Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20048

2026-03-03 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.6700 en NL26.6701
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-03
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.6700 en NL26.6701
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Spanje, zorgvuldigheid gehoor, interstatelijk vertrouwenbeginsel, artikel 17 Dv.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.425 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL26.6700 (beroep) en NL26.6701 (voorlopige voorziening)



uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen





[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. F. Arslan),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.





Beoordeling door de rechtbank



Geen zitting



2. De rechtbank ziet geen aanleiding om gevolg te geven aan eisers verzoek om te worden gehoord en houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.



Waar gaat deze zaak over?



3. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.



Wat vindt eiser in beroep?



4. Ten eerste is er geen aanmeldgehoor Dublin met eiser afgenomen. Het voornemen van 27 oktober 2025 heeft eiser nimmer bereikt. Nu gemachtigde pas vanaf 19 januari 2025 kennis genomen heeft van het dossier en het voornemen, heeft hij alsnog een zienswijze ingediend. Op 21 januari 2026 en 27 oktober 2025 heeft verweerder twee nieuwe voornemens geformuleerd. Eiser kan zich er niet mee verenigen. Eiser is tot op heden niet gehoord omtrent de overdracht naar Spanje. Eiser betwijfelt of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan. Eiser vreest geen toegang te hebben tot de asielprocedure en tot goede opvangmogelijkheden. Ook de toegang tot medische en juridische bijstand is beperkt. Niet is uitgesloten dat betrokkene bij terugkeer naar Spanje terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in het Jawo-arrest. Daarnaast is eiser van mening dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die ertoe leiden dat een overdracht naar Spanje van onevenredige hardheid getuigt. Eiser voelt zich namelijk veilig in Nederland. Tot slot beroept eiser zich op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.



Wat is het oordeel van de rechtbank?





Zorgvuldigheid


5. Ten aanzien van eisers stellingen dat hij niet is gehoord overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft tot twee maal toe een uitnodiging gekregen om zich in Ter Apel te melden voor een aanmeldgehoor. Eenmaal op 9 oktober 2025 en eenmaal op 14 oktober 2025. Eiser is beide keren zonder reden niet verschenen. De rechtbank ziet daarin aanleiding voor het oordeel dat het binnen de risicosfeer van eiser valt wanneer hij niet wordt gehoord doordat hij twee keer niet komt opdagen zonder reden. Eiser heeft verder niet nader geconcretiseerd waarom hij niet is verschenen tijdens het gehoor. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om van verweerder te verlangen wederom een gehoor met eiser te organiseren. Dat er geen Dublingehoor heeft plaatsgevonden maakt in dit geval dan ook niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser ook in de gelegenheid is gesteld om via de zienswijze zijn bezwaren tegen een overdracht aan Spanje kenbaar te maken, waar hij dan ook gebruik van heeft gemaakt. Ook met betrekking tot verweerders handelswijze omtrent het voornemen oordeelt de rechtbank dat verweerder met het toezenden van een nieuw voornemen zorgvuldig heeft gehandeld.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel


6. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van de zaak.


6.1.
De rechtbank overweegt dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De Afdeling heeft recentelijk nog bevestigd dat ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De enkele stelling dat eiser vreest geen toegang te hebben tot de asielprocedure en tot goede opvangmogelijkheden leiden niet tot een ander oordeel. De stellingen dat er structurele gebreken zijn in de opvangsituatie en rechtsbescherming, dat asielzoekers het risico lopen op straat terecht te komen en niet langer zullen worden voorzien in de meest elementaire basisbehoeften en dat er problemen zijn met de toegang tot medische voorzieningen heeft eiser niet (met stukken of landeninformatie) onderbouwd. Ook met betrekking tot eisers persoonlijke relaas oordeelt de rechtbank dat eiser hiermee niet heeft aangetoond dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers verklaring dat hij enkele weken in Spanje heeft verbleven en daar niet wilde blijven, zijn niet voldoende.



Artikel 17 van de Dublinverordening

7. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat zijn overdracht aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt. De enkele mededeling dat eiser in Nederland asiel heeft aangevraagd wegens de goede basisvoorzieningen zoals bed, bad en brood en de eerbiediging van mensenrechten, en dat hij zich veilig voelt in Nederland zijn onvoldoende. In dit kader verwijst de rechtbank naar hetgeen eerder overwogen in rechtsoverweging 6.1. met betrekking tot het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eisers beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur slaagt ook niet. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit voldoende zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd.





Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.

9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel


Bent u het niet eens met deze uitspraak?


Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.




Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


ECLI:EU:C:2019:218.


Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.


Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie de uitspraken van 8 juli 2021 ECLI:NL:RVS:2021:1481, van 27 juli 2023 ECLI:NL:RVS:2880, van 24 juni 2024 ECLI:NL:RVS:2024:2548, van 14 november 2025 ECLI:NL:RVS:2025:5514 en 25 november 2025 ECLI:NL:RVS:2025:5661.


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.