Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20267

2026-07-17 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.23290 en NL26.23291
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-07-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.23290 en NL26.23291
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Frankrijk, ongegrond

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.909 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.23290 (beroep) en NL26.23291 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen





[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous)


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder.





Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk ervoor verantwoordelijk is.



1.1

De rechtbank heeft het beroep van eiser 9 juli 2026 op zitting behandeld.
Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.




1.2

Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.23291) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting.






Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2007. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit. Op 20 december 2025 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Frankrijk asiel heeft aangevraagd. Frankrijk is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.




Wat vindt eiser in beroep?



3. Ten eerste stelt eiser dat verweerder ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk. Het is voorzienbaar dat hij door de late registratie van zijn asielaanvraag geen opvang zal krijgen waardoor Frankrijk zijn verplichtingen niet naleeft en een situatie kan ontstaan die strijdig is met artikel 4 Handvest. Ten tweede voert eiser aan dat zijn medische situatie aan overdracht in de weg staat. Onder verwijzing naar het arrest C.K. stelt hij dat overdracht ernstige gevolgen voor zijn gezondheid kan hebben.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel


6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten aanzien van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Frankrijk bevestigd in de uitspraken van 30 augustus 2024 en 27 november 2025. Dit betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Frankrijk niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Daarvan is sprake in het geval van de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo.


6.1
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van Frankrijk sprake is van structurele, ernstige opvangproblemen. Indien eiser in Frankrijk toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Franse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Franse autoriteiten voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.



Arrest C.K.

7. Uit het arrest C.K volgt dat het aan eiser is om met medische stukken aan te tonen dat zijn overdracht zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie. Het is dus aan eiser om met objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor bij een overdracht aan te tonen. Eiser is hierin niet geslaagd. Uit de medische stukken die door eiser zijn overgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van lichamelijke of psychische klachten die een overdracht in de weg staan. Evenmin blijkt uit deze stukken dat sprake is van een suïciderisico of dat een dergelijk risico als gevolg van de overdracht reëel of hoog moet worden ingeschat. Hoewel eiser medische stukken heeft overgelegd, bieden deze onvoldoende objectieve aanknopingspunten ter onderbouwing van zijn stelling.




7.1
Eiser heeft bovendien niet onderbouwd dat Nederland het meeste geschikte land is om hem te behandelen of dat de medische behandeling die hij nodig heeft niet in Frankrijk aanwezig is en toegankelijk is. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan worden uitgegaan dat de medische voorzieningen in Frankrijk vergelijkbaar zijn met de medische voorzieningen in Nederland en dat deze ook ter beschikking staan van eiser als Dublinclaimant. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn situatie anders is. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat een overdracht van eiser aan Frankrijk zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers medische situatie of anderszins tot een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie.





Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.

9. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van K. el Mahsini griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:








































Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht.


Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel uit de Vreemdelingenwet 2000 verwijst zij naar het artikel zoals dat luidde tot 12 juni 2026.


Handvest van de grondrechten van de Europese Unie


ECLI:NL:RVS:2024:3552.


ECLI:NL:RVS:2025:5715.


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127).


Uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.