Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2026:5961

2026-07-29 Civiel recht; Burgerlijk procesrecht C/05/461720
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-07-22
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/05/461720
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Incident. Vordering ex artikel 118 Rv. Oproeping van derde als partij in het geding. Vordering afgewezen. Voor het oproepen van een derde in het geding is slechts beperkt ruimte wanneer de reden voor oproeping is gelegen in de juridische verhouding tussen partijen of één van hen en een derde. In ECLI:NL:HR:2020:485 zijn geen aanknopingspunten te vinden dat de Hoge Raad ook oproeping van derde als partij in het geding op heeft bedoeld voor de situatie dat eiser de verkeerde partij heeft gedagvaard.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.287 tekens)
RECHTBANK Gelderland


Civiel recht



Zittingsplaats Arnhem



Zaaknummer: C/05/461720 / HA ZA 26-21




Vonnis in incident van 29 juli 2026




in de zaak van





1 [eiser 1] ,

2. [eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partijen in reconventie in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. R. Rijkeboer-Kollee,



tegen



de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOUWBEDRIJF PBM B.V.,
gevestigd te Maasbommel,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: PBM,
advocaat: mr. W. van Dijk.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 december 2025, met 26 producties,
- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie, met vier producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende incident ex artikel 118 Rv tot oproeping derde en met wijziging van eis, met producties 27 en 28,
- de conclusie van antwoord in incident tevens houdende antwoordakte eiswijziging, met producties 5 en 6.



1.2.
Het vonnis is bepaald op vandaag.









2De beoordeling in het incident


2.1.

[eisers] stellen in hun dagvaarding dat zij met PBM een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten, op grond waarvan werkzaamheden aan de woning van [eisers] zijn uitgevoerd. [eisers] stellen dat de werkzaamheden ondeugdelijk zijn uitgevoerd, op welke grond zij de overeenkomst hebben ontbonden. [eisers] vorderen in conventie van PBM vergoeding van de kosten van herstel en gevolgschade, en dat PBM de helft van de aanneemsom aan hen terugbetaalt. Grondslag voor dit laatste is dat PBM volgens [eisers] bepaalde essentiële informatieverplichtingen uit artikel 6:230m BW heeft geschonden, wat er volgens de toepasselijke sanctierichtlijn toe leidt dat de aanneemsom moet worden verminderd. PBM betwist dat er gebreken zijn aan het werk. De gebreken zijn reeds door haar verholpen. Daarom beantwoordt het werk volgens PBM aan de overeenkomst. PBM meent verder dat [eisers] het werk hebben aanvaard. PBM concludeert dat gelet op het voorgaande er geen grond voor ontbinding van de overeenkomst is of vergoeding van door [eisers] gesteld geleden schade. Ook is PBM de informatieverplichtingen nagekomen, zodat er geen reden is om de aanneemsom te verminderen, aldus PBM. In reconventie vordert PBM betaling van € 13.397,11, wat het bedrag is van de aanneemsom dat [eisers] nog niet hebben betaald. [eisers] verweren zich tegen deze vordering met hetgeen zij in conventie hebben gesteld, welke stellingen zij nog nader onderbouwen.



2.2.

[eisers] vorderen in dit incident dat hen wordt toegestaan om op de voet van artikel 118 Rv de heer [indirect bestuurder] (hierna: [indirect bestuurder] ) op te roepen. [indirect bestuurder] is de indirect bestuurder van PBM. [eisers] stellen dat zij er na het uitbrengen van de dagvaarding achter zijn gekomen dat zij de overeenkomst van aanneming van werk niet met PBM hebben gesloten, maar met de eenmanszaak van [indirect bestuurder] , [eenmanszaak] . Dit blijkt uit de offerte en de facturen, die op de naam van de eenmanszaak van [indirect bestuurder] zijn gesteld. [eisers] stellen dat [indirect bestuurder] op 13 december 2024, dus na het sluiten van de overeenkomst, zijn onderneming heeft ingebracht in PBM. Volgens [eisers] is de overeenkomst die zij met [indirect bestuurder] hebben gesloten echter niet overgedragen aan PBM. [eisers] wisten volgens hen niet dat de overeenkomst door PBM zou worden overgenomen, en zouden daarmee ook niet hebben ingestemd omdat anders de mogelijkheden tot het nemen van verhaal zouden worden beperkt. Het voorgaande is de reden dat [eisers] nu vorderen om [indirect bestuurder] te mogen oproepen als gedaagde partij. Hiervan zal [indirect bestuurder] geen nadeel ondervinden, aldus [eisers] .



2.3.
PBM verzet zich tegen toewijzing van de vordering in incident. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel was reeds op 17 december 2024 geregistreerd dat de eenmanszaak van [indirect bestuurder] vanaf 13 december 2024 is voortgezet door PBM. Dit hadden [eisers] voorafgaande aan het uitbrengen van de dagvaarding dus kunnen weten. Dat zij hier onvoldoende onderzoek naar hebben gedaan dient voor hun rekening en risico te komen. Volgens PBM proberen [eisers] nu de door hen gemaakte fout dat zij de verkeerde partij hebben gedagvaard te herstellen. Daarvoor is de bevoegdheid uit artikel 118 Rv echter niet bedoeld en dus maken [eisers] misbruik van deze bevoegdheid. Bovendien zou het in strijd zijn met de goede procesorde om [indirect bestuurder] in deze fase van de procedure nog in het geding te laten komen, omdat hij dan in de gelegenheid moet worden gesteld om een conclusie van antwoord te nemen, waardoor de procedure nodeloos wordt vertraagd.



2.4.
De rechtbank zal de vordering afwijzen. Artikel 118 Rv is er niet voor bedoeld om een fout die erin bestaat dat de verkeerde partij is gedagvaard te corrigeren. Aan deze beslissing ligt het volgende ten grondslag.



2.5.
Artikel 118 Rv maakt het mogelijk om een derde als partij in het geding op te roepen. Voor oproeping van een derde kan aanleiding bestaan in bij de wet uitdrukkelijk geregelde gevallen, als het geschil gaat over een processueel ondeelbare rechtsverhouding of gelet op de juridische verhouding tussen partijen of één van hen en een derde.



2.6.
In het onderhavige geval vallen de eerste twee gronden voor oproeping af. Er is geen uitdrukkelijke wettelijke bepaling die oproeping van een derde voorschrijft of mogelijk maakt, noch kwalificeert de rechtsverhouding die in geschil is als een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dit betogen [eisers] overigens ook niet. De enige mogelijkheid die overblijft is dat de juridische verhouding tussen partijen of één van hen en een derde ertoe noopt om de derde in het geding op te roepen. De Hoge Raad heeft in een overweging ten overvloede overwogen dat voor het geven van de gelegenheid tot oproeping van een derde aanleiding zou kunnen bestaan indien er vorderingen in conventie en reconventie zijn ingediend die met elkaar samenhangen en de proceseconomie is gediend met afdoening van die vorderingen in dezelfde procedure. In die zaak betrof het een vordering die eiser in reconventie wilde instellen tegen een vof én haar vennoten, terwijl die vennoten nog geen partij waren in die procedure, in welk geval er volgens de Hoge Raad aanleiding kon zijn om eiser in reconventie toe te staan om de vennoten als partij in het geding op te roepen.



2.7.
Uit hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen volgt dat voor oproeping van een derde in het geding slechts beperkt ruimte is wanneer de reden voor oproeping is gelegen in de juridische verhouding tussen partijen of één van hen en een derde. De Hoge Raad heeft namelijk gekozen voor een formulering die expliciet is toegespitst op de merites van de zaak waarover hij diende te oordelen. In het arrest zijn geen aanknopingspunten te vinden dat de Hoge Raad ook het oog heeft gehad op een geval als het onderhavige, waarbij eiser een derde in het geding wil oproepen omdat hij de verkeerde persoon heeft gedagvaard, nu niet met de gedaagde maar met die derde de overeenkomst is gesloten waar zijn vorderingen op zijn gegrond.



2.8.
Daarnaast zou de procedure onredelijk worden vertraagd indien de rechtbank [eisers] toestaat om [indirect bestuurder] als derde in het geding op te roepen, iets waar de rechtbank op grond van artikel 20 Rv voor dient te waken. De procedure verkeert in een vergevorderd stadium, aangezien partijen namelijk in de hoofdzaak reeds hun conclusies hebben genomen. Als [indirect bestuurder] als partij in het geding wordt opgeroepen zal hij in de gelegenheid moeten worden gesteld om een conclusie van antwoord te nemen, waarbij hij mogelijk net als PBM een eis in reconventie instelt tegen [eisers] . [eisers] mogen dan op hun beurt een conclusie van antwoord in reconventie nemen. De procedure zal dan als het ware volledig opnieuw moeten worden gevoerd.



2.9.


[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van PBM worden begroot op
€ 653,00 aan salaris voor de advocaat (1,0 punt x tarief II).






3De beoordeling in de hoofdzaak


3.1.
De hoofdzaak zal pro forma worden aangehouden en naar de rol worden verwezen van 2 september 2026 met het oog op de beperkte zittingscapaciteit van de rechtbank. Op deze rol zal worden beslist hoe de zaak verder zal worden behandeld, waarbij partijen er rekening mee dienen te houden dat de zaak dan nogmaals pro forma zal worden aangehouden.



3.2.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.





4De beslissing


De rechtbank




in het incident




4.1.
wijst de vordering af,



4.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van PBM tot op heden begroot op € 653,00,



in de hoofdzaak





4.3.
verwijst de zaak pro forma naar de rol van 2 september 2026,



4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.









Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.















































1547 / 1496




Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten, vastgesteld door het LOVCK op 15 december 2021, gewijzigd op 17 mei 2022, 6 april 2023 en 6 februari 2025.


HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:485, rechtsoverweging 3.1.3.