Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23820

2026-08-19 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.45860
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
NL26.45860
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

spoedvovo afgewezen, Dublin Oostenrijk, “feit” in de zin van de AMbV.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (6.897 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



Zaaknummer: NL26.45860



V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),


en


de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).



Procesverloop


Met een besluit van 9 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de opvolgende asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.



Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.



De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen, als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich in deze zaak die situatie voor, omdat de feitelijke overdracht staat gepland voor
20 augustus 2026.



Eerdere procedures



4. Verzoeker heeft de Pakistaanse nationaliteit. Verzoeker heeft op 30 oktober 2024 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Uit informatie uit Eurodac bleek dat verzoeker op een eerder moment onder meer in Oostenrijk een asielaanvraag had ingediend. De Nederlandse autoriteiten hebben op 16 december 2024 aan de Oostenrijkse autoriteiten gevraagd om verzoeker terug te nemen. De Oostenrijkse autoriteiten zijn daarmee akkoord gegaan op
19 december 2024. Op 17 januari 2025 heeft de minister de asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

5. Verzoeker heeft tegen het besluit van 17 januari 2025 beroep ingesteld. Dit beroep is op 7 mei 2025 gegrond verklaard waarbij het besluit van 17 januari 2025 is vernietigd. De minister heeft op 14 mei 2025 een nieuw besluit genomen. De aanvraag is wederom niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan. Ook is een overdrachtsbesluit genomen. Verzoeker heeft vervolgens beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Op 28 mei 2025 is de voorlopige voorziening toegewezen. Daardoor is de overdrachtstermijn opgeschort. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft vervolgens het beroep ongegrond verklaard. De overdrachtstermijn verstreek op dat moment op 18 december 2025.

6. De minister heeft de overdrachtstermijn op 3 juli 2025 met één jaar verlengd, omdat verzoeker is ondergedoken. Deze verlenging staat in rechte vast. Als gevolg hiervan verstrijkt de overdrachtstermijn op 18 december 2026.



De huidige procedure



7. Verzoeker heeft op 6 augustus 2026 een tweede asielaanvraag ingediend. Op
9 augustus 2026 heeft de minister deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan. Hierin is ook een overdrachtsbesluit opgenomen. Op 11 augustus 2026 heeft de minister de overdracht van verzoeker aan Oostenrijk aangekondigd. Deze zal plaatsvinden op 20 augustus 2026. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.

8. Verzoeker voert aan dat zijn tweede asielaanvraag valt onder de werkingssfeer van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMbV). In de AMbV is bepaald dat de Dublinverordening is ingetrokken. Verzoeker meent dat uit de overgangsbepalingen niet kan worden afgeleid dat eerdere beslissingen en handelingen onder de Dublinverordening blijven doorwerken op asielaanvragen die na 1 juli 2026 zijn ingediend. Dit gaat immers verder dan “feiten” waarmee rekening wordt gehouden, zoals bedoeld in artikel 84, eerste lid, van de AMbV. Verzoeker meent daarom ook dat de minister een kennisgeving op grond van artikel 41 van de AMbV had moeten uitvaardigen.

9. De minister heeft gemotiveerd gereageerd op de ingebrachte gronden.



Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter



10. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoeker. Op grond van artikel 84, eerste lid, van de AMbV moet bij asielaanvragen die na 1 juli 2026 worden geregistreerd rekening worden gehouden met feiten die waarschijnlijk de verantwoordelijkheid van een lidstaat uit hoofde van deze verordening met zich brengt, zelfs als deze dateren van vóór die datum. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat het claimakkoord van 19 december 2024 is aan te merken als feit zoals bedoeld in artikel 84, eerste lid, van de AMbV. Met dit claimakkoord is namelijk vastgesteld dat Oostenrijk als verantwoordelijke lidstaat moet worden aangewezen. Een kennisgeving inzake terugname, zoals bedoeld in artikel 41, eerste en tweede lid, van de AMbV is dan niet vereist.



Conclusie en gevolgen


11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.P.W. Kwakman, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.





Geregistreerd onder zaaknummer: NL26.45859.


Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.


NL25.2563.


NL25.24069.


NL25.22748.


Verordening (EU) nr. 2024/1351.


Verordening (EU) nr. 604/2013.