Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27992
2026-09-23
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.27143
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen afwijzing asielaanvraag. Spanje is verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag en verweerder mag ten aanzien van Spanje nog altijd uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Beroep kennelijk ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:4989 Rechtbank Den Haag 09-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2548 Raad van State 24-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:5661 Raad van State 25-11-2025
- ECLI:EU:C:2019:218
- ECLI:NL:RVS:2025:4183 Raad van State 03-09-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.330 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27143
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. B. de Haan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 13 mei 2026 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Wat is het betoog van eiser?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat de kwaliteit van de opvang in Spanje niet aan de minimumnormen voldoet. Eiser wijst daarbij op de ‘key decisions’ van de Europese Commissie van 26 januari 2023. Hij meent dat uit het opstarten van deze inbreukprocedure genoegzaam blijkt dat er grote zorgen bestaan over de opvangsituatie in Spanje. Daarnaast verwijst eiser naar de AIDA-rapporten van 29 april 2022, 21 april 2023, 30 mei 2024 en 30 april 2025. Uit deze rapporten blijkt volgens eiser dat van kwalitatief goede opvang geen sprake is. Ook wordt in deze rapporten gesproken van chronische tekortkomingen. Eiser handhaaft daarom wat hij in de zienswijze over de opvangvoorzieningen in Spanje naar voren heeft gebracht. Verder stelt eiser dat Dublinclaimanten feitelijk worden verhinderd om in Spanje asiel aan te vragen, omdat zij van het kastje naar de muur worden gestuurd. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 9 april 2024. Eiser meent dat – aangezien uit de hiervoor genoemde AIDA-rapporten en de inbreukprocedure van de Europese Commissie blijkt dat de zorgelijke situatie over de opvangfaciliteiten al jarenlang speelt – hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij hierover moet klagen bij de Spaanse autoriteiten. Hij handhaaft daarom zijn stelling dat dit op voorhand zinloos is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat verweerder er in beginsel op mag vertrouwen dat Spanje zijn internationale verplichtingen uit het Unierecht en de mensenrechtenverdragen zal nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt of de rechtbank ambtshalve vaststelt dat het asiel- en opvangsysteem in Spanje dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Van een dergelijke schending is pas sprake als de geconstateerde tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo.
6.1.
In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat ten aanzien van Spanje niet (langer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder is in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd ingegaan op het door eiser in de zienswijze aangehaalde AIDA-rapport van 30 april 2025. Daarbij heeft verweerder terecht gewezen op de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 25 november 2025, waarin dit AIDA-rapport is betrokken. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het AIDA-rapport van 30 april 2025 geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangsituatie ten opzichte van het AIDA-rapport van 30 mei 2024. Hoewel het lastig kan zijn voor Dublinclaimanten om toegang te verkrijgen tot opvangvoorzieningen, blijkt niet dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Spanje op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest strijdige behandeling. Ook de inbreukprocedure die de Europese Commissie tegen Spanje is gestart, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat Spanje structurele tekortkomingen heeft in de opvangvoorzieningen. Uit de ‘key decisions’ blijkt niet welke gebreken in de implementatie van de Opvangrichtlijn aanleiding zijn voor de inbreukbeslissing. Daarbij is van belang dat de Europese Commissie de Spaanse autoriteiten de gelegenheid heeft gegeven om de gebrekkige implementatie van de Opvangrichtlijn te herstellen.
6.2.
Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat Spanje in zijn specifieke geval de internationale verplichtingen schendt. Verweerder heeft bij de beoordeling daarvan in aanmerking kunnen nemen dat eiser niet eerder een asielaanvraag in Spanje heeft ingediend, zodat hij geen eigen ervaringen heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en opvangvoorzieningen daar. Daar komt bij dat Spanje door middel van het expliciete claimakkoord heeft gegarandeerd het asielverzoek van eiser in overeenstemming met de internationale verplichtingen, die voortvloeien uit de verschillende verdragen en Europese richtlijnen, in behandeling te nemen. Verweerder heeft in het bestreden besluit dan ook terecht overwogen dat eiser bij toekomstige problemen met betrekking tot de asielprocedure, de (opvang)voorzieningen of anderszins in Spanje zich moet wenden tot de Spaanse (hogere) autoriteiten of de daarvoor aangewezen instanties. Uit de door eiser aangehaalde stukken is – anders dan eiser stelt - niet gebleken dat zij eiser niet willen of kunnen helpen dan wel dat klagen bij voorbaat zinloos is. Verder merkt de rechtbank nog op dat uit de verklaringen van eiser niet naar voren is gekomen dat hij eerder in Spanje heeft geklaagd of hulp heeft gezocht met betrekking tot het verkrijgen van opvang of toegang tot de asielprocedure. De verwijzing van eiser naar de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 9 april 2024 geeft dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel.
6.3.
Verweerder heeft daarom kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich terecht op het standpunt gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Spanje de internationale verplichtingen nakomt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Algemene wet bestuursrecht.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Asylum Information Database.
ECLI:NL:RBDHA:2024:4989.
Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2548 en 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5661.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, in de zaak Jawo tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2019:218.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4183.
Richtlijn 2013/33/EU.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27143
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. B. de Haan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 13 mei 2026 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Wat is het betoog van eiser?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat de kwaliteit van de opvang in Spanje niet aan de minimumnormen voldoet. Eiser wijst daarbij op de ‘key decisions’ van de Europese Commissie van 26 januari 2023. Hij meent dat uit het opstarten van deze inbreukprocedure genoegzaam blijkt dat er grote zorgen bestaan over de opvangsituatie in Spanje. Daarnaast verwijst eiser naar de AIDA-rapporten van 29 april 2022, 21 april 2023, 30 mei 2024 en 30 april 2025. Uit deze rapporten blijkt volgens eiser dat van kwalitatief goede opvang geen sprake is. Ook wordt in deze rapporten gesproken van chronische tekortkomingen. Eiser handhaaft daarom wat hij in de zienswijze over de opvangvoorzieningen in Spanje naar voren heeft gebracht. Verder stelt eiser dat Dublinclaimanten feitelijk worden verhinderd om in Spanje asiel aan te vragen, omdat zij van het kastje naar de muur worden gestuurd. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 9 april 2024. Eiser meent dat – aangezien uit de hiervoor genoemde AIDA-rapporten en de inbreukprocedure van de Europese Commissie blijkt dat de zorgelijke situatie over de opvangfaciliteiten al jarenlang speelt – hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij hierover moet klagen bij de Spaanse autoriteiten. Hij handhaaft daarom zijn stelling dat dit op voorhand zinloos is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat verweerder er in beginsel op mag vertrouwen dat Spanje zijn internationale verplichtingen uit het Unierecht en de mensenrechtenverdragen zal nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt of de rechtbank ambtshalve vaststelt dat het asiel- en opvangsysteem in Spanje dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Van een dergelijke schending is pas sprake als de geconstateerde tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo.
6.1.
In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat ten aanzien van Spanje niet (langer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder is in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd ingegaan op het door eiser in de zienswijze aangehaalde AIDA-rapport van 30 april 2025. Daarbij heeft verweerder terecht gewezen op de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 25 november 2025, waarin dit AIDA-rapport is betrokken. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het AIDA-rapport van 30 april 2025 geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangsituatie ten opzichte van het AIDA-rapport van 30 mei 2024. Hoewel het lastig kan zijn voor Dublinclaimanten om toegang te verkrijgen tot opvangvoorzieningen, blijkt niet dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Spanje op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest strijdige behandeling. Ook de inbreukprocedure die de Europese Commissie tegen Spanje is gestart, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat Spanje structurele tekortkomingen heeft in de opvangvoorzieningen. Uit de ‘key decisions’ blijkt niet welke gebreken in de implementatie van de Opvangrichtlijn aanleiding zijn voor de inbreukbeslissing. Daarbij is van belang dat de Europese Commissie de Spaanse autoriteiten de gelegenheid heeft gegeven om de gebrekkige implementatie van de Opvangrichtlijn te herstellen.
6.2.
Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat Spanje in zijn specifieke geval de internationale verplichtingen schendt. Verweerder heeft bij de beoordeling daarvan in aanmerking kunnen nemen dat eiser niet eerder een asielaanvraag in Spanje heeft ingediend, zodat hij geen eigen ervaringen heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en opvangvoorzieningen daar. Daar komt bij dat Spanje door middel van het expliciete claimakkoord heeft gegarandeerd het asielverzoek van eiser in overeenstemming met de internationale verplichtingen, die voortvloeien uit de verschillende verdragen en Europese richtlijnen, in behandeling te nemen. Verweerder heeft in het bestreden besluit dan ook terecht overwogen dat eiser bij toekomstige problemen met betrekking tot de asielprocedure, de (opvang)voorzieningen of anderszins in Spanje zich moet wenden tot de Spaanse (hogere) autoriteiten of de daarvoor aangewezen instanties. Uit de door eiser aangehaalde stukken is – anders dan eiser stelt - niet gebleken dat zij eiser niet willen of kunnen helpen dan wel dat klagen bij voorbaat zinloos is. Verder merkt de rechtbank nog op dat uit de verklaringen van eiser niet naar voren is gekomen dat hij eerder in Spanje heeft geklaagd of hulp heeft gezocht met betrekking tot het verkrijgen van opvang of toegang tot de asielprocedure. De verwijzing van eiser naar de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 9 april 2024 geeft dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel.
6.3.
Verweerder heeft daarom kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich terecht op het standpunt gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Spanje de internationale verplichtingen nakomt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Algemene wet bestuursrecht.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Asylum Information Database.
ECLI:NL:RBDHA:2024:4989.
Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2548 en 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5661.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, in de zaak Jawo tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2019:218.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4183.
Richtlijn 2013/33/EU.