Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26960
2026-09-14
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.44159 en NL26.44160
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
AMbV/Dublin, Spanje, AIDA-rapporten, loopbrief, interstatelijk vertrouwensbeginsel, bz.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:4989 Rechtbank Den Haag 09-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2026:1431 Raad van State 16-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:2548 Raad van State 24-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:2822 Raad van State 24-07-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:364 Raad van State 27-01-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.818 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.44159 (beroep) en NL26.44160 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A. Szirmai),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2. De rechtbank heeft partijen laten weten een zitting niet nodig te vinden en gevraagd of zij daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1992 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser verzoekt verweerder ten eerste de loopbrief aan het dossier toe te voegen zodat gemachtigde kan verifiëren of aan alle vereiste termijnen en formaliteiten is voldaan. Daarnaast stelt eiser dat de opvangvoorzieningen in Spanje ondermaats zijn, zodat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Eiser verwijst hierbij naar diverse AIDA-rapporten (update 2021, update 2022, update 2023 en update 2024), de Key Decisions uit 2023 van de Europese Commissie en een uitspraak van zittingsplaats Groningen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Loopbrief
5. De stelling van eiser dat de loopbrief in het dossier ontbreekt en dat de termijnen niet gecheckt kunnen worden treft geen doel. De rechtbank stelt vast dat er een loopbrief in het dossier zit met de datum van 15 mei 2026. Vaststaat dat verweerder op 15 juli 2026 een kennisgeving naar Spanje heeft gestuurd en dat Spanje op 17 juli 2026 een bevestiging heeft gestuurd. Niet is gebleken dat verweerder hiermee niet heeft gehandeld in overeenstemming met de geldende termijnen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van Spanje uit heeft kunnen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft dit op 16 maart 2026 nog bevestigd. De oudere AIDA-rapporten waar eiser naar verwijst, zijn reeds beoordeeld door de Afdeling in eerdere uitspraken. Het AIDA-rapport (update 2024) geeft verder geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Spanje dan volgt uit de eerdere AIDA-rapporten. Ook eisers verwijzingen naar de ‘Key Decisions’ van de Europese Commissie uit 2023 leiden niet tot een ander oordeel. Eiser verwijst hiermee immers naar informatie van reeds drie jaar geleden waaruit verder niet kan worden afgeleid dat er zodanige problemen zijn met de opvangvoorzieningen in Spanje dat er sprake is van systeem gerelateerde tekortkomingen. Uit de uitspraak van zittingsplaats Groningen waar eiser naar verwijst, volgt verder ook niet dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft verder zijn stellingen omtrent de inspanningen die hij heeft verricht om in Spanje opvang te krijgen, dat hij op straat is beland en dat hij terug moest naar Nederland niet onderbouwd. Wanneer eiser toch problemen ondervindt in Spanje, mag van hem worden verwacht dat hij hierover klaagt bij de Spaanse (hogere) autoriteiten. Eiser heeft niet aangetoond dat deze mogelijkheid er voor hem niet is.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RBDHA:2024:4989.
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Afdeling Bestuursrechtpsraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2026:1431.
Zie ECLI:NL:RVS:2024:2548, ECLI:NL:RVS:2023:2822 en ECLI:NL:RVS:2023:364.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.44159 (beroep) en NL26.44160 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A. Szirmai),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2. De rechtbank heeft partijen laten weten een zitting niet nodig te vinden en gevraagd of zij daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1992 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser verzoekt verweerder ten eerste de loopbrief aan het dossier toe te voegen zodat gemachtigde kan verifiëren of aan alle vereiste termijnen en formaliteiten is voldaan. Daarnaast stelt eiser dat de opvangvoorzieningen in Spanje ondermaats zijn, zodat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Eiser verwijst hierbij naar diverse AIDA-rapporten (update 2021, update 2022, update 2023 en update 2024), de Key Decisions uit 2023 van de Europese Commissie en een uitspraak van zittingsplaats Groningen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Loopbrief
5. De stelling van eiser dat de loopbrief in het dossier ontbreekt en dat de termijnen niet gecheckt kunnen worden treft geen doel. De rechtbank stelt vast dat er een loopbrief in het dossier zit met de datum van 15 mei 2026. Vaststaat dat verweerder op 15 juli 2026 een kennisgeving naar Spanje heeft gestuurd en dat Spanje op 17 juli 2026 een bevestiging heeft gestuurd. Niet is gebleken dat verweerder hiermee niet heeft gehandeld in overeenstemming met de geldende termijnen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van Spanje uit heeft kunnen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft dit op 16 maart 2026 nog bevestigd. De oudere AIDA-rapporten waar eiser naar verwijst, zijn reeds beoordeeld door de Afdeling in eerdere uitspraken. Het AIDA-rapport (update 2024) geeft verder geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Spanje dan volgt uit de eerdere AIDA-rapporten. Ook eisers verwijzingen naar de ‘Key Decisions’ van de Europese Commissie uit 2023 leiden niet tot een ander oordeel. Eiser verwijst hiermee immers naar informatie van reeds drie jaar geleden waaruit verder niet kan worden afgeleid dat er zodanige problemen zijn met de opvangvoorzieningen in Spanje dat er sprake is van systeem gerelateerde tekortkomingen. Uit de uitspraak van zittingsplaats Groningen waar eiser naar verwijst, volgt verder ook niet dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft verder zijn stellingen omtrent de inspanningen die hij heeft verricht om in Spanje opvang te krijgen, dat hij op straat is beland en dat hij terug moest naar Nederland niet onderbouwd. Wanneer eiser toch problemen ondervindt in Spanje, mag van hem worden verwacht dat hij hierover klaagt bij de Spaanse (hogere) autoriteiten. Eiser heeft niet aangetoond dat deze mogelijkheid er voor hem niet is.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RBDHA:2024:4989.
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Afdeling Bestuursrechtpsraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2026:1431.
Zie ECLI:NL:RVS:2024:2548, ECLI:NL:RVS:2023:2822 en ECLI:NL:RVS:2023:364.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.