Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:27563

2026-09-16 Civiel recht C/09/687785
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-21
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/687785
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Geen sprake van externe bestuurdersaansprakelijkheid jegens een (mede-)aandeelhouder van de onderneming en jegens een schuldeiser die een gelieerde onderneming is.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.572 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Team handel



Zaaknummer: C/09/687785 / HA ZA 25-586




Vonnis van 16 september 2026




in de zaak van




1
1. [eiseres 1] GMBH, te [vestigingsplaats 1] ([land]),2. [eiseres 2] GMBH, te [vestigingsplaats 1] ([land]),

eiseressen,
advocaat: mr. J. Oskam



tegen





1 [gedaagde 1] B.V., te [vestigingsplaats 2] ,2. [gedaagde 2] , te [woonplaats] ,

gedaagden,
advocaat: mr. J. Verhoeven.



Partijen zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als [eiseres 1] , [eiseres 2] GmbH, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [eiseres 1] en [eiseres 2] GmbH zullen gezamenlijk in meervoud worden aangeduid als [eiseressen] en gedaagden zullen gezamenlijk in meervoud worden aangeduid als [gedaagden]





1De procedure


1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:


de dagvaarding van 4 juni 2025, met producties 1 tot en met 15;


de conclusie van antwoord in conventie, met producties 1 tot en met 15;


de akte van [gedaagden] , met producties 16 tot en met 21.





1.2.
Op 9 april 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij aan de rechtbank hebben overhandigd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen tijdens de zitting hebben gezegd.



1.3.
De dagvaarding van 4 juni 2025 was tevens op verzoek van [eiseres 2] B.V. uitgebracht. Bij beschikking van 9 september 2025 is de faillissementsaanvraag van [eiseres 2] B.V. in hoger beroep toegewezen, met aanstelling van mr. Van Winden als curator.



1.4.
Mr. Van Winden q.q. en [gedaagden] hebben een schikking bereikt en hebben de rechtbank op 3 juni 2026 verzocht de procedure tussen [eiseres 2] B.V. en [gedaagden] door te halen. De rechtbank heeft dit verzoek gehonoreerd en als gevolg daarvan komt de rechtbank alleen nog toe aan een beoordeling van de vorderingen van [eiseressen]






2De feiten


2.1.
Het [bedrijfsnaam] biedt wachtrij management- en afsprakensystemen aan.



2.2.

[gedaagde 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] .



2.3.

[eiseres 1] houdt 80% en [gedaagde 1] 20% van de aandelen in [eiseres 2] B.V.



2.4.
In de aandeelhoudersovereenkomst zijn [eiseres 1] en [gedaagde 1] , voor zover relevant, het volgende overeengekomen:


‘Artikel 3. Stemrecht; vergaderingen en besluitvorming
(…)

2. Minimaal eenmaal per jaar (en onverminderd dat wat in de statuten is bepaald) wordt een AV gehouden, waarbij in elk geval de volgende punten aan de orde komen:
(…)
b. Bestuurder X Beheer moet bij investeringen van meer dan € 20.000 om toestemming verzoeken bij de AV
(…)



Artikel 9. Financiering van de vennootschap


1. De financierings-werkkapitaalbehoefte van de vennootschap is bepaald op € 10.000. Deze behoefte wordt als volgt gedekt:
• Kapitaalstorting/uitgifte aandelen.
2. Indien de vennootschap nadere financiering behoeft, zullen partijen zorgen dat de vennootschap
deze verkrijgt door, in volgorde van prioriteit:
a. het verkrijgen van leningen van [eiseres 2] GmbH
b. het verkrijgen van (achtergestelde) aandeelhoudersleningen;
c. het verkrijgen van bancaire financiering;
d. uitgifte van nieuwe aandelen aan bestaande aandeelhouders,
e. uitgifte van nieuwe aandelen aan nieuwe aandeelhouders.
3. Het bepaalde in lid 2 van dit artikel schept geen verplichting voor partijen tot het verstrekken van

verdere financiering, maar de niet-participerende aandeelhouder aanvaardt dat bij emissie van
nieuwe aandelen haar belang zal verwateren. De niet-participerende aandeelhouder zal in de
algemene vergadering instemmen met betrekking tot uitgifte van nieuwe aandelen.

4. Indien nieuwe aandelen worden uitgegeven, zal dat niet geschieden tegen een koers die lager is
dan de marktwaarde van de reeds geëmitteerde aandelen.



Artikel 10. Winstverdeling en dividendbeleid


1. Binnen de vennootschap beschikbare overtollige liquide middelen worden primair bestemd voor pro rata aflossing van leningen verstrekt of nog te verstrekken aan de vennootschap door partijen.
(…)’



2.5.
In de managementovereenkomst, gesloten tussen [eiseres 2] B.V. en [gedaagde 1] , is het volgende overeengekomen:


‘Artikel 2. Duur

1. Deze overeenkomst gaat in op 1 februari 2022 en is aangegaan voor onbepaalde tijd, doch met
een minimum duur tot 31 december 2023
2. Elk van beide partijen kan de overeenkomst opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn
van 3 maanden. Opzegging dient schriftelijk te geschieden.
3. In afwijking van het bepaalde in lid 2 van dit artikel kan de vennootschap deze overeenkomst met

onmiddellijke ingang opzeggen indien de persoon aan wie de manager de feitelijke uitvoering van
de werkzaamheden heeft opgedragen zich zodanig gedraagt dat, ware die persoon in de zin van
het Burgerlijk Wetboek werknemer van de vennootschap geweest, sprake zou zijn van dringende
redenen in de zin van artikel 7:678 Burgerlijk Wetboek dan wel indien de manager geen statutair
bestuurder meer zou zijn van de vennootschap.

4. In afwijking van het bepaalde in lid 2 van dit artikel kan de vennootschap deze overeenkomst met

onmiddellijke ingang opzeggen als gevolg van ieder vennootschapsrechtelijk ontslag van de
manager, ongeacht welke partij hiertoe het initiatief neemt en ongeacht de reden daarvan.

5. In afwijking van het bepaalde in lid 2 van dit artikel kan elk van beide partijen voorts de

overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen indien de wederpartij failliet wordt verklaard,
surseance van betaling aanvraagt of wordt ontbonden.




Artikel 10. Boete

Voor zover in deze overeenkomst niet anders is bepaald is een partij ingeval van niet-nakoming van
enige bepaling van deze overeenkomst ten gevolge van diens toerekenbare tekortkoming, ten gunste
van de benadeelde partij een boete verschuldigd van € 25.000,- te vermeerderen met € 2.500,- voor
elke dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd de overige rechten van de benadeelde partij
krachtens de wet of de onderhavige overeenkomst, zoals onder meer het recht om nakoming van de
overeenkomst dan wel een verbod en/of schadevergoeding te vorderen, indien en voor zover de
schade het bedrag van de boeten overtreft.’




2.6.
Bij geldleningsovereenkomst van 1 maart 2022 zijn [eiseres 2] GmbH en [eiseres 2] B.V. het volgende overeengekomen:


‘§ 1 Subject matter of the contract
The Lender shall provide the Borrower with a sum of money in revolving amount as financing
assistance, if required.(…)



§2 Interest
The loan bears interest at 4% per annum. Interest for a period of less than one year is
calculated on the basis of a year of 12 months of 30 days each.
The interest shall become due for payment upon termination of the loan agreement on
31.12.2024.
§ 3 Repayment, term

1. The loan amount, including interest, is repayable by 31.12.2024.
2. Unscheduled repayments are permitted at any time without an early repayment penalty.’



2.7.
In het verloop van juli 2023 is de bovengenoemde kredietfaciliteit uit hoofde van de geldleningsovereenkomst door [eiseres 2] GmbH beëindigd.



2.8.
Bij geldleningsovereenkomst van 6 september 2024 zijn [gedaagde 1] en [eiseres 2] B.V., voor zover relevant, het volgende overeengekomen:


‘Zijn overeengekomen als volgt:

1. Hoofdsom

Uitlener stelt aan lener ter beschikking een geldlening van €57.500,- (zegge:
zevenenvijftigduizend en vijfhonderd euro) welk bedrag lener verklaart van uitlener
ontvangen te hebben en aan uitlener verschuldigd te zijn, zulks te vermeerderen met
rente en kosten zoals hierna in deze overeenkomst bepaald.


2. Duur en aflossing


2.1
De schuld (hoofdsom en rente) dient te zijn afgelost op 28-02-2025


2.2

Aflossing van de bestaande hoofdsom gebeurt door een eenmalige betaling van de
hoofdsom en bijkomende rente, uiterlijk op de dag zoals omschreven bij artikel 2.1
hierboven



2.3
Vervroegde, volledige of gedeeltelijke aflossing is toegestaan

3. Aflossing
De lening kan niet worden opgezegd zoals voorzien in artikel 6

4. Rente


4.1

Over de hoofdsom en eventuele achterstallige rente zal door lener een rente
verschuldigd zijn van € 10.000,- tot de datum aflossing zoals genoemd in artikel 2.1
hierboven. Deze rente dient op de vervaldatum tegelijk met de hoofdsom te worden
terugbetaald waardoor Lener aan Uitlener per die datum een bedrag van € 67.500,-
verschuldigd zal zijn.



4.2

Indien de geldlening niet uiterlijk op de datum zoals vermeld bij 2.1 hierboven zal zijn
terugbetaald is Lener vanaf die datum een rentepercentage verschuldigd over de
hoofdsom en eventuele achterstallige rente van 30% op jaarbasis.
(…)’




2.9.
Bij e-mail van 3 februari 2025 heeft [gedaagde 2] namens [gedaagde 1] met onmiddellijke ingang de functie van statutair bestuurder van [eiseres 2] B.V. neergelegd.



2.10.
Bij beschikking van 9 september 2025 is de faillissementsaanvraag van [eiseres 2] B.V. in hoger beroep toegewezen.





3Het geschil


3.1.

[eiseressen] vorderen dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:


I . verklaart voor recht dat [gedaagde 1] wanprestatie heeft gepleegd en/of onrechtmatig heeft gehandeld en/of aansprakelijk is op grond van onbehoorlijk bestuur;
II. verklaart voor recht dat [gedaagde 2] wanprestatie heeft gepleegd en/of onrechtmatig heeft gehandeld en/of aansprakelijk is op grond van onbehoorlijk bestuur;
III. verklaart voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiseressen] geleden schade op grond van artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en/of artikel 6:74 BW;
IV. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] (hoofdelijk) veroordeelt tot betaling van de schade aan [eiseressen] , op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang vanaf 30 januari 2025 tot de dag van volledige betaling;
V. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] (hoofdelijk) veroordeelt in de kosten van de procedure.




3.2.
Aan hun vorderingen leggen [eiseressen] het volgende ten grondslag. [eiseressen] stellen dat [gedaagden] uit hoofde van externe bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 6:162 BW en artikel 2:11 BW) aansprakelijk zijn. [gedaagde 1] heeft abrupt haar bestuurstaken en werkzaamheden voor [eiseres 2] B.V. neergelegd. Daarbij heeft [gedaagde 1] geen zorg gedragen voor een correcte overdracht van de administratie. Daarnaast heeft zij, terwijl zij nog bestuurder was, een onjuiste voorstelling van zaken gegeven over de financiële situatie van de vennootschap. Voorts is gebleken dat [gedaagde 1] een geldleningsovereenkomst met [eiseres 2] B.V. heeft gesloten die in strijd is met de aandeelhoudersovereenkomst. Ook heeft zij [eiseres 2] B.V. deze overeenkomst laten uitvoeren op een manier die in strijd is met de aandeelhoudersovereenkomst door namelijk [eiseres 2] B.V. aan haar te laten uitbetalen, in plaats van (eerst) aan [eiseres 2] GmbH. Volgens [eiseressen] is daardoor sprake van ongeoorloofde selectieve betaling.



3.3.

[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres 2] GmbH en tot afwijzing van de vorderingen van [eiseressen] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseressen] in de kosten van deze procedure.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of onrechtmatig heeft gehandeld, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap daarvoor aansprakelijk is. De bestuurder kan naast de vennootschap aansprakelijk zijn als hij bijvoorbeeld heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt. Hiervoor is vereist dat de bestuurder een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als vaststaat dat de bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. Artikel 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.



Geldlening en selectieve betalingen





4.2.

[eiseressen] stellen onder meer dat [gedaagde 1] een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt doordat zij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [eiseres 2] B.V. – in strijd met de aandeelhoudersovereenkomst – een geldleningsovereenkomst met [gedaagde 1] heeft gesloten en die vervolgens heeft afgelost, terwijl zij een vordering van [eiseres 2] GmbH uit hoofde van een geldleningsovereenkomst onbetaald heeft gelaten. Dit zou in de gegeven omstandigheden een ongeoorloofde selectieve betaling zijn. Ook zouden de betalingen van de managementvergoedingen van [gedaagde 1] ongeoorloofde selectieve betalingen zijn.



4.3.
Van selectieve betaling is sprake als schuldeisers benadeeld zijn als gevolg van de bevoordeling van een of meer schuldeisers. Het enkele feit dat er sprake is van selectieve betaling brengt niet zonder meer een persoonlijk ernstig verwijt met zich mee. Bij beantwoording van de vraag of selectieve betaling tot bestuurdersaansprakelijkheid leidt, moet aansluiting worden gezocht bij de maatstaven van Ontvanger/Roelofsen.



4.4.
De vraag die voorligt, is of [gedaagde 1] wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door haar bewerkstelligde of toegelaten betalingen tot gevolg zouden hebben dat [eiseres 2] B.V. haar verplichtingen jegens [eiseres 2] GmbH of jegens andere schuldeisers niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank licht dit hieronder toe.



4.5.
De rechtbank ziet in de eerste plaats in de door [eiseressen] gestelde strijd met de aandeelhoudersovereenkomst geen omstandigheid die een persoonlijk ernstig verwijt kan dragen. Niet is gebleken dat het sluiten van de geldleningsovereenkomst in strijd is met de aandeelhoudersovereenkomst. Daarbij is van belang dat artikel 9 van de aandeelhoudersovereenkomst de mogelijkheid van financiering voorziet door [gedaagde 1] . [eiseres 2] GmbH had haar krediet aan [eiseres 2] B.V. in juli 2023 stopgezet, waardoor er vervolgens een liquiditeitsprobleem ontstond. Om die reden heeft [gedaagde 1] een geldlening aan [eiseres 2] B.V. verstrekt. [eiseressen] hebben ter zitting toegelicht dat zij op de hoogte waren van de geldlening, maar niet van de voorwaarden daarvan. Voor zover zij zich stellen op het standpunt dat de geldleningsovereenkomst vanwege die voorwaarden in strijd is met de aandeelhoudersovereenkomst, hebben zij dit onvoldoende onderbouwd. Ook is de stelling dat het in strijd met de statuten zou zijn door [eiseressen] niet onderbouwd.



4.6.
Voor zover [eiseressen] hebben gesteld dat [gedaagde 1] de aflossing van de geldlening niet had mogen bewerkstelligen of toelaten zolang het krediet van [eiseres 2] GmbH niet was afgelost, biedt de aandeelhoudersovereenkomst daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. [eiseres 2] GmbH is geen aandeelhouder en gesteld noch gebleken is dat de aandeelhoudersovereenkomst [gedaagde 1] verplichtte om bij de aflossing van hun lening rekening te houden met [eiseres 2] GmbH als schuldeiser van [eiseres 2] B.V.



4.7.
De omstandigheid dat de geldlening in januari 2025 is afgelost en dat aan [gedaagde 1] managementvergoedingen zijn betaald, leidt evenmin tot het aannemen van een persoonlijk ernstig verwijt. [gedaagden] hebben toegelicht dat ten tijde van die betalingen [eiseres 2] B.V. redelijkerwijs zicht had op toekomstige inkomsten. Daarbij namen zij ook in acht dat de onderneming had kunnen worden voortgezet en dat faillissement niet evident was. Er waren immers onderhandelingen gaande met betrekking tot de overname van [eiseres 2] B.V. Uit de faillissementsbeschikking van 9 september 2025 blijkt ook dat [eiseres 2] B.V. nog hardware in lease aan de Gemeente Rotterdam had gegeven tot en met 2027 voor een jaarlijkse vergoeding van € 60.000 en dat zij nog vier lopende contracten met directe klanten had. Op grond van deze omstandigheden is niet vast komen te staan dat ten tijde van de betalingen geen perspectief bestond op voortzetting van de onderneming en toekomstige inkomsten. Niet is gebleken dat deze omstandigheden destijds anders waren of dat [gedaagde 1] op dat moment wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat [eiseres 2] B.V. haar verplichtingen jegens [eiseres 2] GmbH of andere schuldeisers niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden.



Neerleggen bestuurstaken en onjuiste voorstelling van zaken





4.8.
Naar de rechtbank begrijpt, leggen [eiseressen] aan hun vorderingen tevens ten grondslag dat [gedaagde 1] haar bestuurstaak onbehoorlijk heeft vervuld, onder meer door haar bestuurstaken en werkzaamheden voor [eiseres 2] B.V. abrupt neer te leggen, geen zorg te dragen voor een behoorlijke overdracht van de administratie en tijdens haar bestuur een onjuiste voorstelling van zaken te geven over de financiële situatie van [eiseres 2] B.V. Voor zover [eiseressen] hiermee voortbouwen op het eerder namens [eiseres 2] B.V. gedane beroep op artikel 2:9 BW (en 2:11 BW), geldt dat deze bepaling de bestuurder verplicht tot een behoorlijke taakvervulling jegens de rechtspersoon. [gedaagde 1] was uit dien hoofde gehouden tot een behoorlijke taakvervulling jegens [eiseres 2] B.V. en niet rechtstreeks jegens [eiseressen] Een onbehoorlijke taakvervulling in de zin van artikel 2:9 BW leidt dan ook niet zonder meer tot aansprakelijkheid jegens een aandeelhouder of schuldeiser van de vennootschap. [eiseressen] hebben onvoldoende gesteld en onderbouwd dat de gedragingen, naast een eventuele onbehoorlijke taakvervulling jegens [eiseres 2] B.V., jegens [eiseres 2] GmbH, als schuldeiser, en [eiseres 1] , als aandeelhouder, een zelfstandige onrechtmatige daad opleveren. Ook deze grondslag kan de vorderingen daarom niet dragen.



Proceskosten





4.9.

[eiseressen] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:









- griffierecht


€


714,00







- salaris advocaat


€


1.306,00


(2 punten × € 653,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.209,00











4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



4.11.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.





5De beslissing


De rechtbank



5.1.
wijst de vorderingen van [eiseressen] af,



5.2.
veroordeelt [eiseressen] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseressen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt [eiseressen] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.









3418




HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen), rov. 3.5.


HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1204.