Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:25322

2026-09-02 Civiel recht C/09/664535 / HA ZA 24-327
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-02
Publicatiedatum
2026-09-03
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/664535 / HA ZA 24-327
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verbouwing woning. Aannemer aansprakelijk voor gebrekkig en niet voltooid werk. Ook bouwbegeleider is aansprakelijk jegens opdrachtgeefster wegens gebrekkig toezicht. Vernietiging aansprakelijkheidsbeperking art. 15 lid 3 DNR 2011 (o.g.v. art. 6:233 BW (onredelijk bezwarend jegens consument). Hoofdelijke aansprakelijkheid aannemer/toezichthouder voor een deel van de schade. Toezichthouder en aannemer in vrijwaring in onderlinge verhouding in gelijke delen aansprakelijk voor de schade (art. 6:10, 6:101 en 6:102 BW).

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (111.803 tekens)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG


Team handel




zaaknummer / rolnummer: C/09/664535 / HA ZA 24-327 (de hoofdzaak), C/09/670979 / HA ZA 24-693 (vrijwaring)




Vonnis van 2 september 2026




in de zaak met zaak-/rolnummer C/09/664535 / HA ZA 24-327 (hierna ook te noemen: ‘de hoofdzaak’) van:





[eiseres]
, te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie (in de zaak tegen gedaagde sub 2),
hierna te noemen: ‘ [eiseres] ’,
advocaat: mr. A.J.F. de Jager, te Amsterdam,



TEGEN





1 [gedaagde] (h.o.d.n. [bedrijf] ), te [vestigingsplaats] , Albanië,

gedaagde,
hierna te noemen: ‘ [gedaagde] ’,
advocaat: mr. S.W. Claassen, te Den Haag,
2. STUDIO FLEX B.V., te Den Haag,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: ‘Studio Flex’,
advocaat: mr. R.H.J. Wildenburg, te Arnhem,



en in de vrijwaringszaak met zaak-/rolnummer C/09/670979 / HA ZA 24-693 (hierna ook te noemen: ‘de vrijwaringszaak’) van:




STUDIO FLEX B.V., te Den Haag,
advocaat: mr. R.H.J. Wildenburg, te Arnhem,
eiseres in vrijwaring in conventie,
verweerster in voorwaardelijke reconventie,



TEGEN





[gedaagde] (h.o.d.n. [bedrijf] ), te [vestigingsplaats] , Albanië,
advocaat: mr. S.W. Claassen, te Den Haag,
gedaagde in vrijwaring in conventie,
eiser in voorwaardelijke reconventie.






1De procedure (in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak)

1.1.
De rechtbank heeft op 19 maart 2025 een tussenvonnis gewezen in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak (‘het tussenvonnis’). De tot dan toe ingediende processtukken zijn in het tussenvonnis genoemd. De rechtbank heeft in het tussenvonnis Technische Varia B.V. (Adinex), in de persoon van: ing. C.G. Verdoorn (‘Verdoorn’), als gerechtelijk deskundige benoemd om de volgende vragen te beantwoorden:

1. Kunt u toelichten welke onderdelen van de tussen [gedaagde] en [eiseres] overeengekomen werkzaamheden met betrekking tot de verbouwing van de woning aan de [adres] wel en welke niet zijn uitgevoerd, en welk deel (uitgedrukt in een percentage) van de overeengekomen werkzaamheden niet is voltooid?

2. Ten aanzien van de overeengekomen werkzaamheden die al wel door [gedaagde] in de woning zijn uitgevoerd: voldoen die werkzaamheden naar uw oordeel aan de eisen van goed en deugdelijk werk? Indien u vindt dat bepaalde werkzaamheden niet aan deze eisen voldoen, kunt u dan toelichten om welke delen van het werk het gaat en waarom u dat vindt?

3. Welke (financiële) waarde vertegenwoordigt het door [gedaagde] uitgevoerde werk naar uw oordeel? Hoe kijkt u in dat verband aan tegen het standpunt van Goes Engineers B.V. dat het bestaande gebouw weer tot op casco moet worden ontdaan van de ondeugdelijke werkzaamheden en dat de gebruikte materialen als verloren moeten worden beschouwd, zodat daar geen restwaarde aan kan worden toegekend (rapport Goes Engineers BV 29 maart 2024, pagina 3)?

4. Wat zijn volgens u de kosten om het werk door een derde partij (dat wil zeggen: een gemiddeld en redelijk bekwaam vakman) te laten herstellen en af te ronden, zodanig dat het tussen partijen overeengekomen resultaat (de overeengekomen verbouwing, goed en deugdelijk uitgevoerd) wordt verkregen?

5. In dit geval heeft Studio Flex in de periode juni tot en met oktober 2023 het uitgevoerde werk beoordeeld, volgens Studio Flex ten minste wekelijks. Er bestaat discussie of Studio Flex bouwbegeleider of directievoerder was. Hoe kijkt u – de door u vastgestelde kwaliteit van het werk in ogenschouw genomen – aan tegen de stelling in het rapport van Goes Engineers B.V. dat Studio Flex direct en vanaf het eerste moment had kunnen/moeten zien dat de verbouwingswerkzaamheden door de aannemer gebrekkig/ondeugdelijk werden uitgevoerd (rapport Goes Engineers B.V., p. 1 en 2)? Kunt u aangeven of er een verschil bestaat in het antwoord op deze vraag, in het geval Studio Flex bouwbegeleider was of dat Studio Flex directievoerder was?

6. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?



1.2.
Het voorschot voor het deskundigenonderzoek is in het tussenvonnis vastgesteld op € 15.730 (inclusief btw), waarbij is bepaald dat iedere partij 1/3e deel (dus ieder € 5.243,33) moet voorschieten. De rechtbank heeft op verzoek van de deskundige bij beslissing van 13 mei 2026 bepaald dat een aanvullend voorschot van € 2.904 (inclusief btw) moet worden gedeponeerd, eveneens door drieën gedeeld (iedere partij € 968).



1.3.
Verdoorn heeft op 22 mei 2026 een definitief rapport opgemaakt, met 11 bijlagen (‘het deskundigenrapport’). Het deskundigenrapport is op de rol van 3 juni 2026 bij de rechtbank ingediend, samen met de eindnota. De totale kosten voor het deskundigenonderzoek (aan loon en onkosten) zijn in de eindnota berekend op € 18.634 (gelijk aan het totale voorschot).



1.4.
De rechtbank heeft een mondelinge behandeling bepaald in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak op 30 juni 2026. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich voorafgaand aan de mondelinge behandeling schriftelijk uit te laten over het deskundigenrapport en de eindnota.



1.5.
Vervolgens zijn door partijen nog de volgende stukken ingebracht:
- de akte na deskundigenbericht tevens akte vermeerdering/wijziging van eis van [eiseres] van 17 juni 2026,
- de conclusie na enquête in de hoofdzaak en in vrijwaring van [gedaagde] van 17 juni 2026, met twee producties (doorgenummerd 1 en 2),
- de conclusie na deskundigenbericht van Studio Flex van 17 juni 2026, met productie 12.



1.6.
Op 30 juni 2026 is de mondelinge behandeling gehouden. Hierbij waren (vertegenwoordigers van) alle drie de partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. De advocaten van [eiseres] en [gedaagde] hebben spreekaantekeningen overgelegd, die tot de processtukken behoren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder ter zitting is besproken en naar voren gebracht. De aantekeningen zijn aan het griffiedossier toegevoegd. De rechtbank heeft de hoofd- en vrijwaringszaak na het sluiten van de mondelinge behandeling verwezen naar de rol van 22 juli 2026, zodat partijen in de tussentijd verder konden onderhandelen over een eventuele schikking.



1.7.
De rechtbank heeft op de mondelinge behandeling op grond van artikel 199, lid 1 (oud) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (thans: artikel 191, lid 1, Rv) een beslissing genomen over het aan de deskundige toekomende honorarium. Het honorarium is vastgesteld op het bedrag van de eindnota (€ 18.634). Nadat aan het LDCR een opdracht tot uitbetaling van het depot is gegeven, is gebleken dat slechts een bedrag van € 13.390,66 in depot stond, omdat [gedaagde] haar deel van het oorspronkelijke voorschot van € 5.243,33 niet had voldaan (en de griffie van de rechtbank dus, bij vergissing, ten onrechte op 7 mei 2025 aan de deskundige had bericht dat het gehele voorschot van € 15.730 was gedeponeerd). Omdat de deskundige hier verder buiten stond en hij recht heeft op volledige en spoedige betaling van zijn nota, heeft de rechtbank bij rolbeslissing van 29 juli 2026 bepaald dat het gedeponeerde bedrag aan de deskundige wordt uitgekeerd en dat het ontbrekende deel van € 5.243,34 vanuit ’s Rijks kas aan de deskundige wordt voldaan en voorlopig in debet wordt gesteld. De rechtbank zal in dit vonnis bepalen welke partij dat in debet gestelde deel aan de Staat moet terugbetalen.



1.8.
Partijen hebben op de rol van 22 juli 2026 om vonnis gevraagd. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.





2De feiten (in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak)
Gelet op wat er in de processtukken staat en wat er tijdens de zitting is besproken, gaat de rechtbank bij de beoordeling van de zaak uit van de volgende feiten en omstandigheden.


2.1.

[eiseres] heeft op 1 maart 2022 de vrijstaande woning aan de [adres] (‘de woning’) na koop in eigendom verkregen. Zij wilde de woning laten verbouwen. Voor hulp hierbij heeft zij Studio Flex benaderd. Studio Flex is een onderneming die optreedt als ingenieur, technisch ontwerper, adviseur en bouwbegeleider.



2.2.
Studio Flex heeft op 5 januari 2022 een offerte voor de dienstverlening aan [eiseres] verstuurd. In deze offerte staat onder meer:


“1. Uw vraag
Aan Studio Flex is de vraag voorgelegd een offerte uit te brengen voor het ontwerpen, constructief doorrekenen, bouwtechnisch uitwerken en begeleiden van het gehele (ver)bouwtraject van de woning aan de [adres] .






2Onze voorgestelde aanpak


De ons reeds bekende wensen zijn duidelijk genoeg om als startpunt te dienen voor het project. Voor het hele project zullen wij optreden als architect, interieur ontwerper, constructeur en bouwmanager. Om tot een goed projectresultaat te komen, zullen we het proces onderverdelen in verschillende fases.
(…)



2.5


Uitvoeringsfase

Wanneer de aannemer door u is gecontracteerd zal de aannemer het werk gaan inplannen. Uiteraard kunnen wij u adviseren in de aannemersselectie indien gewenst.
Vanuit Studio Flex zullen wij erop toezien dat de planning op efficiënte, doch tegelijkertijd realistische wijze tot stand komt. De risico’s in deze planning worden aangestipt en voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering besproken, om zo problemen tijdens uitvoering zoveel mogelijk te voorkomen. Wanneer de uitvoering van het project gestart is, zullen wij eenmaal per week de bouw inspecteren. Hierbij zullen we controleren op kwaliteit van uitvoering, tijd en kosten. Getoetst wordt aan de afspraken die vooraf met de aannemer gemaakt zijn en de kwaliteitswensen die volgen uit het ontwerp. Onze bevindingen rapporteren we op wekelijkse basis beknopt en overzichtelijk aan u, waarbij we eventueel in overleg zullen treden hoe om te gaan met bepaalde situaties die zich voordoen.
Aan het eind van de uitvoeringsfase vindt een eindinspectie plaats bij oplevering. Deze zal uitgebreider zijn; wanneer het project akkoord wordt bevonden kan de aannemer het project opleveren, waarmee het project in haar totaliteit afgerond is. Na oplevering kunnen revisietekeningen gemaakt worden indien gewenst, dit is echter niet in deze aanbieding opgenomen.
Te leveren producten: wekelijks controle rapportages voortgang bouw.”




2.3.
In de offerte schrijft Studio Flex dat hierop de voorwaarden van De Nieuwe Regeling 2011 (‘DNR 2011’) van toepassing zijn. De DNR 2011 bevat onder meer de volgende bepalingen:


“Artikel 14 Schadevergoeding




In geval van een toerekenbare tekortkoming is de adviseur uitsluitend aansprakelijk voor vergoeding van de directe schade.


Tot de directe schade behoren in geen geval: bedrijfsschade, productieverlies, omzet- en/of winstderving, waardevermindering van producten evenmin als de kosten die met de uitvoering van het object gemoeid zouden zijn als de opdracht van aanvang af goed zou zijn uitgevoerd.


(…)



Artikel 15 Omvang van de schadevergoeding




De door de adviseur te vergoeden schade is naar keuze van partijen per opdracht beperkt tot een bedrag gelijk aan de advieskosten met een maximum van € 1.000,000 of tot een bedrag gelijk aan driemaal de advieskosten met een maximum van € 2.500.000.


Indien partijen geen keus bepaalden betreffende de omvang van de door de adviseur te vergoeden schade, is deze per opdracht beperkt tot een bedrag gelijk aan de advieskosten met een maximum van € 1.000.0000.


In aanvulling op de voorgaande twee leden geldt dat ingeval de opdrachtgever een consument is, de in die twee leden genoemde beperkingen niet lager kunnen zijn dan € 75.000.”





2.4.
Op 29 januari 2022 heeft [eiseres] aan Studio Flex bericht dat zij akkoord geeft op de dienstverlening van Studio Flex op de volgende onderdelen: voorlopig ontwerp, definitief ontwerp en technische fase/technisch ontwerp.



2.5.
Studio Flex heeft op 11 mei 2022 een rapport opgemaakt met statische berekeningen en bouwtekeningen ten behoeve van de verbouwing. Vervolgens is in mei 2022 op basis van de berekeningen en tekeningen van Studio Flex een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de gewenste renovatie ingediend (‘de vergunningsaanvraag’). Op pagina 7 van de vergunningsaanvraag staat onder meer het volgende onder het kopje “bruto vloeroppervlakte bouwwerk”:


Verandert de bruto vloeroppervlakte van het bouwwerk door de bouwwerkzaamheden? Ja
Wat is de bruto vloeroppervlakte van het bouwwerk in m2 voor uitvoering van de bouwwerkzaamheden? 150
Wat is de bruto vloeroppervlakte van het bouwwerk in m2 na uitvoering van de bouwwerkzaamheden? 223




2.6.
Op basis van de vergunningsaanvraag is in de zomer van 2022 een omgevingsvergunning aan [eiseres] verleend.



2.7.

[eiseres] heeft aanvankelijk eind 2022 DHQ Bouw benaderd voor de uitvoering van de renovatie, maar is uiteindelijk niet met deze aannemer verder gegaan. [eiseres] heeft vervolgens [gedaagde] benaderd. [gedaagde] heeft op 21 april 2023 in aanwezigheid van [naam 1] van Studio Flex (‘ [naam 1] ’) de woning bezocht. Op 26 april 2023 heeft [gedaagde] een e-mail met een offerte aan [eiseres] verstuurd. Hierin schrijft [gedaagde] onder meer:


“After our meeting at your place together with [voornaam 1] ( [naam 1] , Rechtbank), got some time in the weekend to make some research for your project and I am clear for all the works it need to be done at your villa.



I am ready to take over your project.



I am available to start on 01 may. The timing of the works will be 6 months and to be correct, inside/ till 30 november max (…) In every case of delays it can be max 2 weeks delays till 15 december. If everything flows well, we will finish the project end October.



My offer with an total price will be 330.000 euro inc BTW



The way of payments would be best per week. So would be 13,750 euro inc BTW per week. The first payment of 13,750 can be done after we bring all the equipments and my team start working.
(…)
I promise that you will enjoy your villa totally renovated before Christmas.”




2.8.
Vervolgens is op basis van de (door [eiseres] aanvaarde) offerte een aannemingsovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] tot stand gekomen (‘de overeenkomst’). Het werk is op 3 mei 2023 begonnen.



2.9.
Op 9 mei 2023 heeft Studio Flex een e-mail aan [eiseres] verstuurd met daarin een bevestiging van de door [eiseres] verstrekte opdracht voor verdere bouwbegeleiding. In de e-mail schrijft Studio Flex:


“Hierbij nog even op de mail, zoals we hebben afgesproken op locatie, over de bouwbegeleiding van de verbouwing aan de [adres] . Hierbij zullen we controleren op kwaliteit van uitvoering en [voornaam 2] ( [gedaagde] , rechtbank) helpen met alle bouwbegeleiding ondersteuning die hij nodig heeft. Ik zou wekelijks langs gaan om alles te controleren dat het goed verloopt. Zoals besproken spreken we een vaste prijs af van € 6500 inclusief de btw voor de eerste drie maanden van de verbouwing op basis van de ingeschatte tijd die nodig gaat zijn. (…) Op deze aanbieding zijn de DNR 2011 gestelde voorwaarden van toepassing (…)”




2.10.
In mei 2023 heeft [gedaagde] bij [eiseres] gemeld dat de staalconstructie voor het werk aanzienlijk duurder zou zijn dan initieel door [gedaagde] was begroot. Ook wilde [gedaagde] aluminium kozijnen plaatsen. Partijen hebben vervolgens met elkaar over onder meer deze punten gesproken.



2.11.
In september 2023 heeft [eiseres] haar zorgen richting Studio Flex en [gedaagde] geuit over de voortgang en de kwaliteit van de verbouwing. Op 27 oktober 2023 heeft op het kantoor van Studio Flex een gesprek plaatsgevonden tussen de drie partijen. [eiseres] heeft diezelfde avond een samenvatting van de gemaakte afspraken aan Studio Flex gemaild. Hierin staat onder meer het volgende:


“Afspraken inzake voortgang renovatie [adres] .

1. Aannemer heeft op basis van een calculatie van de vloeroppervlakte van woning de offerte voor de renovatie van [adres] van mei 2023 opgesteld. Nu blijkt sprake te zijn van miscalculatie van de vloeroppervlakte door aannemer. Hierdoor lijkt hij nu financieel in de problemen te komen. Hij kan nog niet aangeven welk bedrag hij tekort komt omdat hij hiervoor eerst de offerte van de raamkozijnen nodig heeft. (…)
3. De aannemer kan pas de extra kosten, dus geen meerkosten maar kosten als gevolg van de miscalculatie, bepalen als de kosten van de ramen bekend zijn.
4. Opdrachtgever zal pas na opgave van extra kosten én inzage in alle facturen bepalen of en welk bedrag hiervan zij eventueel zal vergoeden aan aannemer.
5. Opdrachtgever heeft de volgende zaken inmiddels zelf betaald en afgesproken is dat deze zaken niet worden verrekend met aannemer. Betreffende zaken waren aanvankelijk onderdeel van de op te leveren zaken door de aannemer en tevens opgenomen in het contract tussen opdrachtgever en aannemer. Te weten: (..) Houten vloeren 160 m2 (lamelparket) en plinten (…).
(…)
7. Voor de factuur van 2023-058 wordt een nieuwe nota van 6875,- opgesteld en het resterend bedrag à contant betaald. Betaaldatum nieuwe nota is vrijdag 27 oktober en de contante betaling vindt plaats op zaterdag 28 oktober.
8. Factuur 2023-059 wordt à contant betaald op een nader te bepalen moment en pas nadat de kosten van onder punt 3 zijn gecommuniceerd aan opdrachtgever
9. Factuur 2023-061 wordt à contant betaald op een nader te bepalen moment en pas nadat de kosten van onder punt 3 zijn gecommuniceerd aan opdrachtgever
(…)”



2.12.

[eiseres] heeft tussen begin mei en eind oktober 2023 een totaalbedrag van € 312.500 aan [gedaagde] betaald.



2.13.

[eiseres] heeft op 30 oktober 2023 een vijfde factuur ter hoogte van € 2.166,66 (inclusief btw) van Studio Flex ontvangen voor de ‘bouwbegeleiding conform de e-mail van 9 mei 2023’. Studio Flex had voor de bouwbegeleiding al eerder vier facturen verstuurd ter hoogte van in totaal € 8.666,64 (inclusief btw). Die vier facturen zijn allemaal door [eiseres] betaald.



2.14.
Op 3 november 2023 heeft [eiseres] aan [gedaagde] medegedeeld dat zij haar betalingsplicht ten aanzien van de laatste twee termijnen (van ieder € 13.750) opschort en deze termijnen pas bij de oplevering zal voldoen, omdat hetgeen [eiseres] reeds aan [gedaagde] had betaald, volgens haar niet in verhouding stond tot de werkzaamheden die tot dan toe door [gedaagde] waren verricht.



2.15.
Een dag later, op 4 november 2023, heeft [gedaagde] medegedeeld zijn werkzaamheden vanwege de weigering tot betaling op te schorten.



2.16.
Na een bezichtiging van het werk heeft Studio Flex op 11 november 2023 een bouwverslag opgemaakt. In het bouwverslag heeft Studio Flex een korte lijst opgenomen met openstaande punten en gebreken. Ook schrijft Studio Flex in het verslag:


“Aannemer is sinds afgelopen zaterdag niet meer op locatie geweest. Alleen om gereedschappen op te halen.



Alle constructieve ingrepen op een paar lateien na zijn goed uitgevoerd. Huis bijna helemaal geïsoleerd en bijna alle binnenwanden geplaatst. Voor de rest is een groot deel van de elektra werkzaamheden gedaan en ook een groot deel van de loodgieters werkzaamheden.



Aannemer heeft toegegeven een fout te hebben gemaakt met het lezen van de tekeningen. Hij heeft rekening gehouden met rond 150m2 terwijl hij had moeten rekenen met 230m2. Hierdoor beweert aannemer een tekort te komen aan een budget van €175000. Dit dus zonder concreet onderbouwing van waar het meerwerk inzit.”




2.17.
In opdracht van [eiseres] heeft Goes Engineers B.V. (‘Goes’) op 17 november 2023 de woning bezichtigd, om de stand en de kwaliteit van het werk te beoordelen. Goes heeft op 28 november 2023 een (concept)rapport opgemaakt. In dit rapport concludeert Goes dat de door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden stuk voor stuk gebrekkig zijn, dat het uitgevoerde werk in feite waardeloos is, en dat ook sprake is van gebrekkig toezicht door Studio Flex. De totale schade wordt in het (concept)rapport geraamd op circa € 376.000.



2.18.

[eiseres] heeft na ontvangst van het (concept)rapport van Goes de betaling van de vijfde factuur van Studio Flex opgeschort.



2.19.
Bij brief van 1 december 2023 heeft [eiseres] het (concept)rapport van Goes aan [gedaagde] toegestuurd. In de brief heeft zij [gedaagde] gewezen op de door Goes geconstateerde tekortkomingen, en [gedaagde] gesommeerd om (i) uiterlijk op 5 december 2023 te bevestigen dat de werkzaamheden worden hervat en dat de verplichtingen uit de overeenkomst worden nagekomen, en (ii) het werk uiterlijk op 31 december 2023 in overeenstemming met de overeenkomst af te ronden en op te leveren.



2.20.
Eveneens bij brief van 1 december 2023 heeft [eiseres] Studio Flex aansprakelijk gesteld wegens tekortkoming in de uitvoering van de aan Studio Flex verleende opdracht.



2.21.
Op 15 december 2023 heeft [eiseres] [gedaagde] nogmaals aangeschreven en [gedaagde] gesommeerd uiterlijk 20 december 2023 iets van zich te laten horen.



2.22.
Op 20 december 2023 heeft [gedaagde] op de sommatiebrief van 15 december 2023 gereageerd. In zijn reactie herhaalt [gedaagde] zijn standpunt dat hij bij het bepalen van de prijs een miscalculatie heeft gemaakt, omdat hij op basis van mededelingen van [eiseres] ervan is uitgegaan dat de woning na verbouwing een oppervlakte van 150 m2 zou hebben (waarop [gedaagde] zijn prijs van € 330.000 (2.200/m2) heeft gebaseerd), terwijl later bij de uitvoering is gebleken dat de woning een oppervlakte van 230 m2 krijgt. [gedaagde] schrijft dat hij alleen bereid is om het werk te hervatten, indien [eiseres] een bedrag van € 150.000 bijbetaalt voor het verschil van 80 m2.



2.23.

[eiseres] heeft de overeenkomst met [gedaagde] bij brief van 10 januari 2024 ontbonden en [gedaagde] gesommeerd tot betaling van € 378.707,57.



2.24.
Ook de overeenkomst van opdracht met Studio Flex is bij brief van 10 januari 204 door [eiseres] ontbonden. Studio Flex is gesommeerd tot terugbetaling van het reeds betaalde bedrag van € 8.666,64 en tot betaling van € 378.707,57 aan schadevergoeding.



2.25.
Op 25 maart 2024 heeft [eiseres] conservatoire bankbeslagen doen leggen ten laste van [gedaagde] en Studio Flex. De beslagen hebben geen doel getroffen.



2.26.
Op 29 maart 2024 heeft Goes een definitief rapport opgemaakt van het op 17 november 2023 uitgevoerde onderzoek naar de stand en de kwaliteit van het werk. Het rapport van Goes houdt, voor zover van belang, het volgende in:


“Situatie voor aanvang werkzaamheden
Er is, voor aanvang van de werkzaamheden, een bouwkundige inspectie uitgevoerd door BAOS Bouwmanagement en huisvestingadvies. Zij hebben een rapportage opgesteld op 28 december 2021. Deze is in bijlage 1 opgenomen. Uit de rapportage blijkt dat er geen grootse gebreken zijn. De woning is aan de binnenzijde enigszins gedateerd. Aan de buitenzijde is klein onderhoud nodig. Al met al kan worden gesteld dat de algemene gesteldheid van de woning voor aanvang van de werkzaamheden goed was.




Situatie bij opname

Tijdens de opname is gebleken dat de werkzaamheden nog in volle gang zijn. Het werk is verre van gereed. De woning is niet wind- en waterdicht. Weersinvloeden hebben vrij spel, hetgeen goed zichtbaar is. Nieuw aangebrachte elementen, zoals bijvoorbeeld stelkozijnen, zijn reeds aan het schimmelen/rotten. De uitgevoerde werkzaamheden zijn van erbarmelijke kwaliteit. Elk onderdeel dat is uitgevoerd door de aannemer is gebrekkig. Nota bene de hoofddraagconstructie van de uitbouw is volstrekt ondeugdelijk uitgevoerd, hetgeen direct zorgt voor gevaarzetting.
(…)
Alles overziend kunnen wij niet anders dan concluderen dat de aannemer absoluut niet kundig genoeg is/was om de werkzaamheden uit te voeren. Dit moet direct en vanaf het eerste moment zichtbaar zijn geweest voor een kundig directievoerder. Het is voor ons dan ook onbegrijpelijk dat de werkzaamheden, ondanks de talloze en eenvoudig met het blote oog zichtbare gebreken, toch voort zijn gegaan. Er is naar onze mening, los van de
ondeskundigheid van de aannemer, ook duidelijk sprake van grove onzorgvuldigheid van de toezichthouder.




Schade

Geen van de onderdelen die door de aannemer zijn uitgevoerd zijn op juiste wijze uitgevoerd. Er kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de werkzaamheden volledig opnieuw uitgevoerd moeten worden. Dit houdt in dat de betaalde termijnen aan de aannemer volledig als schade moeten worden beschouwd. (…)



Het behoeft geen betoog dat gedane betalingen niet in verhouding staan tot het geleverde werk, zelfs wanneer de uitgevoerde werkzaamheden wel correct waren uitgevoerd. De woning is immers verre van gereed. De woning is nog niet eens wind- en waterdicht. Ook hier is sprake van grove onzorgvuldigheid van de toezichthouder. De toezichthouder had niet mogen overgaan tot het betaalbaar stellen van de facturen tot nagenoeg de volledige aanneemsom, zelfs niet wanneer het werk wel correct zou zijn uitgevoerd (quod non).



Het bestaande gebouw zal weer tot op het casco moeten worden ontdaan van de ondeugdelijke werkzaamheden. De materialen moeten hierbij als verloren worden beschouwd. De handelingskosten (arbeid) om materialen te redden overstijgen namelijk de kosten van deze materialen, zodat daar geen restwaarde aan kan worden toegekend.
(…)
De totale schade wordt door ons geraamd op € 451.449,08 inclusief BTW + PM indexering bouwkostenstijging.




2.27.
De door de rechtbank benoemde deskundige Verdoorn heeft het door [gedaagde] uitgevoerde werk op 11 juni 2025 beoordeeld. In het definitieve deskundigenrapport van 22 mei 2026 beantwoordt Verdoorn de aan hem gestelde vragen als volgt:



Antwoorden op de vragen



1. Kunt u toelichten welke onderdelen van de tussen [gedaagde] en [eiseres] overeengekomen werkzaamheden met betrekking tot de verbouwing van de woning aan de [adres] wel en welke niet zijn uitgevoerd, en welk deel (uitgedrukt in een percentage) van de overeengekomen werkzaamheden niet is voltooid?



Antwoord:

Voor wat betreft de werkzaamheden met betrekking tot de verbouwing van de woning (…) ben ik uitgegaan van de werkzaamheden die kunnen worden afgeleid uit de tekeningen volgens [de omgevingsvergunning van 21 juli 2022]) en de werkzaamheden die worden vermeld in [de offerte van [gedaagde] van 26 april 2023]. (…) Hierbij heb ik de werkzaamheden die wel gereed zijn (maar gebreken vertonen) ook als ‘voltooid’ beschouwd. Kort en goed komt het erop neer dat onderstaande werkzaamheden als ‘voltooid’ zouden kunnen worden beschouwd:
• bouwplaatsvoorzieningen (inrichten bouwterrein, plaatsen bouwhekken etc.)
• sloopwerkzaamheden;
• betonwerk (fundering en begane grondvloer uitbreiding achtergevel)
• metaal constructiewerk (stalen spant in het midden van de woning en bij de (nieuwe)
achtergevel);
De resterende werkzaamheden zijn niet dan wel gedeeltelijk uitgevoerd. Onderstaand treft u –op basis van de inventarisatie van bijlage 5 - per discipline volgens [22], het percentage van het gedeeltelijk uitgevoerde werk aan:








2. Ten aanzien van de overeengekomen werkzaamheden die al wel door [gedaagde] in de woning zijn uitgevoerd: voldoen die werkzaamheden naar uw oordeel aan de eisen van goed en deugdelijk werk? Indien u vindt dat bepaalde werkzaamheden niet aan deze eisen voldoen, kunt u dan toelichten om welke delen van het werk het gaat en waarom u dat vindt?



Antwoord:

Nee. Uitsluitend onderstaande werkzaamheden kunnen de toets der kritiek volgens [de Leidraad Goed en Deugdelijk Werk] doorstaan:
• betonnen begane grondvloer en fundering van de uitbouw ter plaatse van de achtergevel (met uitzondering van de stekken vanuit de funderingsbalk naar de begane grondvloer (…);
• bitumineuze dakbedekking ter plaatse van het (nieuwe) vlakke dak van de woning en de dakkapellen (met uitzondering van de stadsuitlopen);
• gordingen en sporen van de nieuwe dakconstructie (met uitzondering van de onderlinge bevestiging en de bevestiging aan het stalen dak/portaalspant en uitgezonderd de sporen die zich buiten de woning bevinden tussen de zoldervloer en het dakoverstek);
• dakbeschot van OSB-platen dat op de gordingen en sporen is aangebracht;
• balklaag van het nieuwe deel van de verdiepingsvloer en de zoldervloer inclusief het daarop aanwezige beschot;
• binnenwanden van kalkzandsteen lijmwerk ter hoogte van de verdieping en de uitbreiding ter hoogte van de begane grond;
• stijl- en regelwerk van de hsb-wanden ter hoogte van de verdieping en de zolderverdieping;
• levering van de trap tussen de verdieping en de zolderverdieping;
• buizen van de elektrische installatie inclusief de bedrading (voor zover aanwezig) in de binnenmuren op de begane grond en de verdieping;
• de kunststof buisdelen van de wtw-installatie op de begane grond en de verdieping (met uitzondering van de ophanging).
(…)


3. Welke (financiële) waarde vertegenwoordigt het door [gedaagde] uitgevoerde werk naar uw oordeel? Hoe kijkt u in dat verband aan tegen het standpunt van Goes Engineers B.V. dat het bestaande gebouw weer tot op casco moet worden ontdaan van de ondeugdelijke werkzaamheden en dat de gebruikte materialen als verloren moeten worden beschouwd, zodat daar geen restwaarde aan kan worden toegekend (rapport Goes Engineers B.V. 29 maart 2024, pagina 3)?



Antwoord:

(…) Opgemerkt dient te worden dat (net als bij het antwoord op vraag 1) de werkzaamheden die wel gereed zijn (maar gebreken vertonen) ook als voltooid zijn beschouwd. Op basis van deze uitgangspunten heb ik de waarde van het werk zoals door mij op 11 juni 2025 geïnspecteerd vastgesteld op € 75.873,-- inclusief de btw. (…) Het standpunt van Goes (…) kan ik niet onderschrijven. Tenminste onderstaande items zijn – al dan niet na uitvoering van modificaties – nog herbruikbaar:
• betonnen begane grondvloer en fundering van de uitbouw ter plaatse van de achtergevel (wel dienen de stekken uit de funderingsbalk naar de begane grondvloer te worden opgehakt en te worden gekoppeld aan de bovenwapening van de begane grondvloer);
• bitumineuze dakbedekking en het dakbeschot ter plaatse van het nieuwe vlakke dak van de woning
en de dakkapellen;
• gordingen en sporen van de nieuwe dakconstructie ter hoogte van de zolderverdieping inclusief het daarop aanwezige dakbeschot (de onderlinge bevestiging van de gordingen en sporen alsmede de bevestiging aan het stalen dak/portaalspant dienen te worden gewijzigd zodat deze voldoen aan [NEN-EN 1995:Eurocode 5];
• dakbeschot van osb-platen op de gordingen en sporen ter hoogte van de zolderverdieping;
• balklaag van het nieuwe deel van de verdiepingsvloer en de zoldervloer inclusief het daarop aanwezige beschot;
• binnenwanden van kalkzandsteen lijmwerk ter hoogte van de verdieping en de uitbreiding ter hoogte van de begane grond;
• stijl- en regelwerk van de hsb-wanden ter hoogte van de verdieping en de zolderverdieping;
• trap tussen de verdieping en de zolderverdieping (trap dient te worden geplaatst conform de tekeningen van Studio Flex);
• buizen van de elektrische installatie en de daarin aanwezige bedrading in de binnenmuren op de begane grond en de verdieping (voor zover reeds aangebracht);
• kunststof buisdelen van de wtw-installatie op de begane grond en de verdieping (beugeling aanpassen, dan wel alsnog aanbrengen);
• elektra-onderverdeelinrichting meterkast op de begane grond;
• gipsbepaling van diverse hsb-wanden en de plafonds (wel dient te worden gecontroleerd of de schroefbevestiging voldoet aan [Productdatablad gips-stucplaten van Knauf B.V.];


4. Wat zijn volgens u de kosten om het werk door een derde partij (dat wil zeggen: een gemiddeld en redelijk bekwaam vakman) te laten herstellen en af te ronden, zodanig dat het tussen partijen overeengekomen resultaat (de overeengekomen verbouwing, goed en deugdelijk uitgevoerd) wordt verkregen?



Antwoord:

De kosten om het werk door een derde partij te laten herstellen en afronden zodat resultaat wordt verkregen overeenkomstig [de omgevingsvergunning van 21 juli 2022] en [de offerte van [gedaagde] van 26 april 2023 ] heb ik begroot en vastgesteld op € 488.022,-- inclusief de btw. Het prijspeil van de begroting is 1 januari 2026. Als bijlage 8 treft u een kopie van mijn kostenbegroting aan. Bij de calculatie heb ik o.a. onderstaande uitgangspunten gehanteerd:
• levering en plaatsing sanitair badkamer (badmeubel, douchebak, mengkranen etc.) en fonteintjes in de toiletten (inclusief kranen) door [eiseres] ;
• levering en plaatsing keuken inclusief apparatuur door [eiseres] ;
• de aanwezige binnenunit van een warmtepompinstallatie, merk Samsung maakt geen deel uit van het
werk (noch van [gedaagde] , noch van [eiseres] ). Volgens [de offerte d.d. oktober 2023 van De Warmtemeester] zal in opdracht van [eiseres] een warmtepomp, merk Mitsubishi worden geïnstalleerd. Volgens [de omgevingsvergunning van 21 juli 2022] zal deze warmtepomp inclusief een boiler op de zolderverdieping worden geplaatst;
• de aanleg van een inbraakbeveiligingsinstallatie in de woning maakt geen onderdeel uit van het werk.


5. In dit geval heeft Studio Flex in de periode juni tot en met oktober 2023 het uitgevoerde werk beoordeeld, volgens Studio Flex ten minste wekelijks. Er bestaat discussie of Studio Flex bouwbegeleider of directievoerder was. Hoe kijkt u – de door u vastgestelde kwaliteit van het werk in ogenschouw genomen – aan tegen de stelling in het rapport van Goes Engineers B.V. dat Studio Flex direct en vanaf het eerste moment had kunnen/moeten zien dat de verbouwingswerkzaamheden door de aannemer gebrekkig/ondeugdelijk werden uitgevoerd (rapport Goes Engineers B.V. p 1 en 2)? Kunt u aangeven of er een verschil bestaat in het antwoord op deze vraag, in geval Studio Flex bouwbegeleider was of dat Studio Flex directievoerder was?



Antwoord:

Ik onderschrijf de visie van Goes in [het rapport van 29 maart 2024] dat Studio Flex bij de start van de werkzaamheden had kunnen constateren dat de bouwwerkzaamheden door [gedaagde] ondeugdelijk/gebrekkig werden uitgevoerd. Reeds bij realisatie van de fundering van de uitbouw is een en ander door Studio Flex geconstateerd (zo blijkt uit [het bouwverslag van 11 november 2023 en diverse foto’s van de uitgevoerde werkzaamheden]). De andere gebreken die aan het werk van [gedaagde] door mij zijn geconstateerd op 11 juni 2025, waren duidelijk zichtbaar en waren niet door bouwmaterialen dan wel uitgevoerde werkzaamheden aan het zicht onttrokken. Studio Flex heeft zelf het tekenwerk van de verbouwing vervaardigd en was dus volledig op de hoogte van alle bouwkundige en constructieve aspecten van het project. Controle of het werk van [gedaagde] voldeed aan hun eigen tekeningen / ontwerp was derhalve eenvoudig.
Er is inderdaad een verschil of Studio Flex in deze kwestie optrad als bouwbegeleider dan wel als directievoerder. Volgens [UAV 2012 – versie 2025] is de directievoerder de formele contractpartij namens de opdrachtgever (§3) terwijl een bouwbegeleider meer de toezichthouder is die de kwaliteit op de bouwplaats bewaakt. Als bouwbegeleider zou Studio Flex diens opdrachtgever [eiseres] dus wekelijks hebben moeten informeren over de (matige / slechte) kwaliteit en de voortgang van de bouwactiviteiten van [gedaagde] .”




2.28.
Naar aanleiding van commentaar van partijen heeft Verdoorn in zijn deskundigenrapport nog een nadere uitsplitsing gemaakt van de door hem begrote herstel- en afbouwkosten ter hoogte van (gezamenlijk) € 488.022. De kosten om gebreken in het werk te herstellen bedragen volgens Verdoorn € 147.004. De kosten om het werk af te bouwen bedragen € 341.018.





3Het geschil in de hoofdzaak
in conventie


3.1.

[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven en na vermeerdering van eis – dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:




[gedaagde] en Studio Flex hoofdelijk veroordeelt tot betaling van (primair) € 563.895, althans (subsidiair) € 551.542,50, althans € 488.022, te vermeerderen met prijsindexatie conform de BDB-index vanaf 1 januari 2026 tot en met het (eind)vonnis en met de wettelijke rente vanaf 9 april 2024;


Studio Flex veroordeelt tot betaling van € 8.666,62, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2024;



[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 5.647, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 2024;



[gedaagde] en Studio Flex hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:



a. € 4.715,45 (opslagkosten meubels tot en met 15 januari 2025);
b. € 701,57 (kosten water- en winddichtmaken huis);
c. € 890,93 (kosten beveiligen bouwplaats tot en met 15 januari 2025);
telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2024;


Studio Flex veroordeelt tot betaling van € 286,94 aan beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum vonnis;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 286,94 aan beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum vonnis;
[gedaagde] en Studio Flex hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 4.594,48 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum vonnis;
[gedaagde] en Studio Flex hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en de kosten van het deskundigenonderzoek, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum vonnis.




3.2.

Aan de vorderingen tegen [gedaagde] legt [eiseres] – samengevat – het volgende ten grondslag. [eiseres] en [gedaagde] hebben een aannemingsovereenkomst gesloten voor de verbouwing van de woning tegen een vaste aanneemsom van € 330.000 (inclusief btw). De verbouwing zou binnen 24 weken, maar uiterlijk op 15 december 2023 zijn afgerond.

[gedaagde] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, want de verbouwing was op 3 november 2023 verre van gereed en de verrichte werkzaamheden waren gebrekkig. Daarnaast heeft [gedaagde] zonder gegronde reden de werkzaamheden op 4 november 2023 stilgelegd en het project verlaten. [eiseres] had toen al vrijwel de hele aanneemsom betaald. [gedaagde] verkeert in verzuim. [eiseres] heeft de overeenkomst op 10 januari 2024 bevoegdelijk ontbonden. [eiseres] heeft op grond van een ongedaanmakingsverbintenis recht op teruggave van het hele betaalde bedrag van € 312.500, omdat uit het rapport van Goes – waarbij [eiseres] wat dit betreft aansluit –volgt dat de waarde van het uitgevoerde werk nihil is. [eiseres] heeft daarmee aanspraak op € 563.895 aan ongedaanmaking en schadevergoeding.




3.3.

Aan de vordering tegen Studio Flex legt [eiseres] het volgende ten grondslag. Tussen [eiseres] en Studio Flex is een overeenkomst van opdracht gesloten die inhield dat Studio Flex de verbouwing van [eiseres] zou begeleiden. Studio Flex moest [eiseres] terzijde staan en van advies voorzien. Daarnaast zou Studio Flex alle werkzaamheden die verband houden met de verbouwing controleren op kwaliteit van de uitvoering en [gedaagde] helpen met alle bouwbegeleiding en ondersteuning die hij nodig had. Studio Flex zou wekelijks langsgaan om alles te controleren en toe te zien dat de zaken goed verliepen.
Studio Flex heeft de opdracht niet uitgevoerd met inachtneming van de zorg die van een goed bouwbegeleider mag worden verwacht, want:



Studio Flex had niet aan [eiseres] mogen adviseren met [gedaagde] een aannemingsovereenkomst te sluiten;


Studio Flex heeft toegelaten dat een aannemingsovereenkomst werd gesloten, bestaande uit een onduidelijke en onsamenhangende e-mail, zonder duidelijk afdwingbare oplevertermijnen, boetes of andere zekerheid gekoppeld aan de planning;


Studio Flex had moeten voorkomen dat [eiseres] akkoord zou gaan met wekelijkse betalingstermijnen onafhankelijk van de voortgang van de bouw;


Studio Flex heeft gedurende de uitvoering van het project onvoldoende toezicht gehouden en heeft nagelaten al bij het prille begin van de werkzaamheden aan de handrem te trekken;


Studio Flex heeft nagelaten inhoudelijk te reageren op haar aansprakelijkheidsstelling.


Op grond van deze tekortkoming is Studio Flex (hoofdelijk) aansprakelijk voor de schade die [eiseres] als gevolg van de tekortkomingen van [gedaagde] en Studio Flex heeft geleden (bestaande uit onder meer de kosten om het werk af te bouwen en te herstellen).



3.4.

[gedaagde] en Studio Flex voeren ieder voor zich verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering en veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.



in reconventie





3.5.
Studio Flex vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:



[eiseres] veroordeelt tot betaling van € 2.116,66, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 14 dagen na de factuurdatum;


het namens [eiseres] ten laste van Studio Flex gelegde conservatoire derdenbeslag onder Aegon Bank (ook h.o.d.n. KNAB) met onmiddellijke ingang opheft;



[eiseres] verbiedt om op dezelfde gronden voor dezelfde vordering opnieuw conservatoir beslag te leggen onder derden totdat in de hoofdzaak onherroepelijk is beslist, althans [eiseres] beveelt om bij een hernieuwd verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van Studio Flex een afschrift van dit vonnis over te leggen, dit een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 25.000;



[eiseres] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na vonnis.





3.6.
Studio Flex legt aan de vordering ten grondslag dat [eiseres] op grond van de overeenkomst van opdracht gehouden is de vijfde factuur te betalen. De conservatoire beslagen zijn ten onrechte gelegd omdat geen sprake is van een tekortkoming van Studio Flex. Deze dienen daarom te worden opgeheven.



3.7.

[eiseres] voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vordering in reconventie en veroordeling van Studio Flex in de proceskosten. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4Het geschil in de vrijwaringszaak
in conventie


4.1.
Studio Flex vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:


voor recht verklaart dat [gedaagde] jegens Studio Flex aansprakelijk is voor al haar schade als gevolg van de verwijten die [eiseres] aan Studio Flex maakt;



[gedaagde] veroordeelt tot betaling van (a) alles waartoe Studio Flex in de hoofdzaak jegens [eiseres] mocht worden veroordeeld, met inbegrip van rente en proceskosten, en (b) alle kosten van verweer van Studio Flex in en buiten de hoofdzaak en eventuele daaruit voortvloeiende procedures, nadere op te maken bij staat;



[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten van de vrijwaringszaak, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dit vonnis.





4.2.

Studio Flex legt aan deze vorderingen het volgende ten grondslag. Er is sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid. Voor de onderlinge draagplicht moet worden gekeken in hoeverre [gedaagde] en Studio Flex ieder hebben bijgedragen aan de schade (artikelen 6:10, lid 1, jo. 6:101 en 6:102 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Primair moet [gedaagde] Studio Flex volledig vrijwaren. Als aannemer was [gedaagde] en niet Studio Flex verantwoordelijk voor juiste en tijdige uitvoering van de verbouwingswerkzaamheden. [gedaagde] kan aansprakelijkheid niet op Studio Flex afschuiven. Dat [gedaagde] bij zijn prijsbepaling van een onjuiste oppervlakte is uitgegaan, komt niet voor rekening van Studio Flex. Studio Flex betwist dat zij onjuiste mededelingen heeft gedaan over de omvang van de verbouwing/de te verrichten werkzaamheden.
Subsidiair moet [gedaagde] Studio Flex vrijwaren voor het gedeelte van de schuld dat hem aangaat en voor zover Studio Flex een groter deel van de schade aan [eiseres] zou moeten vergoeden dan haar aangaat.
Verder volgt uit artikel 6:10, lid 3, BW dat iedere medeschuldenaar gehouden is naar evenredigheid bij te dragen in de kosten die een hoofdelijk schuldenaar in redelijkheid heeft gemaakt. Studio Flex heeft kosten van verweer gemaakt tegen [eiseres] . Nu [gedaagde] in de onderlinge verhouding jegens Studio Flex volledig draagplichtig is, moet hij ook deze kosten volledig vergoeden.




4.3.

[gedaagde] voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vordering in vrijwaring en veroordeling van Studio Flex in de proceskosten. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.



in voorwaardelijke reconventie





4.4.

[gedaagde] vordert – zakelijk weergegeven en op voorwaarde dat [gedaagde] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld tot enige betaling aan [eiseres] – dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:


Studio Flex veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] van alles waartoe [gedaagde] in de hoofdzaak ten gunste van [eiseres] mocht worden veroordeeld, met inbegrip van rente en proceskosten;


Studio Flex veroordeelt in de proceskosten van de vrijwaringszaak, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dit vonnis.





4.5.

[gedaagde] legt aan deze vordering het volgende ten grondslag. Mocht in de hoofdzaak vast komen te staan dat de werkzaamheden niet goed zijn gegaan, dan is dat uitsluitend toe te rekenen aan Studio Flex. Op de aannemer rust de verplichting het werk deugdelijk af te maken, maar van die hoofdregel kan worden afgeweken vanwege een speciale behoefte bij de andere partij. Dat is hier het geval. Doordat Studio Flex supervisie en begeleiding voor haar rekening zou nemen, was [gedaagde] afhankelijk van input en concrete begeleiding van Studio Flex. Studio Flex is hierin tekortgeschoten door onvoldoende en niet-adequaat toezicht te houden. De verantwoordelijkheid voor de bouwkwaliteit is verlegd naar Studio Flex. Dat maakt dat de fouten Studio Flex ernstiger zijn dan de fouten van [gedaagde] . Verder is Studio Flex er de oorzaak van dat [gedaagde] van een verkeerde onderstelling over de oppervlakte van de nieuwe woning is uitgegaan. [gedaagde] vroeg op 23 april 2023 naar de oppervlakte van de woning na verbouwing. [eiseres] antwoordde daarop 157 m2. [naam 1] hoorde dat, maar heeft zijn mond niet open gedaan. Hiermee heeft Studio Flex in strijd gehandeld met haar verplichting [gedaagde] te helpen bij alle bouwbegeleiding die [gedaagde] nodig had. De omstandigheden die tot het ontstaan van de schade hebben bijgedragen, zijn voornamelijk toe te rekenen aan Studio Flex. Op grond van artikel 6:101 BW heeft Studio Flex geen regres op [gedaagde] . In de onderlinge verhouding vervalt de vergoedingsplicht van [gedaagde] geheel. Bij veroordeling is Studio Flex jegens [gedaagde] aansprakelijk op grond van regres en de interne bijdrageplicht.


4.6.
Studio Flex voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de voorwaardelijke reconventionele vordering in vrijwaring en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling in de hoofdzaak
in conventie



Aansprakelijkheid [gedaagde]





Toerekenbare tekortkoming [gedaagde] , bevoegdelijke ontbinding door [eiseres]




5.1.
heeft in deze procedure twee partijen aansprakelijk gesteld op grond van wanprestatie. Ten eerste [gedaagde] (als aannemer) en daarnaast Studio Flex (als bouwbegeleider/toezichthouder). De rechtbank zal hierna eerst op de aansprakelijkheid van [gedaagde] ingaan. Daarna komt de aansprakelijkheid van Studio Flex aan de orde.



5.2.
Tussen [gedaagde] en [eiseres] is een aannemingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:750 BW gesloten voor een omvangrijke verbouwing en uitbreiding van de woning. De basis van de aannemingsovereenkomst wordt gevormd door de e-mail/offerte van [gedaagde] van 26 april 2023 en de vergunningsaanvraag en de bijbehorende tekeningen en constructieberekeningen van Studio Flex die – zo staat als onvoldoende weersproken vast – [gedaagde] voorafgaand aan het opstellen van de offerte heeft gekregen. Verdoorn heeft in zijn deskundigenrapport (p. 13 en 14) beschreven welke werkzaamheden uit deze stukken kunnen worden afgeleid. Die beschrijving van het werk is niet (voldoende) betwist en dient dan ook verder als uitgangspunt voor de bepaling van de inhoud en de omvang van het werk dat [gedaagde] op zich heeft genomen.



5.3.
Partijen zijn bij het sluiten van de overeenkomst een vaste aanneemsom van € 330.000 voor het werk overeengekomen. [gedaagde] stelt dat hij zijn prijs heeft bepaald aan de hand van de bruto bouwoppervlakte, namelijk een vaste prijs van € 2.200 x het bruto oppervlak na verbouwing. [gedaagde] stelt dat hij op 21 april 2023 bij de bezichtiging van de woning in aanwezigheid van [naam 1] aan [eiseres] heeft gevraagd wat het totale volume zou zijn na de verbouwing, waarmee onmiskenbaar werd gedoeld op de bruto omvang (en niet de netto woonoppervlakte). [eiseres] antwoordde daarop dat dit volume 157 m2 zou zijn, aldus [gedaagde] . Door deze onjuiste voorspiegeling van zaken heeft [gedaagde] een te lage prijs gerekend. Hij is bij zijn prijsberekening uitgegaan van een bruto oppervlakte na verbouwing van 150 m2 (x € 2.200 per m2 = € 330.000), in plaats van het werkelijke bruto oppervlak na verbouwing (230 m2). [gedaagde] stelt dat die miscalculatie vanwege verstrekte onjuiste informatie voor rekening van [eiseres] komt en dat hij op grond van artikel 7:753 BW – nadat bleek dat het volume na verbouwing 80 m2 groter was dan hem door [eiseres] was voorgespiegeld – het recht had om de prijs te verhogen, met een bedrag dat hij op 3 november 2023 op € 150.000 heeft berekend (voor het verschil van 80 m2).



5.4.
Dit betoog slaagt niet. Allereerst blijkt uit de offerte van [gedaagde] niet dat hij de aangeboden aanneemsom van € 330.000 heeft gebaseerd op een vaste prijs van € 2.200 per m2, met een oppervlakte van 150 m2 als uitgangspunt. [gedaagde] heeft al daarom onvoldoende onderbouwd dat deze aanneemsom onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. En voor zover [gedaagde] in zijn offerte een te lage prijs heeft gerekend, omdat hij van een te klein bouwvolume is uitgegaan, komt die dwaling voor zijn rekening en risico. Dat geldt ook als [eiseres] op 21 april 2023 heeft gezegd dat de woning na verbouwing een oppervlakte van 157 m2 zou hebben (wat [eiseres] overigens betwist). Immers, ook dan moet [gedaagde] als professioneel aannemer zich voldoende zorgvuldig ervan vergewissen wat de inhoud en omvang van het door hem aan te nemen werk is (eventueel door zelf te meten), vóórdat hij daarvoor een prijs bepaalt. [gedaagde] is op 21 april 2023 ter plaatse geweest om de woning te bekijken. Hij heeft zich toen een goed beeld kunnen vormen van de omvang van de bestaande woning (circa 150 m2). Niet in geschil is dat [gedaagde] wist dat de woning met een aanbouw zou worden uitgebreid. Op basis van de bezichtiging ter plaatse had [gedaagde] dus al kunnen begrijpen dat het nieuwe bruto oppervlak van de woning groter zou worden dan de huidige 150 m2.



5.5.
Daarnaast heeft [gedaagde] voorafgaand aan het uitbrengen van de offerte de vergunningsaanvraag met de bijbehorende tekeningen en berekeningen van Studio Flex ontvangen. Op pagina 4 van de vergunningsaanvraag staat met zoveel woorden dat de bruto vloeroppervlakte van de woning na verbouwing 230 m2 zou zijn. Bovendien beschikte [gedaagde] over de door Studio Flex gemaakte (ontwerp)tekeningen van de bestaande situatie en de nieuwe situatie (na verbouwing en uitbreiding), die ook (in het klein) op pagina 14 en 15 van het deskundigenrapport van Verdoorn zijn weergegeven. Dezelfde tekeningen zijn op 24 januari 2026 in digitale vorm aan de rechtbank verstrekt (als onderdeel van de volledige documenten bij het vergunningsbesluit). Op die tekeningen staan de verbouwings- en uitbreidingswerkzaamheden ingetekend, met de maatvoering van de verdiepingen erbij. Die maatvoering is (bij inzoomen) op de digitale tekeningen goed te lezen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [gedaagde] uit de tekeningen niet heeft kunnen afleiden dat de werkelijke bruto oppervlakte na verbouwing veel groter zou zijn dan 150 m2. Het ging immers niet om een klein verschil, maar om een forse toename van 80 m2.



5.6.
Voor zover [gedaagde] de tekeningen onvoldoende zorgvuldig heeft bestudeerd en voornamelijk op de door hem gestelde (en betwiste) mondelinge mededeling van [eiseres] is afgegaan, dient hij de gevolgen daarvan zelf te dragen. Op grond van artikel 7:753 lid 2 BW kan de aannemer geen verhoging van de prijs verlangen wegens verstrekte onjuiste gegevens van de opdrachtgever, indien de onjuistheid van die gegevens de aannemer niet had mogen ontgaan vóórdat hij de prijs berekende. Dat laatste is hier het geval, want [gedaagde] had uit de aan hem verstrekte vergunningsstukken en tekeningen kunnen en behoren af te leiden dat het werk na verbouwing 230 m2 zou worden, ook als [eiseres] eerder zou hebben gezegd dat het oppervlak na verbouwing 157 m2 zou bedragen. In het midden kan dus blijven of [eiseres] daadwerkelijk een mededeling van die strekking aan [gedaagde] heeft gedaan.



5.7.
Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] terecht heeft geweigerd gevolg te geven aan het op 3 november 2023 gedane verzoek van [gedaagde] om de aanneemsom met een bedrag van € 150.000 te verhogen. Voor zover [gedaagde] bij het bepalen van zijn prijs van € 330.000 van een te laag bouwvolume (en daarmee een te lage prijs) was uitgegaan, valt dat in zijn risicosfeer. [gedaagde] kon geen aanpassing van de prijs wegens gebleken kostenverhogende omstandigheden verlangen op grond van artikel 7:753 BW. Evenmin kan [gedaagde] een beroep op aanpassing van de overeenkomst wegens dwaling doen, omdat een eventuele dwaling omtrent de omvang van het werk voor zijn rekening dient te blijven (artikel 6:228 lid 2 BW).



5.8.

De rechtbank is tevens van oordeel dat [eiseres] op 3 november 2023 terecht de betaling van de laatste twee termijnen van € 27.500 heeft opgeschort. [eiseres] had op dat moment al een bedrag van € 312.500 aan [gedaagde] betaald. De gerechtelijk deskundige Verdoorn heeft onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit en de waarde van het door [gedaagde] uitgevoerde werk, dat vanaf begin november 2023 is stilgelegd. Uit de onder 2.27 weergegeven conclusies van zijn deskundigenrapport volgt dat:
(i) slechts een beperkt deel van de tussen partijen overeengekomen werkzaamheden als voltooid kon worden beschouwd, en het werk op 3 november 2023 verre van gereed was;
(ii) veruit het grootste deel van het door [gedaagde] uitgevoerde werk niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk voldeed en herstel nodig had; en
(iii) het door [gedaagde] uitgevoerde werk een waarde van ten hoogste € 75.873 vertegenwoordigde.
Deze conclusies van Verdoorn – die niet (gemotiveerd) door [gedaagde] zijn bestreden – onderschrijven het door [eiseres] ingenomen standpunt dat het reeds door haar betaalde bedrag van € 312.500 in geen verhouding stond tot de stand, kwaliteit en de waarde van het per november 2023 door [gedaagde] uitgevoerde werk. Slechts de sloopwerkzaamheden, het betonwerk en het metalen constructiewerk waren volledig uitgevoerd. Ook als [eiseres] geen oplevering per 15 december 2023 mocht verwachten (omdat [eiseres] wist dat het werk vertraagd was), mocht [eiseres] wel op grond van de overeenkomst verwachten dat het werk begin november 2023 in een veel vergevorderd stadium was. Bovendien moest een groot deel van het wel uitgevoerde werk worden hersteld, omdat dit gebrekkig was. Dit alles rechtvaardigde dat [eiseres] op 3 november 2023 de betaling van de laatste twee termijnen van de aanneemsom opschortte, ook om druk uit te oefenen op [gedaagde] om zijn (herstel)verplichtingen na te komen.




5.9.

Omdat [eiseres] de betaling van de laatste twee termijnen op goede gronden opschortte (artikelen 6:262 en 6:52 BW), was [gedaagde] andersom niet bevoegd om zijn verdere werkzaamheden op 4 november 2023 op te schorten vanwege de aangekondigde niet-betaling (artikelen 6:54, onder a, en 6:59 BW). Vast staat dat [gedaagde] ook na ingebrekestellingen in zijn onterechte opschorting heeft gepersisteerd. [gedaagde] heeft in antwoord op de laatste ingebrekestelling van 15 december 2023 geantwoord dat hij alleen bereid was om het werk te hervatten, indien [eiseres] de aanneemsom met € 150.000 zou verhogen, maar die eis mocht [gedaagde] niet stellen (zie hiervoor r.o. 5.4 - 5.7). Nu [gedaagde] daarmee blijk gaf niet meer te zullen nakomen, is hij in verzuim komen te verkeren (artikel 6:83, onder c b BW) en was [eiseres] bevoegd om de overeenkomst op
10 januari 2024 buitengerechtelijk te ontbinden.




Omvang ongedaanmakings- en schadevergoedingsverplichting van [gedaagde]





5.10.
Door de ontbinding ontstaan verbintenissen tot ongedaanmaking van de al door partijen ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW). Sluit de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ter hoogte van de waarde van de prestatie op het tijdstip van de ontvangst (artikel 6:272, lid 1, BW). Daarnaast is [gedaagde] verplicht de schade te vergoeden die [eiseres] lijdt doordat geen wederzijdse nakoming, maar ontbinding van de overeenkomsten plaatsvindt (artikel 6:277 BW). Deze bepaling strekt ertoe buiten twijfel te stellen dat ook de schade die door de ontbinding wordt veroorzaakt en die bij keuze van andere rechtsmiddelen niet zou zijn geleden, voor vergoeding in aanmerking komt. De omvang van deze schadevergoeding dient te worden vastgesteld door twee situaties met elkaar te vergelijken: enerzijds de hypothetische situatie waarin [eiseres] zou hebben verkeerd bij een in alle opzichten onberispelijke wederzijdse nakoming door [gedaagde] en, anderzijds, de feitelijke situatie waarin [eiseres] na de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomsten verkeert, na afwikkeling van de uit artikel 6:271 BW voortvloeiende restitutieverplichtingen.



5.11.
Bij het bepalen van de restitutieverplichting en de schadevergoeding volgt de rechtbank het deskundigenrapport van Verdoorn. De rechtbank gaat met Verdoorn ervan uit dat het werk van [gedaagde] niet geheel waardeloos is en op de door Verdoorn genoemde onderdelen – al dan niet na uitvoering van modificaties – nog herbruikbaar is. Verdoorn heeft de waarde van het uitgevoerde werk op € 75.873 (inclusief btw) begroot. Verder heeft Verdoorn de kosten voor herstel en afbouw van het werk begroot op € 488.022 (inclusief btw), waarvan € 147.004 herstelkosten zijn en € 341.018 afbouwkosten. Het prijspeil van deze begroting is 1 januari 2026. In het bedrag aan herstel- en afbouwkosten zijn ook de sloop- en herstelkosten opgenomen om het gerealiseerde werk af te voeren of aan te passen (deskundigenrapport Verdoorn, p. 29 en 31).



5.12.

[gedaagde] dient aldus op basis van ongedaanmaking per saldo € 236.627 (€ 312.500 - € 75.873) aan [eiseres] terug te betalen. Daarnaast heeft [eiseres] recht op vergoeding van de door de wanprestatie en ontbinding geleden schade. De te vergoeden schade wordt als volgt berekend. Indien [gedaagde] zijn verplichtingen uit de overeenkomst was nagekomen, had [eiseres] een deugdelijk gerenoveerde woning gehad tegen een uitgave van € 330.000 (inclusief btw). Uit het rapport van Verdoorn volgt dat [eiseres] , om eenzelfde resultaat te bereiken, in totaal € 488.022 moet uitgeven aan herstel- en afrondingskosten (gerekend naar peildatum 1 januari 2026). Van dat bedrag moet hetgeen [eiseres] terugkrijgt na ongedaanmaking (€ 236.627) worden afgetrokken. Ook moet van dit bedrag nog het (met een beroep op opschorting terecht) onbetaald gebleven deel van de aanneemsom (€ 17.500) worden afgetrokken.



5.13.
Tussen partijen is niet in geschil dat de te vergoeden herstelkosten in dit vonnis in overeenstemming met de berekening van Verdoorn moeten worden geïndexeerd naar peildatum 1 januari 2026. Dit is ook redelijk, aangezien [eiseres] lopende deze procedure en het deskundigenonderzoek niet tot herstel kon overgaan. Voor zover [eiseres] nog een verdere indexering over de periode van 1 januari 2026 tot en met de datum van dit vonnis vordert, wordt dat afgewezen, aangezien [eiseres] niet heeft onderbouwd dat de bouwkosten tussen 1 januari 2026 en nu opnieuw zijn geïndexeerd.



5.14.
De ontbindingsschade wordt dus begroot op een bedrag van € 233.895 (488.022 - € 236.627 - € 17.500). Daarnaast moet [gedaagde] dus € 236.627 voldoen op grond van ongedaanmaking. De primair gevorderde wettelijke rente vanaf datum dagvaarding wordt afgewezen, nu [eiseres] niet heeft toegelicht hoe die vordering zich verhoudt tot de omstandigheid dat zij vergoeding van een per 1 januari 2026 geïndexeerd schadebedrag vordert. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf de datum van de akte eisvermeerdering (15 juni 2026).




Geen eigen schuld [eiseres] wegens gebrekkig toezicht van Studio Flex





5.15.
De rechtbank gaat niet mee in het verweer van [gedaagde] dat de schade op grond van artikel 6:101 BW geheel of voor een deel door [eiseres] zelf moet worden gedragen, omdat haar bouwbegeleider Studio Flex op bijna dagelijkse basis het werk van [gedaagde] heeft gecontroleerd en hierbij nooit heeft geklaagd over de kwaliteit van het werk. Het uitgangspunt is dat een aannemer het aangenomen werk deugdelijk uitvoert. Een opdrachtgever is niet verplicht hierop toezicht te houden en indien de opdrachtgever dat wel doet of dat laat doen, kan een aannemer daaraan geen rechten ontlenen. In geval van falend toezicht is er dus niet zonder meer sprake van een fout die via eigen schuld aan de opdrachtgever kan worden toegerekend. Dat kan anders zijn op grond van bijzondere omstandigheden, waarbij gedacht kan worden aan een gerechtvaardigd vertrouwen dat bij de aannemer is ontstaan door toedoen van de toezichthouder. Maar dat is hier niet aan de orde. Immers, [eiseres] voert terecht aan dat de door Verdoorn vastgestelde gebreken in het werk (scheve dakpannen, gipsplaatschroeven als dakbevestiging, scheve steenstrips, ontbrekend vochtwerk, vochtschade, een gebrekkige staalconstructie) uitvoeringsfouten zijn die een behoorlijk vakman niet hoort te maken. [gedaagde] kan niet met succes betogen dat hij gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat het werk naar behoren was uitgevoerd, omdat hierover geen opmerkingen zijn gemaakt door Studio Flex. Hij had deze fouten zelf moeten zien en onderkennen. Daarnaast volgt uit de eigen stellingen van [gedaagde] dat hij sowieso niet tot volledige en deugdelijke nakoming in staat was, omdat hij een te lage prijs voor het werk had gerekend. Dit was een eigen fout van [gedaagde] , waarmee het gesteld tekortschietende toezicht van Studio Flex niets van doen heeft. De ontbinding van de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende schade komen in de verhouding tussen [eiseres] en [gedaagde] dus volledig voor rekening van [gedaagde] .



Geen rechtsverwerking vanwege toezicht door Studio Flex





5.16.
Evenmin kan [gedaagde] met succes betogen dat [eiseres] haar rechten ter zake van gebreken in het werk op grond van artikel 6:89 BW heeft verwerkt, omdat Studio Flex hierover tijdens het werk geen opmerkingen heeft gemaakt. De mogelijkheid van rechtsverlies is bij aanneming van werk uitdrukkelijk beperkt tot gebreken die op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs hadden moeten worden ontdekt. Met betrekking tot gebreken die de opdrachtgever of zijn toezichthouder vóór het moment van oplevering had kunnen onderkennen, maar niet onderkend heeft, vervalt de aansprakelijkheid van de aannemer dus niet. Bijzondere omstandigheden die maken dat in dit geval toch sprake zou kunnen zijn van rechtsverwerking op grond van artikel 6:248 lid 2 BW, zijn hier gesteld noch gebleken.



Onverschuldigde betaling voor kosten parketvloer (€ 5.647)





5.17.

[eiseres] vordert op basis van onverschuldigde betaling een bedrag van € 5.647 terug voor de parketvloeren, waarvoor een extra betaling is verricht maar die volgens haar onderdeel waren van de overeenkomst. [gedaagde] heeft erop gewezen dat partijen op 27 oktober 2023 hebben afgesproken dat bepaalde door [eiseres] zelf betaalde zaken, waaronder de vloeren, niet met de aannemer worden verrekend. De rechtbank leest hierover inderdaad een afspraak (zie 2.11, onder punt 5). [eiseres] heeft hiertegenover niet nader onderbouwd waarom zij, in het licht van deze partijafspraak, het bedrag van de vloeren van [gedaagde] kan terugvorderen. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.



Extra opslagkosten (€ 4.715,45) en kosten bouwplaatsbeveiliging (€ 890,93)





5.18.

[eiseres] heeft gesteld dat zij als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] vanaf januari 2024 extra opslagkosten voor haar inboedel en aangekochte meubels en keuken heeft moeten maken (tot en met 15 januari 2025 een bedrag van € 4.715,45). Ook heeft [eiseres] kosten moeten maken om na het vertrek van [gedaagde] de bouwplaats met een hekwerk te beveiligen. Deze kosten zijn volgens [eiseres] gevolgschade die in direct causaal verband staan met de wanprestatie van [gedaagde] , omdat [eiseres] deze kosten niet had hoeven maken indien [gedaagde] zijn verplichtingen in overeenstemming met de overeenkomst had uitgevoerd.



5.19.

[gedaagde] heeft deze vordering onvoldoende gemotiveerd betwist. [gedaagde] doet in de conclusie van antwoord een beroep op de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 11 DNR 2011, maar de DNR 2011 is niet van toepassing op de rechtsbetrekking tussen [eiseres] en [gedaagde] omdat zij dat niet zijn overeengekomen. De vorderingen van [eiseres] worden toegewezen. Voor zover [eiseres] ook nog vergoeding van opslag- en beveiligingskosten over de periode tussen de eerste eisvermeerdering (van 15 januari 2025) en de tweede eisvermeerdering (van 17 juni 2025) vordert, had het op de weg van [eiseres] gelegen om voldoende duidelijk te stellen hoe hoog de kosten over die periode zijn en/of welk bedrag precies wordt gevorderd. Een abstracte post ‘+ p.m.’ is te vaag en volstaat niet. Voor dat deel wordt de vordering afgewezen. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van de eerste eisvermeerdering (15 januari 2025).



Kosten wind- en waterdicht maken (€ 701,57)





5.20.

[eiseres] vordert ook vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt om de woning na het vertrek van [gedaagde] wind- en waterdicht te (laten) maken. [gedaagde] heeft aangevoerd dat deze kosten op grond van schuldeisersverzuim (artikel 6:59 BW) of eigen schuld (artikel 6:101 BW) voor eigen rekening van [eiseres] komen, omdat [gedaagde] op 27 en 28 november 2023 een aanbod heeft gedaan om de woning in elk geval wind- en waterdicht te maken (zie de conclusie van antwoord, randnummer 69), maar dat [eiseres] dit heeft geweigerd.



5.21.

Dit verweer slaagt niet. Voor het intreden van schuldeisersverzuim aan de kant van [eiseres] is vereist dat [gedaagde] bereid en in staat is om na te komen en daartoe zijnerzijds het nodig heeft gedaan. Dat was niet het geval, want [gedaagde] had op 4 november 2023 onbevoegdelijk zijn werkzaamheden stilgelegd en was alleen bereid om het werk te hervatten onder onredelijke voorwaarden die [eiseres] niet hoefde te aanvaarden (de betaling van de laatste twee termijnen en een prijsverhoging van € 150.000). Door de onterechte opschorting heeft [gedaagde] [eiseres] in een situatie gebracht waarin zij met een gebrekkig en niet voltooid werk zat. [gedaagde] kan onder deze omstandigheden niet aan [eiseres] tegenwerpen dat zij desondanks wel akkoord had moeten gaan met zijn voorstel om de woning wind- en waterdicht te maken. [eiseres] mocht dat aanbod weigeren.
Voor vermindering van de vergoedingsplicht wegens eigen schuld is geen plaats. De vordering van € 701,57 wordt toegewezen. De gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding is eveneens toewijsbaar.





Buitengerechtelijke incassokosten (€ 4.594,48)





5.22.

[eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht die meer omvatten dan de verrichtingen ter voorbereiding van de processtukken en ter instructie van de zaak, die al onder de proceskosten vallen. [eiseres] vordert hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] en Studio Flex ten aanzien van de incassokosten, maar niet valt in te zien waarom Studio Flex aansprakelijk is voor incassokosten die ten opzichte van [gedaagde] zijn gemaakt. Nu [eiseres] verder geen uitsplitsing maakt in de incassokosten, zal de rechtbank de helft van het gevorderde bedrag (dat wil zeggen: € 2.297,24) ten aanzien van [gedaagde] toewijzen.



Beslagkosten





5.23.

[gedaagde] zal op grond van artikel 706 Rv worden veroordeeld in de ten opzichte van hem gemaakte beslagkosten. De beslagkosten worden begroot op € 384,51 aan explootkosten en € 3.723 aan salaris advocaat (1,0 punt x liquidatietarief VII) voor het verzoekschrift, aldus in totaal € 4.107,51.



Aansprakelijkheid Studio Flex



Onzorgvuldige keuze aannemer





5.24.

[eiseres] verwijt Studio Flex onder meer dat zij [eiseres] niet had mogen adviseren om met [gedaagde] een aannemingsovereenkomst te sluiten. Dit verwijt slaagt niet. Studio Flex heeft in haar offerte de mogelijkheid geboden om indien gewenst te adviseren in de aannemersselectie (als onderdeel van de uitvoeringsfase). [eiseres] heeft hiervoor geen opdracht gegeven. Uit de e-mail van [eiseres] van 29 januari 2022 volgt dat zij Studio Flex destijds alleen heeft ingeschakeld voor ontwerpwerkzaamheden (tot en met het maken van een technisch ontwerp). Het adviseren inzake de selectie van de aannemer was dus geen onderdeel van de opdracht van Studio Flex. Dat Studio Flex in april 2023, na het beëindigen van de samenwerking met DHQ, op verzoek van [eiseres] uit hulpvaardigheid heeft meegedacht over een mogelijke geschikte aannemer en daarbij de naam van [gedaagde] heeft genoemd, maakt niet dat Studio Flex alsnog een adviseringsopdracht op zich heeft genomen. Studio Flex heeft hiervoor ook niet betaald gekregen. Bovendien staat vast dat Studio Flex tegen [eiseres] heeft gezegd dat zij meer ervaring had met aannemer [naam 2] . Niet als juist kan dan ook worden aanvaard dat Studio Flex [eiseres] heeft geadviseerd om een aannemingsovereenkomst met [gedaagde] te sluiten. Het is de eigen zelfstandige keuze van [eiseres] geweest om met [gedaagde] in zee te gaan.



Onzorgvuldige advisering contractvorming





5.25.
Evenmin is Studio Flex aansprakelijk voor de inhoud en inrichting van het tussen [eiseres] en [gedaagde] gesloten contract. Studio Flex heeft geen opdracht gekregen om te adviseren over de (juridische) inhoud van de aannemingsovereenkomst. Weliswaar staat in de offerte van Studio Flex dat zij de risico’s in de planning met de opdrachtgever bespreekt, maar die advisering is onderdeel van de uitvoeringsfase, ná het contracteren van de aannemer. De begeleiding bij de uitvoeringsfase was op dat moment nog geen onderdeel van de opdracht. Dat Studio Flex rondom de periode van de contractsluiting [gedaagde] wel van bouwkundige informatie (zoals de vergunningsstukken) heeft voorzien en de offerte van [gedaagde] in cc heeft ontvangen, betekent niet dat op Studio Flex een verplichting kwam te rusten om deze offerte door te nemen en [eiseres] te waarschuwen voor alle risico’s in de offerte, zoals het opnemen van wekelijkse betalingstermijnen die niet afhankelijk waren gesteld van de voortgang van de bouw, of het ontbreken van voldoende duidelijke en met zekerheden geborgde oplevertermijnen. [eiseres] was als opdrachtgever zelf verantwoordelijk voor de inhoud en inrichting van het contract met [gedaagde] . Bovendien mocht Studio Flex ervan uitgaan dat [eiseres] , die – anders dan Studio Flex – jurist van beroep is, zich voldoende bewust was van dergelijke, meer juridisch getinte risico’s in het contract. Indien [eiseres] van mening was dat zij de risico’s onvoldoende kon overzien en hiervoor deskundige voorlichting nodig had, had zij daartoe een opdracht aan Studio Flex of aan een andere ter zake deskundig adviseur moeten verstrekken.



Onvoldoende toezicht tijdens de uitvoering





5.26.
De rechtbank is met [eiseres] van oordeel dat Studio Flex wel toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen door onvoldoende toezicht op het werk van [gedaagde] te houden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.



5.27.

Tussen [eiseres] en Studio Flex is op 9 mei 2023 overeengekomen dat Studio Flex tijdens de uitvoering als bouwbegeleider toezicht zou houden op de uitvoering van het werk.
Uit de e-mail van Studio Flex van 9 mei 2023 volgt dat opdracht is gegeven voor controle op de kwaliteit van het uitgevoerde werk. Uit de e-mail blijkt niet dat partijen ook zijn overeengekomen dat Studio Flex diende te controleren of het werk van [gedaagde] in de pas liep met de planning. Daarbij wordt ook overwogen dat de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] geen duidelijke planning met een uiterste fatale oplevertermijn bevat. Anders dan Studio Flex betoogt, was het door Studio Flex uit te oefenen toezicht op de kwaliteit van het werk niet slechts beperkt tot de constructieve fase. Dat blijkt niet uit de e-mail van 9 mei 2023. Daarin staat alleen dat een vaste prijs is afgesproken voor de eerste drie maanden, niet dat de opdracht is beperkt tot de constructieve werkzaamheden. Bovendien staat vast dat Studio Flex ook na de eerste drie maanden in opdracht van [eiseres] toezicht is blijven houden op het werk, tot aan de stillegging van het werk in november 2023. Het toezicht op de kwaliteit van het uitgevoerde werk betrof dus al het werk dat [gedaagde] in die periode had verricht.




5.28.
De deskundigen Goes en Verdoorn hebben de kwaliteit beoordeeld van het werk dat [gedaagde] tot aan zijn vertrek (begin november 2023) heeft uitgevoerd. Weliswaar heeft de bezichtiging van Verdoorn op 11 juni 2025 plaatsgevonden, maar het is niet (voldoende) weersproken dat [eiseres] , op enkele noodwerkzaamheden ter afwering van wind en water na, sinds het vertrek van [gedaagde] geen veranderingen heeft aangebracht in de woning, zodat ook Verdoorn voldoende zicht heeft gehad op de stand en de staat van het werk zoals dat in november 2023 door [gedaagde] is achtergelaten. De partijdeskundige van [eiseres] (Goes) heeft na een bezichtiging op 17 november 2023 geoordeeld dat de door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden, inclusief de hoofddraagconstructie van de bouw, van erbarmelijke kwaliteit zijn en dat sprake is van talloze en eenvoudig met het blote oog waarneembare gebreken. Volgens Goes moet direct vanaf de start van het werk voor een kundig toezichthouder zichtbaar zijn geweest dat [gedaagde] absoluut niet kundig genoeg was om de werkzaamheden uit te voeren. Dit oordeel van Goes wordt door Verdoorn onderschreven. Ook Verdoorn concludeert dat het door [gedaagde] uitgevoerde werk een groot aantal gebreken bevat die allemaal duidelijk waarneembaar waren. Verdoorn constateert eveneens, in lijn met het oordeel van Goes, dat al bij de realisatie van de fundering van de uitbouw – die op 25 mei 2023 is gestort – fouten zijn gemaakt door [gedaagde] , aangezien de bovenwapening van de uitbouw niet is gekoppeld aan de bovenwapening van de vloer dan wel onvoldoende verankeringslengte in de vloer kent. Verdoorn schrijft in zijn rapport – en Studio Flex heeft onvoldoende betwist – dat uit de aan hem verstrekte foto’s blijkt dat dit gebrek destijds ook door Studio Flex is geconstateerd.



5.29.
Uit de deskundigenrapporten, die de rechtbank volgt, blijkt dus dat al na het leggen van de fundering duidelijk zichtbaar was dat het door [gedaagde] uitgevoerde werk niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk voldeed. Als zorgvuldig handelend toezichthouder had Studio Flex dit moeten constateren en [eiseres] hierover moeten informeren. Op Studio Flex rust immers de plicht om de opdrachtgever in te lichten over de kwaliteit van uitvoering van het werk. Uit de deskundigenrapporten volgt dat die kwaliteit vanaf het prille begin al achterbleef bij wat van een redelijk bekwaam vakman mag worden verwacht. Het is echter niet gesteld of gebleken dat Studio Flex [eiseres] toen over alle gebreken heeft geïnformeerd en [eiseres] voor de ondermaatse kwaliteit van het werk heeft gewaarschuwd, ook al had Studio Flex de ontbrekende verankering aan de betonvloer wel geconstateerd. Het werk is voortgegaan zonder dat actie op dit gebrek is ondernomen. Na het leggen van de fundering is het werk nog maandenlang op gebrekkige wijze voortgegaan, ondanks dat Studio Flex (naar zij zelf stelt) op bijna dagelijkse basis op de bouwplaats aanwezig was en de gebreken in het werk duidelijk zichtbaar waren. Studio Flex had die gebreken – die een duidelijk signaal gaven van de ondeugdelijke prestatie van [gedaagde] – moeten signaleren en bij [eiseres] onder de aandacht moeten brengen. Studio Flex heeft dit niet gedaan. [eiseres] heeft onvoldoende betwist gesteld dat zij pas eind oktober 2023, toen het werk al langere tijd onderweg was, van Studio Flex signalen heeft ontvangen dat Studio Flex zich zorgen maakte over de voortgang en kwaliteit van de verbouwing. De rechtbank is het met [eiseres] eens dat Studio Flex hiermee toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichting als bouwbegeleider/toezichthouder. Studio Flex had al veel eerder (na het leggen van de fundering) bij [eiseres] aan de bel moeten trekken over de ver achterblijvende kwaliteit van het werk.



Omvang schadevergoeding





5.30.
Op grond van artikel 6:74, lid 1, BW is Studio Flex verplicht om aan [eiseres] de schade te vergoeden die [eiseres] als gevolg van de tekortkoming van Studio Flex heeft geleden. Ten aanzien van de vraag tot welke schadevergoedingsplicht dit leidt, overweegt de rechtbank als volgt. [eiseres] vordert een bedrag van € 551.532,50 aan schadevergoeding van Studio Flex. Dit bedrag bestaat uit de door Verdoorn begrote afbouwkosten (€ 341.018) en herstelkosten (€ 147.004) van het werk, vermeerderd met een bedrag van € 75.873, omdat het werk van [gedaagde] in de visie van [eiseres] geen waarde heeft, ook gezien het algemene gegeven dat andere aannemers niet op ‘besmet werk’ zullen willen voortborduren. De rechtbank gaat niet mee in dit laatste standpunt, nu de deskundige Verdoorn op gemotiveerde gronden tot een ander oordeel komt en vindt dat een deel van het werk wel waarde heeft. Bovendien heeft de deskundige in zijn begroting van de afbouw- en herstelkosten ook de sloop- en aanpassingswerkzaamheden meegenomen. De rechtbank gaat voor de schade dus uit van een bedrag van € 488.022 aan herstel- en afbouwkosten.



5.31.
Ten aanzien van de afbouwkosten (€ 341.018) overweegt de rechtbank als volgt. Om te bepalen of causaal (condicio-sine-qua-non) verband bestaat tussen tekortkoming en bepaalde schade, moet de tekortkoming worden weggedacht. Als de schade ook in die hypothetische situatie zou zijn ontstaan, ontbreekt causaal verband. Naar het oordeel van de rechtbank doet dat zich hier voor. [eiseres] wordt met hoge afbouwkosten geconfronteerd, omdat [gedaagde] het werk in november 2023 voortijdig heeft stilgelegd, terwijl dit verre van af was. Aan die stillegging lag ten grondslag dat [gedaagde] kennelijk met budgetproblemen kampte, omdat hij een te lage prijs voor het werk had gerekend, en vond dat hij recht had op een prijsverhoging (wat hij niet heeft). Deze zelfde discussie zou waarschijnlijk ook zijn ontstaan, als Studio Flex wél voldoende toezicht had gehouden op de kwaliteit van het uitgevoerde werk. Dit toezicht had de budgetteringsproblemen bij [gedaagde] immers niet opgelost. Aannemelijk is dat [gedaagde] ook dan niet in staat zou zijn geweest om het werk tegen de afgesproken prijs van € 330.000 af te maken, en het werk voortijdig zou hebben stilgelegd. Anders gezegd, ook in de hypothetische situatie van deugdelijk toezicht door Studio Flex, was [eiseres] waarschijnlijk met hoge afbouwkosten geconfronteerd, omdat de aannemer de aannemingsovereenkomst sowieso niet had kunnen nakomen. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien dat causaal verband bestaat tussen de afbouwkosten van € 341.018 en de tekortkoming (het gebrekkige toezicht) van Studio Flex.



5.32.
Voor de herstelkosten ligt dat anders. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat Studio Flex al vanaf het prille begin van de uitvoering, na het aanleggen van de fundering, had moeten constateren dat de werkzaamheden van [gedaagde] niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk voldeden. Studio Flex had [gedaagde] daarop moeten aanspreken en [eiseres] over de ondermaatse kwaliteit van het werk moeten informeren. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat Studio Flex is tekortgeschoten door ook in de maanden erna niet te acteren op duidelijk zichtbare gebreken in het werk van [gedaagde] . Studio Flex had [gedaagde] op die gebreken moeten aanspreken en [eiseres] hierover moeten informeren. De rechtbank acht het voorshands voldoende aannemelijk dat indien [gedaagde] tijdig bij [eiseres] aan de bel had getrokken en voldoende kundig toezicht had gehouden op de kwaliteit van het door [gedaagde] geleverde werk, er niet – zoals nu – maandenlang op ondeugdelijke wijze was voortgebouwd. In dat geval had [eiseres] nog steeds geen afgebouwde woning gekregen (zie hiervoor), maar was zij – naar voorshands mag worden aangenomen – in elk geval niet geconfronteerd met een grote hoeveelheid gebrekkige werkzaamheden die achteraf stuk voor stuk moeten worden hersteld. In elk geval had [eiseres] dan eerder [gedaagde] kunnen aanspreken op de kwaliteit van het werk en eventueel (door)betaling van de aanneemsom kunnen opschorten. Volgens deskundige Verdoorn bedragen de kosten van het herstel van de door hem geconstateerde gebreken € 147.004. Studio Flex heeft niet (voldoende) gemotiveerd betwist dat deze herstelkosten in causaal (condicio-sine-qua-non) verband staan met het gebrekkige toezicht van Studio Flex. De aansprakelijkheid van Studio Flex voor deze schade staat daarmee vast. Op grond van artikel 6:102 BW zijn Studio Flex en [gedaagde] , ieder op grond van hun tekortkoming, hoofdelijk aansprakelijk voor dit deel van de schade, nu voor ieder van hen geldt dat indien zij hun prestatie deugdelijk zouden zijn nagekomen, deze schade niet zou zijn ontstaan. Studio Flex en [gedaagde] zijn ook hoofdelijk aansprakelijk voor de wettelijke rente over de herstelkosten vanaf 15 juni 2026 (zie r.o. 5.14).




Opslagkosten, kosten hekwerk en kosten beschermingsmaatregelen





5.33.
Voor de opslagkosten van de meubels, inboedel en keuken, de kosten van het geplaatste hekwerk en de kosten voor het wind- en waterdicht maken van de woning geldt in beginsel hetzelfde als voor de afbouwkosten (zie r.o. 5.31). Aannemelijk is dat [gedaagde] het werk hoe dan ook voortijdig zou hebben gestaakt, ook als Studio Flex deugdelijk toezicht zou hebben gehouden op de kwaliteit van het werk. Ook dan was [eiseres] dus met deze kosten geconfronteerd. Daarmee ontbreekt causaal verband tussen deze kosten en het tekortschieten van Studio Flex.



Aansprakelijkheidsbeperking artikel 15 lid 3 DNR 2011, onredelijk bezwarend?





5.34.
Het beroep van Studio Flex op de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 14, lid 1 en 2, DNR 2011 hoeft geen verdere bespreking, aangezien Studio Flex alleen aansprakelijk is voor directe schade (herstelkosten), die bij een goede uitvoering van de opdracht niet zouden zijn gemaakt (geen ‘sowieso-kosten’).



5.35.
Studio Flex heeft ook een beroep gedaan op de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 15 lid 3 DNR 2011, op grond waarvan de aansprakelijkheid van Studio Flex is beperkt tot een bedrag van € 75.000. [eiseres] heeft een beroep op vernietiging van dit beding gedaan, omdat het onredelijk bezwarend is, althans vermoed wordt dat te zijn (artikelen 6:233, onder a, en 6:237, onder f BW). De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan als volgt.



5.36.
Artikel 6:233, aanhef, en onder a, BW bepaalt dat een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is, indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.



5.37.
Op grond van artikel 6:237, aanhef en onder f, BW wordt het aansprakelijkheidsbeperkende beding in een consumentenovereenkomst vermoed onredelijk bezwarend te zijn. De achtergrond van deze bepaling is gelegen in de gedachte dat de wettelijke regels inzake schadevergoeding volgens de wetgever op het eerste gezicht een redelijke verdeling van risico’s tussen ondernemers en consumenten bewerkstelligen. Het is aan de gebruiker van algemene voorwaarden om aan te tonen dat die wettelijke regels in het concreet voorliggende geval niet tot behoorlijke resultaten leiden. Een aansprakelijkheidsbeperkend beding wordt pas dan geacht niet onredelijk bezwarend te zijn tegenover de consument, als de afwijking van de wettelijke regeling ‘kennelijk gerechtvaardigd’ is. Gelet op het vermoeden van artikel 6:237 onder f BW is het aan de gebruiker van het beding om de rechtbank van de kennelijke rechtvaardigheid van de afwijking te overtuigen.



5.38.
Voor de beoordeling van het onredelijk bezwarende karakter van een beding moet worden gekeken naar de omstandigheden van het geval, zoals die zich voordeden ten tijde van de contractsluiting. Bij de beoordeling van de vraag of de gebruiker van een aansprakelijkheidsbeperkend beding slaagt in het bewijs dat het beding niet onredelijk bezwarend is kunnen de volgende beoordelingsfactoren relevant zijn:


Gaat het om een algehele uitsluiting van de verplichting tot schadevergoeding of om een beperking daarvan?


Maakt het beding risico’s voor de gebruiker beheersbaar die dat anders niet zouden zijn? Kan de gebruiker zich niet op afdoende wijze tegen deze risico’s verzekeren of deze risico’s spreiden over een groep van afnemers?


Is sprake van een wanverhouding tussen de prijs die de gebruiker voor zijn prestatie ontvangt en de omvang van de voorzienbare schade indien bij de uitvoering van de prestatie een fout wordt gemaakt?





5.39.
In dit geval werd Studio Flex ingeschakeld om als bouwbegeleider op ten minste wekelijkse basis toezicht te houden op de kwaliteit van het werk van [gedaagde] . Studio Flex diende eventuele fouten in het werk van de aannemer tijdig te onderkennen, zodat daar tijdig op kon worden aangestuurd. Het is voorzienbaar dat aan de kant van de opdrachtgever ( [eiseres] ) een omvangrijke schade kan ontstaan, indien, zoals hier, ondanks duidelijke kenbare fouten van de aannemer niet tijdig wordt ingegrepen en vervolgens langere tijd op ondeugdelijke wijze wordt voortgebouwd (met omvangrijke herstelkosten tot gevolg).



5.40.
Op zichzelf is juist, zoals Studio Flex aanvoert, dat de aannemer ( [gedaagde] ) de primair aansprakelijke partij voor die gebrekkige werkzaamheden is. Ook wijst Studio Flex op de verhouding tussen haar loon (€ 2.166,66 per maand) en de omvang van de hier opgetreden schade. Daarnaast is de aansprakelijkheid van Studio Flex niet volledig beperkt maar geldt de schadevergoedingsbeperking tot een bedrag van € 75.000.



5.41.
De rechtbank acht bovenstaande argumenten echter onvoldoende om het bezwaarlijke karakter van de aansprakelijkheidsbeperking te weerleggen. Studio Flex is verzekerd voor aansprakelijkheid. Namens Studio Flex is ter zitting verklaard dat zij is verzekerd voor een hoger bedrag dan waar het in deze zaak om gaat. Daarnaast kan Studio Flex regres nemen op de hoofdelijk aansprakelijke partij (de aannemer). Studio Flex heeft niet (voldoende) onderbouwd dat de aansprakelijkheidsbeperking tot € 75.000 risico’s voor Studio Flex beheersbaar maakt, die dat anders niet zouden zijn.



5.42.
Studio Flex heeft het vermoeden van artikel 6:237, aanhef en onder f, BW daarmee niet weerlegd. Het beroep van [eiseres] op vernietiging van de in artikel 15 DNR 2011 opgenomen aansprakelijkheidsbeperking, treft dan ook doel. Studio Flex kan zich ten opzichte van [eiseres] niet op die aansprakelijkheidsbeperking beroepen.



Buitengerechtelijke incassokosten





5.43.

[eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat zij in verband met haar vordering op Studio Flex buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht die meer omvatten dan de verrichtingen ter voorbereiding van de processtukken en ter instructie van de zaak, die al onder de proceskosten vallen. De buitengerechtelijke kosten worden in overeenstemming met de (redelijk geachte) tarieven uit het Beluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten begroot op € 2.245,04.




Terugbetaling loon na ontbinding





5.44.
Gezien de toerekenbare tekortkoming van Studio Flex heeft [eiseres] de met Studio Flex gesloten overeenkomst van opdracht op 10 januari 2024 bevoegdelijk ontbonden. De rechtbank is het met [eiseres] eens dat de door Studio Flex verrichte toezichtdiensten geen waarde voor haar hebben gehad, gezien de ernstige wijze waarop Studio Flex al vanaf het prille begin in haar toezichthoudende taak is tekortgeschoten. Dit leidt ertoe dat Studio Flex op grond van ongedaanmaking het volledig betaalde bedrag van € 8.666,64 aan [eiseres] moet terugbetalen (artikelen 6:271 en 6:272, lid 2, BW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding.



Beslagkosten





5.45.
Studio Flex zal op grond van artikel 706 Rv worden veroordeeld in de ten opzichte van Studio Flex gemaakte beslagkosten, nu niet is gebleken dat het beslag onrechtmatig, nietig of onnodig was ( [eiseres] had een vordering en het beslag is gelegd op de bij [eiseres] bekende bankrekening van Studio Flex, waarop zij Studio Flex heeft betaald). De beslagkosten worden begroot op € 384,51 aan explootkosten en € 2.051 aan salaris advocaat (1,0 punt x liquidatietarief V) voor het verzoekschrift, aldus in totaal € 2.435,51.



Kosten deskundigen en proceskosten





5.46.
Nu [gedaagde] en Studio Flex op basis van het deskundigenbericht in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij het door hen voorgeschoten deel zelf te dragen. De rechtbank zal [gedaagde] veroordelen om zijn deel van het aanvankelijke voorschot (€ 5.243,34), dat niet door hem was gedeponeerd en vanuit ’s-Rijks kas aan de deskundige is betaald ter voldoening van de nota, aan de Staat terug betalen. Ook worden [gedaagde] en Studio Flex hoofdelijk veroordeeld om het door [eiseres] voorgeschoten deel van de deskundigenkosten (€ 5.243,34 + € 968 = € 6.211) aan [eiseres] te vergoeden.



5.47.
Verder worden [gedaagde] en Studio Flex als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, aan de kant van [eiseres] begroot op € 17.945,39 (€ 278,39 aan dagvaardingskosten, € 2.626 aan griffierecht, € 14.892 (4,0 punten x liquidatietarief VII) aan salaris advocaat tot op heden en € 149 aan nakosten), plus de kosten bij betekening. De wettelijke rente over de kosten wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.



in reconventie





5.48.
De vordering tot betaling van de vijfde factuur wordt afgewezen, nu [eiseres] de overeenkomst van opdracht met Studio Flex op 10 januari 2024 bevoegdelijk heeft ontbonden en [eiseres] geen vergoeding voor de reeds verrichte diensten is verschuldigd (zie r.o. 5.44).



5.49.
Bij de vordering tot opheffing van het onder Aegon Bank gelegde beslag heeft Studio Flex geen belang, nu het beslag geen doel heeft getroffen en er inmiddels geen beslagen meer liggen.



5.50.
Voor het verbod om toekomstige beslagen te leggen is geen plaats. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen is plaats voor een algemeen beslagverbod, bijvoorbeeld in het geval dat de beslaglegger klaarblijkelijk misbruik maakt van het recht beslag te leggen. Het is gesteld noch gebleken dat een dergelijke situatie hier aan de orde is.



5.51.
De vorderingen in reconventie worden daarmee allemaal afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Studio Flex veroordeeld in de proceskosten, aan de kant van [eiseres] begroot op € 802 (2,0 punten x liquidatietarief II aan salaris advocaat x factor 0,5 vanwege de samenhang met het geschil in conventie, en € 149 aan nakosten), plus de kosten bij betekening.





6De beoordeling in de vrijwaringszaak
in conventie en in voorwaardelijke reconventie




[gedaagde] is niet-ontvankelijk in de voorwaardelijke eis in reconventie




6.1.

De rechtbank overweegt allereerst het volgende. [gedaagde] heeft in de conclusie van antwoord in de vrijwaringsprocedure een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld
die neerkomt op een eigen vrijwaringsvordering tegen Studio Flex, terwijl [gedaagde] in de
hoofdzaak niet heeft gevraagd om een vrijwaringsvordering tegen Studio Flex te mogen instellen. Op grond van artikel 210, eerste lid 1 Rv, had [gedaagde] het verzoek daartoe uiterlijk op het voor de conclusie van antwoord in de hoofdzaak bepaalde tijdstip moeten doen. [gedaagde] kan die voorgeschreven procedure niet omzeilen door bij wijze van tegenvordering in de vrijwaringszaak een eigen vrijwaringsvordering tegen Studio Flex in te stellen. Dat is in strijd met de goede procesorde. De rechtbank zal [gedaagde] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar voorwaardelijke eis in reconventie.




Onderlinge verdeling [gedaagde] en Studio Flex ten aanzien van de herstelkosten





6.2.
Het gaat in de vrijwaringszaak daarmee uitsluitend om de vrijwaringsvorderingen van Studio Flex. In de hoofdzaak is geoordeeld dat [gedaagde] en Studio Flex op grond van artikel 6:102 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de herstelkosten van de gebreken in het uitgevoerde werk, die zijn begroot op € 147.004. Indien [gedaagde] dit werk deugdelijk had uitgevoerd was deze schade niet ingetreden. Hetzelfde geldt indien Studio Flex voldoende zorgvuldig toezicht had gehouden en tijdig had ingegrepen (zie r.o. 5.32 in de hoofdzaak).



6.3.
Op grond van artikel 6:10 BW zijn hoofdelijke schuldenaren ten opzichte van elkaar verplicht tot bijdragen, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat. Dat gedeelte moet volgens artikel 6:102 BW worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 6:101 BW, tenzij uit wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit. De hoofdregel is dus een verdeling van de lasten aan de hand van de tweeledige verdelingsmaatstaf van artikel 6:101 BW. Dit betekent dat de schade tussen de [gedaagde] en Studio Flex wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen.



6.4.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] en Studio Flex de schade ieder bij helfte moeten delen. Op zichzelf is juist dat [gedaagde] als aannemer primair verantwoordelijk is voor de deugdelijkheid van het werk. [gedaagde] is in die taak ernstig tekortgeschoten, door een grote hoeveelheid gebrekkig werk te leveren. Daar staat tegenover dat sprake was van talloze direct zichtbare gebreken, die Studio Flex als kundig bouwbegeleider eenvoudig had kunnen en moeten waarnemen. Studio Flex was juist als toezichthouder door [eiseres] ingeschakeld om te voorkomen wat hier is gebeurd, namelijk dat niet tijdig op gebrekkig werk van de aannemer is ingegrepen, waardoor langere tijd op gebrekkige wijze is voortgebouwd (met veel noodzakelijk herstel tot gevolg). De rechtbank is van oordeel dat beide partijen, door allebei ernstig in hun kerntaak tekort te schieten, in dit geval in gelijke mate aan de bij [eiseres] ontstane schade hebben bijgedragen. Een verdeling bij helfte acht de rechtbank in dit geval billijk.



6.5.
Nu de regresvordering van Studio Flex op [gedaagde] op grond van artikel 6:10 BW pas ontstaat indien Studio Flex ten aanzien van de hoofdelijke schuld voor de herstelkosten méér aan [eiseres] betaalt dan het gedeelte dat Studio Flex aangaat (dus meer dan de helft), zal de rechtbank de vrijwaringsvordering onder die voorwaarde toewijzen. De wettelijke rente wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.



6.6.
De vordering van Studio Flex tot vergoeding van de kosten van haar verweer in en buiten de hoofdzaak wordt afgewezen. Dit zijn kosten die Studio Flex heeft gemaakt ter afwering van haar eigen aansprakelijkheid. Voor deze kosten heeft [gedaagde] geen bijdrageplicht (zie artikel 6:10, lid 3, laatste bijzin, BW).



6.7.
Ook de door Studio Flex onder i. gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen, nu helemaal niet is onderbouwd op grond van welke grondslag [gedaagde] aansprakelijk is voor ‘alle schade die Studio Flex lijdt als gevolg van de door [eiseres] aan Studio Flex gemaakte verwijten’.



6.8.
De rechtbank ziet in het hiervoor gegeven oordeel over de gelijke bijdrageplicht van partijen aanleiding om de proceskosten in de vrijwaringszaak te compenseren, nu geen van partijen volledig gelijk heeft gekregen in hun standpunt. Wel wordt [gedaagde] veroordeeld tot vergoeding van de kosten van de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, nu die kosten onnodig zijn gemaakt ( [gedaagde] had geen vordering in reconventie mogen instellen). De daarmee gemoeide proceskosten worden begroot op € 802 (€ 653 (1,0 punt x liquidatietarief II) en € 149 aan nakosten), plus de kosten bij betekening. De wettelijke rente over de kosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





7De beslissing in de hoofdzaak
in conventie


7.1.
veroordeelt [gedaagde] en Studio Flex hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van € 147.004 aan herstelkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf 15 juni 2026 tot aan de dag van volledige betaling;



7.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 323.518 aan ongedaanmakingsverbintenis en schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf 15 juni 2026 tot aan de dag van volledige betaling;



7.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 4.715,45 aan opslagkosten en € 890,93 aan kosten bouwplaatsbeveiliging, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf 15 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;



7.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 701,57 aan kosten voor het wind- en waterdicht maken van de woning, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf 5 april 2024 tot aan de dag van volledige betaling;



7.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 2.297,24 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;



7.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 4.107,51 aan beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;



7.7.
veroordeelt Studio Flex tot betaling aan [eiseres] van € 8.666,64 wegens terugbetaling van onterecht betaalde facturen, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf 5 april 2024 tot aan de dag van volledige betaling;



7.8.
veroordeelt Studio Flex tot betaling aan [eiseres] van € 2.245,04 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;



7.9.
veroordeelt Studio Flex tot betaling aan [eiseres] van € 2.435,51 aan beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;



7.10.

veroordeelt [gedaagde] en Studio Flex hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van
€ 6.211 aan kosten voor het deskundigenonderzoek en € 17.945,39 aan proceskosten, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf 14 dagen na aanschrijving. Als [gedaagde] en Studio Flex niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 49 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) over deze bedragen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald;




7.11.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de Staat van € 5.243,34 in verband met het door de Staat aan de deskundige uitgekeerde bedrag, ter voldoening van diens nota;



7.12.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



7.13.
wijst het meer of anders gevorderde af;



in reconventie





7.14.
wijst de vorderingen van Studio Flex af;



7.15.
veroordeelt Studio Flex in de proceskosten van [eiseres] van € 802, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe. Als Studio Flex niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Studio Flex € 49 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening;



7.16.
verklaart de bovenstaande veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.





8De beslissing in de vrijwaringszaak
in conventie


8.1.
veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat Studio Flex ten aanzien van hetgeen waartoe [gedaagde] en Studio Flex in de hoofdzaak onder 7.1 en 7.10 hoofdelijk zijn veroordeeld (dat wil zeggen € 147.004 aan herstelkosten, te vermeerderen met rente en kosten), méér dan de helft heeft betaald, tot betaling van dat meerdere deel aan Studio Flex;



8.2.
veroordeelt [gedaagde] , indien zij tot betaling van het onder 8.1 genoemde deel is aangeschreven en niet binnen 14 dagen heeft betaald, tot betaling van de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) over het verschuldigde vanaf veertien dagen na aanschrijving tot aan de dag van volledige betaling;



8.3.
verklaart de veroordelingen onder 8.1 en 8.2 uitvoerbaar bij voorraad;



8.4.
compenseert de proceskosten in de vrijwaring, in die zin dat iedere partij de eigen kosten in vrijwaring draagt;



8.5.
wijst het meer of anders gevorderde af;



in voorwaardelijke reconventie





8.6.
verklaart [gedaagde] niet-ontvankelijk in de voorwaardelijke vorderingen in reconventie;



8.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan studio Flex van € 802 aan proceskosten, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) vanaf 14 dagen na aanschrijving. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [gedaagde] € 49 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) over deze bedragen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag waarop de proceskosten volledig zijn betaald;



8.8.
verklaart de bovenstaande veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. M. Knijff en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.




Hoge Raad 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1684


Zie Hoge Raad 4 december 1970, NJ 1971/204


Zie ook Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 29 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7320


Deskundigenrapport Verdoorn, p. 22, 26 en bijlage 6 bij het rapport (‘beoordeling kwaliteit werk’, gebrek 16


Zie conclusie A-G Hartlief 7 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1204, nr. 3.22 en 3.23


Conclusie A-G Hartlief 13 mei 2022, ECLI:NL:PHR:2022:442, nr. 3.29 en 3.30


Conclusie A-G 12 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1067, nr. 3.5


Conclusie A-G Hartlief 7 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1204, nr. 3.25


Zie Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784


type: 2431