Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23853
2026-08-21
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.41890 en NL26.41891
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin, Duitsland, pv mondelinge uitspraak, de beroepsgronden die eiser over de kennisgeving heeft aangevoerd vallen buiten de in artikel 43 AMbV beschreven reikwijdte van een rechtsmiddel, eiser heeft met zijn stelling dat hij langere tijd uit Duitsland is vertrokken geen omstandigheden van na het overdrachtsbesluit aangevoerd, dat geldt ook voor zijn stelling over de artikelen 19 en 20 AMbV, beroep ongegrond, vovo afgewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22422 Rechtbank Den Haag 11-08-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:2359 Raad van State 12-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.391 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.41890 en NL26.41891
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 21 augustus 2026 in de zaak tussen:
[naam 1] , eiser,
geboren op [geboortedatum 1] ,
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
alias:
[naam 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] ,
van Iraakse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).
Inleiding
1. Bij besluit van 24 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister eiser in kennis gesteld van het feit dat hij, op grond van artikel 17, vijfde lid, van de AMbV, verplicht is om mee te werken aan zijn overdracht aan Duitsland. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en direct mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Overwegingen
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. Eiser heeft op 18 juni 2026 in Nederland een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de AMbV. Op grond van de AMbV neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
3.1.
In dit geval heeft Nederland op 23 juni 2026 bij Duitsland een kennisgeving inzake terugname -op grond van artikel 13 van Uitvoeringsverordening 2025/2055- gedaan. In de bijgevoegde resultaten van de Eurodac-bevraging is een aanvraag in Duitsland uit 2022 terug te vinden. Na een bericht aan de Duitse autoriteiten dat er niet genoeg bewijs is dat eiser het grondgebied van de lidstaten voor meer dan negen maanden heeft verlaten, heeft Duitsland de kennisgeving op 13 juli 2026 bevestigd.
4. Krachtens het vanaf 12 juni 2026 van toepassing zijnde artikel 43 van AMbV is de reikwijdte van een rechtsmiddel beperkt tot een beoordeling of:
a. a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten;
b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening;
c) inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.
De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats en van 11 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22422.
4.1.
Hoofdstuk III van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 is gewijd aan kennisgevingen inzake terugname (artikelen 12 t/m 16). De gronden die eiser over deze kennisgeving heeft aangevoerd, vallen buiten de in artikel 43 beschreven reikwijdte van een rechtsmiddel. Eiser heeft met zijn -verder niet met stukken onderbouwde- stelling dat hij reeds langere tijd uit Duitsland is vertrokken geen omstandigheden van na het overdrachtsbesluit aangevoerd die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening. Deze stelling past ook niet binnen artikel 43, sub a of sub c. Dat geldt ook voor zijn stelling over de artikelen 19 en 20 AMbV.
4.2.
De door eiser opgeworpen vrees dat zijn aanvraag niet nauwkeurig zal worden beoordeeld kan evenmin leiden tot een gegrond beroep. Een vreemdeling die voor refoulement vreest door een risico op uitzetting door de aangezochte lidstaat, dient deze vrees ofwel in die lidstaat aan te kaarten, ofwel dient aannemelijk te maken dat dit niet mogelijk is, omdat er in die lidstaat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, in de zin van het arrest Jawo. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van de ABRvS van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, r.o. 6.4.
Eiser heeft met zijn betoog niet aannemelijk gemaakt dat in Duitsland sprake is van systeemfouten in de zin van voornoemd arrest.
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
6. Omdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026 door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak voor zover die ziet op de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Asiel- en migratiebeheerverordening.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.41890 en NL26.41891
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 21 augustus 2026 in de zaak tussen:
[naam 1] , eiser,
geboren op [geboortedatum 1] ,
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
alias:
[naam 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] ,
van Iraakse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).
Inleiding
1. Bij besluit van 24 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister eiser in kennis gesteld van het feit dat hij, op grond van artikel 17, vijfde lid, van de AMbV, verplicht is om mee te werken aan zijn overdracht aan Duitsland. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en direct mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Overwegingen
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. Eiser heeft op 18 juni 2026 in Nederland een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de AMbV. Op grond van de AMbV neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
3.1.
In dit geval heeft Nederland op 23 juni 2026 bij Duitsland een kennisgeving inzake terugname -op grond van artikel 13 van Uitvoeringsverordening 2025/2055- gedaan. In de bijgevoegde resultaten van de Eurodac-bevraging is een aanvraag in Duitsland uit 2022 terug te vinden. Na een bericht aan de Duitse autoriteiten dat er niet genoeg bewijs is dat eiser het grondgebied van de lidstaten voor meer dan negen maanden heeft verlaten, heeft Duitsland de kennisgeving op 13 juli 2026 bevestigd.
4. Krachtens het vanaf 12 juni 2026 van toepassing zijnde artikel 43 van AMbV is de reikwijdte van een rechtsmiddel beperkt tot een beoordeling of:
a. a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten;
b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening;
c) inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.
De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats en van 11 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22422.
4.1.
Hoofdstuk III van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 is gewijd aan kennisgevingen inzake terugname (artikelen 12 t/m 16). De gronden die eiser over deze kennisgeving heeft aangevoerd, vallen buiten de in artikel 43 beschreven reikwijdte van een rechtsmiddel. Eiser heeft met zijn -verder niet met stukken onderbouwde- stelling dat hij reeds langere tijd uit Duitsland is vertrokken geen omstandigheden van na het overdrachtsbesluit aangevoerd die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening. Deze stelling past ook niet binnen artikel 43, sub a of sub c. Dat geldt ook voor zijn stelling over de artikelen 19 en 20 AMbV.
4.2.
De door eiser opgeworpen vrees dat zijn aanvraag niet nauwkeurig zal worden beoordeeld kan evenmin leiden tot een gegrond beroep. Een vreemdeling die voor refoulement vreest door een risico op uitzetting door de aangezochte lidstaat, dient deze vrees ofwel in die lidstaat aan te kaarten, ofwel dient aannemelijk te maken dat dit niet mogelijk is, omdat er in die lidstaat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, in de zin van het arrest Jawo. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van de ABRvS van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, r.o. 6.4.
Eiser heeft met zijn betoog niet aannemelijk gemaakt dat in Duitsland sprake is van systeemfouten in de zin van voornoemd arrest.
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
6. Omdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026 door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak voor zover die ziet op de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Asiel- en migratiebeheerverordening.