Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:26936
2026-09-16
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.52203
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Grensdetentie. Artikel 6, derde lid, van de Vw. Besluitvorming. Niet onevenredig bezwarend. Geen lichter middel. Ambtshalve toetsing. Ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2026:5077 Raad van State 02-09-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:5077 Raad van State 02-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22099 Rechtbank Den Haag 07-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24954 Rechtbank Den Haag 28-08-2026
- ECLI:EU:C:2022:858
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.001 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52203
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 5 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke afdoening van de zaak. Eiser heeft de gronden van beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 16 september 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Onduidelijke besluitvorming
3. Eiser voert - samengevat - aan dat de besluitvorming onduidelijk is ten aanzien van het doel en de grondslag van de vrijheidsontneming. Enerzijds is in de beschikking vermeld dat de maatregel verband houdt met de screeningsprocedure. Anderzijds wordt aangegeven dat de maatregel dient ten behoeve van de behandeling van de asielaanvraag in de grensprocedure. Ook uit het gehoor volgt dat eiser zowel voor de screening als voor de asielprocedure wordt vastgehouden. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026 waarin is overwogen dat duidelijk moet zijn wanneer de screening eindigt, wanneer de asielgrensprocedure aanvangt en welk concreet doel de vrijheidsontneming op enig moment dient. Deze duidelijkheid ontbreekt.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser dit punt terecht opwerpt maar dat dit niet tot onrechtmatigheid van de maatregel leidt. Dat in de vrijheidsontnemende maatregel zowel is aangekruist dat de asielaanvraag van eiser wordt behandeld in de asielgrensprocedure als dat het gaat om vrijheidsontneming in verband met de screening, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de maatregel onrechtmatig is, zoals de Afdeling op 2 september 2026 in de uitspraak waarnaar eiser verwijst ook heeft overwogen. Hoewel hiermee niet inzichtelijk is gemaakt wanneer de screening is geëindigd en de asielprocedure is gestart, is de grondslag op geen enkel moment onjuist geweest. Artikel 6, derde lid, van de Vw voorziet namelijk zowel in een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure.
Onevenredig bezwarend
4. Eiser voert - samengevat - aan dat de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is. De screening had weliswaar niet vóór oplegging van de maatregel afgerond moeten zijn, maar de minister had wel inzichtelijk moeten maken welke betekenis de screening heeft gehad voor zowel de oplegging als de voortduring van de maatregel. De minister heeft niet kenbaar betrokken dat eiser in Azerbeidzjan problemen ondervindt vanwege zijn politieke overtuiging en daardoor een aantal keren door de politie is aangehouden en mishandeld. Ook blijkt niet uit het dossier dat de minister heeft onderzocht welke gevolgen de gestelde aanhoudingen en mishandelingen hebben gehad voor de psychische gesteldheid, kwetsbaarheid of detentiegeschiktheid van eiser. Eiser heeft daarnaast verklaart dat hij gezond is en geen medicatie gebruikt, maar dat doet niets af aan zijn angst voor kleine ruimtes. De minister heeft de angstklachten onvoldoende onderzocht en volstaat slechts met de algemene overweging over de beschikbare medische en psychiatrische zorg binnen detentiecentra.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft onderzocht of de vrijheidsontnemende maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is en terecht heeft mogen concluderen dat dit niet het geval is. De minister heeft tijdens de screening een voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid uitgevoerd. Eiser heeft niet geconcretiseerd waaruit volgt dat de minister moet motiveren welke betekenis de screening heeft gehad voor de oplegging van de maatregel. In de screening is een voorlopige inschatting gemaakt van de opvang- en zorgbehoefte van eiser en die inschatting is opnieuw gemaakt in het gehoor voor de inbewaringstelling. In het gehoor is vervolgens aan de orde gekomen dat eiser in Azerbeidzjan mishandeld zou zijn geweest, maar nu gezond is en in kleine ruimtes angstig kan worden. De minister heeft dit meegewogen in zijn beoordeling en daarbij in de maatregel verwezen naar de medische voorzieningen die op het aanmeldcentrum aanwezig zijn. De rechtbank ziet niet in waarom dit onvoldoende zou zijn, ook omdat eiser zelf in het gehoor heeft verklaard dat hij de maatregel moet accepteren en er geen spoedeisende of andere omstandigheden zijn die aanleiding geven om aan hem alsnog de toegang tot Nederland te verlenen en hem in de gelegenheid te stellen zijn asielaanvraag in vrijheid te doorlopen. Eiser heeft niet geconcretiseerd dat hij ernstige psychische schade zal oplopen door in een kleine ruimte te moeten verblijven en de medische dienst heeft daar kennelijk ook geen aanknopingspunten voor gezien. Ook in beroep heeft eiser niet onderbouwd of geconcretiseerd dat de beschikbare medische zorg voor hem ontoereikend is. De rechtbank is dan ook niet gebleken van feiten of omstandigheden die de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend maken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
5. Eiser voert - samengevat - aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast. Uit artikel 59c, eerste tot en met derde lid, van de Vw volgt dat vreemdelingenbewaring slechts mag worden toegepast indien minder dwingende maatregelen niet doeltreffend kunnen worden ingezet. De minister dient daarbij concreet te motiveren waarom een lichter middel in het individuele geval onvoldoende is. De minister heeft zich in deze zaak beperkt tot een verwijzing naar het grensbewakingsbelang, maar dit is onvoldoende. Een concrete individuele motivering ontbreekt. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraken van 7 augustus 2026 en 28 augustus 2026. Verder is van belang dat eiser zichzelf aan de buitengrens heeft gemeld, een asielaanvraag heeft ingediend en aan het gehoor heeft meegewerkt. Uit het dossier blijkt dan ook niet dat sprake is van een onderduikrisico.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de vrijheidsontnemende maatregel doeltreffend konden worden toegepast en dit voldoende heeft gemotiveerd. Uit vaste rechtspraak volgt dat het grensbewakingsbelang wordt prijsgegeven als er geen vrijheidsontnemende maatregel wordt toegepast, omdat het feitelijk onmogelijk is om de toegang te weigeren zonder maatregel. In het gehoor heeft een beoordeling plaatsgevonden van het grensbewakingsbelang enerzijds en de bijzondere omstandigheden anderzijds. Daarin is gevraagd naar redenen waarom eiser niet in bewaring zou kunnen, zoals het bestaan van familieleden, fysieke of mentale aandoeningen, rechtmatig verblijf of andere spoedeisende omstandigheden die aanleiding geven alsnog toegang te verlenen tot Nederland en hem in de gelegenheid te stellen de asielprocedure in vrijheid te doorlopen. Eiser heeft daarop ontkennend geantwoord en opgemerkt dat hij gezond is, maar in kleine ruimtes angstig kan worden. De minister heeft eiser dan ook voldoende bevraagd. Zoals hiervoor overwogen leidt het angstig kunnen zijn in kleine ruimtes niet tot een onevenredige bezwarende maatregel. De rechtbank is dan ook niet gebleken van individuele omstandigheden op grond waarvan de bewaring achterwege dient te blijven en de minister heeft dan ook terecht gemotiveerd dat daarom het grensbewakingsbelang ertoe leidt dat geen lichter middel wordt toegepast. Dat eiser stelt dat er geen onderduikrisico is, doet hier niets aan af, omdat voor een bewaring op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw, niet vereist is dat een onderduikrisico bestaat. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077.
Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 7 augustus 2026. ECLI:NL:RBDHA:2026:22099.
Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 28 augustus 2026. ECLI:NL:RBDHA:2026:24954.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, in de zaak C, B en X over ambtshalve toetsing.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52203
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 5 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke afdoening van de zaak. Eiser heeft de gronden van beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 16 september 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Onduidelijke besluitvorming
3. Eiser voert - samengevat - aan dat de besluitvorming onduidelijk is ten aanzien van het doel en de grondslag van de vrijheidsontneming. Enerzijds is in de beschikking vermeld dat de maatregel verband houdt met de screeningsprocedure. Anderzijds wordt aangegeven dat de maatregel dient ten behoeve van de behandeling van de asielaanvraag in de grensprocedure. Ook uit het gehoor volgt dat eiser zowel voor de screening als voor de asielprocedure wordt vastgehouden. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026 waarin is overwogen dat duidelijk moet zijn wanneer de screening eindigt, wanneer de asielgrensprocedure aanvangt en welk concreet doel de vrijheidsontneming op enig moment dient. Deze duidelijkheid ontbreekt.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser dit punt terecht opwerpt maar dat dit niet tot onrechtmatigheid van de maatregel leidt. Dat in de vrijheidsontnemende maatregel zowel is aangekruist dat de asielaanvraag van eiser wordt behandeld in de asielgrensprocedure als dat het gaat om vrijheidsontneming in verband met de screening, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de maatregel onrechtmatig is, zoals de Afdeling op 2 september 2026 in de uitspraak waarnaar eiser verwijst ook heeft overwogen. Hoewel hiermee niet inzichtelijk is gemaakt wanneer de screening is geëindigd en de asielprocedure is gestart, is de grondslag op geen enkel moment onjuist geweest. Artikel 6, derde lid, van de Vw voorziet namelijk zowel in een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure.
Onevenredig bezwarend
4. Eiser voert - samengevat - aan dat de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is. De screening had weliswaar niet vóór oplegging van de maatregel afgerond moeten zijn, maar de minister had wel inzichtelijk moeten maken welke betekenis de screening heeft gehad voor zowel de oplegging als de voortduring van de maatregel. De minister heeft niet kenbaar betrokken dat eiser in Azerbeidzjan problemen ondervindt vanwege zijn politieke overtuiging en daardoor een aantal keren door de politie is aangehouden en mishandeld. Ook blijkt niet uit het dossier dat de minister heeft onderzocht welke gevolgen de gestelde aanhoudingen en mishandelingen hebben gehad voor de psychische gesteldheid, kwetsbaarheid of detentiegeschiktheid van eiser. Eiser heeft daarnaast verklaart dat hij gezond is en geen medicatie gebruikt, maar dat doet niets af aan zijn angst voor kleine ruimtes. De minister heeft de angstklachten onvoldoende onderzocht en volstaat slechts met de algemene overweging over de beschikbare medische en psychiatrische zorg binnen detentiecentra.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft onderzocht of de vrijheidsontnemende maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is en terecht heeft mogen concluderen dat dit niet het geval is. De minister heeft tijdens de screening een voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid uitgevoerd. Eiser heeft niet geconcretiseerd waaruit volgt dat de minister moet motiveren welke betekenis de screening heeft gehad voor de oplegging van de maatregel. In de screening is een voorlopige inschatting gemaakt van de opvang- en zorgbehoefte van eiser en die inschatting is opnieuw gemaakt in het gehoor voor de inbewaringstelling. In het gehoor is vervolgens aan de orde gekomen dat eiser in Azerbeidzjan mishandeld zou zijn geweest, maar nu gezond is en in kleine ruimtes angstig kan worden. De minister heeft dit meegewogen in zijn beoordeling en daarbij in de maatregel verwezen naar de medische voorzieningen die op het aanmeldcentrum aanwezig zijn. De rechtbank ziet niet in waarom dit onvoldoende zou zijn, ook omdat eiser zelf in het gehoor heeft verklaard dat hij de maatregel moet accepteren en er geen spoedeisende of andere omstandigheden zijn die aanleiding geven om aan hem alsnog de toegang tot Nederland te verlenen en hem in de gelegenheid te stellen zijn asielaanvraag in vrijheid te doorlopen. Eiser heeft niet geconcretiseerd dat hij ernstige psychische schade zal oplopen door in een kleine ruimte te moeten verblijven en de medische dienst heeft daar kennelijk ook geen aanknopingspunten voor gezien. Ook in beroep heeft eiser niet onderbouwd of geconcretiseerd dat de beschikbare medische zorg voor hem ontoereikend is. De rechtbank is dan ook niet gebleken van feiten of omstandigheden die de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend maken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
5. Eiser voert - samengevat - aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast. Uit artikel 59c, eerste tot en met derde lid, van de Vw volgt dat vreemdelingenbewaring slechts mag worden toegepast indien minder dwingende maatregelen niet doeltreffend kunnen worden ingezet. De minister dient daarbij concreet te motiveren waarom een lichter middel in het individuele geval onvoldoende is. De minister heeft zich in deze zaak beperkt tot een verwijzing naar het grensbewakingsbelang, maar dit is onvoldoende. Een concrete individuele motivering ontbreekt. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraken van 7 augustus 2026 en 28 augustus 2026. Verder is van belang dat eiser zichzelf aan de buitengrens heeft gemeld, een asielaanvraag heeft ingediend en aan het gehoor heeft meegewerkt. Uit het dossier blijkt dan ook niet dat sprake is van een onderduikrisico.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de vrijheidsontnemende maatregel doeltreffend konden worden toegepast en dit voldoende heeft gemotiveerd. Uit vaste rechtspraak volgt dat het grensbewakingsbelang wordt prijsgegeven als er geen vrijheidsontnemende maatregel wordt toegepast, omdat het feitelijk onmogelijk is om de toegang te weigeren zonder maatregel. In het gehoor heeft een beoordeling plaatsgevonden van het grensbewakingsbelang enerzijds en de bijzondere omstandigheden anderzijds. Daarin is gevraagd naar redenen waarom eiser niet in bewaring zou kunnen, zoals het bestaan van familieleden, fysieke of mentale aandoeningen, rechtmatig verblijf of andere spoedeisende omstandigheden die aanleiding geven alsnog toegang te verlenen tot Nederland en hem in de gelegenheid te stellen de asielprocedure in vrijheid te doorlopen. Eiser heeft daarop ontkennend geantwoord en opgemerkt dat hij gezond is, maar in kleine ruimtes angstig kan worden. De minister heeft eiser dan ook voldoende bevraagd. Zoals hiervoor overwogen leidt het angstig kunnen zijn in kleine ruimtes niet tot een onevenredige bezwarende maatregel. De rechtbank is dan ook niet gebleken van individuele omstandigheden op grond waarvan de bewaring achterwege dient te blijven en de minister heeft dan ook terecht gemotiveerd dat daarom het grensbewakingsbelang ertoe leidt dat geen lichter middel wordt toegepast. Dat eiser stelt dat er geen onderduikrisico is, doet hier niets aan af, omdat voor een bewaring op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw, niet vereist is dat een onderduikrisico bestaat. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5077.
Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 7 augustus 2026. ECLI:NL:RBDHA:2026:22099.
Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 28 augustus 2026. ECLI:NL:RBDHA:2026:24954.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, in de zaak C, B en X over ambtshalve toetsing.