoken terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag. Daarbij heeft verdachte onder andere de duim, linker onderarm en borst van [slachtoffer 1] geraakt. Dit is gebeurd in een poging verdachte af te weren onderscheidenlijk zichzelf te beschermen, zo volgt uit de aangifte van [slachtoffer 2] en de getuigenverklaring van [getuige 2] . De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of deze gedragingen van verdachte kunnen worden gekwalificeerd als een poging doodslag. Hiervoor moet de rechtbank vaststellen dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, namelijk het bovenop iemand zitten die op dat moment op de grond ligt en die persoon meermalen steken met een mes, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als zijnde zo zeer gericht op de dood dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Aan dit oordeel draagt bij dat bij [slachtoffer 1] ook op twee plekken op de borst scherpbegrensde huidonderbrekingen zijn geconstateerd. De rechtbank gaat er op basis van de voorgaande bewijsmiddelen vanuit dat ook deze verwondingen door verdachte met zijn mes zijn toegebracht. In de borst bevinden zich vitale organen. Door met zijn mes in die richting te steken, is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . De rechtbank acht daarom de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging doodslag wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van parketnummer 05-188271-25
Aangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat zij op 18 juni 2025 in haar woning aan [adres] in Harderwijk een pakketje geadresseerd aan haar buurman, verdachte, heeft aangenomen, omdat verdachte niet thuis was. Op 19 juni 2025 was aangeefster in haar badkamer. Ze hoorde dat er lang werd aangebeld en hard op de deur werd gebonkt terwijl zij in bad zat. Aangeefster hoorde daarna geritsel van planten en gestommel rondom haar woning. Ze hoorde daarna nog meer gestommel in de nabijgelegen kamer. Aangeefster keek in de richting van de slaapkamer en zag verdachte in de slaapkamer staan. Ze zag dat hij haar even aankeek en stilstond. Aangeefster schreeuwde naar verdachte dat hij weg moest gaan. Ze zag dat hij de slaapkamer verliet en richting haar keuken liep. Daar stond hij kort stil. Daarna liep hij richting haar hal. Verdachte pakte het pakketje, dat eerder voor hem bij haar was afgeleverd, en verliet de woning.
Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij de begeleider van verdachte is. Op 19 juni 2025 had getuige een begeleidingsmoment met verdachte. Verdachte vertelde dat hij al twee dagen bij zijn buurvrouw had aangebeld voor zijn pakketje, maar dat niemand opendeed. Ze zijn nog samen naar de woning gegaan om te kijken of de buurvrouw thuis was, maar dit was niet het geval. Later op de dag belde verdachte getuige in paniek op dat hij het pakketje bij de buurvrouw had gepakt en dat hij bang was dat dat voor problemen zou zorgen. Getuige is direct naar hem toegereden en toen was de politie al ter plaatse. Verdachte vertelde dat hij via het slaapkamerraam naar binnen was gegaan. Hij zag dat de buurvrouw onder de douche stond. Hij is daarna snel naar zijn pakketje gegaan om vervolgens weer de woning uit te gaan.
Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Iemand die zichzelf toegang tot een woning verschaft door via het slaapkamerraam naar binnen te klimmen zonder dat degene bij wie die woning in gebruik is hiervan op de hoogte is, wordt geacht wederrechtelijk te zijn binnengedrongen.
Ten aanzien van parketnummer 05-149601-25
Feit 1
Op 14 mei 2025 gingen agenten naar de straat [adres] in Harderwijk naar aanleiding van een melding dat iemand een man samen met een Duitse herder zag lopen en dat de man de hond een harde trap had gegeven. Ter plaatse zagen verbalisanten verdachte samen met de hond. Verbalisanten zagen dat de hond op de grond lag en piepende geluiden maakte. De hond probeerde op te staan, maar dit lukte niet omdat hij door zijn poten zakte. Hierbij maakte hij nog meer piepende geluiden. Het was zichtbaar dat de hond gewond was en pijn had. De hond had enorm veel moeite met lopen en bleef steeds op zijn buik liggen. Verbalisanten zagen verder dat de hond mank liep en dat hij zich meermaals verstapte met zijn linker voorpoot.
Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij op 14 mei 2025 over de Stationslaan in Harderwijk liep. Hij zag dat een man naar een Mechelse herder liep en deze mee wilde nemen. Getuige zag dat de hond probeerde te lopen, maar duidelijk veel pijn had en gewond was. De hond kon moeizaam lopen en zette maar kleine korte stapjes. Getuige zag dat de man de hond bij zijn halsband pakte en de hond aan de halsband over straat sleurde. Daarna liep de man een soort steeg in. Getuige zag dat de man een trap tegen de borstkas van de hond aan gaf. Dit deed hij met zijn voet. Het was een volle uithaal, met kracht. Getuige heeft toen de politie gebeld. De man die is aangehouden door de politie is 100% de man die de hond heeft geschopt.
Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat zij op 14 mei 2025 op haar balkon stond. Zij woont aan [adres] in Harderwijk. Getuige hoorde ineens geschreeuw en zag een man met een hond in de steeg. De hond lag op de grond. Getuige zag toen dat de man met beide handen de halsband van de hond vastpakte en tot twee keer toe met kracht aan de halsband van de hond trok. Door de kracht die de man zette, kwam de hond een stukje van de grond. De hond stond toen. Vervolgens zag getuige dat de man zijn hond een schop gaf. Getuige hoorde de hond daarna heel hard piepen dan wel een jankend geluid maken.
Op 14 mei 2025 is de hond, genaamd [naam] , onderzocht door de dierenarts. Uit het verslag blijkt dat zijn nagels wat zijn afgesleten en dat alle vier de poten kapotte zoolkussens hebben. Het eelt laat op grote delen los. Dit zijn verse laesies. Oppervlakkige palpatie van de rug en ribkorf is pijnlijk.
Uit de waarschijnlijksheidsbepaling blijkt dat de waarschijnlijkheid dat de hond is mishandeld wordt ingeschat als zeer waarschijnlijk, namelijk een 8 op de schaal van 1 tot en met 10. Hierbij is leidend de combinatie van de lichamelijke (pijnlijke) problematiek van de hond, waaronder de waarneembare schade aan de voetzoolkussens, mogelijk oud trauma (oorzaak onbekend), de melding van 14 mei 2025 over dat de hond geschopt is en de beambten die dan ter plaatse komen en een hond treffen die zeer veel pijn lijkt te hebben en de waarneming bij de gedragsobservatie van 12 juni 2025 van het direct overgaan tot vermijden bij een slagbeweging.
Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank feit 1 wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Verbalisant [aangever 2] was op 14 mei 2025 op het [adres] in Harderwijk naar aanleiding van de melding dierenmishandeling. Verbalisant [aangever 2] nam een vrouw apart om een verklaring af te nemen. Terwijl verbalisant met de vrouw in gesprek was, hoorde verbalisant verdachte luid schelden in de Turkse taal. Daarbij keek verdachte de verbalisant aan. Aangezien verbalisant de Turkse taal vloeiend spreekt en verstaat, begreep ze direct wat er werd gezegd. Verbalisant hoorde verdachte in de Turkse taal naar haar roepen: ‘Jij hoerenkind, ik neuk je in je kut’. Verbalisant liep naar verdachte toe en gaf aan dat ze zijn woorden volledig had verstaan en dit gedrag onacceptabel vond. Bij een tweede keer zou hij aangehouden worden voor belediging. Verbalisant hoorde verdachte daarna opnieuw in het Turks dezelfde grove beledigingen uiten. Hoewel deze woorden mogelijk niet door omstanders begrepen werden, voelde verbalisant zich door de uitlatingen in haar eer aangetast en beledigd. Verdachte wist dat verbalisant de taal spreekt en begreep dus heel goed wat hij deed. Zeker omdat zij hem daarvoor had gewaarschuwd en aan had gegeven te kunnen verstaan wat er gezegd werd. Verbalisant zag dat verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding ‘Hé Turk’ riep. De beledigingen werden door verdachte op niet mis te verstane wijze geschreeuwd, waardoor in woord en gebaar voor omstanders duidelijk was dat verdachte verbalisant doelbewust wilde beledigen.
Op grond van het bovengenoemde acht de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft de hiervoor genoemde woorden opzettelijk geuit tegen een verbalisant die de Turkse taal machtig is en dit is verdachte ook medegedeeld door de verbalisant. De tekst is naar zijn aard beledigend en verbalisant heeft deze tekst ook beledigend opgevat. De verklaring van verdachte dat verbalisant hem eerst heeft beledigd en dat hij haar daarom terug beledigde, acht de rechtbank niet aannemelijk omdat dit nergens door wordt ondersteund.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Ten aanzien van parketnummer 05-231104-25
1, primair
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven met een mes, althans een scherp voorwerp, meermaals, althans eenmalig, in de hand,
in elk geval in het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2, primair
hij op of omstreeks 1 september 2025 te Harderwijk, in elk geval in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een snijwond van (ongeveer) 25 centimeter op de borst, althans op het lichaam, en/of met blijvend(e) litteken(s)
en/of ontsiering, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 2] meermaals, althans eenmalig, met een mes, althans een scherp voorwerp, in de borst en/of de linker onderarm, in elk geval in het lichaam, te snijden.
Ten aanzien van parketnummer 05-188271-25
hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Harderwijk in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, [adres] bij een ander, te weten bij [aangever 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.
Ten aanzien van parketnummer 05-149601-25
1
hij op of omstreeks 14 mei 2025 te Harderwijk zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een dier, te weten een hond (genaamd [naam] ), pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van dat dier heeft benadeeld, door
- die hond meermalen op/tegen het lichaam te schoppen en/of trappen en/of
- die hond aan de halsband over straat/de weg te sleuren en/of aan de halsband (mee) te trekken en/of rukken en/of aan de halsband omhoog (van de grond) te trekken;
2
hij op of omstreeks 14 mei 2025 te Harderwijk opzettelijk een ambtenaar, te weten [aangever 2] , hoofdagent Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "Jij hoerenkind, ik neuk je in je kut", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 05-231104-25
feit 1, primair:
poging tot doodslag
feit 2, primair:
zware mishandeling
Ten aanzien van parketnummer 05-188271-25
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
Ten aanzien van parketnummer 05-149601-25
feit 1:
zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren
feit 2:
eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
5De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
6De strafbaarheid van verdachte
Verdachte is ten aanzien van de feiten onder parketnummer 05-149601-25 en 05-188271-25 strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Ten aanzien van parketnummer 05-231104-25
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten onder parketnummer 05-231104-25 primair op het standpunt gesteld dat sprake was van een noodweersituatie, omdat verdachte als eerste is aangevallen door [slachtoffer 2] . Hij heeft gehandeld uit zelfverdediging. Zijn handelen was ook proportioneel, omdat hij bij zijn woning werd geconfronteerd met twee mannen. Daarmee ging het om een situatie van twee tegen één. Het mes is gebruikt als verdedigingsmiddel om afstand te creëren en was als middel niet gericht om (ernstig) letsel toe te brengen. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat, als de rechtbank van oordeel is dat verdachte bij zijn verdediging de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, sprake is van een geslaagd beroep op noodweerexces. Er was bij verdachte sprake van een hevige gemoedsbeweging die rechtstreeks voortvloeide uit de onverwachte confrontatie met twee personen en het geweld dat tegen verdachte werd gebruikt.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte zelf de deur open heeft gedaan, terwijl [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] een eind verderop stonden. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte direct is aangevallen. Een enkele vrees dat hij zou worden aangevallen, is in deze specifieke situatie onvoldoende. De situatie was niet zodanig bedreigend voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging door verdachte noodzakelijk en geboden was. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat, indien de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake was van een noodweersituatie, het beroep op noodweer faalt. Er is namelijk niet gebleken dat [slachtoffer 2] dan wel [slachtoffer 1] verdachte met een mes dan wel nagelknipper als eerste zou hebben gestoken. Dan blijven de mogelijke vuistslagen en trappen die beide slachtoffers hebben uitgedeeld over. Dat zouden zij hebben gedaan ter verdediging. Als zij daarmee zijn begonnen, dan was verdediging noodzakelijk en geboden, maar dan is niet proportioneel door verdachte gereageerd. In alle gevallen faalt het beroep op noodweer. Verdachte komt tot slot ook geen beroep op noodweerexces toe, want een eventuele hevige gemoedsbeweging is niet veroorzaakt door de aanranding.
Beoordeling door de rechtbank
Voor noodweer in de zin van artikel 41 Wetboek van Strafrecht dient sprake te zijn van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf, eerbaarheid of goed van verdachte of een ander waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Bij de beantwoording van de vraag of van noodweer sprake is, dient de rechtbank eerst de vraag te beantwoorden of sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf, eerbaarheid of goed (een noodweersituatie).
De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn naar de woning van verdachte gegaan. [slachtoffer 2] heeft aangebeld en verdachte is naar buiten gekomen en had daarbij een mes bij zich. Buiten is het tot een confrontatie gekomen, waarbij [slachtoffer 2] verdachte als eerste twee klappen heeft gegeven. Verdachte zegt dat [slachtoffer 2] meteen bij de voordeur heeft geslagen, [slachtoffer 2] zegt dat verdachte eerst de weg op kwam lopen en daar al aan het dreigen was.
Echter, zelfs indien de rechtbank uit zou gaan van de lezing van verdachte dat [slachtoffer 2] meteen heeft geslagen, dan nog kan een beroep op noodweer niet slagen. Verdachte is zelf met een mes naar de voordeur gegaan en heeft vervolgens in reactie op het slaan [slachtoffer 2] meerdere keren gestoken. Deze gedragingen staan naar het oordeel van de rechtbank in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding en overschrijden de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Daarbij komt dat verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken door naar binnen te gaan. Het beroep op noodweer ten aanzien van de aanranding door [slachtoffer 2] slaagt dan ook niet.
Vervolgens is de vraag of met betrekking tot feit 2 sprake was van noodweerexces. De rechtbank moet daartoe beoordelen of aannemelijk is geworden dat verdachte als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging in zijn verdediging verder is gegaan dan geboden was. Hiervoor acht de rechtbank de berichten uit de onderzochte telefoon van [slachtoffer 1] relevant. Op 1 september 2025 om 18.01 uur is met de telefoon van [slachtoffer 1] een spraakbericht gestuurd naar verdachte. In dat spraakbericht wordt onder andere het volgende gezegd: ‘Ik ben nu onderweg naar jou toe hé. Ik sta letterlijk en figuurlijk bijna bij jou in de buurt. Als jij een man bent, kom jij naar buiten.’. Om 18.03 uur reageert verdachte daarop met het volgende bericht: ‘I com so ther then we see’. Uit deze berichten maakt de rechtbank op dat verdachte wist dat [slachtoffer 2] (en [slachtoffer 1] ) naar hem toe zouden komen en er een confrontatie zou plaatsvinden. Vervolgens heeft verdachte deze confrontatie opgezocht en de deur open gedaan, waarbij hij een mes bij zich had. Voor zover al sprake was van een hevige gemoedsbeweging is deze niet is veroorzaakt door de twee klappen van [slachtoffer 2] , maar al eerder bij verdachte was veroorzaakt als gevolg van de ruzie tussen verdachte en de aangevers. Verdachte was niet bang maar kwaad, hetgeen ook blijkt uit het feit dat hij, nadat [slachtoffer 2] gewond was door het steken, achter [slachtoffer 1] is aangegaan, van wie op dat moment geen dreiging uitging. Het beroep op noodweerexces slaagt dan ook niet.
Verdachte is ook met betrekking tot feit 2 strafbaar.
Ten aanzien van hetgeen is bewezenverklaard onder feit 1 (poging tot doodslag van [slachtoffer 1] ) is van een noodweersituatie geen sprake. Dat sprake was van een aanranding door [slachtoffer 1] is niet aannemelijk geworden. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer. Nu niet aannemelijk is dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond, kan ook geen sprake zijn van noodweerexces. Verdachte is dan ook strafbaar met betrekking tot feit 1.
7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft primair gevorderd aan verdachte een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest, dit zijn 355 dagen als verdachte de dag na de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak terecht kan in de Mondriaankliniek, en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van een locatieverbod voor het adres van [slachtoffer 2] , te worden verbonden. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat deze bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie oplegging van een gevangenisstraf van 42 maanden gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit aan verdachte een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest zonder voorwaardelijk deel op te leggen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om, in het geval er wel een voorwaardelijk strafdeel aan verdachte wordt opgelegd, daaraan de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte per [geboortedag] 2026 in een kliniek wordt geplaatst.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag, een zware mishandeling, huisvredebreuk, dierenmishandeling en de belediging van een politieagente. Op 1 september 2025 heeft een ruzie plaatsgevonden tussen verdachte en een van de slachtoffers over een briefje van vijf euro. Hierop zijn de slachtoffers naar de woning van verdachte gegaan en daar is het helemaal uit de hand gelopen. Nadat verdachte twee klappen had gekregen van een van de slachtoffers, heeft verdachte met een mes meerdere steekbewegingen gemaakt richting dit slachtoffer. Hierdoor heeft het slachtoffer forse steekwonden op zijn borst en linker onderarm opgelopen. Vervolgens heeft verdachte zich gericht op het andere slachtoffer en, nadat dit slachtoffer op de grond was gevallen, meermalen op hem ingestoken. Doordat het slachtoffer zichzelf probeerde te beschermen met onder andere zijn handen, heeft hij fors letsel aan zijn duim opgelopen. Dergelijk geweld maakt een inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dit geldt temeer nu meerdere mensen getuige waren van dit geweld en zich genoodzaakt hebben gezien ook in te grijpen.
Verder is verdachte wederrechtelijk de woning van zijn buurvrouw binnengedrongen om daar zijn pakketje, dat eerder bij haar was bezorgd, te pakken. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het grote indruk op het slachtoffer heeft gemaakt dat zij, terwijl zij rustig in bad zat, ineens met verdachte werd geconfronteerd. Dat dat voor haar heel beangstigend is geweest, kan de rechtbank zich goed voorstellen.
Tot slot heeft verdachte zijn hond mishandeld en een politieagente beledigd.
Uit de justitiële documentatie van 26 mei 2026 blijkt onder andere dat verdachte in de afgelopen vijf jaar meermalen is veroordeeld voor belediging van een ambtenaar in functie, waarbij de meest recente veroordeling was op 23 september 2025. Voor deze belediging (samen met een vernieling en wederspannigheid) is een gevangenisstraf van één maand opgelegd.
Uit het reclasseringsadvies van 19 juni 2026 blijkt dat verdachte in 2015 vanuit Syrië naar Nederland is gekomen en al vrij snel in beeld kwam bij justitie. Er is sprake van instabiliteit op het gebied van huisvesting, middelengebruik en er worden problemen in zijn psychosociaal functioneren gezien. Hierbij wordt onder meer gedoeld op een beperkte impulscontrole, traumaklachten en lage cognitieve vermogens. Alcoholgebruik in combinatie met de genoemde psychische problematiek lijken (ten dele) de oorzaak van agressief gedrag. Verdachte neemt geen verantwoordelijkheid voor de tenlasteleggingen en is wantrouwend richting instanties. Hij is bekend met het niet nakomen van afspraken. Er worden op dit moment geen beschermende factoren gezien. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Een ambulant traject is eerder geprobeerd, maar dit heeft niet geleid tot gedragsverandering. De reclassering acht een klinisch traject een passende stap. De reclassering adviseert daarom aan verdachte op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende voorwaarden: meldplicht, opneming in een zorginstelling (Mondriaankliniek), ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, beheersing middelengebruik, dagbesteding, openheid geven zijn financiën, een contactverbod met [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [aangever 1] en een locatieverbod voor de [adres] in Harderwijk en het adres van [slachtoffer 2] . De reclassering adviseert om deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij bereid is om naar de kliniek te gaan als dat nodig is en zich aan de voorwaarden te houden.
Gelet op de ernst van de strafbare feiten, en dan met name de poging doodslag en de zware mishandeling, acht de rechtbank een gevangenisstraf van langere duur passend. De rechtbank acht het echter ook noodzakelijk dat verdachte de juiste behandeling krijgt en hiervoor opgenomen wordt in een kliniek. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte per 26 augustus 2026 terecht kon in de Mondriaankliniek en de rechtbank heeft om die reden de voorlopige hechtenis per die datum geschorst. De rechtbank acht het van belang dat dit (prille) ingezette traject niet wordt doorkruist met een nog langere gevangenisstraf. Om die reden zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die gelijk is aan het voorarrest. Daarnaast acht de rechtbank een forse voorwaardelijke gevangenisstraf passend. Hiermee wil de rechtbank de ernst van de feiten tot uitdrukking brengen en het dient daarbij ook als stok achter de deur voor verdachte. Alles afwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 540 dagen passend. Dit betekent dat de rechtbank een gevangenisstraf van 899 dagen zal opleggen waarvan 540 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, en een proeftijd van 3 jaar. Verdachte heeft het onvoorwaardelijk deel al helemaal uitgezeten en kan dan aansluitend klinisch worden behandeld. Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. Verdachte krijgt daarmee de kans om aan zichzelf te werken. Mocht dat om wat voor reden dan ook niet lukken, dan heeft dat tot gevolg dat verdachte alsnog een bij de feiten passende gevangenisstraf zal dienen uit te gaan zitten.
De rechtbank zal geen locatieverbod opnemen voor het adres van slachtoffer [slachtoffer 2] , omdat vanwege het zwervende bestaan van dit slachtoffer geen adres bekend is.
De rechtbank zal eveneens geen dadelijk uitvoerbaarheid bevelen maar kiest ervoor om in plaats daarvan het onder dezelfde voorwaarden reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis te laten doorlopen. Op die manier wordt hetzelfde beoogd, namelijk dat verdachte lopende een eventueel hoger beroep in de kliniek verblijft, terwijl een eventuele overtreding niet leidt tot executieperikelen rondom een niet-onherroepelijk vonnis maar tot opheffing van een schorsing.
8De beoordeling van de civiele vorderingen
Ten aanzien van parketnummer 05-188271-25
De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met het tenlastegelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 400,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Enkel schending van het huisrecht en zonder nadere onderbouwing is onvoldoende om een aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden gematigd tot een bedrag van € 150,-.
Overwegingen van de rechtbank
De benadeelde partij heeft gesteld dat zij door het handelen van verdachte ‘op andere wijze in de persoon’ is aangetast. Ter onderstreping van de aard en ernst van de normschending in dit geval heeft de benadeelde partij erop gewezen dat juist de woning voor een slachtoffer een veilige, onschendbare plek dient te zijn, omdat het privéleven in die woning haar basis heeft. In de onderhavige zaak is verdachte via het slaapkamerraam de woning van benadeelde binnengegaan om zijn pakketje te pakken. Op dat moment lag benadeelde in bad en hoorde gestommel rond haar slaapkamer. Benadeelde is gaan kijken en zag toen dat verdachte in haar slaapkamer stond. De rechtbank wil zonder meer aannemen dat dit een beangstigende situatie is geweest voor benadeelde. Uit de jurisprudentie - óók uit het door de benadeelde aangehaalde arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:1465) - blijkt weliswaar dat niet is uitgesloten dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer, voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. En daartoe is in onderhavige zaak, concreet met betrekking tot de voor de benadeelde specifieke gevolgen, onvoldoende voorhanden. Hetgeen de benadeelde ter zitting heeft aangevoerd en de verwijzingen naar jurisprudentie volstaan daarvoor niet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW niet kan worden vastgesteld. De rechtbank zal de benadeelde partij bij gebrek aan een wettelijke grondslag dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot vergoeding van immateriële schade.
Ten aanzien van parketnummer 05-231104-25
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 672,19 aan materiële schade, € 16.000,- aan smartengeld en € 17,- aan proceskosten, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van het eigen risico kan worden toegewezen. Ten aanzien van de kleding kan een bedrag worden geschat. De posten die zien op de hotelovernachting en reiskosten voor het letselonderzoek zijn onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade dient dit bedrag gematigd te worden tot € 1.500,-. Voor het toegewezen deel van de vordering verzoekt de officier van justitie de wettelijke rente toe te kennen en vordert zij verder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de posten die zien op de hotelovernachting, kleding en reiskosten onvoldoende is onderbouwd en moet worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag moet worden gematigd tot € 1.000,-.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 672,19 aan materiële schade gevorderd. Dit bedrag bestaat uit drie posten: eigen risico van € 367,04, kleding van € 177,90 en een hotelovernachting van € 127,25.
Dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het strafbare handelen van verdachte het eigen risico (€ 367,04) verschuldigd is geworden, is niet betwist, dus is dit bedrag voor toewijzing vatbaar.
Wat betreft de gevorderde kosten in verband met de schade aan de kleding van de benadeelde (€ 177,90) is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist dat het deze concreet aangeduide kledingstukken met deze waarde zouden betreffen die als gevolg van de steekpartij bebloed zijn geraakt. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen.
Ten aanzien van de gevorderde kosten in verband met de hotelovernachting (€ 127,25) is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat deze post in onvoldoende rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde, te meer gelet op de datum van deze overnachting (3 op 4 september 2025) afgezet tegen de pleegdatum (1 september 2025). De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
Tot slot heeft de benadeelde vergoeding van de reiskosten (€ 17,-) voor het letselonderzoek gevorderd. De verdediging heeft betwist dat hiervoor treinkosten ter hoogte van dit bedrag zijn gemaakt. De benadeelde partij heeft dit (ter zitting) niet nader onderbouwd, zodat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De vordering tot vergoeding van materiële schade zal tot een bedrag van € 544,94 worden toegewezen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld, aangezien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van litteken op zijn borst en linker onderarm. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag aan smartengeld heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Daarbij heeft zij onder andere acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar de bedragen die worden toegewezen in geval van (paragraaf 10) littekens aan andere delen van het lichaam, aansluitend bij categorie (b) middelzware littekenvorming, waarvoor een bandbreedte is opgenomen van € 5.500,- tot € 16.000,-. De rechtbank heeft hierbij onder andere gelet op het feit dat er op meerdere plekken op het lichaam van de benadeelde partij littekens zijn ontstaan, waaronder één van 16 centimeter vlak onder de tepel en één op de onderarm van 8 centimeter, waarmee de benadeelde dagelijks wordt geconfronteerd. Alles afwegende acht de rechtbank een bedrag van € 7.500,-, dus een bedrag aan de onderkant van de schaal, billijk. Zij zal het smartengeld op dat bedrag vaststellen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is wettelijke rente verschuldigd over de toegewezen bedragen. Voor het smartengeld en de materiële schade in verband met de kledingstukken geldt daarvoor als ingangsdatum de pleegdatum (1 september 2025). Bij gebreke van stellingen over het moment waarop de benadeelde partij het eigen risico verschuldigd is geworden, zal de rechtbank bepalen dat de wettelijke rente over dat bedrag wordt toegekend met ingang van de vonnisdatum (3 september 2026).
De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 36 f, 45, 57, 63, 138, 266, 267, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2.1 en 8.12 van de Wet dieren.
10De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 899 (achthonderdnegenennegentig) dagen en bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 540 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Mondriaan op het adres John F. Kennedylaan 301 te Heerlen.
verdachte zich tijdens de proeftijd voor twaalf maanden of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door FPA/FVA Mondriaan of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder meer gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en traumaproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Mondriaan of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder meer gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en traumaproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start nadat de klinische behandeling is afgesloten. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van (on)betaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur.
verdachte openheid geeft over zijn financiën en medewerking verleent aan budgetbeheer indien de reclassering dit nodig vindt. Tevens werkt verdachte, indien geïndiceerd, mee aan het aflossen van schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.
verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:
- De heer [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag] 1979, adres bekend bij het OM (niet bij de rechtbank),
- De heer [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag] 1982, adres bekend bij het OM (niet bij de rechtbank)
- Mevrouw [aangever 1] , geboren op [geboortedag] 1970, [adres] te Harderwijk.
- verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen een straal van 500 meter rondom de [adres] te Harderwijk.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de hiervoor genoemde voorwaarde (met uitzondering van het contact- en locatieverbod) en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Benadeelde partij [aangever 1]
verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van smartengeld;
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 2 van parketnummer 05-231104-25 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 544,94 aan materiële schade en € 7.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente over € 177,90 (materiële schade) en € 7.500,- (smartengeld) vanaf 1 september 2025, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over € 367,04 (materiële schade) vanaf 3 september 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 544,94 aan materiële schade en € 7.500,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente over € 177,90 (materiële schade) en € 7.500,- (smartengeld) vanaf 1 september 2025, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over € 367,04 (materiële schade) vanaf 3 september 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 65 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Klaasen (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en mr. C.J.M. van Oijen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Tuitert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 september 2026.
Ten aanzien van parketnummer 05-231104-25 is het bewijs terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 202509091 300. DOS, onderzoek BUGEL/ ON3R025056, gesloten op 13 november 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Ten aanzien van parketnummer 05-188271-25 is het bewijs terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025287223, gesloten op 19 juni 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Ten aanzien van parketnummer 05-149601-25 is het bewijs terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025223852, gesloten op 4 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 72 en 73.
Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 2] , p. 79 en 80.
Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 72 en 73.
Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 83 en 84.
Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 1] , p. 90 en 92.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 97.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 100 en 101.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 103.
Schriftelijk bescheid, inhoudende brief van het Ziekenhuis St. Jansdal, p. 183 en 185.
Schriftelijk bescheid, inhoudende medische informatie van Ziekenhuis St. Jansdal, p. 182.
Schriftelijk bescheid, inhoudende Letselonderzoek- en verslag zonder benoeming, p. 194 t/m 198.
Schriftelijk bescheid, inhoudende Letselonderzoek en-verslag zonder benoeming, p. 199 t/m 210.
Proces-verbaal van aangifte, p. 18 en 19.
Proces-verbaal van verhoort getuige [getuige 4] , p. 22 en 23.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 24 en 25.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 28 en 29.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , p. 31.
Schriftelijk bescheid, inhoudende brief dierenarts, p. 50.
Schriftelijk bescheid, inhoudende Waarschijnlijkheidsbepaling dierenmishandeling, apart dossier, p. 3 en 4.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 25.