Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22529

2026-08-12 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.21414 (beroep) en NL26.21415 (voorlopige voorziening)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.21414 (beroep) en NL26.21415 (voorlopige voorziening)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Frankrijk – artikel 8:86 Awb – beroep ongegrond – vovo afgewezen.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.067 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht



Bestuursrecht



zaaknummers: NL26.21414 (beroep) en NL26.21415 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen



[verzoekster] , V-nummer: [v-nummer] , verzoekster
(gemachtigde: mr. S.N. Ali),


en


de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. E.E.G.N. van der Meulen).

Inleiding


1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster vanwege het bestreden besluit van 10 april 2026. Daarbij heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.



1.1.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is
gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep dat verzoekster tegen het bestreden besluit heeft ingesteld. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.






Procesverloop


2. Bij besluit van 10 april 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.



2.1.
De behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening stond eerder op 9 juni 2026 bij deze zittingsplaats op zitting gepland.





2.2.
Naar aanleiding van door verzoekster overgelegde informatie van het GZA van 31 mei 2026 heeft de minister verzocht om de zaken aan te houden. In zijn brief van 5 juni 2026 heeft de minister verzoekster verzocht in te dienen een toestemmingsverklaring, bewijs omtrent de medische situatie en eventueel medische stukken waaruit blijkt dat de overdracht in het kader van Dublin aan Frankrijk zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidssituatie van verzoekster dan wel dat er een aanzienlijk risico daarop bestaat.



2.3.
Verzoekster heeft hierop verschillende toestemmingsformulieren ingediend, maar volgens de minister waren deze formulieren onvolledig ingevuld.



2.4.
Bij brief van 28 juli 2026 heeft de minister verzoekster op de hoogte gebracht van de voorgenomen overdracht op 14 augustus 2026.



2.5.
Op 4 augustus 2026 heeft verzoekster verzocht om het verzoek om een voorlopige voorziening met spoed te behandelen gelet op de voorgenomen overdracht op 14 augustus 2026.



2.6.
Bij brief van 10 augustus 2026 heeft de minister in zijn verweer laten weten dat nu geen volledig ingevulde toestemmingsformulieren en geen nadere medische stukken zijn overgelegd, onvoldoende aanleiding bestaat voor het aanvragen van een BMA-onderzoek.





2.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen E.J. Nyembokatumbwe. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.





Overwegingen



Overgangsrecht


3. Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening (Dvo) vastgelegde criteria.

4. Verzoeksters verzoek om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend, namelijk op 17 december 2025. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dvo vastgelegde criteria.



Zorgvuldigheid gang van zaken na instellen van het beroep


5. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de gang van zaken in deze procedure onzorgvuldig is. Door de feitelijke overdracht op 14 augustus 2026 in te plannen loopt de minister vooruit op de rechterlijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Hierdoor komt het effectieve karakter van het rechtsmiddel in het gedrang, aldus verzoekster. Verzoekster heeft op zitting nog opgemerkt dat de minister de indruk heeft gewekt dat een BMA-advies zal worden aangevraagd, daar mag verzoekster dan ook van uit gaan. Daar past niet bij dat een feitelijke overdracht wordt gepland en dat de minister een dag voor de behandeling van de voorlopige voorziening zijn standpunt over de noodzaak van een BMA-advies wijzigt. Volgens verzoekster is dit dusdanig onzorgvuldig dat hier een gevolg aan moet worden gegeven door in elk geval de voorlopige voorziening toe te wijzen.

6. De voorzieningenrechter constateert dat verzoekster op 31 mei 2026 informatie van het GZA heeft overgelegd en dat de minister deze informatie – zoals verwoord in de brief van 5 juni 2026 – heeft opgevat als een beroep op het bestaan van medische klachten die ertoe zouden moeten leiden dat afgezien moet worden van overdracht aan Frankrijk. Om een beslissing hierover te kunnen nemen heeft de minister op 5 juni 2026 de volgende stukken opgevraagd; een ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring, een bewijs omtrent de medische situatie van verzoekster en eventueel medische stukken waaruit blijkt dat de overdracht in het kader van Dublin aan Frankrijk zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidssituatie dan wel dat er een aanzienlijk risico daarop bestaat. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat verschillende toestemmingsformulieren zijn overgelegd maar dat deze telkens onvolledig waren. Er ontbrak ofwel informatie over behandelaren ofwel de handtekening en daarmee de toestemming om informatie op te vragen bij de betrokken behandelaren. Op 4 augustus 2026 is voor het eerst een formulier overgelegd die, voor zover de voorzieningenrechter kan oordelen, volledig is. Nieuwe medische stukken zijn in deze periode niet overgelegd door verzoekster.



7. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat verzoekster n.a.v. het bericht van de minister van 5 juni 2026 in de veronderstelling was dat een feitelijke overdracht niet eerder zou plaatsvinden dan dat het BMA-advies was opgesteld. Maar de enkele omstandigheid dat de minister van standpunt is gewijzigd en een feitelijke overdracht heeft gepland, maakt niet dat sprake is van een dusdanig onzorgvuldige gang van zaken dat de voorlopige voorziening reeds om die reden toegewezen moet worden. Daarbij is van belang dat herhaaldelijk is gewezen op het onvolledig ingevulde toestemmingsformulier en op de verantwoordelijkheid van verzoekster om beschikbare relevante medische informatie te overleggen. Meerdere keren is geen gebruik gemaakt van de gelegenheid tot herstelverzuim. Dat komt voor rekening en risico van verzoekster. Ook is geen nadere medische informatie overgelegd, terwijl daar wel in de brief van 5 juni 2026 op is gewezen. Voor zover verzoekster heeft opgemerkt dat zij wel pogingen heeft ondernomen om nadere informatie te verkrijgen, maar dat dit door onder meer de vakantieperiode niet is gelukt, is niet onderbouwd.



8. Verder overweegt de rechtbank dat in het besluit is genoemd dat als binnen 24 uur een voorlopige voorziening wordt aangevraagd, verzoekster de procedure in Nederland mag afwachten. Maar in dit geval is het verzoek niet binnen 24 uur na bekendmaking van het besluit ingediend. Het stond de minister in zoverre vrij om een feitelijke overdracht te plannen. Voor zover verzoekster zegt geen effectief rechtsmiddel te hebben m.b.t. de voorlopige voorziening, volgt de voorzieningenrechter dit standpunt niet nu met deze uitspraak voorafgaand aan feitelijke overdracht de rechtmatigheid van het bestreden besluit door de voorzieningenrechter is beoordeeld.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel


9. Verzoekster stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk. Hiertoe voert verzoekster aan dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, waarbij Frankrijk handelt in strijd met de Opvangrichtlijn, Kwalificatierichtlijn en Procedurerichtlijn. Volgens verzoekster is dit algemeen bekend. Verzoekster heeft uitgebreid verklaard over de situatie waarin zij slachtoffer is geworden van mensenhandel. Zij is door een mensensmokkelaar naar Frankrijk gebracht en moest daar als prostituee werken. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat Frankrijk haar aangifte in behandeling zal nemen. Verzoekster verwijst ook naar pagina 93 van het AIDA-rapport Frankrijk over 2024, over de waarborgen van kwetsbare personen. Het claimakkoord biedt volgens verzoekster verder onvoldoende garantie dat haar asielaanvraag in behandeling wordt genomen, dat zij wordt opgevangen en dat zij niet verwaarloosd zal raken. Ook merkt verzoekster op dat het in theorie misschien wel mogelijk is om te klagen, maar dat vreemdelingen deze mogelijkheid praktisch en feitelijk gezien niet hebben. Bij een eventuele poging wordt er geen medewerking verleend of gehoor aan gegeven. Bovendien is sprake van een taalbarrière. Gelet op al deze tekortkomingen kan zij niet worden overgedragen aan Frankrijk.

10. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en wijst hierbij op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 30 augustus 2024 en 31 juli 2025. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover verzoekster zal nakomen en dat de behandeling van verzoekster in Frankrijk niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan verzoekster om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan zij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in geval verzoekster aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.

11. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Verzoekster heeft haar standpunt niet (met documenten) onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Frankrijk sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Ook in de verklaringen van verzoekster over mensenhandel heeft de minister geen reden hoeven zien om niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2021 volgt dat een aangifte van mensenhandel niet van invloed is op de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. De verwijzing van verzoekster naar pagina 93 van het AIDA-rapport Frankrijk over 2024 maakt dit oordeel ook niet anders. Op die pagina wordt de werkwijze van identificatie van kwetsbaarheid besproken. Daarbij wordt ook gesproken van slachtoffers van mensenhandel en wordt vervolgens besproken hoe de identificatie van kwetsbaarheden plaatsvindt. Uit de verwijzing kan de voorzieningenrechter dan ook niet opmaken dat de Franse autoriteiten geen oog hebben voor hetgeen verzoekster over mensenhandel naar voren heeft gebracht of dat daar onvoldoende waarborgen voor zouden zijn. Verder hebben de Franse autoriteiten middels het claimakkoord gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming van verzoekster in behandeling te nemen. Daarmee garanderen de Franse autoriteiten ook dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Indien verzoekster in Frankrijk wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van haar asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan zij hierover klagen bij de Franse (hogere) autoriteiten. De stelling van verzoekster dat klagen bij de Franse autoriteiten voor haar niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is, heeft verzoekster niet onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.



Arrest C.K.


12. Verzoekster verwijst naar een brief van het GZA van 31 mei 2026 waaruit volgt dat verzoekster is gediagnostiseerd met PTSS als slachtoffer mensenhandel waarbij sprake is van nachtmerries en slaapproblemen. Ook volgt uit deze brief dat verzoekster onder behandeling staat en wordt begeleid via het POH-GGZ en dat zij is aangemeld bij ARQ Centrum ’45. Hierdoor is verzoekster van mening dat de minister gehouden was nader onderzoek te verrichten door een BMA-advies in te winnen. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst verzoekster erop dat de minister eerder in deze procedure heeft verzocht de behandeling van het beroep aan te houden omdat hij een BMA-onderzoek wilde laten uitvoeren. Ook wijst verzoekster op een nieuwsbericht van InfoMigrants waarin wordt gesproken over twee hervormingen in de State Medical Aid. Het eerste decreet bepaalt dat het voortaan verplicht is om officiële identiteitsdocumenten met een pasfoto te verstrekken om aanspraak te kunnen maken op en toegang te kunnen krijgen tot de benodigde zorg. Het tonen van een officieel document met pasfoto is voor verzoekster niet mogelijk nu zij helemaal geen documenten heeft.

13. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster hiermee beoogt een beroep te doen op het arrest C.K. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. Indien verzoekster deze gegevens heeft overgelegd, dient de minister het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA, zo volgt uit Werkinstructie 2021/3.

14. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verzoekster hierin niet geslaagd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verzoekster PTSS, nachtmerries en slaapproblemen heeft, maar daaruit blijkt niet dat overdracht aan Frankrijk leidt tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand. Dat verband is in de stukken niet beschreven en valt er ook niet uit op te maken. Verzoekster heeft haar medische situatie en eventuele gevolgen van overdracht ook op de zitting niet nader toegelicht. Ten aanzien van verzoeksters verwijzing naar het nieuwsbericht van InfoMigrants oordeelt de voorzieningenrechter dat daarmee niet is onderbouwd dat het voor verzoekster in het geheel niet mogelijk is om aanspraak te maken op de benodigde zorg. Er is niet gebleken of aannemelijk gemaakt dat Frankrijk de benodigde zorg niet aan verzoekster wil of kan verstrekken. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten dat de minister gehouden is een BMA-advies aan te vragen. De omstandigheid dat de minister hiertoe aanvankelijk wel bereid was, maakt – gelet op het voorliggend toetsingskader – niet dat de minister daartoe ook verplicht was. De beroepsgrond slaagt niet.



Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening


15. Verzoekster stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hiertoe voert verzoekster aan dat zij slachtoffer is van mensenhandel. Zij heeft juist in Frankrijk negatieve ervaringen en vreest voor de personen die betrokken waren bij de mensenhandel. Ook wijst verzoekster onder andere op haar medische situatie.

16. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.

17. De voorzieningenrechter oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Frankrijk onevenredig hard is. Wat verzoekster heeft aangevoerd aangaande mensenhandel is daarvoor onvoldoende. Het Openbaar Ministerie heeft op 16 juni 2026 aan de minister laten weten dat de aanwezigheid van verzoekster niet noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel. De aangifte mensenhandel is ook overigens geen omstandigheid die maakt dat de overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Niet is gesteld of gebleken dat Frankrijk - voor zover nodig - niet de nodige bescherming kan bieden of dat extra garanties nodig zijn. Van andere bijzondere individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de asielaanvraag aan zich had moeten trekken, is verder niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen


18. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De voorzieningenrechter:



verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.



Deze uitspraak zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl en is uitgesproken en bekendgemaakt op:



12 augustus 2026




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak op beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Tegen de beslissing op de voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.




ECLI:NL:RVS:2024:3552.


ECLI:NL:RVS:2025:3623.


Zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo.


ECLI:NL:RVS:2021:464.


France: Criticism oftwo new reforms of State Medical Aid (AME) – InfoMigrants d.d. 13 februari 2026.


ECLI:EU:C:2017:127.