Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:26962

2026-09-14 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.37321 en NL26.37322
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-14
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.37321 en NL26.37322
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

AMbV/Dublin, Letland, procesbelang, standaard voornemen, interstatelijk vertrouwensbeginsel, indirect refoulement.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.632 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL26.37321 (beroep) en NL26.37322 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen





[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. F. Arslan),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Letland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

2. De rechtbank heeft partijen laten weten een zitting niet nodig te vinden en gevraagd of zij daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.



Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



3. Eiser stelt de Oezbeekse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1991 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Letland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.



Wat vindt eiser in beroep?



4. Eiser betoogt dat hij niet naar Letland is gereisd maar rechtstreeks naar zijn eindbestemming Nederland. Verweerder had niet mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Letland. Hij vreest daar geen toegang te kunnen krijgen tot de asielprocedure, medische zorg en goede opvangmogelijkheden. Het is immers algemeen bekend dat asielzoekers in Letland niet goed worden behandeld. Het land kent strenge regels en restrictief toelatingsbeleid. Daarnaast zijn er zorgen over grensbeheersing. Eiser is van mening dat hij wel degelijk heeft onderbouwd dat in Letland van anti-asiel sentimenten sprake is. Eiser kan zich niet verenigen met het oordeel van de IND dat het voornemen geen besluit is en dat de algemene beginselen van goede procesorde er daarom niet op van toepassing zijn.



Wat is het oordeel van de rechtbank?





Procesbelang


5. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep omdat uit informatie van verweerder is gebleken dat eiser op 14 juli 2026 met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat er in dat geval in beginsel vanuit gegaan mag worden dat de vreemdeling niet langer prijs stelt op de door hem gezochte bescherming. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus kan worden aangenomen dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd op 21 juli 2026 laten weten per WhatsApp nog contact met haar cliënt te hebben. De rechtbank gaat er gelet op de uitspraak van de Afdeling bij deze stand van zaken vanuit dat er sprake is van procesbelang, zodat eiser ontvankelijk is zijn beroep.



Standaard voornemen


6. Met betrekking tot eisers stellingen dat het voornemen een besluit is en dat de algemene beginselen van goede procesorde hierop van toepassing zijn, oordeelt de rechtbank als volgt. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. De rechtbank is van oordeel dat in het voornemen duidelijk uiteen is gezet dat, en op welke gronden Letland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van verweerder dragende overwegingen opgenomen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025, kan worden afgeleid dat een standaard voornemen in dit geval wel aan de vereisten voldoet. Eiser heeft niet geconcretiseerd op welke manier er niet wordt voldaan aan de algemene beginselen van goede procesorde.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel


7. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser bij overdracht aan Letland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.


7.1.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Letland mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd door de Afdeling bij uitspraak van 20 december 2023. Eiser heeft met de stelling dat er in Letland sprake is van anti-asiel sentimenten, dat Letland zich niet zal conformeren aan het migratiepact, dat Letland weigert migranten te herverdelen en de stelling omtrent de wettelijk toegestane pushbacks, het beginsel van interstatelijk vertrouwen onvoldoende weerlegt. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom eiser met zijn onderbouwing van deze stelling onvoldoende heeft aangetoond dat hij in Letland geconfronteerd zal worden met een situatie strijdig met artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft in de beroepsfase geen nieuwe (landen-)informatie overgelegd waaruit iets anders blijkt. Daarnaast volgt de rechtbank verweerder in het betoog dat eiser in het kader van de AMbV-procedure zal worden overgedragen en dat verweerder daarmee voldoende duidelijk heeft gemaakt dat de situatie ten aanzien van pushbacks niet op eiser van toepassing is. Verder heeft eiser niet eerder asiel aangevraagd in Letland en is eiser ook niet eerder in het kader van de AMbV-procedure aan Letland overgedragen. De stelling dat hij vreest gevangen te worden gezet en gemarteld zijn verder onvoldoende onderbouwd. Indien eiser na overdracht aan Letland alsnog geconfronteerd wordt met problemen, kan hij hierover klagen bij de (hogere) Letse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor hem die mogelijkheid niet bestaat of dat klagen bij voorbaat zinloos is.



Indirect refoulement

8. Voor zover eiser vreest na overdracht aan Letland teruggestuurd te worden naar zijn land van herkomst, overweegt de rechtbank dat de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2024, als gevolg van het arrest van het Hof van 30 november 2023, heeft geoordeeld dat binnen de kaders van onderhavige procedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land. Zoals hiervoor overwogen is dat niet het geval.




Conclusie en gevolgen

9. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.

10. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel


Bent u het niet eens met deze uitspraak?


Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.





Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Zie bijvoorbeeld de uitspraak van van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4049.


Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2025:1642 zie ook ECLI:RVS:2023:4348.


Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.


ECLI:NL:RVS:2023:4732.


ECLI:NL:RVS:2024:2359, zie overweging 6.


Hof van Justitie, 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.