Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22486

2026-08-11 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.36120
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
NL26.36120
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

MK-uitspraak. Dublin/AMbV. Overgangsrecht. Interstatelijk vertrouwensbeginsel België. De rechtbank verwijst voor de toepasselijkheid van de AMbV naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 augustus 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:22422). De rechtbank oordeelt dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat bij overdracht van niet-kwetsbare alleenstaande mannen aan België kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Het beroep is ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.734 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen


Bestuursrecht


zaaknummer: NL26.36120


uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen



[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum]
van Chinese nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. H.G.M. van Zutphen),



en




de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. R. van der Straten).




Inleiding


1. Bij besluit van 24 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister eiser bericht dat hij op grond van artikel 17, vijfde lid, van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (hierna: AMbV), verplicht is mee te werken aan zijn overdracht aan België. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.



1.1.
De minister heeft op 23 juli 2026 een verweerschrift ingediend.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Omdat de tolk niet beschikbaar was, is na een onderbreking van de zitting door de gemachtigde van eiser een telefonische tolk geboekt.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de door eiser in maart 2026 gedane asielaanvraag. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.



Overgangsrecht/toepasselijke verordening


3. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen juridische grondslag is voor het besluit. De minister heeft in het besluit aangegeven dat de AMbV van toepassing is, terwijl de aanvraag dateert van voor 12 juni 2026. Eiser stelt dat een asielprocedure die onder het oude recht is aangevangen, op grond van dit recht dient te worden afgehandeld.

3.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de AMbV terecht aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Hoewel de asielaanvraag, de terugnameverzoeken en het claimakkoord van België nog onder de werking van de Dublinverordening tot stand zijn gekomen, dateert het bestreden besluit van na 12 juni 2026. Volgens de minister is in lijn met de onmiddellijke werking van de AMbV, zoals volgt uit artikel 85, tweede alinea van de AMbV, in het bestreden besluit terecht gewezen op verschillende bepalingen uit de AMbV die op het bestreden besluit van toepassing zijn, zoals de verplichting om mee te werken op grond van artikel 17, vijfde lid, van de AMbV en het verbod uit artikel 16, derde lid, van de AMbV om iemand over te dragen wanneer sprake is van een reëel risico op slechte behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Daarbij merkt de minister op dat eiser niet heeft toegelicht welke bepalingen uit de AMbV afwijken van de Dublinverordening en waarom dit tot een ander oordeel over de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit zou moeten leiden.

4. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 augustus 2026. Zoals in deze uitspraak is overwogen is in artikel 85 van de AMbV neergelegd dat deze verordening van toepassing is met ingang van 12 juni 2026 en volgt uit artikel 83 van de AMbV dat “verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.” Het betoog van eiser slaagt niet.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel


5. Ten aanzien van de overdracht aan België stelt eiser zich op het standpunt dat België nog steeds niet voldoet aan de eisen ten aanzien van de begeleiding en opvang van vluchtelingen. Eiser betwist het standpunt van de minister, dat de opvangsituatie in België inmiddels zodanig is verbeterd dat overdracht weer in overeenstemming is met het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister verwijst volgens eiser niet naar concrete, objectieve en actuele informatie die dit onderbouwt. De minister heeft volgens eiser niet inzichtelijk gemaakt waarom van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij stelt dat het besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb.



5.1.
Eiser stelt dat hij bij overdracht aan België risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser verwijst daartoe naar het oordeel van de ABRvS dat de rechtsbescherming in België faalt, omdat rechterlijke uitspraken niet worden uitgevoerd. In dezelfde uitspraak heeft de ABRvS vastgesteld dat de Belgische overheid zich niet langer actief inzet om de opvangcapaciteit uit te breiden. Ook noemt eiser een rapport van Amnesty International van april 2025 en een evaluatie van Fedasil uit 2025.


6. De minister stelt zich op het standpunt, dat de uitspraak van de ABRvS van 23 juli 2025 is gebaseerd op de destijds beschikbare informatie over de opvangsituatie in België en dat die situatie inmiddels wezenlijk is gewijzigd. Er kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing verwijst de minister naar het Informatiebericht 2026/8 en de brief van Fedasil van 5 februari 2026. De minister acht het – gelet op de ontwikkelingen zoals beschreven in de brief van 5 februari 2026 – aannemelijk dat een alleenstaande niet-kwetsbare mannelijke asielzoeker zich in België met succes kan wenden tot de humanitaire opvang in afwachting van plaatsing in het reguliere opvangnetwerk. Bij de huidige stand van zaken bestaat er in de optiek van de minister dan ook geen reëel risico dat een vreemdeling na overdracht in een situatie verzeild raakt zoals bedoeld in het arrest Jawo. Het aantal door Fedasil gefinancierde plaatsen binnen de humanitaire opvang is, gezien de actuele omvang van de doorstroomlijst, ruimschoots voldoende om aannemelijk te achten dat een vreemdeling die daarvan gebruik wenst te maken, daar ook daadwerkelijk gebruik van kán maken. In deze context kan een vreemdeling, met een loutere verwijzing naar het bestaan van de doorstroomlijst, niet aannemelijk maken dat hij na overdracht aan België in een situatie terecht komt zoals bedoeld in het arrest Jawo.




6.1.

Volgens de minister zijn daarmee ook de gestelde problemen met betrekking tot het aanwenden van een effectief rechtsmiddel over opvangvoorzieningen niet van belang. Daarbij is verwezen naar het bestreden besluit, waarin is toegelicht dat er momenteel in België geen tekortkomingen meer in de opvangvoorzieningen zijn.
7. De rechtbank stelt voorop dat de minister in beginsel ten opzichte van andere EU-lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en het Unierecht zullen behandelen. Overdracht aan een andere lidstaat is niet mogelijk, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling als gevolg van de overdracht aan die lidstaat een reëel risico loopt op een schending van zijn grondrechten die neerkomt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest. De tekortkomingen moeten een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Dat is het geval als de levensomstandigheden een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengen waardoor de verzoeker in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling. Het is aan eiser om dit aannemelijk te maken.




7.1.
De ABRvS is in de uitspraak van 23 juli 2025 tot de conclusie gekomen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zij bij de toepassing van de Dublinverordening op asielaanvragen van niet-kwetsbare alleenstaande mannen voor België uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De ABRvS heeft daarbij toen betrokken dat op 18 november 2024 2.645 niet-kwetsbare alleenstaande mannen op de wachtlijst voor opvang stonden en dat onduidelijk was hoeveel opvangplaatsen daadwerkelijk voor deze groep beschikbaar waren. Daarnaast was niet gebleken dat de Belgische autoriteiten erin waren geslaagd de eerder toegezegde uitbreiding van de opvangcapaciteit te realiseren. De ABRvS oordeelde dat daardoor niet langer sprake was van tijdelijke, maar van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Verder heeft de ABRvS uit overgelegde informatie afgeleid dat rechterlijke uitspraken over het recht op opvang en opgelegde dwangsommen niet werden nageleefd.



7.2.
Bij brief van 5 februari 2026 heeft de Directeur-generaal van Fedasil het volgende bericht:


“een samenwerkingsakkoord (…) beoogt een structureel en gecoördineerd antwoord te bieden op de problematiek van tekorten aan opvangplaatsen (…). In zijn huidige vorm voorziet het samenwerkingsakkoord in 2.000 humanitaire opvangplaatsen (…), waarvan 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. (…)
Alleenstaande mannelijke verzoekers die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil kunnen tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord (…). Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde “wachtlijst” staan (…). Op 27 januari 2026 stonden nog 1.535 personen op de lijst, met een dalende trend (…).
Aangezien het aantal personen op deze “doorstroomlijst” reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, kan worden vastgesteld dat alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken. Indien onmiddellijke instroom in het reguliere federale opvangnetwerk niet mogelijk is, wordt tijdelijk opvang geboden binnen het kader van het samenwerkingsakkoord, met behoud van een gelijkwaardige kwaliteitsstandaard inzake essentiële basisbehoeften.”




7.3.
In een op 24 maart 2026 uitgebracht informatiebericht (IB 2026/8) is, onder verwijzing naar deze brief, aangekondigd dat het overdragen van alleenstaande niet- kwetsbare mannelijke asielzoekers zal worden herstart.



7.4.
Uit door de minister in deze procedure overgelegde maandelijkse cijferoverzichten van Fedasil blijkt dat het aantal personen op genoemde doorstroomlijst in de maanden mei, juni en juli verder is gedaald en op 1 juli 2026 1.040 personen betrof.


7.5.
Uit door de minister overgelegde verklaringen van de verantwoordelijke Belgische bewindspersoon, afgelegd ten overstaan van de Commissie voor Binnenlandse Zaken, Veiligheid, Migratie en Bestuurszaken op 22 april 2026, blijkt daarbij dat niet iedereen op de doorstroomlijst gebruik maakt van een van de 2.000 humanitaire opvangplaatsen:


“Heel wat mensen op die lijst hebben een woonoplossing. Enkel degenen die dat niet hebben, nemen contact op met de organisaties voor daklozenhulp. De contactgegevens van dat netwerk staan op de flyer die aan verzoekers om internationale bescherming wordt meegegeven. (…) Ongeveer de helft van hen verblijft bij iemand uit hun persoonlijke netwerk en de andere helft verblijft in een opvangvoorziening in het kader van de Brussels Deal.”



7.6.
De rechtbank is van oordeel dat de minister, gelet op de ingebrachte informatie uit 2026, deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er wordt uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de informatie blijkt dat de wachtlijst sterk is gedaald en op 1 juni 2026 nog circa 1.000 personen bevatte. Op basis van deze cijfers kan worden geconcludeerd dat er meer opvangplaatsen zijn voor personen die niet direct in het reguliere opvangnetwerk kunnen worden geplaatst, dan dat er personen op de wachtlijst staan. De minister heeft ter zitting, desgevraagd, naar voren gebracht dat de update van AIDA van juli 2026 niet tot een ander standpunt leidt. Eiser heeft geen andersluidende informatie ingebracht of anderszins aannemelijk gemaakt dat bij zijn overdracht niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De verwijzing naar het artikel op een website over de schorsing van 8 juli 2026 door de Belgische Raad van State van een ministeriële instructie ziet niet op de situatie van eiser. Deze schorsing heeft namelijk betrekking op de opvang van personen die in een andere lidstaat al bescherming hebben gekregen (personen met een M-status). Niet ter discussie staat dat eiser niet onder deze groep valt.



7.7.
Voor zover eiser meent dat sprake is van een opvolgende aanvraag en dat om die reden geen opvang zal worden verleend, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen en verwijst zij naar de door de minister ter zitting genoemde uitspraken van de ABRvS van 13 maart 2024 en 17 juli 2026.




Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond.

9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. F. Sijens en
mr. L.J. van der Veen, leden, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Verordening (EU) 2024/1351.


Verordening (EU) 604/2013.


Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 11 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22422.


Algemene wet bestuursrecht.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3305.


Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers.


IB 2026/8 Dublin België: hervatten beslissen alleenstaande niet kwetsbare mannen.


Bijlage bij IB 2026/8.


Artikel 16, derde lid, van de AMbV.


Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, § 91-93 (Jawo).


Asylum Information Database, Country Report july 2026.


Vreemdelingenrecht.be, ‘Raad van State schorst instructie opvangweigering voor M-Status’, gepubliceerd op 9 juli 2026.


ABRvS 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1050, en ABRvS 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4169.