Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27146
2026-08-18
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/696272 / FA RK 25-9553
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.700 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/696272 / FA RK 25-9553
Datum uitspraak: 18 augustus 2026
Beschikking van de meervoudige kamer
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, te 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
per briefadres te [plaats] ,
advocaat: mr. A.G. de Jong te Den Haag,
[pleegmoeder]
,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
De rechtbank merkt als informanten aan:
de gezinshuisouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 24 april 2026 is de behandeling van het verzoek tot gezagsbeëindiging van de vader – vanwege de afwezigheid van de vader op de desbetreffende zitting en omdat de advocaat van de vader onvoldoende contact met de vader had kunnen hebben om het verzoek met hem te bespreken – aangehouden tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 9 oktober 2026.
1.2.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 24 april 2026 en de daarin genoemde stukken;
het e-mailbericht van de gezinshuisouders van 14 juli 2026.
1.3.
Op 14 juli 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] namens de Raad;
de vader met zijn advocaat en bijgestaan door A.E. Czudar (tolk in de Hongaarse taal);
de pleegmoeder;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
Kort voorafgaand aan de zitting op 14 juli 2026 is het de rechtbank gebleken dat [minderjarige 1] sinds kort volledig in een gezinshuis verblijft. Het betreft hetzelfde gezinshuis als waar haar twee zusjes wonen. Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank de gezinshuisouders aangemerkt als informanten en hen uitgenodigd voor de zitting van 14 juli 2026. Door de gezinshuisouders is in dat kader op 14 juli 2026 een e-mailbericht gestuurd waarin zij informatie geven over hoe het met [minderjarige 1] gaat. Dit e-mailbericht is meegenomen in de beoordeling.
1.4.
Uit de beschikking van 24 april 2026 maakt de rechtbank het volgende op. [minderjarige 1] was destijds niet verschenen tijdens het geplande kindgesprek op 23 april 2026 en ook haar toenmalige pleegmoeder had begrepen dat [minderjarige 1] geen gesprek met de rechtbank wilde voeren. [minderjarige 1] is – om redenen zoals weergegeven in de voornoemde beschikking van 24 april 2026 – niet opnieuw uitgenodigd voor een kindgesprek voorafgaand aan de voortzetting van de mondelinge behandeling op 14 juli 2026.
2De feiten
2.1.
De vader heeft [minderjarige 1] erkend.
2.2.
Bij beschikking van 9 oktober 2024 heeft de rechtbank het gezag van de moeder,
[de moeder]
, over [minderjarige 1] beëindigd en vastgesteld dat de vader belast is met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 9 oktober 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij diezelfde beschikking de machtiging verlengd om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg (bij de pleegmoeder) tot 9 oktober 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 mei 2026 de gecertificeerde instelling toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige 1] naar een gezinsgerichte voorziening. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 9 oktober 2026.
2.6.
[minderjarige 1] verblijft sinds kort in het gezinshuis waar ook haar twee zusjes wonen.
2.7.
De gecertificeerde instelling heeft zich bij brief van 7 juli 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de vader te beëindigen, de gecertificeerde instelling tot voogd over [minderjarige 1] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek – samengevat en zakelijk weergegeven – als volgt schriftelijk onderbouwd. [minderjarige 1] heeft al veel meegemaakt in haar leven en groeide in haar eerste jaren samen met haar zusjes [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op bij de ouders. Hoewel niet precies duidelijk is hoe hun leven er toen uit zag, is wel bekend dat [minderjarige 1] veel onveiligheid heeft meegemaakt in haar opvoedsituatie. Er is onder andere sprake geweest van huiselijk geweld van de vader richting de moeder en de moeder is op enig moment met de kinderen naar een blijf-van-mijn-lijfhuis vertrokken. In de opvoedsituatie bij de moeder waren er echter ook veel zorgen, onder meer vanwege verwaarlozing en omdat het de moeder niet lukte om [minderjarige 1] en haar zusjes de zorg en veiligheid te bieden die zij nodig hadden. De moeder hield zich onvoldoende aan veiligheidsafspraken, waarna [minderjarige 1] en haar zusjes in april 2024, met instemming van de moeder, uit huis zijn geplaatst. In mei 2024 is de moeder naar Bulgarije vertrokken. Zij is niet meer teruggekeerd. [minderjarige 1] is uiteindelijk in een pleeggezin geplaatst, vlakbij haar zusjes die samen in een gezinshuis verblijven. [minderjarige 1] ontwikkelt zich positief bij de pleegmoeder en zij hebben een hechte band met elkaar. [minderjarige 1] wordt door de betrokkenen omschreven als een lief, sociaal, vriendelijk en rustig meisje. Zij heeft goed en regelmatig contact met haar zusjes. Afgesproken is dat [minderjarige 1] met beide ouders om de week een contactmoment heeft. De fysieke contactmomenten met de vader zijn voor [minderjarige 1] belangrijk. [minderjarige 1] en de vader hebben fijn contact met elkaar. Door toedoen van de vader zijn deze bezoeken de afgelopen periode echter niet doorgegaan. Dit was moeilijk voor [minderjarige 1] . De belmomenten met de moeder vinden wel altijd doorgang. Deze lijken oppervlakkig van aard (door de taalbarrière), maar zijn voor [minderjarige 1] ook belangrijk. Volgens de hulpverleners en de pleegmoeder is [minderjarige 1] vlak in haar emoties als het gaat om de dingen die zij heeft meegemaakt en nog steeds meemaakt. Tevens wordt gezien dat zij de neiging kan hebben om zichzelf wat weg te cijferen in bijvoorbeeld het contact met de vader. Dit kan voortkomen uit het feit dat [minderjarige 1] gewend is om zorg te dragen voor haar zusjes en zij hun behoeften hierin vooropstelt. Het is belangrijk dat [minderjarige 1] kan opkomen voor zichzelf en voldoende weerbaar is. Wat de ouders betreft, ziet de Raad dat zij binnen hun eigen mogelijkheden betrokken zijn bij [minderjarige 1] . Zij zetten zich in om contact met hun dochter te hebben. De ouders hebben beiden eigen problematiek, wat het contact met [minderjarige 1] soms bemoeilijkt. Zo lukt het de vader bijvoorbeeld niet altijd om op de contactmomenten te verschijnen of tijdig af te bellen, waar [minderjarige 1] vervolgens last van heeft omdat zij zich verheugt op deze momenten. Ook lijkt hij niet altijd in te zien wat [minderjarige 1] nodig heeft. De vader moet alle zeilen bijzetten om zichzelf overeind te houden in het leven. Er zijn dan ook zorgen over de rol van de vader als opvoeder. Tijdens het onderzoek van de Raad is naar voren gekomen dat het voor alle betrokkenen, ook voor [minderjarige 1] , duidelijk is dat [minderjarige 1] op korte termijn niet zal opgroeien bij de vader. [minderjarige 1] is zich ervan bewust dat dit besluit nog niet officieel genomen is. Dit brengt onzekerheid mee voor haar. [minderjarige 1] heeft echter een leeftijd bereikt waarin zij duidelijkheid nodig heeft rondom haar perspectief. Zij heeft recht om te weten waar zij opgroeit en haar aanvaardbare termijn is inmiddels verstreken. De voortzetting van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, wat tijdelijke maatregelen zijn waarbij het doel is om toe te werken naar een terugplaatsing bij de vader, staan haaks op de duidelijkheid die [minderjarige 1] nodig heeft. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat de gecertificeerde instelling wordt belast met de voogdij. De gecertificeerde instelling kan – in samenwerking met de pleegmoeder – beslissingen nemen in het belang van [minderjarige 1] .
4De standpunten
4.1.
Door en namens de vader is - ondanks dat de vader eerder te kennen heeft gegeven in te kunnen stemmen met een gezagsbeëindigin - ter zitting verweer gevoerd tegen het verzochte. Aangevoerd is dat weliswaar aan de vereisten voor een gezagsbeëindiging op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt voldaan, maar dat toetsing aan artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ertoe moet leiden dat het verzoek moet worden afgewezen. De vader verblijft nog steeds in een daklozenopvang van [instelling] en erkent dat hij niet altijd goed bereikbaar is geweest. Aan de andere kant is hij goed op weg om zijn leven weer op orde te krijgen. Zo is hij al enige tijd gestopt met het drinken van alcohol, wat ook niet toegestaan is op de plek waar hij verblijft. Al langere tijd probeert de vader - met hulp vanuit de daklozenopvang - een andere woonvoorziening te vinden. Dit is lastig en tot op heden nog niet gelukt. Wel doet de vader zijn best om wat daarvoor nodig is en de in dat kader gemaakte afspraken na te komen. De casemanager van de vader geeft aan dat dit goed gaat. Zijn gezag heeft de vader nooit misbruikt. Mocht de vader een andere woonruimte vinden, dan zouden de contactmomenten met de [minderjarige 1] (en haar zusjes) ook bij de vader kunnen plaatsvinden. Op dit moment vinden de contactmomenten van anderhalf uur één keer per maand plaats. De kinderen kunnen tijdens deze momenten goed vertellen wat zij willen en de vader vindt het daarom niet nodig dat de kinderen Hongaarse lessen gaan volgen. De vader weet wat er speelt in het leven van [minderjarige 1] . Hij is er zeer dankbaar voor dat [minderjarige 1] en haar twee zusjes sinds kort samen verblijven in het gezinshuis en dat zij liefde krijgen en goed worden geholpen. Hij is gek op de kinderen. Wel heeft de vader de wens dat [minderjarige 1] en haar twee zusjes bij hem terugkomen. Deze wens heeft hij niet met [minderjarige 1] besproken en de positieve ontwikkelingen aan zijn kant betekenen niet dat het perspectief van [minderjarige 1] direct bij de vader ligt. Voor [minderjarige 1] , en haar zusjes, is het duidelijk dat zij in het gezinshuis zullen opgroeien en dat de vader nog niet in staat is om de opvoeding en verzorging weer op zich te nemen. Het ouderlijk gezag is een belangrijk onderdeel van het familieleven dat beschermd moet worden op grond van artikel 8 EVRM. Het belang van [minderjarige 1] kan ook beschermd worden middels de huidige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Deze lichtere maatregelen moeten dan ook verkozen worden boven de zwaardere maatregel, zijnde de gezagsbeëindigende maatregel. Door de voortzetting van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing kan de band tussen de vader en [minderjarige 1] behouden blijven en bovendien staat het gevolg van de gezagsbeëindiging van de vader niet in redelijke verhouding met het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd.
4.2.
De pleegmoeder heeft toegelicht dat [minderjarige 1] een heel speciaal plekje heeft in haar hart. Zij zal altijd betrokken blijven in het leven van [minderjarige 1] . De pleegmoeder staat volledig achter de overplaatsing naar het gezinshuis, waar [minderjarige 1] een fijne plek heeft. De pleegmoeder is al langere tijd goed bevriend met de gezinshuismoeder en zij werken nauw samen met elkaar. Nu [minderjarige 1] overgeplaatst is, zal zij één keer in de drie weken een weekend bij de pleegmoeder logeren. Ook kan [minderjarige 1] tijdens de vakanties bij de pleegmoeder logeren. [minderjarige 1] zou graag een baantje en een bankrekening willen en zij begrijpt dat de vader op dit moment niet in staat is om beslissingen over haar te nemen.
4.3.
De gecertificeerde instelling heeft ter zitting naar voren gebracht dat gezien wordt dat de vader heel erg veel van [minderjarige 1] en haar twee zusjes (over wie de vader geen gezag meer heeft en de gecertificeerde instelling voogd is) houdt. Tegelijkertijd is het voor de vader erg lastig om de afgesproken contactmomenten met de kinderen na te komen. Hierdoor zijn de contactmomenten met de kinderen teruggebracht naar één keer in de maand. De vader verblijft al langere tijd in de noodopvang. Door de jeugdbeschermer en de hulpverleners wordt regelmatig geprobeerd met de vader in gesprek te gaan zodat toegewerkt kan worden naar een doorplaatsing vanuit die opvang. Om dit daadwerkelijk te realiseren, worden een aantal stappen vanuit de vader verwacht. Zo moet de vader een postadres doorgeven en moet hij regelmatig contact onderhouden met de betrokken casemanager. Het lukt de vader echter niet om deze stappen te zetten en om zich aan de gemaakte afspraken te houden. Zo is ook begin juli 2026 een afspraak met de gecertificeerde instelling niet doorgegaan; de vader verscheen niet. Hoewel het klopt dat het op dit moment erg goed gaat met [minderjarige 1] , wordt ook gezien dat zij traumatische klachten heeft en hechtingsproblematiek. Hiervoor is een gecombineerde behandeling, vanuit Jeugdformaat en Youz, noodzakelijk. De behandeling vanuit Jeugdformaat is reeds gestart en de hoop is dat de behandeling vanuit Youz na de zomervakantie zal starten. Om de behandeling van [minderjarige 1] succesvol te laten verlopen, is ook een bepaalde draagkracht van de opvoeder nodig.
4.4.
Desgevraagd hebben de gezinshuisouders - per e-mailbericht van 14 juli 2026 - naar voren gebracht dat [minderjarige 1] drie weken geleden is overgeplaatst naar het gezinshuis waar haar twee zusjes ook verblijven. Dit is - ook in aanwezigheid van de pleegmoeder - gevierd. Al langere tijd gaf [minderjarige 1] aan dat zij graag bij haar zusjes wilde wonen, waarna de overplaatsing naar het gezinshuis is onderzocht en uiteindelijk langzaam is opgebouwd. De pleegmoeder blijft betrokken in het leven van [minderjarige 1] en één keer in de drie weken zal [minderjarige 1] een weekend bij haar logeren. [minderjarige 1] doet het tot nu toe goed in het gezinshuis en zij accepteert de rol van de gezinshuisouders met betrekking tot de zorg voor haar zusjes. Zij hoeft en wil geen zorgende rol voor hen op zich nemen en doet dan ook leuke dingen met haar zusjes. Bij de pleegmoeder heeft [minderjarige 1] al grote stappen gezet en de gezinshuisouders hopen dat de situatie waarvan op dit moment sprake is, zich voortzet. De gezinshuisouders zullen er alles aan doen om [minderjarige 1] een liefdevolle plek en begeleiding te bieden.
5De beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige, beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW is voldaan en de beëindiging van het gezag van de vader een gerechtvaardigde en proportionele inmenging vormt in het privé- en gezinsleven van de vader en [minderjarige 1] .
5.4.
De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Bij beschikking van 10 juli 2024 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De zorgen waren op dat moment onder andere gelegen in de zeer belaste voorgeschiedenis van [minderjarige 1] . Zij en haar twee zusjes waren getuige geweest van huiselijk geweld van de vader richting de moeder en verbleven daarom vanaf juli 2023 met de moeder in een blijf-van-mijn-lijfhuis. Hier werden echter zorgen gezien betreffende de opvoedsituatie bij de moeder, de basale verzorging van [minderjarige 1] en de opvoedtaken over haar twee zusjes die [minderjarige 1] op zich nam. Het lukte de moeder niet om te profiteren van de ingezette hulpverlening en zij was onvoldoende (emotioneel) beschikbaar als opvoeder. Als gevolg hiervan zijn [minderjarige 1] en haar zusjes - met toestemming van de moeder - uit huis geplaatst, [minderjarige 1] bij de pleegmoeder en haar zusjes in het gezinshuis. [minderjarige 1] en haar zusjes zijn in oktober 2024 onder toezicht gesteld en de ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing is steeds verlengd.
5.5.
[minderjarige 1] verblijft – vanwege haar wens om samen met haar zusjes te wonen – inmiddels volledig in het gezinshuis. Zij heeft het daar naar haar zin en er zijn geen zorgen naar voren gebracht over de opvoedsituatie in het gezinshuis. In het gezinshuis wordt [minderjarige 1] stabiliteit, veiligheid en structuur geboden. Één keer in de drie weken logeert [minderjarige 1] een weekend bij de voormalig pleegmoeder met wie zij een liefdevolle band heeft. Het is positief en in het belang van [minderjarige 1] dat de pleegmoeder en het gezinshuis een warme samenwerking met elkaar hebben. Wel lijkt er sprake van kind-eigen problematiek bij [minderjarige 1] , mogelijk gerelateerd aan trauma of hechting. Een gecombineerde behandeling, vanuit Jeugdformaat en Youz, is ingezet om haar hierbij te kunnen helpen. Na de zomervakantie zal het gedeelte van de behandeling vanuit Youz van start gaan.
5.6.
Verder is gebleken dat het de vader - ondanks de huidige kinderbeschermingsmaatregelen - de afgelopen jaren niet is gelukt om de veilige, betrouwbare en stabiele opvoeder voor [minderjarige 1] te zijn die zij vanwege de ingrijpende gebeurtenissen die zij heeft meegemaakt en de daarmee gepaard gaande kwetsbaarheid, juist nodig heeft. De rechtbank is van oordeel dat de vader ook in de nabije toekomst onvoldoende in staat zal zijn om de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] zelfstandig te dragen. Bij de vader is sprake van meervoudige problematiek in zijn persoonlijk functioneren. Ook ervaart hij al langere tijd problemen met betrekking tot zijn huisvesting. De rechtbank ziet een zeer liefdevolle vader die van goede wil is om zijn situatie te verbeteren. Tegelijkertijd constateert de rechtbank dat het hem de afgelopen jaren in onvoldoende mate gelukt is te profiteren van de hem geboden hulpverlening. Het is voor de gecertificeerde instelling en de betrokken hulpverlening lastig om tot een samenwerking met de vader te komen. Het kost de vader veel moeite om de afspraken met de gecertificeerde instelling en de hulpverlening na te komen en in contact met hen te blijven. Hij overziet zaken onvoldoende en heeft herhaaldelijk ondersteuning en begeleiding nodig om zijn eigen praktische zaken te regelen. De problematiek van de vader blijft op de voorgrond staan en het is ook niet gelukt een stap vooruit te zetten in de situatie rondom zijn huisvesting. Dit maakt dat zijn situatie niet stabiel is en onvoldoende verbetert. Hierdoor is hij onvoldoende (emotioneel) beschikbaar voor [minderjarige 1] . Ook is het voor de vader lastig de afspraken rondom de contactmomenten na te komen. Als gevolg hiervan is de frequentie van die contactmomenten afgeschaald en vinden deze nog één keer in de maand plaats. De rechtbank heeft er - gelet op het voorgaande - geen vertrouwen in dat de vader in staat is de juiste beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige 1] . Hoewel de vader de hulpverlening voor [minderjarige 1] niet tegenwerkt, is hij onvoldoende op de hoogte van haar ontwikkeling en welzijn om zelfstandig gezagsbeslissingen te kunnen nemen. Daarbij komt dat de vader uit contact kan treden met de gecertificeerde instelling en de hulpverlening en dan onbereikbaar is.
5.7.
[minderjarige 1] ontwikkelt zich positief en leeftijdsadequaat bij de gezinshuisouders - en de pleegmoeder - die haar liefdevol opvangen. Het is in haar belang dat zij haar gehechtheidsrelatie met de gezinshuisouders - en de pleegmoeder - verder kan versterken en dat zij vanuit een stabiele omgeving nog meer stappen vooruit kan zetten in haar ontwikkeling. Onduidelijkheid over waar [minderjarige 1] gaat opgroeien, is hierbij van negatieve invloed en zorgt bij haar voor onrust. [minderjarige 1] heeft behoefte aan duidelijkheid over haar perspectief. Met jaarlijkse verlengingszittingen betreffende de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, die gepaard gaan met enige spanning, is die duidelijkheid er niet, te meer nu de vader als belangrijkste wens heeft dat [minderjarige 1] weer bij hem komt wonen. Gelet op het feit dat het niet meer de verwachting is dat de vader de opvoeding en verzorging kan dragen, in combinatie met de nodige duidelijkheid voor [minderjarige 1] , oordeelt de rechtbank dat de aanvaardbare termijn – de termijn hoe lang een kind onduidelijkheid kan ervaren over zijn of haar toekomstperspectief – is verstreken. Het toekomstperspectief van [minderjarige 1] ligt niet meer bij de vader en zal daar binnen afzienbare tijd ook niet komen te liggen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing niet langer passend zijn. Uit het systeem van de wet volgt immers dat de bovengenoemde maatregelen niet geëigend zijn als terugplaatsing niet meer aan de orde is. Dat verhoudt zich immers niet tot de tijdelijkheid van die maatregelen, die er in beginsel op gericht zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer bij de ouder met gezag te leggen. Ook indien de plaatsing van [minderjarige 1] in het gezinshuis in het vrijwillig kader zou worden voortgezet, is de vader niet in staat om de hulp vorm te geven om de ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] weg te nemen. Er is op dit moment dan ook geen minder ingrijpende maatregel mogelijk om de voor [minderjarige 1] noodzakelijke stabiliteit te waarborgen en naar het oordeel van de rechtbank wordt daarom aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals gesteld in artikel 8 EVRM, voldaan. De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de vader dan ook toewijzen. Daarbij benadrukt de rechtbank dat de vader altijd ouder blijft en er altijd aandacht moet blijven voor contact met [minderjarige 1] . Voor haar identiteitsontwikkeling is dit contact immers van belang. Hierbij zijn het belang en het tempo van [minderjarige 1] echter wel leidend.
5.8.
Aangezien de beëindiging van het gezag van de vader ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige 1] komt te ontbreken, moet de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over haar benoemen. De rechtbank is van oordeel dat de voogdij over [minderjarige 1] bij de gecertificeerde instelling belegd moet worden. De gecertificeerde instelling - die ook de voogdij heeft over de zusjes van [minderjarige 1] - kan als neutrale instantie beslissingen nemen in het belang van [minderjarige 1] en kan de hulpverlening voor haar coördineren. Op die manier kunnen de gezinshuisouders - en de pleegmoeder - zich blijven richten op de opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] . De gecertificeerde instelling heeft zich schriftelijk bereid verklaard de voogdij over [minderjarige 1] te aanvaarden.
5.9.
De rechtbank zal bepalen dat de vader aan de gecertificeerde instelling die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door hem gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige 1] . Dit betekent dat hij de gecertificeerde instelling op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige 1] gaan, zodat de gecertificeerde instelling vanaf nu voor [minderjarige 1] de geldzaken kan regelen.
5.10.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.11.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader], geboren op [geboortedatum 2] 1983 in [geboorteland] , over [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ;
6.2.
benoemt William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, tot voogd over genoemde minderjarige;
6.3.
bepaalt dat de vader rekening en verantwoording moet afleggen over het door hem gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.E. Bierling, mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. I.E. Klopper als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.
Artikel 1:276, eerste lid, BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/696272 / FA RK 25-9553
Datum uitspraak: 18 augustus 2026
Beschikking van de meervoudige kamer
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, te 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
per briefadres te [plaats] ,
advocaat: mr. A.G. de Jong te Den Haag,
[pleegmoeder]
,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
De rechtbank merkt als informanten aan:
de gezinshuisouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 24 april 2026 is de behandeling van het verzoek tot gezagsbeëindiging van de vader – vanwege de afwezigheid van de vader op de desbetreffende zitting en omdat de advocaat van de vader onvoldoende contact met de vader had kunnen hebben om het verzoek met hem te bespreken – aangehouden tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 9 oktober 2026.
1.2.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 24 april 2026 en de daarin genoemde stukken;
het e-mailbericht van de gezinshuisouders van 14 juli 2026.
1.3.
Op 14 juli 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] namens de Raad;
de vader met zijn advocaat en bijgestaan door A.E. Czudar (tolk in de Hongaarse taal);
de pleegmoeder;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
Kort voorafgaand aan de zitting op 14 juli 2026 is het de rechtbank gebleken dat [minderjarige 1] sinds kort volledig in een gezinshuis verblijft. Het betreft hetzelfde gezinshuis als waar haar twee zusjes wonen. Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank de gezinshuisouders aangemerkt als informanten en hen uitgenodigd voor de zitting van 14 juli 2026. Door de gezinshuisouders is in dat kader op 14 juli 2026 een e-mailbericht gestuurd waarin zij informatie geven over hoe het met [minderjarige 1] gaat. Dit e-mailbericht is meegenomen in de beoordeling.
1.4.
Uit de beschikking van 24 april 2026 maakt de rechtbank het volgende op. [minderjarige 1] was destijds niet verschenen tijdens het geplande kindgesprek op 23 april 2026 en ook haar toenmalige pleegmoeder had begrepen dat [minderjarige 1] geen gesprek met de rechtbank wilde voeren. [minderjarige 1] is – om redenen zoals weergegeven in de voornoemde beschikking van 24 april 2026 – niet opnieuw uitgenodigd voor een kindgesprek voorafgaand aan de voortzetting van de mondelinge behandeling op 14 juli 2026.
2De feiten
2.1.
De vader heeft [minderjarige 1] erkend.
2.2.
Bij beschikking van 9 oktober 2024 heeft de rechtbank het gezag van de moeder,
[de moeder]
, over [minderjarige 1] beëindigd en vastgesteld dat de vader belast is met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 9 oktober 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij diezelfde beschikking de machtiging verlengd om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg (bij de pleegmoeder) tot 9 oktober 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 mei 2026 de gecertificeerde instelling toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige 1] naar een gezinsgerichte voorziening. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 9 oktober 2026.
2.6.
[minderjarige 1] verblijft sinds kort in het gezinshuis waar ook haar twee zusjes wonen.
2.7.
De gecertificeerde instelling heeft zich bij brief van 7 juli 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de vader te beëindigen, de gecertificeerde instelling tot voogd over [minderjarige 1] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek – samengevat en zakelijk weergegeven – als volgt schriftelijk onderbouwd. [minderjarige 1] heeft al veel meegemaakt in haar leven en groeide in haar eerste jaren samen met haar zusjes [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op bij de ouders. Hoewel niet precies duidelijk is hoe hun leven er toen uit zag, is wel bekend dat [minderjarige 1] veel onveiligheid heeft meegemaakt in haar opvoedsituatie. Er is onder andere sprake geweest van huiselijk geweld van de vader richting de moeder en de moeder is op enig moment met de kinderen naar een blijf-van-mijn-lijfhuis vertrokken. In de opvoedsituatie bij de moeder waren er echter ook veel zorgen, onder meer vanwege verwaarlozing en omdat het de moeder niet lukte om [minderjarige 1] en haar zusjes de zorg en veiligheid te bieden die zij nodig hadden. De moeder hield zich onvoldoende aan veiligheidsafspraken, waarna [minderjarige 1] en haar zusjes in april 2024, met instemming van de moeder, uit huis zijn geplaatst. In mei 2024 is de moeder naar Bulgarije vertrokken. Zij is niet meer teruggekeerd. [minderjarige 1] is uiteindelijk in een pleeggezin geplaatst, vlakbij haar zusjes die samen in een gezinshuis verblijven. [minderjarige 1] ontwikkelt zich positief bij de pleegmoeder en zij hebben een hechte band met elkaar. [minderjarige 1] wordt door de betrokkenen omschreven als een lief, sociaal, vriendelijk en rustig meisje. Zij heeft goed en regelmatig contact met haar zusjes. Afgesproken is dat [minderjarige 1] met beide ouders om de week een contactmoment heeft. De fysieke contactmomenten met de vader zijn voor [minderjarige 1] belangrijk. [minderjarige 1] en de vader hebben fijn contact met elkaar. Door toedoen van de vader zijn deze bezoeken de afgelopen periode echter niet doorgegaan. Dit was moeilijk voor [minderjarige 1] . De belmomenten met de moeder vinden wel altijd doorgang. Deze lijken oppervlakkig van aard (door de taalbarrière), maar zijn voor [minderjarige 1] ook belangrijk. Volgens de hulpverleners en de pleegmoeder is [minderjarige 1] vlak in haar emoties als het gaat om de dingen die zij heeft meegemaakt en nog steeds meemaakt. Tevens wordt gezien dat zij de neiging kan hebben om zichzelf wat weg te cijferen in bijvoorbeeld het contact met de vader. Dit kan voortkomen uit het feit dat [minderjarige 1] gewend is om zorg te dragen voor haar zusjes en zij hun behoeften hierin vooropstelt. Het is belangrijk dat [minderjarige 1] kan opkomen voor zichzelf en voldoende weerbaar is. Wat de ouders betreft, ziet de Raad dat zij binnen hun eigen mogelijkheden betrokken zijn bij [minderjarige 1] . Zij zetten zich in om contact met hun dochter te hebben. De ouders hebben beiden eigen problematiek, wat het contact met [minderjarige 1] soms bemoeilijkt. Zo lukt het de vader bijvoorbeeld niet altijd om op de contactmomenten te verschijnen of tijdig af te bellen, waar [minderjarige 1] vervolgens last van heeft omdat zij zich verheugt op deze momenten. Ook lijkt hij niet altijd in te zien wat [minderjarige 1] nodig heeft. De vader moet alle zeilen bijzetten om zichzelf overeind te houden in het leven. Er zijn dan ook zorgen over de rol van de vader als opvoeder. Tijdens het onderzoek van de Raad is naar voren gekomen dat het voor alle betrokkenen, ook voor [minderjarige 1] , duidelijk is dat [minderjarige 1] op korte termijn niet zal opgroeien bij de vader. [minderjarige 1] is zich ervan bewust dat dit besluit nog niet officieel genomen is. Dit brengt onzekerheid mee voor haar. [minderjarige 1] heeft echter een leeftijd bereikt waarin zij duidelijkheid nodig heeft rondom haar perspectief. Zij heeft recht om te weten waar zij opgroeit en haar aanvaardbare termijn is inmiddels verstreken. De voortzetting van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, wat tijdelijke maatregelen zijn waarbij het doel is om toe te werken naar een terugplaatsing bij de vader, staan haaks op de duidelijkheid die [minderjarige 1] nodig heeft. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat de gecertificeerde instelling wordt belast met de voogdij. De gecertificeerde instelling kan – in samenwerking met de pleegmoeder – beslissingen nemen in het belang van [minderjarige 1] .
4De standpunten
4.1.
Door en namens de vader is - ondanks dat de vader eerder te kennen heeft gegeven in te kunnen stemmen met een gezagsbeëindigin - ter zitting verweer gevoerd tegen het verzochte. Aangevoerd is dat weliswaar aan de vereisten voor een gezagsbeëindiging op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt voldaan, maar dat toetsing aan artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ertoe moet leiden dat het verzoek moet worden afgewezen. De vader verblijft nog steeds in een daklozenopvang van [instelling] en erkent dat hij niet altijd goed bereikbaar is geweest. Aan de andere kant is hij goed op weg om zijn leven weer op orde te krijgen. Zo is hij al enige tijd gestopt met het drinken van alcohol, wat ook niet toegestaan is op de plek waar hij verblijft. Al langere tijd probeert de vader - met hulp vanuit de daklozenopvang - een andere woonvoorziening te vinden. Dit is lastig en tot op heden nog niet gelukt. Wel doet de vader zijn best om wat daarvoor nodig is en de in dat kader gemaakte afspraken na te komen. De casemanager van de vader geeft aan dat dit goed gaat. Zijn gezag heeft de vader nooit misbruikt. Mocht de vader een andere woonruimte vinden, dan zouden de contactmomenten met de [minderjarige 1] (en haar zusjes) ook bij de vader kunnen plaatsvinden. Op dit moment vinden de contactmomenten van anderhalf uur één keer per maand plaats. De kinderen kunnen tijdens deze momenten goed vertellen wat zij willen en de vader vindt het daarom niet nodig dat de kinderen Hongaarse lessen gaan volgen. De vader weet wat er speelt in het leven van [minderjarige 1] . Hij is er zeer dankbaar voor dat [minderjarige 1] en haar twee zusjes sinds kort samen verblijven in het gezinshuis en dat zij liefde krijgen en goed worden geholpen. Hij is gek op de kinderen. Wel heeft de vader de wens dat [minderjarige 1] en haar twee zusjes bij hem terugkomen. Deze wens heeft hij niet met [minderjarige 1] besproken en de positieve ontwikkelingen aan zijn kant betekenen niet dat het perspectief van [minderjarige 1] direct bij de vader ligt. Voor [minderjarige 1] , en haar zusjes, is het duidelijk dat zij in het gezinshuis zullen opgroeien en dat de vader nog niet in staat is om de opvoeding en verzorging weer op zich te nemen. Het ouderlijk gezag is een belangrijk onderdeel van het familieleven dat beschermd moet worden op grond van artikel 8 EVRM. Het belang van [minderjarige 1] kan ook beschermd worden middels de huidige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Deze lichtere maatregelen moeten dan ook verkozen worden boven de zwaardere maatregel, zijnde de gezagsbeëindigende maatregel. Door de voortzetting van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing kan de band tussen de vader en [minderjarige 1] behouden blijven en bovendien staat het gevolg van de gezagsbeëindiging van de vader niet in redelijke verhouding met het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd.
4.2.
De pleegmoeder heeft toegelicht dat [minderjarige 1] een heel speciaal plekje heeft in haar hart. Zij zal altijd betrokken blijven in het leven van [minderjarige 1] . De pleegmoeder staat volledig achter de overplaatsing naar het gezinshuis, waar [minderjarige 1] een fijne plek heeft. De pleegmoeder is al langere tijd goed bevriend met de gezinshuismoeder en zij werken nauw samen met elkaar. Nu [minderjarige 1] overgeplaatst is, zal zij één keer in de drie weken een weekend bij de pleegmoeder logeren. Ook kan [minderjarige 1] tijdens de vakanties bij de pleegmoeder logeren. [minderjarige 1] zou graag een baantje en een bankrekening willen en zij begrijpt dat de vader op dit moment niet in staat is om beslissingen over haar te nemen.
4.3.
De gecertificeerde instelling heeft ter zitting naar voren gebracht dat gezien wordt dat de vader heel erg veel van [minderjarige 1] en haar twee zusjes (over wie de vader geen gezag meer heeft en de gecertificeerde instelling voogd is) houdt. Tegelijkertijd is het voor de vader erg lastig om de afgesproken contactmomenten met de kinderen na te komen. Hierdoor zijn de contactmomenten met de kinderen teruggebracht naar één keer in de maand. De vader verblijft al langere tijd in de noodopvang. Door de jeugdbeschermer en de hulpverleners wordt regelmatig geprobeerd met de vader in gesprek te gaan zodat toegewerkt kan worden naar een doorplaatsing vanuit die opvang. Om dit daadwerkelijk te realiseren, worden een aantal stappen vanuit de vader verwacht. Zo moet de vader een postadres doorgeven en moet hij regelmatig contact onderhouden met de betrokken casemanager. Het lukt de vader echter niet om deze stappen te zetten en om zich aan de gemaakte afspraken te houden. Zo is ook begin juli 2026 een afspraak met de gecertificeerde instelling niet doorgegaan; de vader verscheen niet. Hoewel het klopt dat het op dit moment erg goed gaat met [minderjarige 1] , wordt ook gezien dat zij traumatische klachten heeft en hechtingsproblematiek. Hiervoor is een gecombineerde behandeling, vanuit Jeugdformaat en Youz, noodzakelijk. De behandeling vanuit Jeugdformaat is reeds gestart en de hoop is dat de behandeling vanuit Youz na de zomervakantie zal starten. Om de behandeling van [minderjarige 1] succesvol te laten verlopen, is ook een bepaalde draagkracht van de opvoeder nodig.
4.4.
Desgevraagd hebben de gezinshuisouders - per e-mailbericht van 14 juli 2026 - naar voren gebracht dat [minderjarige 1] drie weken geleden is overgeplaatst naar het gezinshuis waar haar twee zusjes ook verblijven. Dit is - ook in aanwezigheid van de pleegmoeder - gevierd. Al langere tijd gaf [minderjarige 1] aan dat zij graag bij haar zusjes wilde wonen, waarna de overplaatsing naar het gezinshuis is onderzocht en uiteindelijk langzaam is opgebouwd. De pleegmoeder blijft betrokken in het leven van [minderjarige 1] en één keer in de drie weken zal [minderjarige 1] een weekend bij haar logeren. [minderjarige 1] doet het tot nu toe goed in het gezinshuis en zij accepteert de rol van de gezinshuisouders met betrekking tot de zorg voor haar zusjes. Zij hoeft en wil geen zorgende rol voor hen op zich nemen en doet dan ook leuke dingen met haar zusjes. Bij de pleegmoeder heeft [minderjarige 1] al grote stappen gezet en de gezinshuisouders hopen dat de situatie waarvan op dit moment sprake is, zich voortzet. De gezinshuisouders zullen er alles aan doen om [minderjarige 1] een liefdevolle plek en begeleiding te bieden.
5De beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige, beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW is voldaan en de beëindiging van het gezag van de vader een gerechtvaardigde en proportionele inmenging vormt in het privé- en gezinsleven van de vader en [minderjarige 1] .
5.4.
De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Bij beschikking van 10 juli 2024 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De zorgen waren op dat moment onder andere gelegen in de zeer belaste voorgeschiedenis van [minderjarige 1] . Zij en haar twee zusjes waren getuige geweest van huiselijk geweld van de vader richting de moeder en verbleven daarom vanaf juli 2023 met de moeder in een blijf-van-mijn-lijfhuis. Hier werden echter zorgen gezien betreffende de opvoedsituatie bij de moeder, de basale verzorging van [minderjarige 1] en de opvoedtaken over haar twee zusjes die [minderjarige 1] op zich nam. Het lukte de moeder niet om te profiteren van de ingezette hulpverlening en zij was onvoldoende (emotioneel) beschikbaar als opvoeder. Als gevolg hiervan zijn [minderjarige 1] en haar zusjes - met toestemming van de moeder - uit huis geplaatst, [minderjarige 1] bij de pleegmoeder en haar zusjes in het gezinshuis. [minderjarige 1] en haar zusjes zijn in oktober 2024 onder toezicht gesteld en de ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing is steeds verlengd.
5.5.
[minderjarige 1] verblijft – vanwege haar wens om samen met haar zusjes te wonen – inmiddels volledig in het gezinshuis. Zij heeft het daar naar haar zin en er zijn geen zorgen naar voren gebracht over de opvoedsituatie in het gezinshuis. In het gezinshuis wordt [minderjarige 1] stabiliteit, veiligheid en structuur geboden. Één keer in de drie weken logeert [minderjarige 1] een weekend bij de voormalig pleegmoeder met wie zij een liefdevolle band heeft. Het is positief en in het belang van [minderjarige 1] dat de pleegmoeder en het gezinshuis een warme samenwerking met elkaar hebben. Wel lijkt er sprake van kind-eigen problematiek bij [minderjarige 1] , mogelijk gerelateerd aan trauma of hechting. Een gecombineerde behandeling, vanuit Jeugdformaat en Youz, is ingezet om haar hierbij te kunnen helpen. Na de zomervakantie zal het gedeelte van de behandeling vanuit Youz van start gaan.
5.6.
Verder is gebleken dat het de vader - ondanks de huidige kinderbeschermingsmaatregelen - de afgelopen jaren niet is gelukt om de veilige, betrouwbare en stabiele opvoeder voor [minderjarige 1] te zijn die zij vanwege de ingrijpende gebeurtenissen die zij heeft meegemaakt en de daarmee gepaard gaande kwetsbaarheid, juist nodig heeft. De rechtbank is van oordeel dat de vader ook in de nabije toekomst onvoldoende in staat zal zijn om de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] zelfstandig te dragen. Bij de vader is sprake van meervoudige problematiek in zijn persoonlijk functioneren. Ook ervaart hij al langere tijd problemen met betrekking tot zijn huisvesting. De rechtbank ziet een zeer liefdevolle vader die van goede wil is om zijn situatie te verbeteren. Tegelijkertijd constateert de rechtbank dat het hem de afgelopen jaren in onvoldoende mate gelukt is te profiteren van de hem geboden hulpverlening. Het is voor de gecertificeerde instelling en de betrokken hulpverlening lastig om tot een samenwerking met de vader te komen. Het kost de vader veel moeite om de afspraken met de gecertificeerde instelling en de hulpverlening na te komen en in contact met hen te blijven. Hij overziet zaken onvoldoende en heeft herhaaldelijk ondersteuning en begeleiding nodig om zijn eigen praktische zaken te regelen. De problematiek van de vader blijft op de voorgrond staan en het is ook niet gelukt een stap vooruit te zetten in de situatie rondom zijn huisvesting. Dit maakt dat zijn situatie niet stabiel is en onvoldoende verbetert. Hierdoor is hij onvoldoende (emotioneel) beschikbaar voor [minderjarige 1] . Ook is het voor de vader lastig de afspraken rondom de contactmomenten na te komen. Als gevolg hiervan is de frequentie van die contactmomenten afgeschaald en vinden deze nog één keer in de maand plaats. De rechtbank heeft er - gelet op het voorgaande - geen vertrouwen in dat de vader in staat is de juiste beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige 1] . Hoewel de vader de hulpverlening voor [minderjarige 1] niet tegenwerkt, is hij onvoldoende op de hoogte van haar ontwikkeling en welzijn om zelfstandig gezagsbeslissingen te kunnen nemen. Daarbij komt dat de vader uit contact kan treden met de gecertificeerde instelling en de hulpverlening en dan onbereikbaar is.
5.7.
[minderjarige 1] ontwikkelt zich positief en leeftijdsadequaat bij de gezinshuisouders - en de pleegmoeder - die haar liefdevol opvangen. Het is in haar belang dat zij haar gehechtheidsrelatie met de gezinshuisouders - en de pleegmoeder - verder kan versterken en dat zij vanuit een stabiele omgeving nog meer stappen vooruit kan zetten in haar ontwikkeling. Onduidelijkheid over waar [minderjarige 1] gaat opgroeien, is hierbij van negatieve invloed en zorgt bij haar voor onrust. [minderjarige 1] heeft behoefte aan duidelijkheid over haar perspectief. Met jaarlijkse verlengingszittingen betreffende de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, die gepaard gaan met enige spanning, is die duidelijkheid er niet, te meer nu de vader als belangrijkste wens heeft dat [minderjarige 1] weer bij hem komt wonen. Gelet op het feit dat het niet meer de verwachting is dat de vader de opvoeding en verzorging kan dragen, in combinatie met de nodige duidelijkheid voor [minderjarige 1] , oordeelt de rechtbank dat de aanvaardbare termijn – de termijn hoe lang een kind onduidelijkheid kan ervaren over zijn of haar toekomstperspectief – is verstreken. Het toekomstperspectief van [minderjarige 1] ligt niet meer bij de vader en zal daar binnen afzienbare tijd ook niet komen te liggen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing niet langer passend zijn. Uit het systeem van de wet volgt immers dat de bovengenoemde maatregelen niet geëigend zijn als terugplaatsing niet meer aan de orde is. Dat verhoudt zich immers niet tot de tijdelijkheid van die maatregelen, die er in beginsel op gericht zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer bij de ouder met gezag te leggen. Ook indien de plaatsing van [minderjarige 1] in het gezinshuis in het vrijwillig kader zou worden voortgezet, is de vader niet in staat om de hulp vorm te geven om de ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] weg te nemen. Er is op dit moment dan ook geen minder ingrijpende maatregel mogelijk om de voor [minderjarige 1] noodzakelijke stabiliteit te waarborgen en naar het oordeel van de rechtbank wordt daarom aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals gesteld in artikel 8 EVRM, voldaan. De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de vader dan ook toewijzen. Daarbij benadrukt de rechtbank dat de vader altijd ouder blijft en er altijd aandacht moet blijven voor contact met [minderjarige 1] . Voor haar identiteitsontwikkeling is dit contact immers van belang. Hierbij zijn het belang en het tempo van [minderjarige 1] echter wel leidend.
5.8.
Aangezien de beëindiging van het gezag van de vader ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige 1] komt te ontbreken, moet de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over haar benoemen. De rechtbank is van oordeel dat de voogdij over [minderjarige 1] bij de gecertificeerde instelling belegd moet worden. De gecertificeerde instelling - die ook de voogdij heeft over de zusjes van [minderjarige 1] - kan als neutrale instantie beslissingen nemen in het belang van [minderjarige 1] en kan de hulpverlening voor haar coördineren. Op die manier kunnen de gezinshuisouders - en de pleegmoeder - zich blijven richten op de opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] . De gecertificeerde instelling heeft zich schriftelijk bereid verklaard de voogdij over [minderjarige 1] te aanvaarden.
5.9.
De rechtbank zal bepalen dat de vader aan de gecertificeerde instelling die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door hem gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige 1] . Dit betekent dat hij de gecertificeerde instelling op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige 1] gaan, zodat de gecertificeerde instelling vanaf nu voor [minderjarige 1] de geldzaken kan regelen.
5.10.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.11.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader], geboren op [geboortedatum 2] 1983 in [geboorteland] , over [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ;
6.2.
benoemt William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, tot voogd over genoemde minderjarige;
6.3.
bepaalt dat de vader rekening en verantwoording moet afleggen over het door hem gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.E. Bierling, mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. I.E. Klopper als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.
Artikel 1:276, eerste lid, BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.