Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22621

2026-07-29 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.30117
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.30117
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Letland; grondslag claimakkoord; interstatelijk vertrouwensbeginsel; artikel 17 van de Dublinverordening; arrest C.K. gegrond; rechtsgevolgen blijven in stand.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.333 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.30117


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),


en


de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).


Samenvatting


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Letland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat Letland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft op [datum] 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 mei 2026 niet in behandeling genomen, omdat Letland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet verschenen.





Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het besluit


3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Letland een verzoek om terugname gedaan. Letland heeft dit verzoek aanvaard.



Is het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd?


4. Eiser betoogt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte gesteld dat uit artikel 18, eerste lid, onder c, van de Dublinverordening, de grondslag van het claimakkoord, volgt dat het mogelijk is dat eiser zijn asielaanvraag in Letland heeft ingetrokken, maar dat dit niet het geval hoeft te zijn.


4.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister op de zitting heeft erkend dat de uitleg van artikel 18, eerste lid, onder c, van de Dublinverordening in het bestreden besluit, de grondslag van het claimakkoord, onjuist is. De uitleg moet zijn dat wanneer Letland de claim op deze grondslag accepteert, Letland ervan uitgaat dat het in Letland ingediende asielverzoek is ingetrokken. Dit betekent dat het bestreden besluit op dit punt een motiveringsgebrek bevat. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het besluit.



4.2.
De rechtbank ziet echter aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat eiser door het motiveringsgebrek niet in zijn belangen is geschaad. De onjuiste uitleg van deze bepaling doet namelijk niet af aan de verantwoordelijkheid van Letland voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De verantwoordelijkheid van Letland om eisers asielaanvraag te behandelen volgt uit de toepasselijke bepalingen van de Dublinverordening, zoals die in het bestreden besluit zijn opgenomen.



Mag de minister voor Letland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

5. Eiser betoogt dat de minister voor Letland niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. Hij wijst daarbij op een openbare bron waaruit blijkt dat Letland achterstanden van asielaanvragen wegwerkt en dat vreemdelingen zich altijd aan de grens moeten melden voor internationale bescherming. Hij voert aan dat de minister daarom navraag had moeten doen bij de Letse autoriteiten wat de gevolgen zijn van het feit dat zijn asielaanvraag als ingetrokken wordt beschouwd. Volgens eiser bestaat namelijk het risico dat hij zich ook na overdracht opnieuw aan de Letse grens moet melden om een opvolgende asielaanvraag in te dienen. Eiser voert daarbij aan dat hij eerder bij de Letse grens slachtoffer is geworden van een pushback, waarbij hij zwaar is mishandeld en zijn wijsvinger is gebroken. Daarnaast voert hij aan dat hij in Letland onvoldoende medische zorg heeft ontvangen voor zowel zijn gebroken wijsvinger als eerder opgelopen oogletsel. Verder voert eiser aan dat hij zijn asielaanvraag nooit zelf heeft ingetrokken en geen effectieve mogelijkheid heeft gehad om bij de Letse autoriteiten te klagen. Daarbij wijst hij erop dat hij de taal niet spreekt en eerder al eens, tevergeefs, om hulp heeft gevraagd. Tot slot voert eiser aan dat uit het claimakkoord niet de belofte volgt dat Letland zijn asielaanvraag daadwerkelijk in behandeling zal nemen, zodat een risico op refoulement niet is uitgesloten.




5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat ten aanzien van Letland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die maken dat niet langer van dit beginsel kan worden uitgegaan. De enkele verwijzing naar de hiervoor in de voetnoot opgenomen openbare bron is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft niet onderbouwd dat de daarin beschreven situatie betrekking heeft op Dublinclaimanten die gereguleerd aan Letland worden overgedragen of dat deze informatie op zijn individuele situatie van toepassing is. Daarnaast stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser zich bij eventuele (medische) problemen kan wenden tot de Letse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen toegang heeft tot die autoriteiten of dat het vragen van bescherming zinloos is. De enkele stelling dat hij dit tevergeefs heeft geprobeerd is daarvoor onvoldoende.



5.2.
Het betoog van eiser dat de minister navraag had moeten doen bij de Letse autoriteiten naar de gevolgen van het feit dat de asielaanvraag van eiser in Letland als ingetrokken wordt beschouwd, slaagt niet. Uit het claimakkoord volgt dat Letland het terugnameverzoek heeft aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Daarmee heeft Letland zich verplicht eiser terug te nemen en zijn asielaanvraag overeenkomstig de toepasselijke internationale regels te behandelen. De stelling van eiser dat hij zijn asielaanvraag in Letland nooit zelf heeft ingetrokken, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat eiser deze stelling niet heeft onderbouwd, volgt daaruit niet dat onduidelijkheid bestaat over zijn toegang tot de Letse asielprocedure. Voor zover eiser vreest dat zijn aanvraag in Letland als herhaalde aanvraag zal worden behandeld, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de regels over een herhaalde aanvraag pas aan de orde zijn indien de Letse autoriteiten eerder een definitief besluit op een asielaanvraag hebben genomen. Niet is gebleken dat daarvan sprake is. Daarom stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de door eiser aangehaalde informatie uit de beantwoording van de EUAA-vragen onder punt 2.3 niet op eisers situatie ziet, omdat geen sprake is van een herhaalde aanvraag. Bovendien mag de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat, ook indien sprake zou zijn van een herhaalde aanvraag, de Letse autoriteiten deze volgens de internationale regels in behandeling zal nemen.



5.3.
Voor zover eiser vreest dat hij bij overdracht aan Letland een risico loopt op refoulement volgt uit de uitspraken van het Hof van Justitie en de Afdeling dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure. Zoals hiervoor geoordeeld is daarvan geen sprake.



Stelt de minister terecht dat artikel 17 van de Dublinverordening niet hoeft te worden toegepast en dat geen sprake is van een risico zoals bedoeld in het arrest C.K.?

6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag in behandeling moet nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, omdat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Letland leidt tot onevenredige hardheid. Hij wijst daarbij op zijn medische situatie. Hij voert aan dat hij in Jemen bij een ongeluk blind is geraakt aan zijn rechteroog en dat hij in Letland klachten heeft gekregen aan zijn linkeroog. Eiser heeft ter onderbouwing een medisch dossier en een rapport overgelegd. Eiser vreest dat hij ook aan zijn linkeroog zijn zicht zal verliezen en voert aan dat hij in Letland niet de noodzakelijke medische behandeling zal krijgen, omdat deze volgens hem niet beschikbaar en toegankelijk voor hem is. Volgens eiser kan niet worden volstaan met de verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat sprake is van een persoonlijke individuele angst. Een verdere verslechtering van zijn gezichtsvermogen zou volgens eiser een schending van artikel 3 van het EVRM opleveren. Daar komt volgens eiser bij dat hij ook klachten heeft aan zijn gebroken wijsvinger. Eiser doet daarbij ook een uitdrukkelijk beroep op het arrest C.K..




6.1.
Ten aanzien van artikel 17 van de Dublinverordening stelt de rechtbank vast dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Letland zou leiden tot onevenredige hardheid. De rechtbank stelt verder vast dat uit het arrest C.K. en rechtspraak van de Afdeling volgt dat overdracht achterwege moet blijven wanneer een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn of haar gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Overdracht mag namelijk niet leiden tot een reëel risico op onmenselijk of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het EU Handvest. Het is aan eiser om dit met objectieve gegevens te onderbouwen.



6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Letland leidt tot onevenredige hardheid. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat overdracht een reëel risico oplevert op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid. Hoewel uit het overgelegde medische dossier blijkt dat eiser medische klachten heeft, volgt daaruit niet dat sprake is van een zodanig ernstige gezondheidstoestand dat overdracht aan Letland zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering daarvan. Ook is met dit dossier niet onderbouwd dat eiser specialistische zorg (nodig) heeft die uitsluitend in Nederland beschikbaar is. Daarbij wijst de minister terecht op het feit dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Letland, wat betekent dat de medische voorzieningen in Letland als vergelijkbaar met die in Nederland mogen worden beschouwd. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij geen toegang heeft tot de noodzakelijke zorg. Bovendien stelt de minister terecht dat wanneer de aangevoerde individuele omstandigheden al zijn betrokken bij de vraag of nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, hij diezelfde omstandigheden niet nogmaals hoeft te beoordelen in het kader van het beroep op artikel 17 van de Dublinverordening. Gelet op het voorgaande heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat artikel 17 van de Dublinverordening niet toegepast hoeft te worden en dat er geen risico zoals bedoeld in het arrest C.K. bestaat.




Conclusie en gevolgen


7. Gelet op wat onder 4.1 is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad.



7.1.
Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het besluit van 29 mei 2026;


bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;


veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.







Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Die stond in de Dublinverordening. Sinds 12 juni 2026 staat deze regelgeving in de Asiel- en Migratiebeheerverordening. In deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold tot 12 juni 2026.


Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.


European Union Agency for Asylum (EUAA), Country overview 2025, Latvia.


ABRvS 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4732.


Zie hiervoor de beantwoording van de vragen in: EUAA, ‘Information on procedural elements and rights of applicants subject to a Dublin transfer to Latvia’, 29 mei 2024, onder 2.2.


HvJEU 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.


ABRvS 11 september 2023, ECLI:NL:RVS:2024:3661.


HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.


Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000


ABRvS 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2986.


ABRvS 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1802 en ABRvS 12 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2408.


ABRvS 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.