Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:6469

2026-08-17 Strafrecht 05/126639-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-08-17
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
05/126639-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het verlaten van een plaats ongeval tot een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verdachte wegens het veroorzaken van gevaar op de weg, waardoor een ongeval is ontstaan, tot een geldboete van € 750,-. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Vrijspraak overtreding artikel 6 WVW 1994.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (31.786 tekens)
RECHTBANK GELDERLAND




Team strafrecht



Zittingsplaats Arnhem



Parketnummer: 05/126639-26
Datum uitspraak : 17 augustus 2026



Tegenspraak




vonnis van de meervoudige kamer




in de zaak van




de officier van justitie




tegen





[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .



Raadsman: mr. G.J.B.C. Maton, advocaat in Den Bosch.



Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op [(een) openbare terechtzitting(en)].





1De inhoud van de tenlastelegging


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:


1.hij, als degene die als bestuurder van een voertuig (personenauto) bij een verkeersongeval was betrokken en welk verkeersongeval had plaatsgevonden te Nieuwaal, rijdende op de Hogeweg, op 28 februari 2026 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toebracht en/of die voornoemde ander, aan wie bij dat ongeval letsel was toebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

2.hij op of omstreeks 28 februari 2026 te Nieuwaal, gemeente Zaltbommel als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Hogeweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,terwijl het nacht was en/of terwijl hij een flauwe bocht naar rechts naderde en/of terwijl een bedrijfsauto met aanhanger op de Hogeweg stilstond met de verlichting aan,

- zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- in strijd met artikel 11 van voornoemd reglement het voertuig niet links heeft ingehaald, maar rechts en/of

- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een persoon die zich - vanuit de rijrichting van verdachte bezien - aan de rechterzijde van de bedrijfsauto met aanhanger bevond,


en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;



subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op of omstreeks 28 februari 2026 te Nieuwaal, gemeente Zaltbommel als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Hogeweg, terwijl het nacht was en/of terwijl hij een flauwe bocht naar rechts naderde en/of terwijl een bedrijfsauto met aanhanger op de Hogeweg stilstond met de verlichting aan,


- zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of

- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- in strijd met artikel 11 van voornoemd reglement het voertuig niet links heeft ingehaald, maar rechts en/of

- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een persoon die zich - vanuit de rijrichting van verdachte bezien - aan de rechterzijde van de bedrijfsauto metaanhanger bevond,


door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;



meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:



hij op of omstreeks 28 februari 2026 te Nieuwaal, gemeente Zaltbommel als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Hogeweg, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een persoon die zich - vanuit de rijrichting van verdachte bezien - aan de rechterzijde van de stilstaande bedrijfsauto met aanhanger bevond.


2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs





Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde is volgens de officier van justitie sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid en heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen.




Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.



Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De verdediging betwist dat verdachte te hard heeft gereden en/of zijn telefoon heeft gebruikt.



Ten aanzien van het onder 2 subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.




Beoordeling door de rechtbank





De bewijsmiddelen

Op 28 februari 2026 omstreeks 1:30 uur vond een verkeersongeval plaats op de Hogeweg ter hoogte van nummer [nummer] in Nieuwaal. Hierbij waren verdachte, die in zijn gele Kia Picanto met kenteken [kenteken] reed, en [slachtoffer] betrokken.



De Hogeweg bestaat uit één rijbaan voor verkeer uit beide richtingen die niet is voorzien van een as-markering. Op de plaats van het ongeval maakt deze weg een lichte bocht naar rechts. Ter plaatse bedraagt de maximumsnelheid 80 kilometer per uur. De breedte van de rijbaan is ongeveer 4,75 meter van asfaltrand tot asfaltrand. Aan de binnenzijde van de bocht staan meerdere bomen langs de rijbaan.



De politie was om 1:40 uur ter plaatse. Zij zagen dat er een gele Kia Picanto op de weg stond. Er zat een gat in de voorruit aan de bestuurderszijde. Er waren geen personen te bekennen in de buurt van het voertuig. Ter hoogte van huisnummer [nummer] stond een bus (de rechtbank begrijpt: een bedrijfsauto), waaraan een aanhanger was gekoppeld. De lampen en de gevarenlampen van de bus brandden. Er liepen over een afstand van ongeveer tien meter bandensporen door de berm. Deze sporen liepen tegen een boom aan. Ongeveer tien meter verder lag [slachtoffer] op de grond. Omstreeks 2:25 uur kwam verdachte uit de richting van perceelnummer 14a gelopen.




[slachtoffer] heeft verklaard dat hij in de berm stond toen het opeens zwart voor zijn ogen werd.

[getuige] , de partner van [slachtoffer] , heeft verklaard dat [slachtoffer] en zij allebei in de berm stonden.



Uit onderzoek van de politie blijkt dat de bus stil stond op de rijbaan in de flauwe bocht naar rechts. Verdachte reed 280 meter vóór de bedrijfsauto met een indicatieve gemiddelde snelheid van 79 kilometer per uur. Door de bomen aan de binnenzijde van de bocht kon verdachte de verlichting van de bedrijfsauto pas op een later moment waarnemen. Verdachte probeerde een botsing met de bedrijfsauto te voorkomen en passeerde de bedrijfsauto aan de rechterkant, gedeeltelijk via de berm. Hierdoor raakte hij [slachtoffer] . Verdachte is ongeveer 150 meter verderop gestopt.



De politie heeft vastgesteld dat verdachte op ongeveer 83,5 meter afstand de koplampen van de bedrijfsauto goed had kunnen waarnemen. Als hij op dat moment had geremd, had hij zijn voertuig op tijd tot stilstand kunnen brengen voor de bedrijfsauto. Dit was meer dan een comfortabele remming geweest, maar veel minder dan een noodremming.



Aan de rechterzijde van de bedrijfsauto had verdachte 0,66 meter ruimte om te passeren. Dit is gemeten vanaf de buitenzijde van de aanhangwagen tot aan de asfaltrand. Hierbij is de bermverharding, een verharde strook van beton, van ongeveer 0,5 meter niet meegenomen. De auto van verdachte is zonder buitenspiegels ongeveer 1,59 meter breed.



Verdachte heeft verklaard dat hij in een lange, flauwe, onoverzichtelijke bocht reed. Verdachte was ter plaatse bekend, omdat hij tien tot vijftien keer per week op die weg rijdt. Hij wist dat het een smalle weg was.
Toen verdachte de bedrijfsauto opmerkte, dacht hij in eerste instantie dat er een tegenligger aan kwam. Hij zag veel te laat dat de bedrijfsauto stil stond aan de kant van de weg waar verdachte reed. Toen hij de bedrijfsauto naderde, heeft verdachte geremd. Verdachte heeft in een reflex naar rechts gestuurd, omdat hij langs de bedrijfsauto wilde sturen en er, naar zijn mening, genoeg ruimte was. Op het laatste moment zag hij mensen staan, maar het was te laat om te kunnen reageren. Verdachte heeft één van hen geraakt. Verdachte kreeg deze persoon op zijn voorruit. De persoon rolde van de auto. De auto van verdachte is uitgerold.
Verdachte stapte uit en wilde naar de persoon toe lopen, maar raakte in paniek toen hij een vrouw heel hard hoorde gillen. Verdachte had niet gemerkt dat er meer dan één persoon op de plaats van het ongeval aanwezig was. Verdachte is in paniek naar een vriend gerend, waar hij na aankomst weer vertrok om terug te gaan naar de plaats van het ongeval. Verdachte vond dat hij de situatie niet goed kon overzien en dat hij te laat heeft gereageerd. Hij werd nergens door afgeleid.




De beoordeling van feit 1

Verdachte was rond 1:30 uur betrokken bij een verkeersongeval. Daarbij merkte hij dat hij een persoon op zijn voorruit kreeg die vervolgens van de auto van verdachte rolde. Op basis hiervan moest verdachte redelijkerwijs vermoeden dat er door het ongeval aan iemand letsel was toegebracht.



Verdachte is echter na te zijn uitgestapt in paniek weggerend. Hij was pas rond 2:25 uur terug op de plaats van het ongeval. Daarmee heeft hij [slachtoffer] in hulpeloze toestand achtergelaten. Verdachte had niet zomaar mogen wegrennen, ook al was hij in paniek, maar hij had [slachtoffer] onmiddellijk hulp moeten aanbieden.
Dat later bleek dat de partner van [slachtoffer] en enkele anderen zich om [slachtoffer] hebben bekommerd en hem hebben geholpen, maakt dat niet anders.



De rechtbank vindt dan ook dat het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.




De beoordeling van feit 2

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van dit artikel komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (zie het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:470). Het gedrag van de verdachte wordt in die beoordeling afgemeten aan dat wat van een verkeersdeelnemer in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Dit toetsingskader brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.



Bovendien kan uit de rechtspraak van de Hoge Raad niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt (zie het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, r.o. 2.6.3).



De rechtbank overweegt dat verdachte op ongeveer 83,5 meter afstand van de bedrijfsauto deze had kunnen waarnemen en nog tijdig tot stilstand had kunnen komen. Verdachte heeft echter onvoldoende afgeremd. Daardoor lag zijn snelheid te hoog om de onoverzichtelijke – en gelet op het tijdstip ook ongebruikelijke – verkeerssituatie goed in te schatten. Hierdoor had hij onvoldoende tijd om de voor die specifieke situatie juiste keuze te maken, te weten volledig tot stilstand komen of de bedrijfsauto aan de linkerkant inhalen. Verdachte werd door zijn snelheid echter gedwongen om in een reflex een keuze te maken en heeft verkeerd gekozen door er aan de rechterkant langs te gaan, waar [slachtoffer] en zijn partner in de berm stonden.



De rechtbank vindt dat het handelen van verdachte zonder meer als onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam kan worden aangemerkt. Van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam handelen, is in de ogen van de rechtbank echter geen sprake.



Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onder 2 primair tenlastegelegde.



Doordat verdachte te hard reed voor de situatie ter plaatse en te hard reed om nog te kunnen stoppen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en deze vrij was, is verdachte tegen een persoon gebotst die zich aan de rechterzijde van de bedrijfsauto bevond.



Door deze gedragingen werd gevaar op de weg veroorzaakt en kon het verkeer op die weg worden gehinderd.



Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde.



Uit het procesdossier blijkt niet dat verdachte zijn aandacht gedurende enige tijd niet of onvoldoende op het overige verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse heeft gericht. Hij was bijvoorbeeld niet bezig met zijn telefoon. Daarom zal de rechtbank hem vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.



Verder vindt de rechtbank dat het verdachte niet kan worden verweten dat hij rechts heeft geprobeerd in te halen, omdat de rechtbank het, gegeven de situatie, voorstelbaar vindt dat verdachte zich heeft vergist in de positie van de bedrijfsauto op de weg en de beschikbare ruimte in die split second niet goed heeft kunnen inschatten. Ook hiervan zal de rechtbank hem vrijspreken.




Conclusie

De rechtbank acht feit 1 en feit 2 subsidiair wettig en overtuigend bewezen.





3De bewezenverklaring


Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:


1.hij, als degene die als bestuurder van een voertuig (personenauto) bij een verkeersongeval was betrokken en welk verkeersongeval had plaatsgevonden te Nieuwaal, rijdende op de Hogeweg, op 28 februari 2026 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toebracht en/of die voornoemde ander, aan wie bij dat ongeval letsel was toebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

2. subsidiairhij op of omstreeks 28 februari 2026 te Nieuwaal, gemeente Zaltbommel als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Hogeweg, terwijl het nacht was en/of terwijl hij een flauwe bocht naar rechts naderde en/of terwijl een bedrijfsauto met aanhanger op de Hogeweg stilstond met de verlichting aan,


- zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of
in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of


- in strijd met artikel 11 van voornoemd reglement het voertuig niet links heeft ingehaald, maar rechts en/of


- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een persoon die zich - vanuit de rijrichting van verdachte bezien - aan de rechterzijde van de bedrijfsauto metaanhanger bevond,


door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.



Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.



Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.





4De kwalificatie van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde levert op:




feit 1:


overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994;





feit 2 subsidiair:


overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.






5De strafbaarheid van de feiten


De feiten zijn strafbaar.





6De strafbaarheid van de verdachte


Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.





7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel



Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:



een taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis en


een ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.





Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair oplegging van een geheel voorwaardelijke straf bepleit. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid in geheel voorwaardelijke vorm moet worden opgelegd.




De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.




De ernst van de feiten

Verdachte heeft door zijn snelheid niet op tijd aan te passen of te stoppen gevaar op de weg veroorzaakt en een verkeersongeval veroorzaakt door [slachtoffer] , die in de berm stond, te scheppen met zijn auto. Daarbij heeft [slachtoffer] letsel opgelopen, te weten een bloeding in zijn milt en een gebroken linkerarm, waarvoor operaties nodig waren.



Vervolgens heeft verdachte de plaats van dat ongeval verlaten. Hij is pas ongeveer een uur later terug gekomen op advies van een vriend en zijn ouders. Daarmee heeft hij [slachtoffer] achtergelaten zonder zich om hem te bekommeren. Ook al was verdachte in paniek, dat rechtvaardigt nog niet dat hij een andere persoon, aan wie hij – naar hij redelijkerwijs moest vermoeden – letsel had toegebracht, in hulpeloze toestand achter gelaten. Dit rekent de rechtbank hem aan. Dat er andere mensen aanwezig waren die [slachtoffer] onmiddellijk te hulp schoten, doet daar niets aan af. Verdachte wist op het moment dat hij de plaats van het ongeval verliet, immers niet dat er andere personen daar ter plekke waren die hulp hebben geboden.




De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij voor deze zaak niet eerder in aanraking is gekomen met politie of justitie. De rechtbank constateert dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, gelet op de strafbeschikking die hem op 21 mei 2026 is opgelegd.



Verdachte heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk. Hij heeft na het ongeval contact onderhouden met het slachtoffer via diens werkgever.




Conclusie

Alles afwegende is de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, van oordeel dat een geheel voorwaardelijke straf, zoals door de verdediging is bepleit, geen recht doet aan deze zaak. Tegelijkertijd is de eis van de officier van justitie mede gebaseerd op feit 2 primair, terwijl de rechtbank feit 2 subsidiair bewezen heeft verklaard. Daarom komt de rechtbank uit op een lagere straf dan door de officier van justitie geëist.



De rechtbank legt verdachte voor feit 1 een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden op. Omdat de rechtbank het belangrijk vindt dat verdachte zijn werk behoudt, mede gelet op de schade die hij nog moet gaan vergoeden omdat zijn auto ten tijde van het ongeval niet verzekerd was, zal de rechtbank deze ontzegging in geheel voorwaardelijke vorm opleggen.



Voor feit 2 subsidiair veroordeelt de rechtbank verdachte tot het betalen van een geldboete van € 750,-, subsidiair 7 dagen hechtenis.





8De beoordeling van de civiele vordering


De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.267,10 aan materiële schade en € 17.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.




Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 386,10, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag is gebaseerd op de facturen voor fysiotherapie waarmee de vordering is onderbouwd, verminderd met de aanmaningen en de factuur die is gericht aan de partner van de benadeelde partij. Voor het overige deel aan materiële schade en smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.




Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden tot een bedrag van € 386,10 en dat de vordering voor het overige moet worden afgewezen.




De beoordeling door de rechtbank


Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.



Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.



In de meest recente versie van de vordering is een bedrag van € 2.267,10 aan materiële schade gevorderd. Het is niet duidelijk waar dit bedrag op ziet en de schade is niet onderbouwd. Daarom zal de rechtbank zich voor wat betreft de hoogte van de schade baseren op de facturen van de fysiotherapie die als onderbouwing van de vordering zijn ingediend. Het gaat om één intake van € 58,85 en negen afspraken van € 46,75.



Hierbij zal de rechtbank de administratiekosten van € 13,15 die op 20 mei 2026 in rekening zijn gebracht wegens niet betalen, niet meerekenen. Dit betreft immers geen schade als gevolg van het strafbare feit. Ook de polikliniekbezoeken van de partner van de benadeelde partij zal de rechtbank niet meerekenen, omdat dit geen schade is die de benadeelde partij zelf heeft geleden.



Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kosten voor fysiotherapie tot een hoogte van € 479,60 kan worden toegewezen.



De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.




Smartengeld

De benadeelde partij heeft geen juridische grondslag genoemd voor de immateriële schade. Bovendien is deze in het geheel niet onderbouwd. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.




De wettelijke rente

Verdachte is vanaf 15 april 2026, de datum die ongeveer tussen de pleegdatum en de behandeldata ligt, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.



De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.





9De toegepaste wettelijke bepalingen


De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 36f, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 5, 7, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.





10De beslissing


De rechtbank:



 spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair ten laste gelegde feit;



 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;



 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;



 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;



 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;


 legt in verband met het onder 1 bewezenverklaarde op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest;

 bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

 legt in verband met het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde op een geldboete van € 750,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis;



veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 2 subsidiair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 479,60 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald);


veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;



 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld;



legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 479,60 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 4 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;


bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.











Dit vonnis is gewezen door mr. M. Hoedeman (voorzitter), mr. E.H.T. Rademaker en
mr. R.M.H. Pennings, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 augustus 2026.














































Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026097247, gesloten op 29 april 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.


Proces-verbaal van bevindingen, p. 8; proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] en proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 51.


Proces-verbaal FO-verkeer, p. 108-110.


Proces-verbaal van bevindingen, p. 8-9.


Proces-verbaal van bevindingen, p. 13.


Proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] , p. 23.


Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 28.


Proces-verbaal FO-verkeer, p. 98 en 121.


Proces-verbaal FO-verkeer, p. 98, 114 en 137-138.


Proces-verbaal FO-verkeer, p. 98 en 108.


Verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 3 augustus 2026.