Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23213
2026-08-13
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
26.44848
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank is van oordeel dat artikel 59a lid 1 Vw 2000 geen grondslag biedt voor de inbewaringstelling om een overdrachtsbesluit op grond van de Dublinverordening te effectueren. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een overdracht overeenkomstig de Asiel en migratiebeheerverordening. Daarom biedt artikel 44 lid 2 van deze verordening geen grondslag voor de bewaring.
Citeert (4)
- ECLI:EU:C:2014:1320
- ECLI:NL:RVS:2015:232 Raad van State 23-01-2015
- ECLI:NL:RVS:2015:1593 Raad van State 13-05-2015
- ECLI:EU:C:2022:858
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28242 Rechtbank Den Haag 24-09-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (17.717 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.44848
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. L Hartog).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingwet 2000 (Vw 2000) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Singh als tolk en de gemachtigde van de minister.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en de minister aanvullende vragen te stellen over de grondslag van de maatregel van vreemdelingenbewaring. De minister heeft deze vragen beantwoord en eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens, nadat partijen desgevraagd niet hebben aangegeven prijs te stellen op een nadere zitting, het onderzoek op 12 augustus 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
2. Eiser heeft op 30 oktober 2024 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is met een besluit van 17 januari 2025 niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag en de minister heeft hierbij besloten dat eiser zal worden overgedragen aan Oostenrijk.
2.1.
Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft bij uitspraak van 7 mei 2025, voor zover van belang, het besluit van 17 januari 2025 vernietigd.
2.2.
De minister heeft met een besluit van 14 mei 2025 de asielaanvraag van eiser opnieuw niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag en besloten dat eiser zal worden overgedragen aan Oostenrijk.
2.3.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft bij uitspraak van 28 mei 2025 de voorlopige voorziening getroffen dat het besluit van 14 mei 2025 wordt geschorst en dat eiser niet mag worden overgedragen aan Oostenrijk totdat uitspraak is gedaan op het beroep tegen dat besluit.
2.4.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft bij uitspraak van 18 juni 2025 het beroep tegen het besluit van 14 mei 2025 ongegrond verklaard.
2.5.
Eiser is op 3 juli 2025 met onbekende bestemming vertrokken. De minister heeft met het besluit van 3 juli 2025 de overdrachtstermijn verlengd vanwege onderduiken.
2.6.
Op 5 augustus 2026 is eiser strafrechtelijk aangehouden.
2.7.
Eiser heeft op 6 augustus 2026 een nieuwe asielaanvraag ingediend. Op die dag is ook het bestreden besluit genomen.
2.8.
De minister heeft op 9 augustus 2026 deze asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag.
Toetsingskader
3. Uit het arrest Mahdi volgt dat in de schriftelijke maatregel de feitelijke en juridische gronden moeten zijn opgenomen. Dit is niet alleen in het belang van een adequate rechtsbescherming van de vreemdeling, maar dient er ook toe om de rechter ten volle in staat te stellen om de rechtmatigheid van een maatregel te beoordelen. Hoewel dit arrest gaat over de Terugkeerrichtlijn, wordt dit arrest van overeenkomstige toepassing geacht op de inbewaringstelling van personen die onder de Dublinverordening vallen. De rechtbank ziet geen grond om wat het Hof in het arrest Mahdi heeft overwogen niet van overeenkomstige toepassing te achten op de inbewaringstelling van personen die onder de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV) vallen.
3.1.
De minister kan vreemdelingen op wie de AMBV van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMBV. In artikel 44, tweede lid, van de AMBV staat dat wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
3.2.
Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMBV indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000 zich voordoen.
Is er een grondslag voor de maatregel ten tijde van de inbewaringstelling?
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat:
- er een overdrachtsbesluit is genomen ten aanzien van eiser op 14 mei 2025; en
- uit concrete aanknopingspunten is gebleken dat eiser kan worden overgedragen op grond van de AMBV.
Volgens de minister wordt de maatregel gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er een onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.2.
De rechtbank heeft ambtshalve beoordeeld of ten tijde van het opleggen van de maatregel er een grondslag was om eiser in bewaring te stellen op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000. De rechtbank is van oordeel dat deze grondslag aanwezig is op het moment dat de maatregel is opgelegd en dat deze grondslag voldoende uit de motivering van de maatregel blijkt. De minister heeft immers in de maatregel gemotiveerd dat er concrete aanknopingspunten waren dat eiser kan worden overgedragen op grond van de AMVB. In de maatregel verwijst de minister in dit kader niet alleen naar een overdrachtsbesluit van 14 mei 2025, maar ook naar Eurodac-meldingen.
5. Eiser heeft de gronden onder c en k betwist. De overige gronden zijn door eiser niet weersproken. Ambtshalve toetsend is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval de gronden onder a, p en r, en de daarbij gegeven motivering, de maatregel van bewaring kunnen dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat. De beroepsgronden over gronden c en k behoeven daarom geen bespreking.
Bestaat er zicht op overdracht?
6. Eiser voert aan dat geen zicht op overdracht bestaat omdat de overdrachtstermijn is verstreken. Hij wijst erop dat er weliswaar een toegewezen verzoek om een voorlopige voorziening ligt, maar dat zijn advocaat genoodzaakt was hierom te verzoeken omdat de minister een overdracht had gepland ondanks de schorsende werking van het beroep. Eiser meent dat de minister ten onrechte gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid. De overdrachtstermijn is volgens eiser dan ook niet verlengd maar inmiddels verlopen, wat betekent dat overdracht aan Oostenrijk niet aan de orde kan zijn.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan ook deze beroepsgrond niet slagen. Uit artikel 29, eerste lid, van de (toen geldende) Dublinverordening volgt dat dat de overdrachtstermijn pas ingaat zodra de beslissing op een beroep tegen een overdrachtsbesluit definitief is geworden, mits de uitvoering van het overdrachtsbesluit is opgeschort op grond van artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening. Eisers betoog dat de minister ten onrechte een overdracht heeft gepland voor zijn beroep tegen het overdrachtsbesluit van 14 mei 2025 op zitting werd behandeld, wat daar verder van zij, laat onverlet dat deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, op 28 mei 2025 een voorlopige voorziening heeft getroffen die de uitvoering van het overdrachtsbesluit opschort. Bij uitspraak van 18 juni 2025 heeft zittingsplaats Amsterdam het beroep van eiser ongegrond verklaard. Dit betekent dat de overdrachtstermijn van zes maanden op 18 juni 2025 is aangevangen. Eiser is vervolgens op 2 juli 2025 met onbekende bestemming vertrokken. Met het verlengingsbesluit van 3 juli 2025 is de overdrachtstermijn van zes maanden, die aanving op 18 juni 2025, verlengd met ten hoogste 12 maanden tot 18 december 2026. Van een verstreken overdrachtstermijn ten tijde van de inbewaringstelling is dan ook geen sprake. Ten tijde van de inbewaringstelling was er dus zicht op overdracht.
Tussenconclusie
7. Het voorgaande betekent dat ten tijde van de inbewaringstelling de maatregel – ook met toepassing van de ambtshalve toets – voldoet aan de hiervoor geldende voorwaarden.
Is het voortduren van de maatregel rechtmatig?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden is de rechtbank gehouden om ook ambtshalve de rechtmatigheid van de voortduring van de maatregel van vreemdelingenbewaring te toetsen. In dit kader ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of in het geval van eiser na het opleggen van de maatregel artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 nog een grondslag biedt voor de maatregel van vreemdelingenbewaring.
8.1.
Artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 biedt gelet op het bepaalde in artikel 44 van de AMBV echter enkel een grondslag voor vreemdelingenbewaring ter uitvoering van een overdracht overeenkomstig de AMBV. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in het geval van eiser sinds het besluit van 9 augustus 2026 geen sprake meer van. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.
8.2.
In het besluit van 9 augustus 2026 heeft de minister de asielaanvraag die eiser op 6 augustus 2026 heeft ingediend buiten behandeling gesteld omdat Oostenrijk nog steeds verantwoordelijk is voor de behandeling ervan en gemotiveerd dat dit tevens een overdrachtsbesluit is. Uit de motivering van dit besluit volgt dat het besluit om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen is gebaseerd op het feit dat in de eerdere Dublinprocedure is vastgesteld dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en het eerdere overdrachtsbesluit van 14 mei 2025 nog steeds geldig is. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat het nieuwe overdrachtsbesluit materieel gezien in feite niet meer behelst dan de vermelding dat het oude overdrachtsbesluit nog steeds geldig is. Niet is gebleken dat de minister de procedure van artikel 42 van de AMBV heeft doorlopen. Dit heeft de minister later ook schriftelijk bevestigd. De minister heeft hierbij aangegeven dat het doorlopen van deze procedure niet nodig was omdat de verantwoordelijkheid van Oostenrijk al was vastgesteld tijdens de eerdere Dublinprocedure en het overdrachtsbesluit van 14 mei 2025 nog steeds geldt. Volgens de minister is op dit deel de Dublinverordening geheel van toepassing. Nu de minister de in de AMBV voorgeschreven procedure niet heeft gevolgd, is de rechtbank van oordeel dat van een overdracht overeenkomstig artikel 44, tweede lid, van de AMBV geen sprake kan zijn. In feite is de minister voornemens het overdrachtsbesluit van 14 mei 2025 (dat is genomen op grond van de Dublinverordening) nog steeds te effectueren. Nu door de feitelijke effectuering van het overdrachtsbesluit van 14 mei 2025 geen sprake is van een overdracht op grond van de AMBV, kan artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 en de AMBV hiervoor geen grondslag bieden. Dit artikel biedt immers uitsluitend een grondslag voor vreemdelingenbewaring die in overeenstemming is met artikel 44 van de AMBV. En, artikel 44, tweede lid, van de AMBV biedt alleen een grondslag voor vreemdelingenbewaring ter uitvoering van overdrachten overeenkomstig de AMBV.
8.3.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vanaf het besluit van 9 augustus 2026 duidelijk is geworden dat de minister eiser niet zal overdragen overeenkomstig de AMBV. Dit betekent dat vanaf 9 augustus 2026 de vreemdelingenbewaring naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste grondslag berust.
Conclusie
9. Het beroep is gelet op het voorgaande gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 9 augustus 2026 onrechtmatig.
9.1.
De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van 13 augustus 2026.
9.2.
Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 5 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 600,-.
9.3.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van 13 augustus 2026 en gelast de onmiddellijke vrijlating van eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding.
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van C. van Osch, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
NL25.2563.
NL25.24069.
NL25.22748.
HvJEU 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320, punten 44 tot en met 46 en 52.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:232.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1593.
Verordening EU nr. 2024/1351.
Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb 2000.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.
Pagina 1 van het bestreden besluit.
Pagina 5 van het bestreden besluit.
ECLI:EU:C:2022:858.
Pagina’s 1 en 2 van dit besluit.
Pagina’s 3 en 4 van dit besluit.
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.44848
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. L Hartog).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingwet 2000 (Vw 2000) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Singh als tolk en de gemachtigde van de minister.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en de minister aanvullende vragen te stellen over de grondslag van de maatregel van vreemdelingenbewaring. De minister heeft deze vragen beantwoord en eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens, nadat partijen desgevraagd niet hebben aangegeven prijs te stellen op een nadere zitting, het onderzoek op 12 augustus 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
2. Eiser heeft op 30 oktober 2024 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is met een besluit van 17 januari 2025 niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag en de minister heeft hierbij besloten dat eiser zal worden overgedragen aan Oostenrijk.
2.1.
Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft bij uitspraak van 7 mei 2025, voor zover van belang, het besluit van 17 januari 2025 vernietigd.
2.2.
De minister heeft met een besluit van 14 mei 2025 de asielaanvraag van eiser opnieuw niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag en besloten dat eiser zal worden overgedragen aan Oostenrijk.
2.3.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft bij uitspraak van 28 mei 2025 de voorlopige voorziening getroffen dat het besluit van 14 mei 2025 wordt geschorst en dat eiser niet mag worden overgedragen aan Oostenrijk totdat uitspraak is gedaan op het beroep tegen dat besluit.
2.4.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft bij uitspraak van 18 juni 2025 het beroep tegen het besluit van 14 mei 2025 ongegrond verklaard.
2.5.
Eiser is op 3 juli 2025 met onbekende bestemming vertrokken. De minister heeft met het besluit van 3 juli 2025 de overdrachtstermijn verlengd vanwege onderduiken.
2.6.
Op 5 augustus 2026 is eiser strafrechtelijk aangehouden.
2.7.
Eiser heeft op 6 augustus 2026 een nieuwe asielaanvraag ingediend. Op die dag is ook het bestreden besluit genomen.
2.8.
De minister heeft op 9 augustus 2026 deze asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag.
Toetsingskader
3. Uit het arrest Mahdi volgt dat in de schriftelijke maatregel de feitelijke en juridische gronden moeten zijn opgenomen. Dit is niet alleen in het belang van een adequate rechtsbescherming van de vreemdeling, maar dient er ook toe om de rechter ten volle in staat te stellen om de rechtmatigheid van een maatregel te beoordelen. Hoewel dit arrest gaat over de Terugkeerrichtlijn, wordt dit arrest van overeenkomstige toepassing geacht op de inbewaringstelling van personen die onder de Dublinverordening vallen. De rechtbank ziet geen grond om wat het Hof in het arrest Mahdi heeft overwogen niet van overeenkomstige toepassing te achten op de inbewaringstelling van personen die onder de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV) vallen.
3.1.
De minister kan vreemdelingen op wie de AMBV van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMBV. In artikel 44, tweede lid, van de AMBV staat dat wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
3.2.
Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMBV indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000 zich voordoen.
Is er een grondslag voor de maatregel ten tijde van de inbewaringstelling?
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat:
- er een overdrachtsbesluit is genomen ten aanzien van eiser op 14 mei 2025; en
- uit concrete aanknopingspunten is gebleken dat eiser kan worden overgedragen op grond van de AMBV.
Volgens de minister wordt de maatregel gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er een onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.2.
De rechtbank heeft ambtshalve beoordeeld of ten tijde van het opleggen van de maatregel er een grondslag was om eiser in bewaring te stellen op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000. De rechtbank is van oordeel dat deze grondslag aanwezig is op het moment dat de maatregel is opgelegd en dat deze grondslag voldoende uit de motivering van de maatregel blijkt. De minister heeft immers in de maatregel gemotiveerd dat er concrete aanknopingspunten waren dat eiser kan worden overgedragen op grond van de AMVB. In de maatregel verwijst de minister in dit kader niet alleen naar een overdrachtsbesluit van 14 mei 2025, maar ook naar Eurodac-meldingen.
5. Eiser heeft de gronden onder c en k betwist. De overige gronden zijn door eiser niet weersproken. Ambtshalve toetsend is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval de gronden onder a, p en r, en de daarbij gegeven motivering, de maatregel van bewaring kunnen dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat. De beroepsgronden over gronden c en k behoeven daarom geen bespreking.
Bestaat er zicht op overdracht?
6. Eiser voert aan dat geen zicht op overdracht bestaat omdat de overdrachtstermijn is verstreken. Hij wijst erop dat er weliswaar een toegewezen verzoek om een voorlopige voorziening ligt, maar dat zijn advocaat genoodzaakt was hierom te verzoeken omdat de minister een overdracht had gepland ondanks de schorsende werking van het beroep. Eiser meent dat de minister ten onrechte gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid. De overdrachtstermijn is volgens eiser dan ook niet verlengd maar inmiddels verlopen, wat betekent dat overdracht aan Oostenrijk niet aan de orde kan zijn.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan ook deze beroepsgrond niet slagen. Uit artikel 29, eerste lid, van de (toen geldende) Dublinverordening volgt dat dat de overdrachtstermijn pas ingaat zodra de beslissing op een beroep tegen een overdrachtsbesluit definitief is geworden, mits de uitvoering van het overdrachtsbesluit is opgeschort op grond van artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening. Eisers betoog dat de minister ten onrechte een overdracht heeft gepland voor zijn beroep tegen het overdrachtsbesluit van 14 mei 2025 op zitting werd behandeld, wat daar verder van zij, laat onverlet dat deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, op 28 mei 2025 een voorlopige voorziening heeft getroffen die de uitvoering van het overdrachtsbesluit opschort. Bij uitspraak van 18 juni 2025 heeft zittingsplaats Amsterdam het beroep van eiser ongegrond verklaard. Dit betekent dat de overdrachtstermijn van zes maanden op 18 juni 2025 is aangevangen. Eiser is vervolgens op 2 juli 2025 met onbekende bestemming vertrokken. Met het verlengingsbesluit van 3 juli 2025 is de overdrachtstermijn van zes maanden, die aanving op 18 juni 2025, verlengd met ten hoogste 12 maanden tot 18 december 2026. Van een verstreken overdrachtstermijn ten tijde van de inbewaringstelling is dan ook geen sprake. Ten tijde van de inbewaringstelling was er dus zicht op overdracht.
Tussenconclusie
7. Het voorgaande betekent dat ten tijde van de inbewaringstelling de maatregel – ook met toepassing van de ambtshalve toets – voldoet aan de hiervoor geldende voorwaarden.
Is het voortduren van de maatregel rechtmatig?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden is de rechtbank gehouden om ook ambtshalve de rechtmatigheid van de voortduring van de maatregel van vreemdelingenbewaring te toetsen. In dit kader ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of in het geval van eiser na het opleggen van de maatregel artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 nog een grondslag biedt voor de maatregel van vreemdelingenbewaring.
8.1.
Artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 biedt gelet op het bepaalde in artikel 44 van de AMBV echter enkel een grondslag voor vreemdelingenbewaring ter uitvoering van een overdracht overeenkomstig de AMBV. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in het geval van eiser sinds het besluit van 9 augustus 2026 geen sprake meer van. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.
8.2.
In het besluit van 9 augustus 2026 heeft de minister de asielaanvraag die eiser op 6 augustus 2026 heeft ingediend buiten behandeling gesteld omdat Oostenrijk nog steeds verantwoordelijk is voor de behandeling ervan en gemotiveerd dat dit tevens een overdrachtsbesluit is. Uit de motivering van dit besluit volgt dat het besluit om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen is gebaseerd op het feit dat in de eerdere Dublinprocedure is vastgesteld dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en het eerdere overdrachtsbesluit van 14 mei 2025 nog steeds geldig is. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat het nieuwe overdrachtsbesluit materieel gezien in feite niet meer behelst dan de vermelding dat het oude overdrachtsbesluit nog steeds geldig is. Niet is gebleken dat de minister de procedure van artikel 42 van de AMBV heeft doorlopen. Dit heeft de minister later ook schriftelijk bevestigd. De minister heeft hierbij aangegeven dat het doorlopen van deze procedure niet nodig was omdat de verantwoordelijkheid van Oostenrijk al was vastgesteld tijdens de eerdere Dublinprocedure en het overdrachtsbesluit van 14 mei 2025 nog steeds geldt. Volgens de minister is op dit deel de Dublinverordening geheel van toepassing. Nu de minister de in de AMBV voorgeschreven procedure niet heeft gevolgd, is de rechtbank van oordeel dat van een overdracht overeenkomstig artikel 44, tweede lid, van de AMBV geen sprake kan zijn. In feite is de minister voornemens het overdrachtsbesluit van 14 mei 2025 (dat is genomen op grond van de Dublinverordening) nog steeds te effectueren. Nu door de feitelijke effectuering van het overdrachtsbesluit van 14 mei 2025 geen sprake is van een overdracht op grond van de AMBV, kan artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 en de AMBV hiervoor geen grondslag bieden. Dit artikel biedt immers uitsluitend een grondslag voor vreemdelingenbewaring die in overeenstemming is met artikel 44 van de AMBV. En, artikel 44, tweede lid, van de AMBV biedt alleen een grondslag voor vreemdelingenbewaring ter uitvoering van overdrachten overeenkomstig de AMBV.
8.3.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vanaf het besluit van 9 augustus 2026 duidelijk is geworden dat de minister eiser niet zal overdragen overeenkomstig de AMBV. Dit betekent dat vanaf 9 augustus 2026 de vreemdelingenbewaring naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste grondslag berust.
Conclusie
9. Het beroep is gelet op het voorgaande gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 9 augustus 2026 onrechtmatig.
9.1.
De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van 13 augustus 2026.
9.2.
Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 5 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 600,-.
9.3.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van 13 augustus 2026 en gelast de onmiddellijke vrijlating van eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding.
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van C. van Osch, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
NL25.2563.
NL25.24069.
NL25.22748.
HvJEU 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320, punten 44 tot en met 46 en 52.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:232.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1593.
Verordening EU nr. 2024/1351.
Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb 2000.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.
Pagina 1 van het bestreden besluit.
Pagina 5 van het bestreden besluit.
ECLI:EU:C:2022:858.
Pagina’s 1 en 2 van dit besluit.
Pagina’s 3 en 4 van dit besluit.