Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24617

2026-07-29 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/703632 / FA RK 26-3921
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-08-29
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/09/703632 / FA RK 26-3921
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beschikking van de meervoudige kamer over een verzoek tot gezagsbeëindiging.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.678 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Jeugd- en Zorgrecht



Zaaknummer: C/09/703632 / FA RK 26-3921
Datum uitspraak: 29 juli 2026 (bij vervroeging)




Beschikking van de meervoudige kamer over een verzoek tot gezagsbeëindiging




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige].



De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
en


[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders,
beiden wonende in [woonplaats],




Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, te Utrecht,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.





1Het verloop van de procedure


1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 april 2026;




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 1], namens de Raad;
- [naam 2], namens de gecertificeerde instelling.


De vader en de moeder zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.




1.3.

De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening over het verzoek gevraagd. [minderjarige] heeft een gesprek gevoerd met de voorzitter van de meervoudige kamer. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten




2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd.



2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].



2.3.

[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.



2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 maart 2027 en een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 4 maart 2027.



2.5.
De gecertificeerde instelling heeft zich bij brief van 11 november 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de ouders te beëindigen, de gecertificeerde instelling tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.

De Raad heeft het verzoek als volgt schriftelijk gemotiveerd. [minderjarige] heeft een belast verleden. Nadat zij in maart 2023 zorgelijke uitspraken deed op school omtrent seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader, is zij een jaar lang thuisgehouden door haar ouders. Daarna is zij met spoed uit huis geplaatst. [minderjarige] gedraagt zich jonger dan haar kalenderleeftijd en is de afgelopen jaren veelvuldig weggelopen bij de pleeggezinnen waar zij verbleef. [minderjarige] woont sinds februari 2026 in een gezinshuis en haar perspectief ligt daar. In het gezinshuis ervaart [minderjarige] de veiligheid en stabiliteit die nodig is voor haar ontwikkeling. [minderjarige] heeft sinds haar uithuisplaatsing geen contact meer met haar vader gehad. Wel heeft zij af en toe via Whatsapp contact met de moeder en haar oudere zus. Het komt voor dat de moeder en de zus een beroep doen op [minderjarige] en haar proberen over te halen om weg te lopen bij het gezinshuis. Dit zorgt voor onrust bij [minderjarige] en maakt dat zij het contact met haar moeder en zus ingewikkeld vindt. [minderjarige] heeft met haar jongere broertje (die op een zorgboerderij verblijft) elke maand begeleid contact. Dit gaat goed.
De ouders blijven volledig uit contact met de Raad, de gecertificeerde instelling en met hulpverlenende instanties, waardoor er niet samengewerkt kan worden aan contactherstel of om zaken te regelen voor [minderjarige]. De Raad vindt het daarom van belang dat het Leger des Heils de voogdij over [minderjarige] krijgt, zodat duidelijk wordt dat [minderjarige] in het gezinshuis blijft wonen, de hulpverlening kan worden voortgezet en duidelijke kaders worden geboden als het gaat om het contact tussen [minderjarige] en haar moeder en zus.




3.3.
De Raad heeft tijdens de zitting aanvullend naar voren gebracht dat in april 2026 een incident heeft plaatsgevonden waarbij [minderjarige] door haar zus was overgehaald samen met de trein naar huis te gaan en zij bij de trein is opgewacht door de politie omdat er een vermoeden bestond dat [minderjarige] door haar vader meegenomen zou worden naar het buitenland. Er is hiervan ook aangifte gedaan tegen de ouders. Hoewel de Raad het verzoek heeft gebaseerd op artikel 1:266 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW), heeft de Raad ter zitting gesteld dat dit incident aanleiding geeft om aan te nemen dat er ook sprake is van misbruik van gezag.





4De standpunten


4.1.

De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad.
Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat zij veelvuldig contact heeft gezocht met de ouders, maar dat het haar in de afgelopen periode ook niet is gelukt om met hen in contact te komen. Verder zijn er vanuit de gecertificeerde instelling veel zorgen over de kwetsbaarheid van [minderjarige] omdat zij beperkt in staat is om risico’s in te schatten. Omdat er sprake is van een achterstand in haar sociaal-emotionele ontwikkeling, overweegt de gecertificeerde instelling om een aanvraag te doen om een mentor in te zetten, die betrokken zal kunnen worden bij belangrijke beslissingen wanneer [minderjarige] meerderjarig is.
Het is verder belangrijk dat [minderjarige] intensieve therapie aan blijft gaan om de gebeurtenissen die zij heeft meegemaakt te kunnen verwerken. [minderjarige] is zelf ook van mening dat zij nog veel hulp nodig heeft. [minderjarige] heeft inmiddels EMDR-therapie gehad, maar vanwege haar verhuizing naar het gezinshuis moet gezocht worden naar een andere therapeut. De aanmelding daarvoor is inmiddels gedaan en in de tussenliggende tijd blijft de oude therapeut wekelijks betrokken. Daarnaast is [minderjarige] aangemeld bij de [zorginstantie] omdat er zorgen spelen over haar seksuele ontwikkeling in verband met online contact met mannen.
De gecertificeerde instelling heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik door de vader. Dit wordt momenteel nog onderzocht. Ook is er aangifte gedaan tegen de zus omdat de zus [minderjarige] probeert over te halen om weg te lopen bij het gezinshuis.






5De beoordeling


5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.



5.2.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouders daartoe niet in staat zijn. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouders en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouders.



5.3.
De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW is voldaan. Ook concludeert de rechtbank dat de gezagsbeëindiging proportioneel is en voldoet aan de eisen van artikel 8 EVRM. Daartoe wordt als volgt overwogen.



5.4.

[minderjarige] wordt nog altijd ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] is twee jaar geleden vanuit een zeer zorgelijke situatie met spoed uit huis geplaatst. Zij heeft in 2023 op school signalen geuit over mogelijk seksueel misbruik door haar vader, waarna zij door de ouders langdurig is thuisgehouden van school en andere sociale activiteiten. Zij kwam daardoor in een sociaal isolement terecht en kon niet optimaal tot ontwikkeling komen. Zoals reeds overwogen in de voorgaande beschikkingen, is de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig geschaad door dit handelen van de ouders. [minderjarige] heeft in drie verschillende pleeggezinnen gewoond voordat zij in het huidige gezinshuis terechtkwam. [minderjarige] is bij de pleeggezinnen veelvuldig weggelopen en op die momenten was er geen contact met haar mogelijk en vertoonde zij zorgelijk gedrag. Daardoor konden de pleeggezinnen de zorg voor [minderjarige] uiteindelijk niet dragen. Sinds februari 2026 verblijft [minderjarige] in een gezinshuis, waar zij rust en stabiliteit ervaart en intensieve begeleiding ontvangt. [minderjarige] is sindsdien ook niet meer weggelopen.



5.5.

Als de rechtbank voor de beoordeling van dit verzoek kijkt naar de periode sinds de uithuisplaatsing, dan komt zij tot de conclusie dat de situatie van de ouders niet is verbeterd. In het bijzonder verwijst de rechtbank naar de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 6 maart 2025 waarin de ouders expliciet een kans is gegeven om te laten zien dat zij bereid zijn om hun verantwoordelijkheid voor [minderjarige] te nemen en in het belang van [minderjarige] mee te werken aan de ondertoezichtstelling. Vanuit zowel de gecertificeerde instelling als de kinderrechter is aan de ouders aldus tijd en vertrouwen gegeven om de hulp aan te nemen en het roer om te gooien. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat het de moeder en de vader niet is gelukt de gevraagde bereidheid te tonen. De afgelopen jaren houden zij ieder contact met betrokken instanties af, ondanks herhaaldelijke verzoeken om contact op te nemen. Dit maakt dat de ouders niet op de hoogte zijn van de specifieke (opvoed)behoeften van [minderjarige] en zij daardoor ook onvoldoende zicht hebben op wat er in het belang van [minderjarige] geregeld en besloten moet worden. Hierdoor was het bijvoorbeeld ook niet mogelijk om van de ouders toestemming te krijgen voor de therapie van [minderjarige]. De rechtbank acht dit niet in het belang van [minderjarige]. Ook gedurende het onderzoek van de Raad naar de noodzaak tot beëindiging van hun gezag waren de ouders afwezig. Zij zijn evenmin ter zitting verschenen. Deze houding van de ouders maakt dat geconcludeerd moet worden dat zij geen uitvoering geven aan hun gezamenlijk gezag en het is niet te verwachten dat deze situatie binnen afzienbare termijn zal veranderen.
Inmiddels is er ook al meer dan twee jaar geen contact tussen de vader en [minderjarige] en [minderjarige] ervaart op dit moment ook weerstand tegen contact met de vader.
Verder is komen vast te staan dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de ouders ligt, maar bij het gezinshuis. Het gaat hier naar omstandigheden goed met haar. Zij kan goed over haar gevoelens praten met de gezinshuisouders en zij doen hun best om een veilige nieuwe thuisbasis voor haar te creëren.
Kijkend naar de belangen van [minderjarige] en haar belaste verleden, is de rechtbank van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] om onzekerheid te ervaren over haar toekomstperspectief is verstreken. De rechtbank vindt het van belang dat er duidelijkheid en rust komt voor [minderjarige], zodat zij vanuit een stabiele basis verder kan werken aan haar ontwikkeling. Die stabiele basis heeft zij in het gezinshuis. Daar komt bij dat [minderjarige] tijdens het kindgesprek zelf ook heeft aangegeven dat zij het niet erg vindt als het gezag van haar ouders wordt beëindigd omdat zij nauwelijks contact met hen heeft.



5.6.
Hoewel het voorgaande reeds toewijzing van het verzoek van de Raad rechtvaardigt, is naar het oordeel van de rechtbank eveneens voldaan aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder b BW.



5.7.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1:266 BW (Kamerstukken II 2008/2009, 32 015, nr. 3, p. 35) blijkt dat met misbruik van gezag wordt gedoeld op een schending van plichten van een gezaghebbende ouder door nalatigheid of door daden. De rechtbank is van oordeel dat daar in het onderhavige geval sprake van is. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat de ouders hun ouderlijke verantwoordelijkheid structureel en al gedurende een langere periode ernstig verzaken. Er is een patroon zichtbaar waarbij de ouders hun gezag niet uitoefenen op een wijze die in het belang is van [minderjarige], maar het gezag juist inzetten als middel om de effectieve betrokkenheid van instanties te frustreren door niet te reageren op contactpogingen, waardoor hulpverlening aan en beslissingen die voor [minderjarige] genomen moeten worden onnodig zijn belemmerd. Daarnaast blijkt uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, dat de moeder haar gezag heeft misbruikt door [minderjarige] belastende berichten te sturen waarin zij probeert de jeugdbeschermer te ondermijnen en [minderjarige] weg te laten lopen bij het gezinshuis en haar aldus te onttrekken aan de uithuisplaatsing. Ook de vader heeft hierin in april 2026 een rol gespeeld, waarbij werd gevreesd voor meenemen van [minderjarige] naar het buitenland. De druk die aldus op [minderjarige] wordt uitgeoefend is voor de rechtbank een reden tot zorg omdat de berichten verwarrend zijn voor [minderjarige] en zij in het verleden, in reactie daarop, ook daadwerkelijk is weggelopen. Naar het oordeel van de rechtbank levert deze handelwijze van de ouders (ook) misbruik van hun gezag op.



5.8.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder en de vader toewijzen. Deze beslissing neemt niet weg dat de moeder en de vader altijd de ouder(s) van [minderjarige] blijven en dat hun ouder-kind band ook in de toekomst behouden kan blijven. Het is daarbij wel van belang dat de ouders en de zus respecteren dat [minderjarige] in het gezinshuis verblijft. Alleen dan krijgt [minderjarige] rust en kan zij toekomen aan het onderzoeken wat haar eigen behoefte is in het contact met haar ouders en zus. De rechtbank geeft de gecertificeerde instelling dan ook mee dat contact tussen [minderjarige] en de moeder altijd een aandachtspunt moet blijven. Ook is het van belang dat de gecertificeerde instelling blijft nagaan of contact tussen de vader en [minderjarige] in het belang is van [minderjarige] en zo ja, op welke wijze contact kan worden bewerkstelligd.



5.9.
Door de beëindiging van het gezag van de ouders is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [minderjarige] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. De Raad heeft geadviseerd dit bij de gecertificeerde instelling te beleggen. De rechtbank kan zich vinden in dit advies. De gecertificeerde instelling is al langere tijd betrokken bij [minderjarige] in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing en is vanuit haar deskundigheid en professie toegerust om de belangen van [minderjarige] te behartigen, zoals onder meer het organiseren van de voor [minderjarige] noodzakelijk geachte hulpverlening en het realiseren van (een vorm van) contact tussen [minderjarige] en de moeder en de zus op het moment dat daarvoor bij [minderjarige] ruimte bestaat. De gecertificeerde instelling heeft zich ook bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De rechtbank zal de gecertificeerde instelling daarom tot voogd over [minderjarige] benoemen.


5.10.
De rechtbank zal bepalen dat de ouders aan de gecertificeerde instelling die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige]. Dit betekent dat zij de gecertificeerde instelling op de hoogte moeten stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de gecertificeerde instelling vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.


5.11.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.



5.12.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De rechtbank:



6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader], geboren op [geboortedatum 2] 1974 in [geboorteplaats 2], [geboorteland] en [de moeder], geboren op [geboortedatum 3] 1969 in [geboorteplaats 3], over [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats 1];



6.2.
benoemt Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Utrecht, tot voogd over genoemde minderjarige;



6.3.
bepaalt dat de ouders rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;


6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beschikking is gegeven door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, mr. J.E. Bierling en mr. H.J.M. Bellekom, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier.








Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK


Artikel 1:275, eerste lid, BW.


Artikel 1:276, eerste lid, BW.


Artikel 2 Besluit gezagsregisters.