Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22422
2026-08-11
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.37256
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
MK-uitspraak. Dublin/AMbV. Overdracht aan Duitsland. Overgangsrecht. Claimakkoord vóór 12 juni 2026. De verantwoordelijkheidscriteria uit de Dublinverordening zijn van toepassing. Geen reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest. Geen bijzondere kwetsbaarheid of medische omstandigheden die aan overdracht in de weg staan. Geen verplichting tot het houden van een persoonlijk onderhoud. Geen aanleiding voor toepassing van de discretionaire bevoegdheid. Beroep ongegrond.
Citeert (23)
- ECLI:EU:C:1994:224
- ECLI:EU:C:2018:613
- ECLI:EU:C:2024:1036
- ECLI:NL:RVS:2024:2359 Raad van State 12-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2026:2133 Raad van State 20-04-2026
- ECLI:EU:C:2024:1036
- ECLI:EU:C:2011:865
- ECLI:EU:C:2019:218
- ECLI:NL:RVS:2024:3455 Raad van State 04-09-2024
- ECLI:NL:RVS:2017:2986 Raad van State 03-11-2017
- ECLI:NL:RVS:2019:1190 Raad van State 16-04-2019
- ECLI:NL:RVS:2026:1595 Raad van State 20-03-2026
- ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712
- ECLI:NL:RVS:2025:4588 Raad van State 30-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1642 Raad van State 11-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2015:3806 Raad van State 03-12-2015
- ECLI:EU:C:2023:269
- ECLI:NL:RVS:2023:2593 Raad van State 05-07-2023
- ECLI:NL:RVS:2018:2829 Raad van State 24-08-2018
- ECLI:NL:RVS:2024:4919 Raad van State 29-11-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4244 Raad van State 23-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14213 Rechtbank Den Haag 31-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20200 Rechtbank Den Haag 31-10-2025
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23853 Rechtbank Den Haag 21-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22486 Rechtbank Den Haag 11-08-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (27.567 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37256
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum]
van Ugandese nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. R. van der Straten).
Inleiding
1. Bij besluit van 29 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister eiser in kennis gesteld van het feit dat hij, op grond van artikel 42 van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (hierna: AMbV), zal worden overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het besluit van de minister om eiser over te dragen aan Duitsland. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Zaaksverloop
3. Aan het bestreden besluit is het volgende voorafgegaan.
3.1.
Op 13 maart 2023 hebben de Duitse autoriteiten een verzoek van eiser om internationale bescherming geregistreerd.
3.2.
Op 4 juni 2026 heeft eiser in Nederland aangifte gedaan van mensenhandel. Eiser heeft verklaard dat hij vanaf oktober 2025 in Nederland is gedwongen prostitutiewerkzaamheden te verrichten.
3.3.
De minister heeft op 10 juni 2026 aan de autoriteiten van Duitsland gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. Op 11 juni 2026 heeft Duitsland met het verzoek ingestemd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.
3.4.
Bij brief van 11 juni 2026 is de gemachtigde van eiser bericht dat Duitsland akkoord is met een terugnameverzoek en is verzocht binnen twee weken te berichten of eiser bezwaren heeft tegen een overdracht aan Duitsland.
3.5.
Op 24 juni 2026 heeft het Openbaar Ministerie (OM) aan eiser laten weten geen vervolging in te stellen, omdat het opsporingsonderzoek naar aanleiding van de aangifte geen aanknopingspunten heeft opgeleverd voor nader opsporingsonderzoek. Eveneens op 24 juni 2026 is door de minister de (ambtshalve) aanvraag voor een verblijfsvergunning afgewezen, onder verwijzing naar het bericht van het OM. Eiser heeft ter zitting, desgevraagd, naar voren gebracht dat hij daartegen bezwaar heeft gemaakt.
4. Op 29 juni 2026 is er een overdrachtsbesluit tot stand gekomen. Het beroep tegen dat overdrachtsbesluit ligt in deze uitspraak voor.
Toetsingskader
Overgangsrecht
5. In geschil is of het besluit van 29 juni 2026 kon worden gebaseerd op de AMbV.
5.1.
Eiser heeft in dit kader bepleit dat de Dublinverordening, en niet de AMbV, het toetsingskader vormt. Eiser wijst op artikel 85 van de AMbV, waarin staat dat de verordening van toepassing is met ingang van 1 juli 2026. De minister heeft naar voren gebracht dat een op 25 november 2025 gedane rectificatie betekent dat de AMbV op 12 juni 2026 van toepassing is geworden en dat, gelet op de onmiddellijke werking van de AMbV, het bestreden besluit terecht op grond van artikel 42 van de AMbV is genomen. Eiser heeft ter zitting gewezen op arresten van het Hof van Justitie en bepleit dat deze rectificatie niet geldig is.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat de AMbV op 22 mei 2024 in het Publicatieblad van de Europese Unie is gepubliceerd. Daarbij is in artikel 85 vermeld dat de verordening in werking treedt op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (12 juni 2024) en van toepassing is met ingang van 1 juli 2026. Op 25 november 2025 is laatstgenoemde datum met een corrigendum aangepast naar 12 juni 2026.
5.3.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat deze rectificatie niet geldig is. De AMbV maakt onderdeel uit van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, dat is gebaseerd op gemeenschappelijke normen voor asielprocedures, erkenning en bescherming op Unieniveau, opvangvoorzieningen en een systeem voor het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor het onderzoek van een verzoek om internationale bescherming. Met de in het Publicatieblad op 25 november 2025 bekendgemaakte rectificatie zijn de in het kader van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel gezamenlijk opgestelde verordeningen, waarnaar in de AMbV wordt verwezen, alsnog op dezelfde datum van toepassing (twee jaar en twintig dagen na bekendmaking ervan in het Publicatieblad). Dit is gebeurd ruim voor de datum waarop de AMbV van toepassing is. De rectificatie heeft de werkingssfeer van de betrokken verordening niet gewijzigd en is niet van invloed op de inhoud van de toepasselijke regeling. Dit betekent dat de Dublinverordening is ingetrokken met ingang van 12 juni 2026.
5.4.
In artikel 85 van de geconsolideerde versie van de AMbV is neergelegd dat deze verordening van toepassing is met ingang van 12 juni 2026. In artikel 83 is verder vermeld dat “verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.” Het in het besluit genoemde artikel 42 van de AMbV (uit de afdeling “Procedurele waarborgen” ) vervangt daarbij - volgens de concordantietabel - artikel 26 van de Dublinverordening.
Toepassing Dublinverordening.
6. In geschil is daarmee nog wel in hoeverre de Dublinverordening een rol speelt bij de beoordeling van onderhavig beroep.
6.1.
De rechtbank leest in de Dublinverordening en de AMbV verschillen in de te volgen procedure voor overname en terugname. De Dublinverordening kent procedures voor overnameverzoeken (artikel 21 en 22) en terugnameverzoeken (artikel 23 t/m 25). De AMbV kent nog wel procedures voor overnameverzoeken (artikel 39 en 40), maar als het gaat om terugname wordt dit beperkt tot een kennisgeving (artikel 41). Een ander verschil is dat de weigering om de in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde discretionaire bepaling toe te passen aan de rechter kon worden voorgelegd, terwijl dit niet geldt voor de in artikel 35, eerste lid, van de AMbV neergelegde discretionaire clausule (artikel 43, eerste lid, van de AMbV).
6.2.
In artikel 84, tweede lid, van de AMbV is de volgende overgangsmaatregel neergelegd: “Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 vastgelegde criteria.” De rechtbank neemt aan dat hiermee de verantwoordelijkheidscriteria uit hoofdstuk III van de Dublinverordening (artikel 7 t/m 15) en de bepalingen over afhankelijke personen en discretionaire bepalingen uit hoofdstuk IV (artikel 16 en 17) van de Dublinverordening worden bedoeld. De toepassing van laatstgenoemde bepalingen betreft immers ook de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Dit sluit ook aan bij bijlage XII van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 over overnameverzoeken die vallen onder de reikwijdte van artikel 84, tweede lid, van de AMbV. In bijlage XII zijn ook de artikelen 16 en 17, tweede lid, van de Dublinverordening vermeld.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat het claimakkoord op 11 juni 2026 tot stand is gekomen en berust op de in de Dublinverordening genoemde verantwoordelijkheidscriteria. De rechtbank leest de in deel VII van de AMbV neergelegde overgangsbepalingen zo dat in dat geval ook de weigering om de discretionaire bepaling toe te passen aan de rechter kan worden voorgelegd. Hierbij zij wel opgemerkt dat in het tot 12 juni 2026 geldende beleid al was vermeld dat de IND terughoudend gebruik maakt van deze bevoegdheid. In het - inmiddels niet meer geldende - beleid werden twee situaties genoemd: 1) er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt; en 2) bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Voor zover eiser meent dat Nederland op grond van dit beleid de aanvraag in behandeling moet nemen, is het aan hem om dat te onderbouwen. De rechtbank zal dit standpunt vervolgens toetsen.
Reikwijdte van het rechtsmiddel
7. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat procedureregels op het moment waarop zij in werking treden in beginsel van toepassing zijn op alle lopende procedures. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen leidt dit in deze zaak tot het volgende toetsingskader.
7.1.
Krachtens het op 12 juni 2026 in werking getreden artikel 43 van AMbV is de reikwijdte van een rechtsmiddel beperkt tot een beoordeling of:
a. a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten;
b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening;
c) inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.
7.2.
Omdat het claimakkoord berust op de in de Dublinverordening genoemde verantwoordelijkheidscriteria kan daarnaast - gelet op de in deel VII van de AMbV neergelegde overgangsbepalingen - ook de motivering om geen gebruik te maken van de discretionaire clausule worden voorgelegd. De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen in 6.3. Verder zal de rechtbank hierna ook ingaan op de gronden over het hebben van rechtmatig verblijf, de acceptatie op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening en het ontbreken van persoonlijk onderhoud, voordat aan artikel 4 van het Handvest wordt getoetst.
Toetsing artikel 4 Handvest
8. Bij de vraag of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de verzoeker als gevolg van de overdracht een reëel risico zou lopen op schending van zijn of haar grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest is het volgende van belang.
8.1.
Het gemeenschappelijk Europees asielstelsel is opgezet in een context waarin mag worden aangenomen dat alle staten die aan dit stelsel deelnemen de grondrechten eerbiedigen, daaronder begrepen de rechten die het Vluchtelingenverdrag en het EVRM als grondslag hebben, en dat er in dit opzicht wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten kan bestaan. De Uniewetgever heeft juist wegens dat beginsel van wederzijds vertrouwen de Dublin III-verordening vastgesteld. De huidige Verordening brengt daar geen verandering in en is vastgesteld om het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten te versterken middels een alomvattende aanpak van asiel- en migratiebeheer.
8.2.
Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is daarmee ongewijzigd het uitgangspunt dat in de eerste plaats de aangezochte lidstaat het verbod op refoulement naleeft, en in de tweede plaats een vreemdeling in die lidstaat ook toegang heeft tot effectieve rechtsmiddelen om een negatieve beschikking aan te vechten, en zo een eventueel risico op refoulement aan rechterlijke toetsing te onderwerpen.
8.3.
De verzoeker die opkomt tegen het besluit hem over te dragen aan een lidstaat kan, ook onder de nieuwe verordening, door de rechter zijn standpunt laten toetsen dat er in die lidstaat aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en van de opvangvoorzieningen voor asielzoekers bestaan, die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat die asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Deze eerder in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening neergelegde bepaling moet geacht worden te zijn geïncorporeerd in artikel 16, derde lid, van de AMbV. Uit dit laatste artikel volgt dat alleen “systeemfouten” die “gegronde redenen geven om aan te nemen dat de verzoeker door de overdracht een reëel risico zou lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest” een overdracht van een persoon die om internationale bescherming verzoekt aan de verantwoordelijke lidstaat onmogelijk maken. Het gaat daarbij om fundamentele tekortkomingen. Tekortkomingen vallen alleen onder artikel 4 van het Handvest wanneer die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, wat afhangt van alle gegevens van de zaak. Deze bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, een bad nemen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid, of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid.8.4. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS is het aan de vreemdeling om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit zou kunnen worden afgeleid dat niet mag worden uitgegaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM.
8.5.
Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel is het ook bij medische problemen aan de vreemdeling om te staven dat de voor zijn ernstige fysieke of mentale aandoening benodigde medische zorg in de verantwoordelijke lidstaat ontbreekt. Volgens voornoemd beginsel mag ervan worden uitgegaan dat asielzoekers in de lidstaten die gebonden zijn aan de Opvangrichtlijn passende medische zorg ontvangen. Dit betekent dat het aan de verzoeker is om met medische stukken aan te tonen dat zijn overdracht een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie inhoudt als bedoeld in het arrest C.K. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten voorafgaand aan, tijdens of direct na de reis, de gerezen twijfel over een schending van artikel 3 van het EVRM als gevolg van de overdracht zelf wegnemen.
8.6.
Indien sprake is van een bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakhel kan dit ertoe leiden dat voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties van de verantwoordelijke lidstaat moeten worden verkregen. De vreemdeling dient aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid en dat zonder deze garanties geen passende zorg- en opvangvoorzieningen beschikbaar zullen zijn. Of sprake is van bijzondere kwetsbaarheid hangt af van de individuele omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de leeftijd, het geslacht en de gezondheidstoestand van de vreemdeling van belang kunnen zijn.
Beoordeling individuele omstandigheden
Rechtmatig verblijf
9. Eiser stelt dat hij ten tijde van het claimverzoek en het claimakkoord nog rechtmatig verblijf genoot op basis van de aanvraag tot verlening van een reguliere verblijfsvergunning ‘tijdelijk humanitair’. Ook stelt hij op dit moment nog rechtmatig verblijf te hebben op grond van het besluit van 24 juni 2026.
9.1.
De rechtbank stelt voorop dat met WBV 2023/11 beleid is gemaakt voor vreemdelingen op wie de Dublinverordening van toepassing is. Dit beleid is voortgezet onder de AMbV. Hierbij wordt enkel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als slachtoffer van mensenhandel verleend, nadat het OM heeft bericht dat de aanwezigheid van de vreemdeling noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat het bericht van het OM is afgewacht. Eerst na het bericht van het OM van 24 juni 2026 is op 29 juni 2026 een overdrachtsbesluit genomen. Dit besluit houdt niet in dat eiser wordt uitgezet naar een derde land, maar dat hij wordt overgedragen aan een lidstaat die onder meer het EU Handvest en alle uit de richtlijn 2004/81/EG voortvloeiende verplichtingen in acht moet nemen.
9.3.
De rechtbank ziet geen rechtsregel die eraan in de weg staat om na het besluit tot afwijzing van een aanvraag van een verblijfstitel als slachtoffer van mensenhandel een dergelijk overdrachtsbesluit te nemen.
Acceptatie op grond van artikel 18, eerste lid, sub d van de Dublinverordening
10. Duitsland heeft het op artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening gedane terugnameverzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d van die verordening. De vraag in hoeverre de minister in zijn besluit moet ingaan op bepaalde aspecten van een zaak, moet altijd worden bezien in het licht van wat de vreemdeling heeft aangevoerd. Gelet op wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat dit aspect moet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Persoonlijk onderhoud
11. Eiser stelt voorts dat de minister inhoudelijk geen rekening heeft gehouden met het feit dat eiser aangifte heeft gedaan van mensenhandel. Eiser is niet gehoord. Dit levert volgens eiser een zorgvuldigheidsgebrek op en is in strijd met artikel 5 van de Dublinverordening. Tot slot benadrukt eiser de verplichting van de minister om te toetsen aan artikel 4 van het Handvest.
11.1.
Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voerde de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, op grond van artikel 5 van de Dublinverordening een persoonlijk onderhoud met de persoon die een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Dit moest gebeuren voordat een besluit tot overdracht werd genomen. Met de invoering van de AMbV is dit beperkt tot overnameverzoeken. Bij terugname wordt in beginsel direct een kennisgeving verstuurd. Werkinstructie 2026/17 bepaalt op blz. 10 over de noodzaak tot horen: “De algemene regel is dat in terugname zaken niet wordt gehoord. Van deze algemene regel wordt afgeweken wanneer er sprake is van een NBM (niet begeleide minderjarigen).”
11.2.
De minister heeft erop gewezen dat op 11 juni 2026 geen asielaanvraag voorlag en een persoonlijk onderhoud niet vereist was voor het nemen van een zelfstandig overdrachtsbesluit. De minister stelt dat, gelet op Afdelingsjurisprudentie, kon worden volstaan met de mogelijkheid een zienswijze in te dienen.
11.3.
De rechtbank stelt voorop dat eiser terecht stelt dat de minister ook bij een zelfstandig overdrachtsbesluit verplicht is, wanneer daar een beroep op wordt gedaan, te beoordelen of een risico bestaat dat de overdracht in strijd is met artikel 4 van het Handvest. De minister was evenwel niet verplicht om een persoonlijk onderhoud te beleggen voordat die beoordeling kon worden uitgevoerd. De minister kon volstaan met het bieden van de gelegenheid om schriftelijk bezwaren tegen een overdracht aan Duitsland kenbaar te maken. Daarbij zij nog opgemerkt dat de minister blijkens het op 24 juni 2026 genomen besluit ermee bekend was dat de aangifte van eiser eruit bestond dat hij tijdens de Oktoberfeesten in Duitsland een persoon heeft ontmoet die hem naar Nederland heeft gebracht en dat dat heeft geleid tot prostitutiewerkzaamheden. Met die kennis is op 29 juni 2026 het overdrachtsbesluit genomen, waarin het navolgende is overwogen: “Nederland mag u niet overdragen aan een ander EU+-land als u na de overdracht een reëel risico loopt op een slechte behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Dit staat in artikel 16, derde lid, van de AMbV. Daar is in uw geval niet van gebleken.”
Artikel 4 Handvest
12. Eiser heeft in zijn beroepsgronden aangevoerd dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat hij aangifte heeft gedaan van mensenhandel, dat hij als een kwetsbare persoon moet worden gezien en dat overdracht aan Duitsland het gevaar in zich draagt dat hij opnieuw in handen van mensenhandelaren valt. Verder vindt eiser dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat er in Duitsland structurele tekortkomingen in de asielprocedure en – opvang zouden zijn. Ook heeft eiser nog een medische verklaring overgelegd.
12.1.
De rechtbank oordeelt dat eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan Duitsland leidt tot een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt van welke tekortkomingen in Duitsland sprake zou zijn, en indien dat zo zou zijn, waarom die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid zouden bereiken. Ook is niet gebleken van bijzondere kwetsbaarheid die moet leiden tot het verkrijgen van aanvullende garanties. Ten slotte is uit de door eiser overgelegde medische informatie niet gebleken van medische problemen die niet in Duitsland behandeld zouden kunnen worden.
12.2.
Gelet op het bovenstaande is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder a, van de AMbV. Evenmin is gebleken van de toepasselijkheid van artikel 43, aanhef en onder b of c van de AMbV.
De discretionaire bevoegdheid
13. In het bestreden besluit heeft de minister vermeld dat de IND kan besluiten om de asielaanvraag te behandelen, ook al is Duitsland verantwoordelijk. Hierbij is verwezen naar artikel 35 van de AMbV en is vermeld dat de IND in de regel geen gebruik maakt van deze discretionaire bevoegdheid, tenzij dit naar het oordeel van de IND vanwege proceseconomische redenen aangewezen is. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheid de aanvraag toch te behandelen.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond.
15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. F. Sijens en
mr. L.J. van der Veen, leden, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 2 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. U ziet deze datum hierboven.
Verordening (EU) 2024/1351.
Verordening (EU) 604/2013.
Arresten Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ), C-30/93 en C-273/09.
Rectificatie van Verordening (EU) 2024/1351, 2025/90929, 25 november 2025.
Vgl. arrest HvJ van 2 juni 1994, C-30/93, ECLI:EU:C:1994:224.
Zie artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055: In de in artikel 84, lid 2, van Verordening (EU) 2024/1351 bedoelde gevallen wordt voor het overnameverzoek gebruikgemaakt van een standaardformulier dat in overeenstemming is met het model van bijlage XII.
C2/5.1. Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 (Discretionaire bepalingen); verder ingeperkt in Stcrt. 2026, nr. 17856.
O.a. HvJ 6 juli 1993, C‑121/91 en C‑122/91, EU:C:1993:285, § 22.
Zie ook: artikel 16, derde lid, van Verordening (EU) 2024/1351.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Conclusie A-G 25 juli 2018 in de zaak Jawo, C-163/17, ECLI:EU:C:2018:613, § 77. Zie ook HvJ 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1036, § 29-32.
Verordening (EU) 2024/1351, considerans § 2.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, onder 6.2.
HvJ 10 december 2013 (Abdullahi, C-394/12) en ABRvS 20 april 2026,
ECLI:NL:RVS:2026:2133, r.o. 4.
Vgl. HvJ 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1036, § 35.
HvJ 21 december 2011 in de zaak N.S., C-411/10, ECLI:EU:C:2011:865.
HvJ 19 maart 2019 in de zaak Jawo, C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218, § 92.
ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455, r.o. 4.
ABRvS 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2986, r.o. 6.
Richtlijn (EU) 2024/1346, ter wijziging van Richtlijn 2013/33/EU. Zie meer in het bijzonder artikel 22 over gezondheidzorg (voorheen artikel 19).
ABRvS 16 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1190.
ABRvS 20 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1595, r.o. 3.2.
EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
ABRvS 30 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4588.
ABRvS 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642, r.o. 5.5.
ABRvS 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806, r.o. 1.1.
Stcrt. 2023, 13577.
WBV 2026/11, Stcrt. 2026, 18956.
Vgl. Hof van Justitie 30 maart 2023, ECLI:EU:C:2023:269, § 44.
Vgl. ABRvS 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2593.
ABRvS 24 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2829.
ABRvS 29 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4919.
ABRvS 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4244, r.o. 7.5.
Vgl. Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 31 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14213.
Vgl. Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20200.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37256
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum]
van Ugandese nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. R. van der Straten).
Inleiding
1. Bij besluit van 29 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister eiser in kennis gesteld van het feit dat hij, op grond van artikel 42 van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (hierna: AMbV), zal worden overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het besluit van de minister om eiser over te dragen aan Duitsland. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Zaaksverloop
3. Aan het bestreden besluit is het volgende voorafgegaan.
3.1.
Op 13 maart 2023 hebben de Duitse autoriteiten een verzoek van eiser om internationale bescherming geregistreerd.
3.2.
Op 4 juni 2026 heeft eiser in Nederland aangifte gedaan van mensenhandel. Eiser heeft verklaard dat hij vanaf oktober 2025 in Nederland is gedwongen prostitutiewerkzaamheden te verrichten.
3.3.
De minister heeft op 10 juni 2026 aan de autoriteiten van Duitsland gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. Op 11 juni 2026 heeft Duitsland met het verzoek ingestemd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.
3.4.
Bij brief van 11 juni 2026 is de gemachtigde van eiser bericht dat Duitsland akkoord is met een terugnameverzoek en is verzocht binnen twee weken te berichten of eiser bezwaren heeft tegen een overdracht aan Duitsland.
3.5.
Op 24 juni 2026 heeft het Openbaar Ministerie (OM) aan eiser laten weten geen vervolging in te stellen, omdat het opsporingsonderzoek naar aanleiding van de aangifte geen aanknopingspunten heeft opgeleverd voor nader opsporingsonderzoek. Eveneens op 24 juni 2026 is door de minister de (ambtshalve) aanvraag voor een verblijfsvergunning afgewezen, onder verwijzing naar het bericht van het OM. Eiser heeft ter zitting, desgevraagd, naar voren gebracht dat hij daartegen bezwaar heeft gemaakt.
4. Op 29 juni 2026 is er een overdrachtsbesluit tot stand gekomen. Het beroep tegen dat overdrachtsbesluit ligt in deze uitspraak voor.
Toetsingskader
Overgangsrecht
5. In geschil is of het besluit van 29 juni 2026 kon worden gebaseerd op de AMbV.
5.1.
Eiser heeft in dit kader bepleit dat de Dublinverordening, en niet de AMbV, het toetsingskader vormt. Eiser wijst op artikel 85 van de AMbV, waarin staat dat de verordening van toepassing is met ingang van 1 juli 2026. De minister heeft naar voren gebracht dat een op 25 november 2025 gedane rectificatie betekent dat de AMbV op 12 juni 2026 van toepassing is geworden en dat, gelet op de onmiddellijke werking van de AMbV, het bestreden besluit terecht op grond van artikel 42 van de AMbV is genomen. Eiser heeft ter zitting gewezen op arresten van het Hof van Justitie en bepleit dat deze rectificatie niet geldig is.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat de AMbV op 22 mei 2024 in het Publicatieblad van de Europese Unie is gepubliceerd. Daarbij is in artikel 85 vermeld dat de verordening in werking treedt op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (12 juni 2024) en van toepassing is met ingang van 1 juli 2026. Op 25 november 2025 is laatstgenoemde datum met een corrigendum aangepast naar 12 juni 2026.
5.3.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat deze rectificatie niet geldig is. De AMbV maakt onderdeel uit van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, dat is gebaseerd op gemeenschappelijke normen voor asielprocedures, erkenning en bescherming op Unieniveau, opvangvoorzieningen en een systeem voor het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor het onderzoek van een verzoek om internationale bescherming. Met de in het Publicatieblad op 25 november 2025 bekendgemaakte rectificatie zijn de in het kader van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel gezamenlijk opgestelde verordeningen, waarnaar in de AMbV wordt verwezen, alsnog op dezelfde datum van toepassing (twee jaar en twintig dagen na bekendmaking ervan in het Publicatieblad). Dit is gebeurd ruim voor de datum waarop de AMbV van toepassing is. De rectificatie heeft de werkingssfeer van de betrokken verordening niet gewijzigd en is niet van invloed op de inhoud van de toepasselijke regeling. Dit betekent dat de Dublinverordening is ingetrokken met ingang van 12 juni 2026.
5.4.
In artikel 85 van de geconsolideerde versie van de AMbV is neergelegd dat deze verordening van toepassing is met ingang van 12 juni 2026. In artikel 83 is verder vermeld dat “verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.” Het in het besluit genoemde artikel 42 van de AMbV (uit de afdeling “Procedurele waarborgen” ) vervangt daarbij - volgens de concordantietabel - artikel 26 van de Dublinverordening.
Toepassing Dublinverordening.
6. In geschil is daarmee nog wel in hoeverre de Dublinverordening een rol speelt bij de beoordeling van onderhavig beroep.
6.1.
De rechtbank leest in de Dublinverordening en de AMbV verschillen in de te volgen procedure voor overname en terugname. De Dublinverordening kent procedures voor overnameverzoeken (artikel 21 en 22) en terugnameverzoeken (artikel 23 t/m 25). De AMbV kent nog wel procedures voor overnameverzoeken (artikel 39 en 40), maar als het gaat om terugname wordt dit beperkt tot een kennisgeving (artikel 41). Een ander verschil is dat de weigering om de in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde discretionaire bepaling toe te passen aan de rechter kon worden voorgelegd, terwijl dit niet geldt voor de in artikel 35, eerste lid, van de AMbV neergelegde discretionaire clausule (artikel 43, eerste lid, van de AMbV).
6.2.
In artikel 84, tweede lid, van de AMbV is de volgende overgangsmaatregel neergelegd: “Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 vastgelegde criteria.” De rechtbank neemt aan dat hiermee de verantwoordelijkheidscriteria uit hoofdstuk III van de Dublinverordening (artikel 7 t/m 15) en de bepalingen over afhankelijke personen en discretionaire bepalingen uit hoofdstuk IV (artikel 16 en 17) van de Dublinverordening worden bedoeld. De toepassing van laatstgenoemde bepalingen betreft immers ook de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Dit sluit ook aan bij bijlage XII van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 over overnameverzoeken die vallen onder de reikwijdte van artikel 84, tweede lid, van de AMbV. In bijlage XII zijn ook de artikelen 16 en 17, tweede lid, van de Dublinverordening vermeld.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat het claimakkoord op 11 juni 2026 tot stand is gekomen en berust op de in de Dublinverordening genoemde verantwoordelijkheidscriteria. De rechtbank leest de in deel VII van de AMbV neergelegde overgangsbepalingen zo dat in dat geval ook de weigering om de discretionaire bepaling toe te passen aan de rechter kan worden voorgelegd. Hierbij zij wel opgemerkt dat in het tot 12 juni 2026 geldende beleid al was vermeld dat de IND terughoudend gebruik maakt van deze bevoegdheid. In het - inmiddels niet meer geldende - beleid werden twee situaties genoemd: 1) er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt; en 2) bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Voor zover eiser meent dat Nederland op grond van dit beleid de aanvraag in behandeling moet nemen, is het aan hem om dat te onderbouwen. De rechtbank zal dit standpunt vervolgens toetsen.
Reikwijdte van het rechtsmiddel
7. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat procedureregels op het moment waarop zij in werking treden in beginsel van toepassing zijn op alle lopende procedures. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen leidt dit in deze zaak tot het volgende toetsingskader.
7.1.
Krachtens het op 12 juni 2026 in werking getreden artikel 43 van AMbV is de reikwijdte van een rechtsmiddel beperkt tot een beoordeling of:
a. a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten;
b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening;
c) inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.
7.2.
Omdat het claimakkoord berust op de in de Dublinverordening genoemde verantwoordelijkheidscriteria kan daarnaast - gelet op de in deel VII van de AMbV neergelegde overgangsbepalingen - ook de motivering om geen gebruik te maken van de discretionaire clausule worden voorgelegd. De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen in 6.3. Verder zal de rechtbank hierna ook ingaan op de gronden over het hebben van rechtmatig verblijf, de acceptatie op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening en het ontbreken van persoonlijk onderhoud, voordat aan artikel 4 van het Handvest wordt getoetst.
Toetsing artikel 4 Handvest
8. Bij de vraag of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de verzoeker als gevolg van de overdracht een reëel risico zou lopen op schending van zijn of haar grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest is het volgende van belang.
8.1.
Het gemeenschappelijk Europees asielstelsel is opgezet in een context waarin mag worden aangenomen dat alle staten die aan dit stelsel deelnemen de grondrechten eerbiedigen, daaronder begrepen de rechten die het Vluchtelingenverdrag en het EVRM als grondslag hebben, en dat er in dit opzicht wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten kan bestaan. De Uniewetgever heeft juist wegens dat beginsel van wederzijds vertrouwen de Dublin III-verordening vastgesteld. De huidige Verordening brengt daar geen verandering in en is vastgesteld om het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten te versterken middels een alomvattende aanpak van asiel- en migratiebeheer.
8.2.
Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is daarmee ongewijzigd het uitgangspunt dat in de eerste plaats de aangezochte lidstaat het verbod op refoulement naleeft, en in de tweede plaats een vreemdeling in die lidstaat ook toegang heeft tot effectieve rechtsmiddelen om een negatieve beschikking aan te vechten, en zo een eventueel risico op refoulement aan rechterlijke toetsing te onderwerpen.
8.3.
De verzoeker die opkomt tegen het besluit hem over te dragen aan een lidstaat kan, ook onder de nieuwe verordening, door de rechter zijn standpunt laten toetsen dat er in die lidstaat aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en van de opvangvoorzieningen voor asielzoekers bestaan, die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat die asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Deze eerder in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening neergelegde bepaling moet geacht worden te zijn geïncorporeerd in artikel 16, derde lid, van de AMbV. Uit dit laatste artikel volgt dat alleen “systeemfouten” die “gegronde redenen geven om aan te nemen dat de verzoeker door de overdracht een reëel risico zou lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest” een overdracht van een persoon die om internationale bescherming verzoekt aan de verantwoordelijke lidstaat onmogelijk maken. Het gaat daarbij om fundamentele tekortkomingen. Tekortkomingen vallen alleen onder artikel 4 van het Handvest wanneer die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, wat afhangt van alle gegevens van de zaak. Deze bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, een bad nemen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid, of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid.8.4. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS is het aan de vreemdeling om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit zou kunnen worden afgeleid dat niet mag worden uitgegaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM.
8.5.
Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel is het ook bij medische problemen aan de vreemdeling om te staven dat de voor zijn ernstige fysieke of mentale aandoening benodigde medische zorg in de verantwoordelijke lidstaat ontbreekt. Volgens voornoemd beginsel mag ervan worden uitgegaan dat asielzoekers in de lidstaten die gebonden zijn aan de Opvangrichtlijn passende medische zorg ontvangen. Dit betekent dat het aan de verzoeker is om met medische stukken aan te tonen dat zijn overdracht een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie inhoudt als bedoeld in het arrest C.K. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten voorafgaand aan, tijdens of direct na de reis, de gerezen twijfel over een schending van artikel 3 van het EVRM als gevolg van de overdracht zelf wegnemen.
8.6.
Indien sprake is van een bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakhel kan dit ertoe leiden dat voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties van de verantwoordelijke lidstaat moeten worden verkregen. De vreemdeling dient aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid en dat zonder deze garanties geen passende zorg- en opvangvoorzieningen beschikbaar zullen zijn. Of sprake is van bijzondere kwetsbaarheid hangt af van de individuele omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de leeftijd, het geslacht en de gezondheidstoestand van de vreemdeling van belang kunnen zijn.
Beoordeling individuele omstandigheden
Rechtmatig verblijf
9. Eiser stelt dat hij ten tijde van het claimverzoek en het claimakkoord nog rechtmatig verblijf genoot op basis van de aanvraag tot verlening van een reguliere verblijfsvergunning ‘tijdelijk humanitair’. Ook stelt hij op dit moment nog rechtmatig verblijf te hebben op grond van het besluit van 24 juni 2026.
9.1.
De rechtbank stelt voorop dat met WBV 2023/11 beleid is gemaakt voor vreemdelingen op wie de Dublinverordening van toepassing is. Dit beleid is voortgezet onder de AMbV. Hierbij wordt enkel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als slachtoffer van mensenhandel verleend, nadat het OM heeft bericht dat de aanwezigheid van de vreemdeling noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat het bericht van het OM is afgewacht. Eerst na het bericht van het OM van 24 juni 2026 is op 29 juni 2026 een overdrachtsbesluit genomen. Dit besluit houdt niet in dat eiser wordt uitgezet naar een derde land, maar dat hij wordt overgedragen aan een lidstaat die onder meer het EU Handvest en alle uit de richtlijn 2004/81/EG voortvloeiende verplichtingen in acht moet nemen.
9.3.
De rechtbank ziet geen rechtsregel die eraan in de weg staat om na het besluit tot afwijzing van een aanvraag van een verblijfstitel als slachtoffer van mensenhandel een dergelijk overdrachtsbesluit te nemen.
Acceptatie op grond van artikel 18, eerste lid, sub d van de Dublinverordening
10. Duitsland heeft het op artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening gedane terugnameverzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d van die verordening. De vraag in hoeverre de minister in zijn besluit moet ingaan op bepaalde aspecten van een zaak, moet altijd worden bezien in het licht van wat de vreemdeling heeft aangevoerd. Gelet op wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat dit aspect moet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Persoonlijk onderhoud
11. Eiser stelt voorts dat de minister inhoudelijk geen rekening heeft gehouden met het feit dat eiser aangifte heeft gedaan van mensenhandel. Eiser is niet gehoord. Dit levert volgens eiser een zorgvuldigheidsgebrek op en is in strijd met artikel 5 van de Dublinverordening. Tot slot benadrukt eiser de verplichting van de minister om te toetsen aan artikel 4 van het Handvest.
11.1.
Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voerde de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, op grond van artikel 5 van de Dublinverordening een persoonlijk onderhoud met de persoon die een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Dit moest gebeuren voordat een besluit tot overdracht werd genomen. Met de invoering van de AMbV is dit beperkt tot overnameverzoeken. Bij terugname wordt in beginsel direct een kennisgeving verstuurd. Werkinstructie 2026/17 bepaalt op blz. 10 over de noodzaak tot horen: “De algemene regel is dat in terugname zaken niet wordt gehoord. Van deze algemene regel wordt afgeweken wanneer er sprake is van een NBM (niet begeleide minderjarigen).”
11.2.
De minister heeft erop gewezen dat op 11 juni 2026 geen asielaanvraag voorlag en een persoonlijk onderhoud niet vereist was voor het nemen van een zelfstandig overdrachtsbesluit. De minister stelt dat, gelet op Afdelingsjurisprudentie, kon worden volstaan met de mogelijkheid een zienswijze in te dienen.
11.3.
De rechtbank stelt voorop dat eiser terecht stelt dat de minister ook bij een zelfstandig overdrachtsbesluit verplicht is, wanneer daar een beroep op wordt gedaan, te beoordelen of een risico bestaat dat de overdracht in strijd is met artikel 4 van het Handvest. De minister was evenwel niet verplicht om een persoonlijk onderhoud te beleggen voordat die beoordeling kon worden uitgevoerd. De minister kon volstaan met het bieden van de gelegenheid om schriftelijk bezwaren tegen een overdracht aan Duitsland kenbaar te maken. Daarbij zij nog opgemerkt dat de minister blijkens het op 24 juni 2026 genomen besluit ermee bekend was dat de aangifte van eiser eruit bestond dat hij tijdens de Oktoberfeesten in Duitsland een persoon heeft ontmoet die hem naar Nederland heeft gebracht en dat dat heeft geleid tot prostitutiewerkzaamheden. Met die kennis is op 29 juni 2026 het overdrachtsbesluit genomen, waarin het navolgende is overwogen: “Nederland mag u niet overdragen aan een ander EU+-land als u na de overdracht een reëel risico loopt op een slechte behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Dit staat in artikel 16, derde lid, van de AMbV. Daar is in uw geval niet van gebleken.”
Artikel 4 Handvest
12. Eiser heeft in zijn beroepsgronden aangevoerd dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat hij aangifte heeft gedaan van mensenhandel, dat hij als een kwetsbare persoon moet worden gezien en dat overdracht aan Duitsland het gevaar in zich draagt dat hij opnieuw in handen van mensenhandelaren valt. Verder vindt eiser dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat er in Duitsland structurele tekortkomingen in de asielprocedure en – opvang zouden zijn. Ook heeft eiser nog een medische verklaring overgelegd.
12.1.
De rechtbank oordeelt dat eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan Duitsland leidt tot een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt van welke tekortkomingen in Duitsland sprake zou zijn, en indien dat zo zou zijn, waarom die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid zouden bereiken. Ook is niet gebleken van bijzondere kwetsbaarheid die moet leiden tot het verkrijgen van aanvullende garanties. Ten slotte is uit de door eiser overgelegde medische informatie niet gebleken van medische problemen die niet in Duitsland behandeld zouden kunnen worden.
12.2.
Gelet op het bovenstaande is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder a, van de AMbV. Evenmin is gebleken van de toepasselijkheid van artikel 43, aanhef en onder b of c van de AMbV.
De discretionaire bevoegdheid
13. In het bestreden besluit heeft de minister vermeld dat de IND kan besluiten om de asielaanvraag te behandelen, ook al is Duitsland verantwoordelijk. Hierbij is verwezen naar artikel 35 van de AMbV en is vermeld dat de IND in de regel geen gebruik maakt van deze discretionaire bevoegdheid, tenzij dit naar het oordeel van de IND vanwege proceseconomische redenen aangewezen is. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheid de aanvraag toch te behandelen.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond.
15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. F. Sijens en
mr. L.J. van der Veen, leden, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 2 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. U ziet deze datum hierboven.
Verordening (EU) 2024/1351.
Verordening (EU) 604/2013.
Arresten Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ), C-30/93 en C-273/09.
Rectificatie van Verordening (EU) 2024/1351, 2025/90929, 25 november 2025.
Vgl. arrest HvJ van 2 juni 1994, C-30/93, ECLI:EU:C:1994:224.
Zie artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055: In de in artikel 84, lid 2, van Verordening (EU) 2024/1351 bedoelde gevallen wordt voor het overnameverzoek gebruikgemaakt van een standaardformulier dat in overeenstemming is met het model van bijlage XII.
C2/5.1. Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 (Discretionaire bepalingen); verder ingeperkt in Stcrt. 2026, nr. 17856.
O.a. HvJ 6 juli 1993, C‑121/91 en C‑122/91, EU:C:1993:285, § 22.
Zie ook: artikel 16, derde lid, van Verordening (EU) 2024/1351.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Conclusie A-G 25 juli 2018 in de zaak Jawo, C-163/17, ECLI:EU:C:2018:613, § 77. Zie ook HvJ 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1036, § 29-32.
Verordening (EU) 2024/1351, considerans § 2.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, onder 6.2.
HvJ 10 december 2013 (Abdullahi, C-394/12) en ABRvS 20 april 2026,
ECLI:NL:RVS:2026:2133, r.o. 4.
Vgl. HvJ 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1036, § 35.
HvJ 21 december 2011 in de zaak N.S., C-411/10, ECLI:EU:C:2011:865.
HvJ 19 maart 2019 in de zaak Jawo, C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218, § 92.
ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455, r.o. 4.
ABRvS 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2986, r.o. 6.
Richtlijn (EU) 2024/1346, ter wijziging van Richtlijn 2013/33/EU. Zie meer in het bijzonder artikel 22 over gezondheidzorg (voorheen artikel 19).
ABRvS 16 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1190.
ABRvS 20 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1595, r.o. 3.2.
EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
ABRvS 30 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4588.
ABRvS 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642, r.o. 5.5.
ABRvS 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806, r.o. 1.1.
Stcrt. 2023, 13577.
WBV 2026/11, Stcrt. 2026, 18956.
Vgl. Hof van Justitie 30 maart 2023, ECLI:EU:C:2023:269, § 44.
Vgl. ABRvS 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2593.
ABRvS 24 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2829.
ABRvS 29 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4919.
ABRvS 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4244, r.o. 7.5.
Vgl. Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 31 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14213.
Vgl. Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20200.