Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:20743
2026-07-22
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/09/691495 / HA ZA 25-795
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vordering tot terugbetaling van geleende bedragen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:1996:ZC2105 Hoge Raad 14-06-1996
- ECLI:NL:HR:2003:AF5529 Hoge Raad 13-06-2003
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.783 tekens)
RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Zaaknummer: C/09/691495 / HA ZA 25-795
Vonnis van 22 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
1. [partij A sub 1] , te [woonplaats] ,
2. [partij A sub 2] B.V., te [plaats 1] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
verweerders in het incident,
hierna te noemen: [partij A sub 1] en [partij A sub 2] en samen: [partij A] c.s.,
advocaat: mr. R.W. Lagerwaard, te Hilversum,
tegen
[partij B] B.V., te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: [partij B] ,
thans zonder advocaat.
1De procedure
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 6 maart 2025, met producties 1 tot en met 23;
- de akte met vermindering van eis van 19 september 2025;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, tevens houdende eis in het incident houdende opheffing conservatoir beslag ex artikel 223 en 705 Rv, met producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord in reconventie alsmede in het incident.
1.2.
Bij B2-formulier van 3 juni 2026 heeft mr. M.J.S. van der Vorst zich per 30 juni 2026 onttrokken als advocaat van [partij B] . Er heeft zich geen nieuwe advocaat voor [partij B] gesteld.
1.3.
Op 30 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens gedaagde was de heer [naam] aanwezig (zonder advocaat). Partijen hebben de zaak nader toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.
1.4.
Ten slotte is de datum voor vonnis nader bepaald op vandaag.
2. De feiten
2.1.
[partij A sub 1] is enig bestuurder en aandeelhouder van [partij A sub 2] .
2.2.
[partij A sub 1] heeft aan [partij B] meerdere geldbedragen uitgeleend. Voor een aantal van die leningen is een onderhandse leningsovereenkomst opgesteld. In deze overeenkomsten zijn telkens vaste bedragen aan rente voor een bepaalde periode opgenomen, gekoppeld aan de datum waarop de leningen moesten worden afgelost.
2.3.
Op 2 november 2024 zijn [partij A sub 1] en (onder meer) [partij B] een vaststellingsovereenkomst aangegaan, waarin [partij A sub 1] “Geldgever” en [partij B] “Geldlener” zijn genoemd. In de vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:
“BETWISTEN NIET DAT:
Geldgever meerdere geldleningen heeft verleend aan Geldnemer vanuit privé vermogen.
De betalingen van geldgever vanuit privé-vermogen zijn verricht.
Geldnemer betalingen heeft verricht aan Geldgever, maar de geleende bedragen en verschuldigde rente nog niet volledig heeft afgelost;
Geldgever en Geldnemer de voorwaarden met betrekking tot het aflossen van de vordering van Geldgever op Geldnemer in onderhavige vaststellingsovereenkomst vast te leggen;
Partijen rechtsgeldig bevoegd zijn deze overeenkomst aan te gaan evenals de uitvoering daarvan.
De bedragen in het hieronder weergegeven excel overzicht is opgebouwd uit een component hoofdsom en een deel rente.
Bij de verkoop van het casino de aandelen door geldgever zullen worden vrijgegeven niet eerder dan dat eerst daarvoor in de plaats voldoende zekerheid door geldnemer wordt gegeven
Geldnemer zich ervan bewust is dat bij het niet nakomen van haar betalingsverplichtingen Conform het in dit schrijven weergegeven excel programma een vordering ontstaat, conform de bestaande overeenkomst, te weten € 1.459.471,00, bij aflossing in juni 2025.
KOMEN HET ONDERSTAANDE EXCEL BEATLINSSCHEMA OVEREEN:
(…)
5-11-2024
[omschrijving 1]
€
50.000
14-11-2024
[omschrijving 2]
€
50.000
21-11-2-24
[omschrijving 3]
€
275.000
30-11-2024
[omschrijving 4]
€
100.000
Restant
[omschrijving 5]
€
375.000
uitloop 20/12
[omschrijving 6]
[omschrijving 7]
[omschrijving 8]
€
850.000
Zie voorgaande excel volgens afspraak
€ 1.459.471,00
afkoop
€
850.000
besparing
€
609.471,00
(…)
3.3.
In aanvulling op het bovenstaande verbindt de heer [partij B] zich door middel van ondertekening van deze overeenkomst hoofdelijk om in het geval Geldnemer in verzuim geraakt van de genoemde vordering/excel te vermeerderen met wettelijke renten en kosten, te voldoen,
(…)
4.1
De lening, dan wel het niet afgelost gedeelte daarvan, met de rente en al hetgeen de Geldnemer uit hoofde van deze overeenkomst aan Geldgever is verschuldigd is volledig en onmiddellijk opeisbaar, zonder dat daartoe een nadere sommatie, ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst is vereist, indien:
A. Geldnemer na schriftelijke- danwel mailbevestiging ingebrekestelling nalatig is gebleven de rente en/of aflossing.
B Geldnemer de aflossingen niet tijdig en/of niet volledig voldoet.
(…)
4.2.
Geldnemer zal Geldgever direct schriftelijk of per mail in kennis stellen als zich één of meer omstandigheden hebben voorgedaan als gevolg waarvan de lening, de rente en al hetgeen Geldnemer uit hoofde van deze overeenkomst aan Geldgever verschuldigd is, als gevolg van dit artikel opeisbaar wordt.
(…)
9.4
De overeenkomst bevat alle afspraken tussen Partijen met betrekking tot de in genoemde geldleningen en erkende schuld. De in deze overeenkomst vastgelegde afspraken gaan voor op eerdere, afwijkende afspraken.”
2.4.
In een verklaring, getekend op 25 november 2024, is namens [partij B] onder meer het volgende geschreven:
“Mocht de [partij B] de in dit schrijven benoemde onderwerpen niet nakomen (documenten niet bijtijds aanleveren danwel te laat betalingen uitvoeren tov de in dit schrijven gestelde data) beseft zij in gebreke te zullen worden gesteld en is daarmee de package-deal vervallen. Daardoor zal zij terugvallen in de voorgaande verplichtingen. Onderdeel vormt oa dat de korting van ruim 600k daarmee is vervallen.
De [partij B] zal zich inzetten met als doel het niet zover te laten komen.”
2.5.
Bij brief van 3 december 2024 is [partij B] gesommeerd om haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst na te komen.
2.6.
Na hiertoe verkregen verlof heeft [partij A sub 1] tot zekerheid van haar vordering op [partij B] op 24 februari 2025 conservatoir beslag laten leggen op onder meer
de onroerende zaak aan de [adres 1] (hierna: het pand te (Zandvoort).
3Het geschil
in conventie
3.1.
[partij A] c.s. vorderen, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [partij B] veroordeelt:
primair:
I tot betaling aan [partij A] c.s. van € 989.000, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding;
subsidiair:
II tot betaling van hetgeen zij uit hoofde van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding blijkt verschuldigd te zijn;
primair en subsidiair:
III tot betaling van de proceskosten.
3.2.
[partij A] c.s. leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. [partij B] is in gebreke gebleven met de (volledige) terugbetaling van de aan haar door [partij A sub 1] geleende bedragen en de verschuldigde rente. Omdat de geldbedragen door middel van de rekening-courant met zijn vennootschap [partij A sub 2] zijn verstrekt, wordt de vordering ook door [partij A sub 2] ingesteld. De oorspronkelijke vordering zoals opgenomen in de dagvaarding betrof een totaalbedrag van circa € 1.459.471, bestaande uit: hoofdsommen, contractuele rente en boeterente, proceskosten en overige schades. Om meerdere redenen (efficiënte procesvoering, een lager griffierecht en de verwachte opbrengsten uit de beslagen goederen) hebben eisers hun vordering verminderd. De verminderde vordering bestaat uit een hoofdsom van € 750.000 en rente en kosten ten bedrage van € 239.000. Een vordering van in totaal dus € 989.000.
3.3.
[partij B] concludeert tot afwijzing van de vordering.
in incident
3.4.
[partij B] vordert dat de rechtbank bij vonnis:
I het conservatoir beslag op het pand te Zandvoort opheft;
II [partij A sub 1] verbiedt om opnieuw conservatoir (derden)beslag ten laste van [partij B] te leggen dan wel bij een nieuw verzoek conservatoir (derden)beslag ten laste van [partij B] het vonnis in dit incident bij het verzoekschrift te voegen;
III [partij A sub 1] veroordeelt in de proceskosten.
in voorwaardelijke reconventie
3.5.
[partij B] vordert, onder de voorwaarde dat de vordering in het incident wordt afgewezen, dat de rechtbank bij vonnis het conservatoir beslag op het pand te Zandvoort opheft en [partij A sub 1] veroordeelt in de proceskosten.
3.6.
[partij B] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de vordering van [partij A sub 1] in conventie ondeugdelijk is in de zin van artikel 705 Rv en dat [partij A sub 1] al zekerheid heeft ontvangen voor tenminste € 267.500.
3.7.
[partij A sub 1] concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident en de vordering in voorwaardelijke reconventie.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
Dagvaarding nietig?
4.1.
Het meest verstrekkende verweer van [partij B] is dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, gelet op het volgende. De omvang van de vorderingen van [partij A] c.s. roept vragen op, aldus [partij B] . Het is namelijk niet duidelijk hoe het petitum van de dagvaarding na de akte vermindering van eis moet worden begrepen. Ook is niet duidelijk welk deel van de vordering van € 239.000 aan de rente en welk deel aan de kosten wordt toegerekend. Niet duidelijk is of er nog steeds wettelijke handelsrente over contractuele rente wordt gevorderd en wat aan kosten kan worden toegerekend als de rente wordt afgewezen. Niet duidelijk is of [partij A sub 1] afstand doet van het meerdere gevorderd in het petitum van de dagvaarding en of er nog een primaire en een subsidiaire eis is, aldus nog steeds [partij B] . [partij B] acht de vorderingen zodanig onduidelijk dat de dagvaarding niet voldoet aan het vereiste van artikel 111 lid 2 onder d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [partij B] acht zich in haar belangen tot het voeren verweer geschaad.
4.2.
Artikel 111 lid 2 Rv schrijft voor dat (het exploot van) de dagvaarding onder meer de eis en de gronden daarvan moet vermelden. Uit artikel 120 Rv vloeit voort dat dit voorschrift op straffe van nietigheid in acht moet worden genomen. Als van nietigheid van de dagvaarding sprake is, komt de rechtbank niet aan de inhoudelijke beoordeling toe.
4.3.
De rechtbank maakt uit het betoog van [partij B] op dat zij niet zozeer de dagvaarding onduidelijk acht, maar dat zij onduidelijk acht hoe de gewijzigde eis zich verhoudt tot de oorspronkelijke vordering. [partij A sub 1] heeft op dit punt ter zitting opheldering gegeven, zoals hierna aan de orde komt. Het beroep op nietigheid van de dagvaarding wordt dan ook verworpen.
[partij A sub 2] heeft haar vordering ingetrokken.
4.4.
[partij B] heeft onder meer aangevoerd dat zij geen gelden van [partij A sub 2] heeft geleend, zodat haar vordering moet worden afgewezen. In reactie hierop heeft [partij A sub 2] haar vordering ingetrokken. Of dit tot een proceskostenveroordeling ten gunste van [partij B] leidt, wordt verderop in het vonnis beoordeeld.
Welk bedrag is er geleend en wat is nog niet terugbetaald?
4.5.
In deze zaak staat in conventie centraal welk bedrag [partij A sub 1] in totaal heeft uitgeleend aan [partij B] en of laatstgenoemde nog iets moet terugbetalen.
4.6.
[partij B] stelt zich op het standpunt dat zij zelfs meer heeft afgelost dan zij heeft geleend: volgens [partij B] heeft zij tussen 8 februari 2023 en 28 februari 2025 in totaal € 551.689,92 ontvangen, terwijl zij in totaal € 561.000 heeft terugbetaald. In de periode van 15 februari 2023 tot en met 24 februari 2024 is € 200.500 terugbetaald en nadien nog € 95.500, terwijl bij de verkoop van een pand op 14 november 2024 € 265.000 aan [partij A sub 1] is betaald, aldus [partij B] .
4.7.
Daarnaast stelt zij dat de schriftelijke geldleningsovereenkomsten nietig zijn (op grond van artikel 3:40 BW), althans dat [partij B] op 27 mei 2025 de vernietiging van deze overeenkomsten heeft ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW) althans dwaling (artikel 6:228 BW).
4.8.
Ten aanzien van deze verweren is van belang dat partijen op 2 november 2024 een vaststellingsovereenkomst (artikel 7:900 BW) hebben gesloten, waarin is vastgelegd welk bedrag [partij B] op dat moment nog verschuldigd was aan [partij A sub 1] . Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken.
4.9.
In de vaststellingsovereenkomst is, kort gezegd, overeengekomen dat, als [partij B] volgens een daarin opgenomen betalingsschema € 850.000 zou betalen, zij een korting van circa € 600.000 op het nog in totaal openstaande bedrag zou krijgen. [partij B] was op 2 november 2024 dus in ieder geval € 850.000 verschuldigd aan [partij A sub 1] . [partij B] heeft niet de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst ingeroepen. [partij A sub 1] heeft ter zitting toegelicht dat hij zijn vordering van in hoofdsom
€ 750.000 baseert op de vaststellingsovereenkomst. Omdat [partij B] aan de vaststellingsovereenkomst gebonden is, gaat het onder 4.7 bedoelde verweer niet op.
4.10.
Vervolgens is aan de orde of [partij B] na 2 november 2024 nog bedragen heeft terugbetaald aan [partij A sub 1] . [partij A sub 1] heeft niet betwist dat hij op 19 november 2024 een bedrag van € 265.000 heeft ontvangen uit de verkoop door [partij B] van het pand aan de [adres 2] . Daarnaast is ter zitting komen vast te staan dat er na
2 november 2024 nog een bedrag van € 60.000 is verrekend. In totaal gaat het dus om
€ 325.000. Aangezien [partij B] zich niet aan het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen betalingsschema heeft gehouden, is de korting vervallen en bedraagt de vordering van [partij A sub 1] volgens de vaststellingsovereenkomst € 1.459.471. Hierop is
€ 325.000 afgelost, zodat € 1.134.471 resteert. Dit leidt ertoe dat de gevorderde hoofdsom van € 750.000 toewijsbaar is.
De gevorderde rente
4.11.
[partij A sub 1] vordert een bedrag van € 239.000 aan wettelijke rente. Ter zitting is door [partij A sub 1] verklaard dat het om wettelijke handelsrente gaat. Hoe het gevorderde rentebedrag is opgebouwd is echter niet duidelijk gemaakt. Het bedrag overschrijdt het totaalbedrag van de in de schriftelijke geldleningsovereenkomsten opgenomen vaste rentebedragen. Ter zitting is komen vast te staan dat [partij B] op grond van de vaststellingsovereenkomst voor juni 2025 het bedrag van € 850.000 moest hebben voldaan. Gelet hierop is het verzuim per 1 juni 2025 ingetreden. Alhoewel [partij A sub 1] wettelijke handelsrente heeft gevorderd, is in de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk vastgelegd dat de leningen uit privévermogen afkomstig zijn. Gelet op dit een en ander zal de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de hoofdsom worden toegewezen vanaf 1 juni 2025.
Proceskosten
4.12.
[partij B] is jegens [partij A sub 1] in het ongelijk gesteld en zal de proceskosten van [partij A sub 1] moeten dragen. Gelet op de uitkomst van de zaak en het feit dat [partij B] geen ander verweer ten opzichte van [partij A sub 2] heeft hoeven voeren, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor [partij A sub 2] . Wel zal rekening wordt gehouden met het griffierecht dat aan [partij A sub 1] zou zijn geheven als hij aanvankelijk al als enige eiser zou hebben opgetreden. De proceskosten van [partij A sub 1] worden als volgt begroot:
- dagvaarding € 119,40
- griffierecht € 2.723,00
- salaris advocaat € 7.446,00 (2 punten à € 3.723, volgens tarief VII)
- nakosten € 198,00 (plus de verhoging zoals opgenomen onder de beslissing)
Totaal: € 10.486,40
in het incident en in (voorwaardelijke) reconventie
Opheffing beslag?
4.13.
Artikel 704 Rv bepaalt dat indien de eis in de hoofdzaak is afgewezen het beslag van rechtswege vervalt, zodra de afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. [partij B] vordert echter al opheffing van het beslag vóórdat sprake is van kracht van gewijsde. Opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht en bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen (zie artikel 705 Rv). De beoordeling kan echter niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. In dit verband verdient opmerking dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak in een volgende instantie wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken.
4.14.
Gelet op de uitkomst van de zaak in conventie heeft [partij A sub 1] een deugdelijke vordering voor zijn beslag. Niet gebleken is dat het belang van [partij B] desondanks zwaarder moet wegen. Het beslag zal dan ook niet worden opgeheven en het gevorderde verbod dan wel gebod komt evenmin voor toewijzing in aanmerking.
4.15.
[partij B] zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van [partij A sub 1] moeten dragen. Deze kosten worden in het incident en in reconventie gezamenlijk als volgt begroot:
- salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten à € 653, volgens tarief VII)
- nakosten € 198,00 (plus de verhoging zoals opgenomen onder de beslissing)
Totaal: € 1.504,00
5De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A sub 1] te betalen een bedrag van € 750.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van [partij A sub 1] tot op heden begroot op € 10.486,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij B] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in het incident en in reconventie
5.5.
wijst het gevorderde af;
5.6. veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van [partij A sub 1] tot op heden begroot op € 1.504, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij B] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.7. verklaart de veroordeling onder 5.6 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
type: 1554
HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105, herhaald in HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5529.
Team Handel
Zaaknummer: C/09/691495 / HA ZA 25-795
Vonnis van 22 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
1. [partij A sub 1] , te [woonplaats] ,
2. [partij A sub 2] B.V., te [plaats 1] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
verweerders in het incident,
hierna te noemen: [partij A sub 1] en [partij A sub 2] en samen: [partij A] c.s.,
advocaat: mr. R.W. Lagerwaard, te Hilversum,
tegen
[partij B] B.V., te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: [partij B] ,
thans zonder advocaat.
1De procedure
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 6 maart 2025, met producties 1 tot en met 23;
- de akte met vermindering van eis van 19 september 2025;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, tevens houdende eis in het incident houdende opheffing conservatoir beslag ex artikel 223 en 705 Rv, met producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord in reconventie alsmede in het incident.
1.2.
Bij B2-formulier van 3 juni 2026 heeft mr. M.J.S. van der Vorst zich per 30 juni 2026 onttrokken als advocaat van [partij B] . Er heeft zich geen nieuwe advocaat voor [partij B] gesteld.
1.3.
Op 30 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens gedaagde was de heer [naam] aanwezig (zonder advocaat). Partijen hebben de zaak nader toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.
1.4.
Ten slotte is de datum voor vonnis nader bepaald op vandaag.
2. De feiten
2.1.
[partij A sub 1] is enig bestuurder en aandeelhouder van [partij A sub 2] .
2.2.
[partij A sub 1] heeft aan [partij B] meerdere geldbedragen uitgeleend. Voor een aantal van die leningen is een onderhandse leningsovereenkomst opgesteld. In deze overeenkomsten zijn telkens vaste bedragen aan rente voor een bepaalde periode opgenomen, gekoppeld aan de datum waarop de leningen moesten worden afgelost.
2.3.
Op 2 november 2024 zijn [partij A sub 1] en (onder meer) [partij B] een vaststellingsovereenkomst aangegaan, waarin [partij A sub 1] “Geldgever” en [partij B] “Geldlener” zijn genoemd. In de vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:
“BETWISTEN NIET DAT:
Geldgever meerdere geldleningen heeft verleend aan Geldnemer vanuit privé vermogen.
De betalingen van geldgever vanuit privé-vermogen zijn verricht.
Geldnemer betalingen heeft verricht aan Geldgever, maar de geleende bedragen en verschuldigde rente nog niet volledig heeft afgelost;
Geldgever en Geldnemer de voorwaarden met betrekking tot het aflossen van de vordering van Geldgever op Geldnemer in onderhavige vaststellingsovereenkomst vast te leggen;
Partijen rechtsgeldig bevoegd zijn deze overeenkomst aan te gaan evenals de uitvoering daarvan.
De bedragen in het hieronder weergegeven excel overzicht is opgebouwd uit een component hoofdsom en een deel rente.
Bij de verkoop van het casino de aandelen door geldgever zullen worden vrijgegeven niet eerder dan dat eerst daarvoor in de plaats voldoende zekerheid door geldnemer wordt gegeven
Geldnemer zich ervan bewust is dat bij het niet nakomen van haar betalingsverplichtingen Conform het in dit schrijven weergegeven excel programma een vordering ontstaat, conform de bestaande overeenkomst, te weten € 1.459.471,00, bij aflossing in juni 2025.
KOMEN HET ONDERSTAANDE EXCEL BEATLINSSCHEMA OVEREEN:
(…)
5-11-2024
[omschrijving 1]
€
50.000
14-11-2024
[omschrijving 2]
€
50.000
21-11-2-24
[omschrijving 3]
€
275.000
30-11-2024
[omschrijving 4]
€
100.000
Restant
[omschrijving 5]
€
375.000
uitloop 20/12
[omschrijving 6]
[omschrijving 7]
[omschrijving 8]
€
850.000
Zie voorgaande excel volgens afspraak
€ 1.459.471,00
afkoop
€
850.000
besparing
€
609.471,00
(…)
3.3.
In aanvulling op het bovenstaande verbindt de heer [partij B] zich door middel van ondertekening van deze overeenkomst hoofdelijk om in het geval Geldnemer in verzuim geraakt van de genoemde vordering/excel te vermeerderen met wettelijke renten en kosten, te voldoen,
(…)
4.1
De lening, dan wel het niet afgelost gedeelte daarvan, met de rente en al hetgeen de Geldnemer uit hoofde van deze overeenkomst aan Geldgever is verschuldigd is volledig en onmiddellijk opeisbaar, zonder dat daartoe een nadere sommatie, ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst is vereist, indien:
A. Geldnemer na schriftelijke- danwel mailbevestiging ingebrekestelling nalatig is gebleven de rente en/of aflossing.
B Geldnemer de aflossingen niet tijdig en/of niet volledig voldoet.
(…)
4.2.
Geldnemer zal Geldgever direct schriftelijk of per mail in kennis stellen als zich één of meer omstandigheden hebben voorgedaan als gevolg waarvan de lening, de rente en al hetgeen Geldnemer uit hoofde van deze overeenkomst aan Geldgever verschuldigd is, als gevolg van dit artikel opeisbaar wordt.
(…)
9.4
De overeenkomst bevat alle afspraken tussen Partijen met betrekking tot de in genoemde geldleningen en erkende schuld. De in deze overeenkomst vastgelegde afspraken gaan voor op eerdere, afwijkende afspraken.”
2.4.
In een verklaring, getekend op 25 november 2024, is namens [partij B] onder meer het volgende geschreven:
“Mocht de [partij B] de in dit schrijven benoemde onderwerpen niet nakomen (documenten niet bijtijds aanleveren danwel te laat betalingen uitvoeren tov de in dit schrijven gestelde data) beseft zij in gebreke te zullen worden gesteld en is daarmee de package-deal vervallen. Daardoor zal zij terugvallen in de voorgaande verplichtingen. Onderdeel vormt oa dat de korting van ruim 600k daarmee is vervallen.
De [partij B] zal zich inzetten met als doel het niet zover te laten komen.”
2.5.
Bij brief van 3 december 2024 is [partij B] gesommeerd om haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst na te komen.
2.6.
Na hiertoe verkregen verlof heeft [partij A sub 1] tot zekerheid van haar vordering op [partij B] op 24 februari 2025 conservatoir beslag laten leggen op onder meer
de onroerende zaak aan de [adres 1] (hierna: het pand te (Zandvoort).
3Het geschil
in conventie
3.1.
[partij A] c.s. vorderen, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [partij B] veroordeelt:
primair:
I tot betaling aan [partij A] c.s. van € 989.000, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding;
subsidiair:
II tot betaling van hetgeen zij uit hoofde van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding blijkt verschuldigd te zijn;
primair en subsidiair:
III tot betaling van de proceskosten.
3.2.
[partij A] c.s. leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. [partij B] is in gebreke gebleven met de (volledige) terugbetaling van de aan haar door [partij A sub 1] geleende bedragen en de verschuldigde rente. Omdat de geldbedragen door middel van de rekening-courant met zijn vennootschap [partij A sub 2] zijn verstrekt, wordt de vordering ook door [partij A sub 2] ingesteld. De oorspronkelijke vordering zoals opgenomen in de dagvaarding betrof een totaalbedrag van circa € 1.459.471, bestaande uit: hoofdsommen, contractuele rente en boeterente, proceskosten en overige schades. Om meerdere redenen (efficiënte procesvoering, een lager griffierecht en de verwachte opbrengsten uit de beslagen goederen) hebben eisers hun vordering verminderd. De verminderde vordering bestaat uit een hoofdsom van € 750.000 en rente en kosten ten bedrage van € 239.000. Een vordering van in totaal dus € 989.000.
3.3.
[partij B] concludeert tot afwijzing van de vordering.
in incident
3.4.
[partij B] vordert dat de rechtbank bij vonnis:
I het conservatoir beslag op het pand te Zandvoort opheft;
II [partij A sub 1] verbiedt om opnieuw conservatoir (derden)beslag ten laste van [partij B] te leggen dan wel bij een nieuw verzoek conservatoir (derden)beslag ten laste van [partij B] het vonnis in dit incident bij het verzoekschrift te voegen;
III [partij A sub 1] veroordeelt in de proceskosten.
in voorwaardelijke reconventie
3.5.
[partij B] vordert, onder de voorwaarde dat de vordering in het incident wordt afgewezen, dat de rechtbank bij vonnis het conservatoir beslag op het pand te Zandvoort opheft en [partij A sub 1] veroordeelt in de proceskosten.
3.6.
[partij B] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de vordering van [partij A sub 1] in conventie ondeugdelijk is in de zin van artikel 705 Rv en dat [partij A sub 1] al zekerheid heeft ontvangen voor tenminste € 267.500.
3.7.
[partij A sub 1] concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident en de vordering in voorwaardelijke reconventie.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
Dagvaarding nietig?
4.1.
Het meest verstrekkende verweer van [partij B] is dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, gelet op het volgende. De omvang van de vorderingen van [partij A] c.s. roept vragen op, aldus [partij B] . Het is namelijk niet duidelijk hoe het petitum van de dagvaarding na de akte vermindering van eis moet worden begrepen. Ook is niet duidelijk welk deel van de vordering van € 239.000 aan de rente en welk deel aan de kosten wordt toegerekend. Niet duidelijk is of er nog steeds wettelijke handelsrente over contractuele rente wordt gevorderd en wat aan kosten kan worden toegerekend als de rente wordt afgewezen. Niet duidelijk is of [partij A sub 1] afstand doet van het meerdere gevorderd in het petitum van de dagvaarding en of er nog een primaire en een subsidiaire eis is, aldus nog steeds [partij B] . [partij B] acht de vorderingen zodanig onduidelijk dat de dagvaarding niet voldoet aan het vereiste van artikel 111 lid 2 onder d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [partij B] acht zich in haar belangen tot het voeren verweer geschaad.
4.2.
Artikel 111 lid 2 Rv schrijft voor dat (het exploot van) de dagvaarding onder meer de eis en de gronden daarvan moet vermelden. Uit artikel 120 Rv vloeit voort dat dit voorschrift op straffe van nietigheid in acht moet worden genomen. Als van nietigheid van de dagvaarding sprake is, komt de rechtbank niet aan de inhoudelijke beoordeling toe.
4.3.
De rechtbank maakt uit het betoog van [partij B] op dat zij niet zozeer de dagvaarding onduidelijk acht, maar dat zij onduidelijk acht hoe de gewijzigde eis zich verhoudt tot de oorspronkelijke vordering. [partij A sub 1] heeft op dit punt ter zitting opheldering gegeven, zoals hierna aan de orde komt. Het beroep op nietigheid van de dagvaarding wordt dan ook verworpen.
[partij A sub 2] heeft haar vordering ingetrokken.
4.4.
[partij B] heeft onder meer aangevoerd dat zij geen gelden van [partij A sub 2] heeft geleend, zodat haar vordering moet worden afgewezen. In reactie hierop heeft [partij A sub 2] haar vordering ingetrokken. Of dit tot een proceskostenveroordeling ten gunste van [partij B] leidt, wordt verderop in het vonnis beoordeeld.
Welk bedrag is er geleend en wat is nog niet terugbetaald?
4.5.
In deze zaak staat in conventie centraal welk bedrag [partij A sub 1] in totaal heeft uitgeleend aan [partij B] en of laatstgenoemde nog iets moet terugbetalen.
4.6.
[partij B] stelt zich op het standpunt dat zij zelfs meer heeft afgelost dan zij heeft geleend: volgens [partij B] heeft zij tussen 8 februari 2023 en 28 februari 2025 in totaal € 551.689,92 ontvangen, terwijl zij in totaal € 561.000 heeft terugbetaald. In de periode van 15 februari 2023 tot en met 24 februari 2024 is € 200.500 terugbetaald en nadien nog € 95.500, terwijl bij de verkoop van een pand op 14 november 2024 € 265.000 aan [partij A sub 1] is betaald, aldus [partij B] .
4.7.
Daarnaast stelt zij dat de schriftelijke geldleningsovereenkomsten nietig zijn (op grond van artikel 3:40 BW), althans dat [partij B] op 27 mei 2025 de vernietiging van deze overeenkomsten heeft ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW) althans dwaling (artikel 6:228 BW).
4.8.
Ten aanzien van deze verweren is van belang dat partijen op 2 november 2024 een vaststellingsovereenkomst (artikel 7:900 BW) hebben gesloten, waarin is vastgelegd welk bedrag [partij B] op dat moment nog verschuldigd was aan [partij A sub 1] . Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken.
4.9.
In de vaststellingsovereenkomst is, kort gezegd, overeengekomen dat, als [partij B] volgens een daarin opgenomen betalingsschema € 850.000 zou betalen, zij een korting van circa € 600.000 op het nog in totaal openstaande bedrag zou krijgen. [partij B] was op 2 november 2024 dus in ieder geval € 850.000 verschuldigd aan [partij A sub 1] . [partij B] heeft niet de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst ingeroepen. [partij A sub 1] heeft ter zitting toegelicht dat hij zijn vordering van in hoofdsom
€ 750.000 baseert op de vaststellingsovereenkomst. Omdat [partij B] aan de vaststellingsovereenkomst gebonden is, gaat het onder 4.7 bedoelde verweer niet op.
4.10.
Vervolgens is aan de orde of [partij B] na 2 november 2024 nog bedragen heeft terugbetaald aan [partij A sub 1] . [partij A sub 1] heeft niet betwist dat hij op 19 november 2024 een bedrag van € 265.000 heeft ontvangen uit de verkoop door [partij B] van het pand aan de [adres 2] . Daarnaast is ter zitting komen vast te staan dat er na
2 november 2024 nog een bedrag van € 60.000 is verrekend. In totaal gaat het dus om
€ 325.000. Aangezien [partij B] zich niet aan het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen betalingsschema heeft gehouden, is de korting vervallen en bedraagt de vordering van [partij A sub 1] volgens de vaststellingsovereenkomst € 1.459.471. Hierop is
€ 325.000 afgelost, zodat € 1.134.471 resteert. Dit leidt ertoe dat de gevorderde hoofdsom van € 750.000 toewijsbaar is.
De gevorderde rente
4.11.
[partij A sub 1] vordert een bedrag van € 239.000 aan wettelijke rente. Ter zitting is door [partij A sub 1] verklaard dat het om wettelijke handelsrente gaat. Hoe het gevorderde rentebedrag is opgebouwd is echter niet duidelijk gemaakt. Het bedrag overschrijdt het totaalbedrag van de in de schriftelijke geldleningsovereenkomsten opgenomen vaste rentebedragen. Ter zitting is komen vast te staan dat [partij B] op grond van de vaststellingsovereenkomst voor juni 2025 het bedrag van € 850.000 moest hebben voldaan. Gelet hierop is het verzuim per 1 juni 2025 ingetreden. Alhoewel [partij A sub 1] wettelijke handelsrente heeft gevorderd, is in de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk vastgelegd dat de leningen uit privévermogen afkomstig zijn. Gelet op dit een en ander zal de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de hoofdsom worden toegewezen vanaf 1 juni 2025.
Proceskosten
4.12.
[partij B] is jegens [partij A sub 1] in het ongelijk gesteld en zal de proceskosten van [partij A sub 1] moeten dragen. Gelet op de uitkomst van de zaak en het feit dat [partij B] geen ander verweer ten opzichte van [partij A sub 2] heeft hoeven voeren, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor [partij A sub 2] . Wel zal rekening wordt gehouden met het griffierecht dat aan [partij A sub 1] zou zijn geheven als hij aanvankelijk al als enige eiser zou hebben opgetreden. De proceskosten van [partij A sub 1] worden als volgt begroot:
- dagvaarding € 119,40
- griffierecht € 2.723,00
- salaris advocaat € 7.446,00 (2 punten à € 3.723, volgens tarief VII)
- nakosten € 198,00 (plus de verhoging zoals opgenomen onder de beslissing)
Totaal: € 10.486,40
in het incident en in (voorwaardelijke) reconventie
Opheffing beslag?
4.13.
Artikel 704 Rv bepaalt dat indien de eis in de hoofdzaak is afgewezen het beslag van rechtswege vervalt, zodra de afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. [partij B] vordert echter al opheffing van het beslag vóórdat sprake is van kracht van gewijsde. Opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht en bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen (zie artikel 705 Rv). De beoordeling kan echter niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. In dit verband verdient opmerking dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak in een volgende instantie wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken.
4.14.
Gelet op de uitkomst van de zaak in conventie heeft [partij A sub 1] een deugdelijke vordering voor zijn beslag. Niet gebleken is dat het belang van [partij B] desondanks zwaarder moet wegen. Het beslag zal dan ook niet worden opgeheven en het gevorderde verbod dan wel gebod komt evenmin voor toewijzing in aanmerking.
4.15.
[partij B] zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van [partij A sub 1] moeten dragen. Deze kosten worden in het incident en in reconventie gezamenlijk als volgt begroot:
- salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten à € 653, volgens tarief VII)
- nakosten € 198,00 (plus de verhoging zoals opgenomen onder de beslissing)
Totaal: € 1.504,00
5De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A sub 1] te betalen een bedrag van € 750.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van [partij A sub 1] tot op heden begroot op € 10.486,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij B] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in het incident en in reconventie
5.5.
wijst het gevorderde af;
5.6. veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van [partij A sub 1] tot op heden begroot op € 1.504, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [partij B] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.7. verklaart de veroordeling onder 5.6 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Schueler en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
type: 1554
HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105, herhaald in HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5529.