Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:28242
2026-09-24
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.45859
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
AMbV, De rechtbank komt tot de conclusie dat gelet op de doelstelling van de AMvB, het belang van eiser en het beginsel dat procedurele rechtsregels geen terugwerkende kracht mogen hebben, het indienen van een herhaalde asielaanvraag onder de AMbV terwijl er een geldig claimakkoord ligt, de minister niet verplicht om een kennisgeving te versturen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23820 Rechtbank Den Haag 19-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23213 Rechtbank Den Haag 13-08-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.244 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.45859
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 6 augustus 2026 een herhaalde asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 augustus 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
Eiser heeft ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft dat verzoek in de uitspraak van 19 augustus 2026 afgewezen.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV). Op grond van de AMbV neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
3.1.
In dit geval heeft Nederland op 17 december 2024 aan Oostenrijk verzocht om eiser terug te nemen. Oostenrijk is hiermee op 19 december 2024 akkoord gegaan. De minister heeft uiteindelijk in het onherroepelijke besluit van 14 mei 2025 de asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
3.2.
Eiser is op 2 juli met onbekende bestemming vertrokken en de overdrachtstermijn is verlengd wegens onderduiken. Op 5 augustus 2026 is eiser strafrechtelijk aangehouden.
3.3.
Eiser heeft op 6 augustus 2026 opnieuw asiel aangevraagd. De minister heeft in het besluit van 6 augustus 2026 geconstateerd dat Oostenrijk nog steeds verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser en dat het overdrachtsbesluit van 14 mei 2025 nog steeds geldig is.
3.4.
Op 7 september 2026 heeft de minister aan de rechtbank laten weten dat eiser opnieuw met onbekende bestemming is vertrokken.
3.5.
De gemachtigde van eiser heeft op 7 september 2026 aan de rechtbank laten weten dat hij nog contact heeft met eiser en hij nog steeds in Nederland verblijft.
Het beroep
4. Eiser voert aan dat aan Oostenrijk een kennisgeving inzake zijn terugname, zoals die volgt uit artikel 41 van de AMbV, had moeten worden gedaan. Dat is ten onrechte niet gebeurd. Eiser wijst ook nog op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 13 augustus 2026 in de bewaringszaak van eiser, waarin is geoordeeld dat gelet op artikel 44 van de AMbV, er geen grondslag voor vreemdelingenbewaring ter uitvoering van een overdracht overeenkomstig die verordening bestaat, nu er geen kennisgeving is verstuurd. Volgens eiser volgt uit deze uitspraak dat een kennisgeving is vereist onder de AMbV, ook al bestaat er een onherroepelijk overdrachtsbesluit.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat feiten en omstandigheden die zich vóór 12 juni 2026 hebben voorgedaan relevant zijn voor een aanvraag die na die datum is gedaan. Een kennisgeving is in dit geval niet vereist, omdat het claimakkoord door Oostenrijk, zoals is afgegeven onder de Dublinverordening, voldoet. Dat claimakkoord is een feit waarmee bij de toepassing van de AMbV rekening moet worden gehouden. De minister wijst in dit verband ook op de preambule van de AMbV waar de wetgever een soepele overgang heeft beoogd. Volgens de minister kan de toepassing van de AMbV op de nieuwe asielaanvragen niet betekenen dat in de vele zaken waar een claimakkoord onder de Dublinverordening is ontvangen, opnieuw een kennisgevingsprocedure moet worden doorlopen.
4.2.
De rechtbank stelt het volgende vast. In haar voorlopige oordeel van 19 augustus 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld in rechtsoverweging 10, dat het claimakkoord dat met Oostenrijk is gesloten moet worden aangemerkt als een feit zoals bedoeld in artikel 84, eerste lid, van de AMbV. Met het claimakkoord is al vastgesteld dat Oostenrijk als verantwoordelijke lidstaat moet worden aangewezen en in het voorlopige oordeel is geoordeeld dat een kennisgeving voor een terugname, dan niet is vereist.
De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel en zal dat hierna nader toelichten.
4.3.
De Dublinverordening die voorafgaand aan de AMbV gold is per 12 juni 2026 ingetrokken. Nu de herhaalde asielaanvraag van eiser op 6 augustus 2026 is ingediend, heeft de minister het overdrachtsbesluit genomen met toepassing van de AMbV. In artikel 84, eerste lid, van de AMvB is bepaald dat bij asielaanvragen van na 12 juni 2026 rekening moet worden gehouden met feiten en omstandigheden die waarschijnlijk de verantwoordelijkheid van een lidstaat uit hoofde van de AMbV met zich mee brengen, zelfs als ze dateren van voor 12 juni 2026. In de preambule van de AMbV onder punt 76 is verder opgenomen dat de continuïteit tussen de twee systemen, dus onder de Dublinverordening en de AMbV, moet worden gewaarborgd.
4.4.
Het doel van de kennisgevingsprocedure is dat de verantwoordelijke lidstaat wordt vastgesteld en dat de termijnen voor de overdracht gaan lopen. Het doorlopen, bij een herhaalde asielaanvraag onder de AMbV, van de kennisgevingsprocedure voor terugname terwijl er een geldig claimakkoord ligt waar de overdrachtstermijn nog loopt, betekent dat de termijn voor de overdracht opnieuw gaat lopen en feitelijk de procedure vanaf het begin zou moeten worden gevoerd. Dit rijmt naar het oordeel van de rechtbank niet met de door de EU-wetgever beoogde continuïteit tussen de twee systemen. In de onderhavige zaak ligt er al een geldig overdrachtsbesluit van 18 juni 2025 waarover door eiser is geprocedeerd waarna het overdrachtsbesluit onherroepelijk is geworden. Daarnaast is de overdrachtstermijn bij besluit van 4 juli 2025 verlengd tot 18 december 2026 omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Ook dit verlengingsbesluit is onherroepelijk geworden. Het in de onderhavige zaak concreet bezien opnieuw toepassen van kennisgevingsprocedure voor terugname heeft als gevolg dat de eerder voltooide procedure onder de Dublinverordening, inclusief het ontvangen van een claimakkoord, als ongeldig wordt gezien. Dit zou niet alleen in strijd met de bedoeling van de EU-wetgever en in het nadeel van eiser zijn, maar ook in strijd met het beginsel dat nieuwe procedureregels geen terugwerkende kracht mogen hebben. De rechtbank leidt hier dan ook uit af dat de kennisgevingsprocedure voor aanvragen die zijn gedaan na de inwerkingtreding van de AMbV, in het geval dat er een geldig claimakkoord is waarvan de overdrachtstermijn nog loopt, niet is vereist.
4.5.
Met betrekking tot het beroep van eiser op de uitspraak in zijn bewaringszaak leest de rechtbank in die uitspraak dat er geen grondslag bestond onder de AMbV om eiser op basis van het overdrachtsbesluit van 14 mei 2025 in bewaring te stellen. Er was dus geen wettelijke grondslag voor de bewaring van eiser, omdat eiser niet zal worden overgedragen op grond van de AMbV. De rechtbank volgt eiser echter niet in het standpunt dat uit die uitspraak volgt dat het toepassen van een kennisgevingsprocedure bij terugname vereist is voor een herhaalde aanvraag onder de AMbV.
4.6.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat gelet op de doelstelling van de AMvB, het belang van eiser en het beginsel dat procedurele rechtsregels geen terugwerkende kracht mogen hebben, het indienen van een herhaalde asielaanvraag onder de AMbV terwijl er een geldig claimakkoord ligt, de minister niet verplicht om een kennisgeving te versturen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Smayel, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBDHA:2026:23820.
Verordening (EU) 2024/1351.
Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van de destijds geldende Dublinverordening (nr. 604/2013) op grond van artikel 18, eerste lid en onder d.
Op grond van artikel 18, eerste lid en onder b van de Dublinverordening.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 18 juni 2025, het beroep van eiser tegen het besluit van 14 mei 2025 ongegrond verklaard in de zaak met nummer NL25.22748.
Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.
ECLI:NL:RBDHA:2026:23213.
Zoals blijkt uit artikel 84, eerste lid, van de AMbV.
Idem.
Zie hiervoor ook het arrest van het Hof van justitie van de Europese Unie van 27 juni 2017, T-151/16, rechtsoverwegingen 36 en 38.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.45859
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 6 augustus 2026 een herhaalde asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 augustus 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
Eiser heeft ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft dat verzoek in de uitspraak van 19 augustus 2026 afgewezen.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV). Op grond van de AMbV neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
3.1.
In dit geval heeft Nederland op 17 december 2024 aan Oostenrijk verzocht om eiser terug te nemen. Oostenrijk is hiermee op 19 december 2024 akkoord gegaan. De minister heeft uiteindelijk in het onherroepelijke besluit van 14 mei 2025 de asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
3.2.
Eiser is op 2 juli met onbekende bestemming vertrokken en de overdrachtstermijn is verlengd wegens onderduiken. Op 5 augustus 2026 is eiser strafrechtelijk aangehouden.
3.3.
Eiser heeft op 6 augustus 2026 opnieuw asiel aangevraagd. De minister heeft in het besluit van 6 augustus 2026 geconstateerd dat Oostenrijk nog steeds verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser en dat het overdrachtsbesluit van 14 mei 2025 nog steeds geldig is.
3.4.
Op 7 september 2026 heeft de minister aan de rechtbank laten weten dat eiser opnieuw met onbekende bestemming is vertrokken.
3.5.
De gemachtigde van eiser heeft op 7 september 2026 aan de rechtbank laten weten dat hij nog contact heeft met eiser en hij nog steeds in Nederland verblijft.
Het beroep
4. Eiser voert aan dat aan Oostenrijk een kennisgeving inzake zijn terugname, zoals die volgt uit artikel 41 van de AMbV, had moeten worden gedaan. Dat is ten onrechte niet gebeurd. Eiser wijst ook nog op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 13 augustus 2026 in de bewaringszaak van eiser, waarin is geoordeeld dat gelet op artikel 44 van de AMbV, er geen grondslag voor vreemdelingenbewaring ter uitvoering van een overdracht overeenkomstig die verordening bestaat, nu er geen kennisgeving is verstuurd. Volgens eiser volgt uit deze uitspraak dat een kennisgeving is vereist onder de AMbV, ook al bestaat er een onherroepelijk overdrachtsbesluit.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat feiten en omstandigheden die zich vóór 12 juni 2026 hebben voorgedaan relevant zijn voor een aanvraag die na die datum is gedaan. Een kennisgeving is in dit geval niet vereist, omdat het claimakkoord door Oostenrijk, zoals is afgegeven onder de Dublinverordening, voldoet. Dat claimakkoord is een feit waarmee bij de toepassing van de AMbV rekening moet worden gehouden. De minister wijst in dit verband ook op de preambule van de AMbV waar de wetgever een soepele overgang heeft beoogd. Volgens de minister kan de toepassing van de AMbV op de nieuwe asielaanvragen niet betekenen dat in de vele zaken waar een claimakkoord onder de Dublinverordening is ontvangen, opnieuw een kennisgevingsprocedure moet worden doorlopen.
4.2.
De rechtbank stelt het volgende vast. In haar voorlopige oordeel van 19 augustus 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld in rechtsoverweging 10, dat het claimakkoord dat met Oostenrijk is gesloten moet worden aangemerkt als een feit zoals bedoeld in artikel 84, eerste lid, van de AMbV. Met het claimakkoord is al vastgesteld dat Oostenrijk als verantwoordelijke lidstaat moet worden aangewezen en in het voorlopige oordeel is geoordeeld dat een kennisgeving voor een terugname, dan niet is vereist.
De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel en zal dat hierna nader toelichten.
4.3.
De Dublinverordening die voorafgaand aan de AMbV gold is per 12 juni 2026 ingetrokken. Nu de herhaalde asielaanvraag van eiser op 6 augustus 2026 is ingediend, heeft de minister het overdrachtsbesluit genomen met toepassing van de AMbV. In artikel 84, eerste lid, van de AMvB is bepaald dat bij asielaanvragen van na 12 juni 2026 rekening moet worden gehouden met feiten en omstandigheden die waarschijnlijk de verantwoordelijkheid van een lidstaat uit hoofde van de AMbV met zich mee brengen, zelfs als ze dateren van voor 12 juni 2026. In de preambule van de AMbV onder punt 76 is verder opgenomen dat de continuïteit tussen de twee systemen, dus onder de Dublinverordening en de AMbV, moet worden gewaarborgd.
4.4.
Het doel van de kennisgevingsprocedure is dat de verantwoordelijke lidstaat wordt vastgesteld en dat de termijnen voor de overdracht gaan lopen. Het doorlopen, bij een herhaalde asielaanvraag onder de AMbV, van de kennisgevingsprocedure voor terugname terwijl er een geldig claimakkoord ligt waar de overdrachtstermijn nog loopt, betekent dat de termijn voor de overdracht opnieuw gaat lopen en feitelijk de procedure vanaf het begin zou moeten worden gevoerd. Dit rijmt naar het oordeel van de rechtbank niet met de door de EU-wetgever beoogde continuïteit tussen de twee systemen. In de onderhavige zaak ligt er al een geldig overdrachtsbesluit van 18 juni 2025 waarover door eiser is geprocedeerd waarna het overdrachtsbesluit onherroepelijk is geworden. Daarnaast is de overdrachtstermijn bij besluit van 4 juli 2025 verlengd tot 18 december 2026 omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Ook dit verlengingsbesluit is onherroepelijk geworden. Het in de onderhavige zaak concreet bezien opnieuw toepassen van kennisgevingsprocedure voor terugname heeft als gevolg dat de eerder voltooide procedure onder de Dublinverordening, inclusief het ontvangen van een claimakkoord, als ongeldig wordt gezien. Dit zou niet alleen in strijd met de bedoeling van de EU-wetgever en in het nadeel van eiser zijn, maar ook in strijd met het beginsel dat nieuwe procedureregels geen terugwerkende kracht mogen hebben. De rechtbank leidt hier dan ook uit af dat de kennisgevingsprocedure voor aanvragen die zijn gedaan na de inwerkingtreding van de AMbV, in het geval dat er een geldig claimakkoord is waarvan de overdrachtstermijn nog loopt, niet is vereist.
4.5.
Met betrekking tot het beroep van eiser op de uitspraak in zijn bewaringszaak leest de rechtbank in die uitspraak dat er geen grondslag bestond onder de AMbV om eiser op basis van het overdrachtsbesluit van 14 mei 2025 in bewaring te stellen. Er was dus geen wettelijke grondslag voor de bewaring van eiser, omdat eiser niet zal worden overgedragen op grond van de AMbV. De rechtbank volgt eiser echter niet in het standpunt dat uit die uitspraak volgt dat het toepassen van een kennisgevingsprocedure bij terugname vereist is voor een herhaalde aanvraag onder de AMbV.
4.6.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat gelet op de doelstelling van de AMvB, het belang van eiser en het beginsel dat procedurele rechtsregels geen terugwerkende kracht mogen hebben, het indienen van een herhaalde asielaanvraag onder de AMbV terwijl er een geldig claimakkoord ligt, de minister niet verplicht om een kennisgeving te versturen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Smayel, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBDHA:2026:23820.
Verordening (EU) 2024/1351.
Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van de destijds geldende Dublinverordening (nr. 604/2013) op grond van artikel 18, eerste lid en onder d.
Op grond van artikel 18, eerste lid en onder b van de Dublinverordening.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 18 juni 2025, het beroep van eiser tegen het besluit van 14 mei 2025 ongegrond verklaard in de zaak met nummer NL25.22748.
Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.
ECLI:NL:RBDHA:2026:23213.
Zoals blijkt uit artikel 84, eerste lid, van de AMbV.
Idem.
Zie hiervoor ook het arrest van het Hof van justitie van de Europese Unie van 27 juni 2017, T-151/16, rechtsoverwegingen 36 en 38.