Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:20039

2026-03-03 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.46059
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-03
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.46059
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin Frankrijk, arrest C.K., BMA, interstatelijk vertrouwensbeginsel, Tarakhel-arrest.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.427 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: NL25.46059


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen



[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.Z. Sayin)


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. de Graaf).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van
22 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk ervoor verantwoordelijk is.



1.1.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen, samen met E. Touray als tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2006. Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit. Op 19 mei 2025 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Frankrijk asiel heeft aangevraagd. Frankrijk is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.



2.1.

Eiser heeft asiel aangevraagd in mei 2025. Nadat verweerder eind september 2025 eisers aanvraag niet in behandeling heeft genomen, is eiser begin oktober 2025, nadat hij beroep had ingesteld, aangehouden wegens de verdenking van het plegen van strafbare feiten. Eiser is hiervoor in verzekering gesteld. De officier van justitie heeft de inbewaringstelling van eiser gevorderd maar die is door de rechter-commissaris afgewezen. Eiser verbleef daarna, op basis van een crisismaatregel van de burgemeester, vanaf
10 oktober 2025 in psychiatrische kliniek Mentrum in Amsterdam en is vervolgens vanaf
17 oktober vier dagen in het CTP (Centrum voor Transculturele Psychiatrie) Veldzicht te Balkbrug geplaatst. Op 20 oktober 2025 is in hoger beroep alsnog de strafrechtelijke bewaring bevolen en is eiser gedetineerd in PI Leeuwarden. Op 3 november 2025 is de gevangenhouding voor de duur van 30 dagen bevolen. Na afloop van de strafrechtelijke gevangenhouding heeft eiser van 2 tot en met 10 december in vreemdelingenbewaring gezeten in Detentiecentrum Rotterdam. Na opheffing van de vreemdelingenbewaringsmaatregel heeft eiser zich gemeld in Ter Apel en is hij geplaatst in AZC Apeldoorn, waar hij was aangewezen op GZA (GezondheidsZorg Asielzoekers) Apeldoorn. Op 13 februari 2026 is eiser opnieuw in vreemdelingenbewaring geplaatst in Detentiecentrum Rotterdam.




2.2.
In deze procedure heeft verweerder op 7 november 2025 besloten bij Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) advies in te winnen. In de periode van 10 november 2025 tot en met 17 februari 2026 is door verweerder, de gemachtigde en de rechtbank gecorrespondeerd over de voortgang van het BMA-adviestraject. Het BMA is uiteindelijk niet tot een inhoudelijke afdoening van de adviesaanvraag gekomen omdat twee toestemmingsverklaring voor de behandelaar(s) bij het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht in Balkbrug ontbreekt, alsook de toestemmingsverklaring voor de huisarts van het Detentiecentrum Rotterdam ontbreken.



Wat vindt eiser in beroep?

3. De gemachtigde van eiser heeft in de gronden van 1 oktober 2025 aangevoerd dat in het geval van eiser niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er sprake is van een motiveringsgebrek. In de aanvullende gronden van 15 oktober 2025 heeft de gemachtigde, onderbouwd met stukken, uiteengezet wat de laatste ontwikkelingen rondom eiser waren en de rechtbank verzocht te oordelen dat eiser om medische redenen niet kan reizen en verweerder dus geen voortvarende uitvoering kan geven aan de overdracht. Eiser beroept zich ook op het arrest C.K. De overdracht zal immers een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers mentale gezondheidstoestand bewerkstelligen omdat eiser een bijzonder kwetsbaar persoon is, gezien het feit dat hij gedwongen psychiatrische zorg nodig heeft. Op 6 november 2025 heeft eiser de gronden opnieuw aangevuld met de meest recente ontwikkelingen en onderbouwing met stukken.




3.1.

In de aanvullende gronden van 17 februari 2026 stelt eiser dat het BMA ten onrechte heeft gekozen voor niet-inhoudelijke afdoening van de adviesaanvraag en ten onrechte geweigerd heeft een onderzoek op te starten. Door de vele overplaatsingen is het niet gelukt de benodigde toestemmingsverklaringen te verkrijgen en een behandeling te starten. Eiser is daardoor geen daadwerkelijke gelegenheid gegund om opnieuw onder medische behandeling van een psychiater te komen. Bovendien is er – ook zonder BMA advies – sprake van een motiveringsgebrek nu verweerder in het bestreden besluit niet in is gegaan op de medische stukken die eiser gedurende de procedure heeft overgelegd. Eiser dient te worden gekwalificeerd als kwetsbaar persoon nu hij een intensieve psychiatrische behandeling nodig heeft. Daarom zijn er individuele garanties vereist van de Franse autoriteiten. Uit de bestreden beschikking volgt niet dat de Franse autoriteiten over eisers toestand zijn geïnformeerd zodat zij rekening kunnen houden met zijn bijzondere behoeften. In Frankrijk is het immers niet vanzelfsprekend dat asielzoekers effectief toegang verkrijgen tot de psychiatrische gezondheidszorg, gelet op het meest recente AIDA-rapport (update 2024), of dat eiser kan klagen indien de zorg in Frankrijk tekortschiet. Eiser stelt daarmee dat ten aanzien van Frankrijk niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Wat is het oordeel van de rechtbank?



4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.



Interstatelijk vertrouwensbeginsel


6. De rechtbank stelt vast dat verweerder ten opzichte van Frankrijk in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze drempel bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.



6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken. De Afdeling heeft in diverse uitspraken bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het beroep op het meest recente AIDA-rapport (update 2024) van juni 2025 maakt dit niet anders. De Afdeling heeft bij de uitspraak van 31 juli 2025 geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst dan de landeninformatie die de Afdeling bij de uitspraak van 30 augustus 2024 heeft betrokken. Als eiser toch problemen ervaart in het kader van de asielprocedure en opvangvoorzieningen, dan ligt het op zijn weg om daarover de Franse (hogere) autoriteiten te benaderen. De stelling dat eisers opvang geweigerd wordt nu hij als Dublinterugkeerder wordt gelijkgesteld als iemand die een herhaalde aanvraag moet doen treft geen doel, nu de Afdeling eerder heeft overwogen dat een lidstaat, gelet op artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van de Opvangrichtlijn, bij een opvolgende asielaanvraag de materiële opvangvoorzieningen mag intrekken of beperken.



Arrest C.K.

7. Met betrekking tot eisers beroep op het arrest C.K. vanwege zijn psychische klachten, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het arrest C.K. volgt dat een Dublinoverdracht een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling met zich kan brengen als de overdracht van een vreemdeling die met medische of psychische problemen kampt een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben. De Afdeling heeft geoordeeld dat de vreemdeling met objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht dient aan te tonen.




7.1.

Naar aanleiding van de ontwikkelingen rondom eiser in de loop van deze procedure heeft verweerder op 7 november 2025 besloten een advies op te vragen bij het BMA. Daaropvolgend is door verweerder aan gemachtigde verzocht een aantal stukken te overleggen op basis waarvan het BMA tot een beoordeling kan komen. Na een aantal briefwisselingen waarin verweerder de gemachtigde van eiser verzoekt een aantal verzuimen te herstellen en stukken aan te leveren, heeft het BMA voor het laatst op
30 december 2025 laten weten het advies voor de tweede keer niet-inhoudelijk af te doen wegens het ontbreken van een toestemmingsverklaring van behandelaars bij het CTP Veldzicht en een toestemmingsverklaring voor de huisarts van het Detentiecentrum Rotterdam. Bij brief van verweerder van 31 december 2025 heeft hij zich achter het advies van het BMA geschaard. De gemachtigde van eiser heeft daarop op 2 januari 2026 laten weten dat eiser op dit moment niet onder behandeling staat van een psychiater in Veldzicht en evenmin een arts uit Detentiecentrum Rotterdam en dat daarom de gevraagde toestemmingsverklaringen niet ingevuld konden worden.




7.2.
Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven nog steeds op het standpunt te staan dat het voor rekening en risico van eiser moet komen dat het BMA niet inhoudelijk heeft kunnen adviseren omdat de daarvoor vereiste toestemmingsverklaringen niet zijn ingediend. Tegelijkertijd heeft verweerder laten weten van mening te zijn dat de ingevulde toestemmingsverklaringen waarschijnlijk niet zouden kunnen hebben geleid tot een inhoudelijk BMA-advies omdat het nooit tot een behandeling van eiser is gekomen en ook niet te verwachten is dat het op korte termijn wel tot een dergelijke behandeling zou komen.



7.3.
Verweerder heeft ter zitting de gestelde psychische problematiek van eiser niet ontkend. Wel heeft verweerder de vereiste bijzondere ernst en de vereiste directe link tussen de problematiek en de overdracht betwist.



7.4.
Hoewel uit de aangevoerde omstandigheden en overgelegde stukken blijkt dat eiser met psychische problemen kampt en een BMA-advies in onderhavige zaak wenselijk was geweest, overweegt de rechtbank dat eisers beroep op het arrest C.K. niet kan slagen. Eiser heeft immers niet kunnen aantonen dat de overdracht een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben. De rechtbank neemt bij dit oordeel de volgende omstandigheden in aanmerking. Allereerst is eiser inmiddels wederom in bewaring gesteld. Ter zitting is duidelijk geworden dat de psychiater die hem daarbij heeft geëvalueerd, heeft aangegeven dat er momenteel geen noodzaak bestaat voor een behandeling, wat een indicatie is dat de toets uit het C.K.-arrest niet is gehaald. Eisers subsidiaire standpunt dat er te weinig tijd is gegund voor het opstarten van een behandeling treft ook geen doel. Daartoe overweegt de rechtbank dat de aangevraagde zorgmachtiging voor eiser anderhalve maand geleden is aangevraagd maar nog steeds niet is geëffectueerd en dat eiser vanaf 16 december 2025 tot en met 13 februari 2026 in het AZC in Apeldoorn verbleef zonder dat is gebleken waarom er voor eiser in dat tijdsbestek geen behandeling is gestart. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat langer wachten totdat wel een behandeling kan worden opgestart ook niet kansrijk is, mede gelet op het gegeven dat bij eiser het ziektebesef ontbreekt wat het opstarten van een behandeling bemoeilijkt.



7.5.
Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat er – ook zonder BMA-advies – sprake is van een motiveringsgebrek nu de bestreden beschikking geen aandacht besteedt aan de medische toestand van eiser en de beschikking ook niet is aangevuld, overweegt de rechtbank als volgt. Ten tijde van het opstellen van de beschikking waren er nog geen medische stukken beschikbaar en verder is niet gebleken waarom het niet aanvullen van de beschikking na het alsnog indienen van deze medische stukken leidt tot een schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Verweerder is immers na het aanleveren van de eerste medische stukken bij de beroepsgronden van 15 oktober 2025 en 6 november 2025 tot de conclusie gekomen dat het opvragen van een advies bij het BMA passend is. Hoewel een inhoudelijk BMA advies uiteindelijk niet tot stand is gekomen, heeft verweerder ter zitting alsnog gereageerd op alle overgelegde medische stukken voor zover daarvoor toestemming gegeven was. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee de stukken voldoende heeft betrokken in zijn standpunt dat hiermee de conclusie van het bestreden besluit niet verandert. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig gehandeld heeft of dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd.



Tarakhel

8. In zoverre eiser met zijn stellingen betreffende zijn bijzondere kwetsbaarheid en de noodzaak voor het vragen van individuele garanties bij de Franse autoriteiten een beroep doet op het Tarakhel-arrest, oordeelt de rechtbank dat dit beroep niet slaagt. In dit arrest heeft het Hof van Justitie overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, als de vreemdeling aantoont dat hij zonder garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Uit de Afdelingsuitspraak van 3 december 2015 volgt dat het Tarakhel-arrest ook van toepassing kan zijn op andere personen die bijzonder kwetsbaar zijn als aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdeling van belang kunnen zijn. De bewijslast dat er sprake is van deze bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling. Eiser heeft aangevoerd dat gelet op zijn psychische gezondheid hij bijzonder kwetsbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat er in het geval van eiser sprake is van bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in het Tarakhel-arrest. Hoewel de aangevoerde omstandigheden blijk geven van psychische problematiek, volgt de rechtbank verweerders stelling ter zitting dat eiser niet onder behandeling staat, dat er sprake is van een wisselend beeld van zijn gezondheidstoestand en dat niet aannemelijk is dat eiser zonder garanties verstoken blijft van de nodige zorg. Zoals onder 6.1. is overwogen mag er in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van worden uitgegaan dat eiser in Frankrijk zal worden toegelaten tot de opvang en dat (de noodzakelijke) medische/psychische zorg voor eiser beschikbaar is. Onder deze omstandigheden zijn er geen individuele garanties van de Franse autoriteiten vereist voor de overdracht van eisers.





Conclusie en gevolgen

10. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van


V. Nooteboom, griffier.


De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:








































Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).


ECLI:EU:C:2017:127


Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.


Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.


Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie de uitspraken van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623 en 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724.


ECLI:NL:RVS:2024:3552.


ECLI:NL:RVS:2024:1050.


Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 30 oktober 2020 ECLI:NL:RVS:2020:2580, r.o. 2.2.


Per brief van 7 november 2025.


ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.


ECLI:NL:RVS:2015:3806.