Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24954
2026-08-28
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.48296
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Grensdetentie art. 6 lid 6 jo. art. 6 lid 1 en 2 Vw. Beroep gegrond. In maatregel onvoldoende kenbaar gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Evenredigheidstoets is een andere toets dan de lichter middel-toets.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2015:674 Raad van State 23-02-2015
- ECLI:NL:RVS:2015:1309 Raad van State 10-04-2015
- ECLI:EU:C:2014:1320
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5851 Rechtbank Den Haag 17-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19756 Rechtbank Den Haag 17-07-2026
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26936 Rechtbank Den Haag 16-09-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (9.271 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.48296
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Bij besluit van 20 augustus 2026 is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van 21 augustus 2026 is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Ghanmi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2008.
Over de toegangsweigering
2. Eiser heeft niet betwist dat hem de toegang kon worden geweigerd. De rechtbank gaat dan ook uit van de rechtmatigheid van het besluit van 20 augustus 2026.
Over de vrijheidsontnemende maatregel
2. Eiser betoogt onder meer dat de minister in de maatregel ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom in dit geval niet met het toepassen van een lichter middel kon worden volstaan.
3. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de vrijheidsontnemende maatregel doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, arrest Mahdi).
4. In het bestreden besluit heeft de minister het volgende overwogen:
“Toepassing lichter middel bij vrijheidsontneming:
In het kader van de oplegging van deze vrijheidsontnemende maatregel is afgewogen of
op de vreemdeling een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te
passen. Vastgesteld wordt dat de oplegging van de maatregel berust op het
grensbewakingsbelang en dat een minder dwingende maatregel niet kan worden toegepast
zonder dat dit grensbewakingsbelang (feitelijk) wordt prijsgegeven.
De door de vreemdeling aangevoerde de feiten of omstandigheden aangevoerd, te
weten (zie ook het proces verbaal), welke zouden moeten leiden tot het een minder
dwingende maatregel, maakt diens vrijheidsontnemende maatregel niet onevenredig
bezwaarlijk omdat:
Medische/psychische problemen
De vreemdeling heeft tijdens het gehoor van 21 augustus 2026 verklaard dat hij last heeft
van zijn tanden. Daarnaast stelt hij niet goed te slapen. Overwogen wordt dat deze
medische/psychische omstandigheden geen aanleiding vormen om af te zien van het
opleggen van deze maatregel. Voor deze medische/psychische problemen kan de
vreemdeling zich immers wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum voor
behandeling.
Evenmin is gebleken van andere omstandigheden die de vrijheidsontnemende maatregel
onevenredig bezwarend maken.”
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met de toepassing van een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel. Weliswaar heeft de minister bovenstaande overweging voorzien van de aanhef “Toepassing lichter middel bij vrijheidsontneming”, maar in de daaropvolgende motivering heeft de minister er onvoldoende blijk van gegeven dat daadwerkelijk is afgewogen of een lichter middel kon worden toegepast. De minister stelt immers enkel vast dat de maatregel berust op het grensbewakingsbelang en dat een minder dwingende maatregel niet kan worden toegepast zonder dat dit grensbewakingsbelang (feitelijk) wordt prijsgegeven. Daarmee is voor eiser onvoldoende inzichtelijk waarom het in zijn specifieke geval niet mogelijk was om toepassing te geven aan een lichter middel. Dat staat nog los van de vraag of eiser zelf bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht. Ook wanneer dat niet het geval is, dient de maatregel te worden voorzien van een specifieke motivering. Het grensbewakingsbelang weegt immers niet dermate zwaar dat het een vaststaand gegeven is dat de vreemdeling de vrijheid moet worden ontnomen wanneer asiel wordt aangevraagd aan de buitengrens. De rechtbank wijst in dat verband op de uitspraken van deze zittingsplaats van 17 februari 2026 en 17 juli 2026.
6. De rechtbank wijst de minister er nogmaals, en wellicht dus ten overvloede, op dat de toets of de maatregel al dan niet onevenredig bezwarend moet worden geacht een andere is dan de toets of toepassing kan worden gegeven aan een lichter middel. Dat de minister in de maatregel wél heeft overwogen waarom de maatregel voor eiser niet onevenredig bezwarend is, maakt het oordeel van de rechtbank dan ook niet anders.
7. Gelet op het motiveringsgebrek is het beroep gegrond en is de maatregel vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 28 augustus 2026. Omdat de maatregel vanaf aanvang onrechtmatig is behoeven de overige beroepsgronden van eiser geen bespreking meer.
8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor acht dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 8 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 960,-.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de toegangsweigering, ongegrond;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel, gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van
28 augustus 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 960,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over vrijheidsontnemende maatregel gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over de toegangsweigering gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
ECLI:NL:RBDHA:2026:5851 en ECLI:NL:RBDHA:2026:19756.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.48296
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Bij besluit van 20 augustus 2026 is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van 21 augustus 2026 is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Ghanmi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2008.
Over de toegangsweigering
2. Eiser heeft niet betwist dat hem de toegang kon worden geweigerd. De rechtbank gaat dan ook uit van de rechtmatigheid van het besluit van 20 augustus 2026.
Over de vrijheidsontnemende maatregel
2. Eiser betoogt onder meer dat de minister in de maatregel ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom in dit geval niet met het toepassen van een lichter middel kon worden volstaan.
3. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de vrijheidsontnemende maatregel doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, arrest Mahdi).
4. In het bestreden besluit heeft de minister het volgende overwogen:
“Toepassing lichter middel bij vrijheidsontneming:
In het kader van de oplegging van deze vrijheidsontnemende maatregel is afgewogen of
op de vreemdeling een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te
passen. Vastgesteld wordt dat de oplegging van de maatregel berust op het
grensbewakingsbelang en dat een minder dwingende maatregel niet kan worden toegepast
zonder dat dit grensbewakingsbelang (feitelijk) wordt prijsgegeven.
De door de vreemdeling aangevoerde de feiten of omstandigheden aangevoerd, te
weten (zie ook het proces verbaal), welke zouden moeten leiden tot het een minder
dwingende maatregel, maakt diens vrijheidsontnemende maatregel niet onevenredig
bezwaarlijk omdat:
Medische/psychische problemen
De vreemdeling heeft tijdens het gehoor van 21 augustus 2026 verklaard dat hij last heeft
van zijn tanden. Daarnaast stelt hij niet goed te slapen. Overwogen wordt dat deze
medische/psychische omstandigheden geen aanleiding vormen om af te zien van het
opleggen van deze maatregel. Voor deze medische/psychische problemen kan de
vreemdeling zich immers wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum voor
behandeling.
Evenmin is gebleken van andere omstandigheden die de vrijheidsontnemende maatregel
onevenredig bezwarend maken.”
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met de toepassing van een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel. Weliswaar heeft de minister bovenstaande overweging voorzien van de aanhef “Toepassing lichter middel bij vrijheidsontneming”, maar in de daaropvolgende motivering heeft de minister er onvoldoende blijk van gegeven dat daadwerkelijk is afgewogen of een lichter middel kon worden toegepast. De minister stelt immers enkel vast dat de maatregel berust op het grensbewakingsbelang en dat een minder dwingende maatregel niet kan worden toegepast zonder dat dit grensbewakingsbelang (feitelijk) wordt prijsgegeven. Daarmee is voor eiser onvoldoende inzichtelijk waarom het in zijn specifieke geval niet mogelijk was om toepassing te geven aan een lichter middel. Dat staat nog los van de vraag of eiser zelf bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht. Ook wanneer dat niet het geval is, dient de maatregel te worden voorzien van een specifieke motivering. Het grensbewakingsbelang weegt immers niet dermate zwaar dat het een vaststaand gegeven is dat de vreemdeling de vrijheid moet worden ontnomen wanneer asiel wordt aangevraagd aan de buitengrens. De rechtbank wijst in dat verband op de uitspraken van deze zittingsplaats van 17 februari 2026 en 17 juli 2026.
6. De rechtbank wijst de minister er nogmaals, en wellicht dus ten overvloede, op dat de toets of de maatregel al dan niet onevenredig bezwarend moet worden geacht een andere is dan de toets of toepassing kan worden gegeven aan een lichter middel. Dat de minister in de maatregel wél heeft overwogen waarom de maatregel voor eiser niet onevenredig bezwarend is, maakt het oordeel van de rechtbank dan ook niet anders.
7. Gelet op het motiveringsgebrek is het beroep gegrond en is de maatregel vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 28 augustus 2026. Omdat de maatregel vanaf aanvang onrechtmatig is behoeven de overige beroepsgronden van eiser geen bespreking meer.
8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor acht dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 8 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 960,-.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de toegangsweigering, ongegrond;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel, gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van
28 augustus 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 960,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over vrijheidsontnemende maatregel gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over de toegangsweigering gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
ECLI:NL:RBDHA:2026:5851 en ECLI:NL:RBDHA:2026:19756.