Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23824

2026-08-20 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.19421 en NL26.19422
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-20
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.19421 en NL26.19422
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Duitsland buiten zitting, standaardvoornemen, interstatelijk vertrouwensbeginsel, discretionaire bevoegdheid, beroep ongegrond”.

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.224 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht


Zaaknummers: NL26.19421 (beroep)
NL26.19422 (voorlopige voorziening)


V-nummer: [v-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen





[eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.



1.1.
Eiser heeft op 6 maart 2026 verzocht om een verblijfsvergunning asiel. De minister heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 8 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser.



1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden tot op zijn beroep is beslist.



1.3.
De rechtbank doet op grond van de artikelen 8:54, eerste lid, en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.





Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Totstandkoming van het besluit



4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMbV). Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.


4.1.
Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland is met terugname akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.



Onzorgvuldig gehoor/procedure




5. Eiser voert aan dat hij niet zorgvuldig is gehoord. Eiser verwijst naar artikel 4, eerste lid en onder c, van de Dublinverordening. De werkwijze van Dublin-gehoren houdt in dat de minister volstaat met brochures, een toelichting voorafgaand aan het gehoor en enkele algemene vragen. Daarbij gaat de minister er ten onrechte van uit dat een vreemdeling, in dit geval eiser, tijdens het gehoor kan onthouden wat allemaal relevant kan zijn. Eiser meent dat het Dublingehoor daarom niet zorgvuldig is geweest.




5.1.
De rechtbank stelt vast dat het Dublingehoor is bedoeld om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen. In het aanmeldgehoor is eiser hiervan op de hoogte gesteld. Vervolgens is eiser ook geïnformeerd dat het van belang is om alle omstandigheden die van belang kunnen zijn bij het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat zo snel mogelijk kenbaar te maken. Voordat het gehoor begon, is aan eiser een brochure uitgereikt en tijdens het gehoor is eiser op de inhoud van deze brochure gewezen. Eiser heeft desgevraagd aangegeven geen vragen te hebben naar aanleiding van de brochure. Hierdoor kon eiser weten welke omstandigheden hij specifiek bij het gehoor naar voren kon brengen. Tijdens het Dublingehoor is eiser vervolgens gevraagd naar zijn bezwaren tegen overdracht aan Duitsland en is hem gevraagd of hij al zijn bezwaren kenbaar heeft kunnen maken. Dat heeft eiser ook gedaan. Daarnaast is eiser meermalen gevraagd of hij naar aanleiding van het gehoor nog vragen heeft. Ook hierop heeft eiser antwoord gegeven. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van eiser is gehandeld in overeenstemming met de informatieverplichting die is opgenomen in artikel 4 van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.



Standaardvoornemen




6. Volgens eiser heeft de minister niet gemotiveerd waarom hij meent dat het standaardvoornemen in onderhavige zaak voldoet en schendt de minister daarmee de motiveringsplicht. Naar de mening van eiser blijkt uit het voornemen in zijn zaak geenszins dat alle voor het standpunt van verweerder dragende overwegingen hierin zijn opgenomen.




6.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister in het voornemen voldoende duidelijk uiteen heeft gezet op grond van welke redenen Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en ook dat de minister geen reden ziet om eisers asielaanvraag op grond van de discretionaire bevoegdheid alsnog zelf in behandeling te nemen. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat in het voornemen alle dragende overwegingen staan om Duitsland verantwoordelijk te houden voor de asielaanvraag.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel




7. Eiser meent voorts dat de minister in het geval van Duitsland ten onrechte
uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser doet hierbij een beroep op het AIDA-rapport update 2024 (AIDA Country Report: Germany (update 2024), waaruit volgens eiser blijkt dat sprake is van systematische tekortkomingen met betrekking tot de asielprocedure in Duitsland. Naar de mening van eiser geeft de minister er geen blijk van nader onderzoek te hebben gedaan, zowel naar de actuele situatie voor asielzoekers en Dublinterugkeerders in het bijzonder in Duitsland, als voor wat betreft de individuele omstandigheden van eiser.




7.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister ten opzichte van Duitsland uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft hierbij mogen verwijzen naar de uitspraken van de Afdeling. Dit betekent dat de minister er in algemene zin op mag vertrouwen dat Duitsland eiser in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zal behandelen. Het is vervolgens aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal eerst sprake zijn als de tekortkomingen structureel zijn en een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat er aanknopingspunten zijn voor het bestaan van dergelijke systeemfouten. Eiser heeft daartoe voldoende gelegenheid gehad. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Duitse autoriteiten het terugnameverzoek hebben geaccepteerd. Daarmee is voldoende gegarandeerd dat een eventuele nieuwe asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen overeenkomstig de op Duitsland rustende internationale verplichtingen en dat van eiser kan en mag worden verwacht dat hij klaagt bij de Duitse autoriteiten als hij daarbij toch (weer) problemen ondervindt. Voorgaande betekent dat, anders dan eiser betoogt, op de minister geen (nadere) onderzoeksplicht rust.



Discretionaire bevoegdheid




8. Eiser voert aan dat de minister de door de eiser aangedragen feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang moet beoordelen en daarbij dient te wegen of de overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Eiser meent dat de minister in de bestreden beschikking onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom er geen grond zou bestaan de aanvraag van eiser aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.




8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd dat geen aanleiding wordt gezien toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheid en de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken. De rechtbank overweegt daarover dat de omstandigheden die eiser hierover naar voren heeft gebracht betrekking hebben op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder heeft de minister in het voornemen overwogen dat in het geval van eiser niet is gebleken van een heel bijzondere situatie die bij overdracht aan Duitsland leidt tot onevenredige hardheid. Eiser heeft vervolgens geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de minister gehouden was een andere afweging te maken. Deze beroepsgrond slaagt dus ook niet.





Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond.

10. Omdat met deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank,



in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.19421:


- verklaart het beroep ongegrond;


in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.19422:


- wijst het verzoek af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.




Dit staat in artikel 84, tweede lid, van de AMbV (overgangsmaatregelen).


Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3311 (daarin is de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14628, bevestigd) en van 10 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4864 (daarin is de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 22 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:27782, bevestigd).


Asylum Information Database.


Uitspraken van 8 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4107), 11 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3661) en 14 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:588).


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195 (arrest X).


Zie het arrest van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo).