Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22099
2026-08-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.42669
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vrijheidsontnemende maatregel, artikel 6 Vw – lichter middel – beroep ongegrond
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19756 Rechtbank Den Haag 17-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19757 Rechtbank Den Haag 17-07-2026
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26936 Rechtbank Den Haag 16-09-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (5.822 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42669
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.A.L. van de Glind),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 1 augustus 2026 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 3 augustus 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 5 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 28 juli 2026 om 10:10 uur aan de buitengrens op de luchthaven Schiphol een verzoek om internationale bescherming kenbaar gemaakt. Verweerder heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Onderhavig beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, nu tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat.
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel dan vrijheidsontneming kon worden toegepast. De motivering in de maatregel bevat geen individuele beoordeling, maar slechts een generieke constatering dat het grensbewakingsbelang zich tegen een lichter middel verzet. Verweerder heeft ook op geen enkele wijze onderzocht of met een lichter middel kon worden volstaan. Dit terwijl eiser tijdens het gehoor uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij vermeend lid is van de Gülen-beweging, gevangen heeft gezeten en dat tegen hem een strafzaak loopt. Deze omstandigheden zijn door verweerder niet gewogen. Eiser verwijst naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026.
5. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het grensbewakingsbelang naar zijn aard dat een vrijheidsbenemende maatregel wordt toegepast. Het grensbewakingsbelang is in dit geval aan de orde nu nog moet worden geoordeeld over het verlenen van toegang tot het grondgebied van een vreemdeling die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet.
6. De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Verweerder dient steeds te beoordelen of met een lichter middel moet worden volstaan - ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs. Uit de maatregel blijkt dat verweerder die beoordeling heeft verricht. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen de maatregel. Daarnaast is niet gebleken van individuele omstandigheden op grond waarvan de bewaring achterwege dient te blijven. Voor zover eiser tijdens het gehoor heeft gewezen op zijn medische situatie, heeft verweerder terecht overwogen dat de zorgverlening binnen het AC Schiphol voldoende is en gelijkwaardig is aan de zorgverlening in de vrije maatschappij. Dat eiser stelt vermeend lid te zijn van de Gülen-beweging zal in het kader van de asielprocedure aan de orde komen. Hieruit kan op voorhand geen reëel risico op refoulement worden afgeleid. Verweerder heeft hierin niet op voorhand aanleiding hoeven zien om de vrijheidsontneming achterwege te laten.
5. Ook is overigens niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 7 augustus 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Vreemdelingenbesluit 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2026:19756 en ECLI:NL:RBDHA:2026:19757.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42669
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.A.L. van de Glind),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 1 augustus 2026 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 3 augustus 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 5 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 28 juli 2026 om 10:10 uur aan de buitengrens op de luchthaven Schiphol een verzoek om internationale bescherming kenbaar gemaakt. Verweerder heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Onderhavig beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, nu tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat.
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel dan vrijheidsontneming kon worden toegepast. De motivering in de maatregel bevat geen individuele beoordeling, maar slechts een generieke constatering dat het grensbewakingsbelang zich tegen een lichter middel verzet. Verweerder heeft ook op geen enkele wijze onderzocht of met een lichter middel kon worden volstaan. Dit terwijl eiser tijdens het gehoor uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij vermeend lid is van de Gülen-beweging, gevangen heeft gezeten en dat tegen hem een strafzaak loopt. Deze omstandigheden zijn door verweerder niet gewogen. Eiser verwijst naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026.
5. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het grensbewakingsbelang naar zijn aard dat een vrijheidsbenemende maatregel wordt toegepast. Het grensbewakingsbelang is in dit geval aan de orde nu nog moet worden geoordeeld over het verlenen van toegang tot het grondgebied van een vreemdeling die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet.
6. De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Verweerder dient steeds te beoordelen of met een lichter middel moet worden volstaan - ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs. Uit de maatregel blijkt dat verweerder die beoordeling heeft verricht. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen de maatregel. Daarnaast is niet gebleken van individuele omstandigheden op grond waarvan de bewaring achterwege dient te blijven. Voor zover eiser tijdens het gehoor heeft gewezen op zijn medische situatie, heeft verweerder terecht overwogen dat de zorgverlening binnen het AC Schiphol voldoende is en gelijkwaardig is aan de zorgverlening in de vrije maatschappij. Dat eiser stelt vermeend lid te zijn van de Gülen-beweging zal in het kader van de asielprocedure aan de orde komen. Hieruit kan op voorhand geen reëel risico op refoulement worden afgeleid. Verweerder heeft hierin niet op voorhand aanleiding hoeven zien om de vrijheidsontneming achterwege te laten.
5. Ook is overigens niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 7 augustus 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Vreemdelingenbesluit 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2026:19756 en ECLI:NL:RBDHA:2026:19757.