Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:19952
2026-06-19
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/686321 / FA RK 25-4171
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Draagmoederschap. Verklaring voor recht Amerikaanse geboorte akte en beslissing. Gezag.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (42.177 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4171
Zaaknummer: C/09/686321
Datum beschikking: 19 juni 2026
Beschikking op het op 2 juni 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[wensouder 1] en [wensouder 2] ,
hierna gezamenlijk verzoekers of wensouders, dan wel afzonderlijk [wensouder 1] en [wensouder 2] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.H. van der Tol te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de ambtenaar van de burgerlijke stand van ’s-Gravenhage,
zetelend te Den Haag,
de ambtenaar.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- de brief van de ambtenaar van 15 augustus 2025;
- het F9-formulier van 28 augustus 2025 van verzoekers;
- het F9-formulier van 25 september 2025 van verzoekers;
- de brief van de ambtenaar van 21 oktober 2025;
- het F9-formulier van 28 oktober 2025 van verzoekers;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van
18 december 2025, met als bijlage het rapport van de Raad van 17 december 2025 met kenmerk KZ-1-66ORRBJ;
- het F9-formulier van 22 december 2025 van verzoekers.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Verzoekers en hun advocaat en de ambtenaar hebben hiermee ingestemd.
Verzoek
Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank:
primair: voor recht verklaart dat de geboorteakte van de minderjarige [minderjarige 2] , waarop verzoekers als juridisch ouders staan vermeld, overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt en naar aard vatbaar is voor opneming in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand;
de ambtenaar van de burgerlijke stand te Den Haag gelast om tot inschrijving van de geboorteakte van [minderjarige 2] in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand over te gaan;
voor recht verklaart dat op grond van de beslissing van de ‘Circuit Court of the
State of Oregon for the County of Multnomah’ van 7 oktober 2024 de familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming tussen verzoekers en [minderjarige 2] zijn vastgesteld en dat deze in Nederland van rechtswege kunnen worden erkend en dat verzoekers met het gezag over [minderjarige 2] zijn belast;
subsidiair: de geboortegegevens van [minderjarige 2] vast te stellen zodanig als de rechtbank redelijk en passend acht;
in het geval van toewijzing van het genoemde onder ‘IV’: de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente Den Haag te gelasten de door de rechtbank vast te stellen geboortegegevens van [minderjarige 2] aan te tekenen in het register van geboorte van de gemeente Den Haag;
in alle gevallen: de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag
te gelasten om op de in te schrijven dan wel op te maken geboorteakte van [minderjarige 2]
de aantekening te maken van de Amerikaanse beslissing van 7 oktober 2024 van de ‘Circuit Court of the State of Oregon for the County of Multnomah’ waarin de familierechtelijke beslissingen tussen verzoekers en [minderjarige 2] zijn vastgesteld, dan wel een zodanige aantekening te gelasten als de rechtbank redelijk en passend acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaar bij voorraad verklaring.
Feiten
- De wensouders, beiden van het mannelijk geslacht, zijn op [datum] 2014 in [plaats] , Groot-Brittannië, in het huwelijk getreden.
- De wensouders wonen op dit moment in Florida, Verenigde Staten van Amerika (hierna ook: VS).
- Volgens de uittreksels uit de Basisregistratie Personen (BRP) hebben de wensouders de Nederlandse nationaliteit. Wensouder [wensouder 2] is daarnaast volgens zijn paspoort van het United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland ook Brits burger.
- De wensouders kunnen hun kinderwens niet op eigen kracht realiseren. Zij hebben voor hoogtechnologisch draagmoederschap gekozen.
- Uit draagmoeder [draagmoeder 1] is op [geboortedatum 1] 2021 het eerste kind van de wensouders geboren: [minderjarige 1] . Juridische beslissingen omtrent [minderjarige 1] zijn bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 september 2022 genomen.
- Na de geboorte van [minderjarige 1] bestond bij de wensouders de wens voor een tweede kind.
- De wensouders hebben opnieuw voor hoogtechnologisch draagmoederschap gekozen. Voor dit draagmoederschapstraject is gebruikgemaakt van de kliniek “ORM Fertility”.
- De wensouders hebben met een eiceldonatrice in februari 2020 een “Donor and Intended Parent Agreement” opgesteld. De eiceldonatrice wordt in deze overeenkomst aangeduid als Donor [nummer 1] . De volledige naam van de eiceldonatrice is [eiceldonatrice] . De eiceldonatrice was ook eiceldonatrice bij [minderjarige 1] .
- De draagmoeder in het tweede draagmoederschapstraject is [draagmoeder 2] (hierna: de draagmoeder). Deze draagmoeder is Amerikaans burger. Zij is gehuwd met [naam 1] . Hij is ook Amerikaans burger. Zij hebben samen drie kinderen.
- De wensouders en de draagmoeder hebben in de VS juridisch advies ontvangen, ieder van hun eigen advocaat. De draagmoeder is daarnaast ook bijgestaan op medisch en psychologisch vlak.
- De wensouders en de draagmoeder hebben voorafgaand aan de zwangerschap een draagmoederschapsovereenkomst “Gestational Surrogacy Agreement” opgesteld. Deze overeenkomst, ondertekend door verzoekers en de partner van de draagmoeder op 26 januari 2024 en door de draagmoeder op 30 januari 2024, bevat onder andere de volgende overweging:
[…]
“D. It is the express intent of the Parties that Gestational Carrier en Gestational Carrier’s Husband shall not have any parental or custodial rights or obligations with respect to the Child and that Gestational Carrier and Gestational Carrier’s Husband shall not be considered the legal parents of any Child born as a result of the medical procedures contemplated by this Agreement.
E. Intended Parents agree to accept custody of any resulting Child not genetically related to Gestational Carrier or Gestational Carrier’s Husband, if any, immediately upon the birth of the Child or Children regardless of the number, gender or mental or physical condition of the Child or Children.”
- De draagmoeder is na een ivfbehandeling in verwachting geraakt. Er is daartoe op 6 mei 2024 bij ORM Fertility een embryo bij de draagmoeder geplaatst, waarbij er gebruik is gemaakt van een zaadcel van [wensouder 1] en een eicel van eiceldonatrice [nummer 1] , [eiceldonatrice] . Dit blijkt uit de verklaring van 27 november 2024 van de ivf-arts [naam 2] , DO, van ORM Fertility.
- Op [geboortedatum 2] 2025 is uit de draagmoeder geboren [minderjarige 2] te [geboorteplaats] , Oregon, VS.
- Op 7 oktober 2024 – voor de geboorte van [minderjarige 2] – heeft de “Circuit Court of the State of Oregon for the County of Multnomah” een beslissing gegeven.
- In deze beslissing – voorzien van apostille –is onder meer het volgende overwogen:[…]
“BASED UPON THE RECORD BEFORE THE COURT, IT IS HEREBY ORDERED, DECLARED AND ADJUDGED:
1. 1. [draagmoeder 2] and [naam 1] are not the genetic or legal parents of Baby Boy [wensouder 1] - [wensouder 2] .
2. 2. [wensouder 1] is the genetic parent of Baby Boy [minderjarige 2] , and both [wensouder 1] and [wensouder 2] are the child’s intended parents.
3. 3. [wensouder 1] and [wensouder 2] will be the exclusive legal parents of Baby Boy [minderjarige 2] upon the child’s birth, with all the same rights and duties as natural parents.
4. 4. [wensouder 1] and [wensouder 2] are granted custody of Baby Boy [minderjarige 2] upon birth by virtue of their status as the child’s legal parents.
5. 5. The effect of this Judgment is stayed until the gestational carrier gives birth.
6. 6. The hospital where the child is born is hereby ordered and directed to discharge Baby Boy [minderjarige 2] into the care and custody of [wensouder 1] and [wensouder 2] or their representative authorized with a Special Power of Attorney.
7. 7. The Oregon State Registrar of the Center for Health Statistics is ordered and directed to promptly issue a new or amended birth certificate for Baby Boy [minderjarige 2] , upon the child’s birth, in the name to be determined by Petitioners, in compliance with this General Declaratory Judgment of Parentage, designating and naming [wensouder 1] en [wensouder 2] as the exclusive parents of Baby Boy [minderjarige 2] ”.
- Naar aanleiding van voornoemde beslissing is op 17 januari 2025 een “Certificate of Live Birth” opgemaakt – voorzien van apostille – waarbij verzoekers als ouders van [minderjarige 2] geregistreerd staan.
- De wensouders verzorgen en voeden [minderjarige 2] sinds zijn geboorte op.
- De draagmoeder heeft in een document getiteld “Affidavit of [draagmoeder 2] ”, ondertekend op 12 februari 2025 en voorzien van apostille, onder andere verklaard dat:
“[…]
7. 7. I recognize [wensouder 1] and [wensouder 2] as the legal fathers of the child. I do not desire to be the legal parent of the child; I recognize the fact that it is in the best interest of the child to allow [wensouder 1] and [wensouder 2] to have sole physical custody and legal parental authority of the child.
8. 8. I hereby consent with the requests the [wensouder 1] and [wensouder 2] will submit to the court in The Netherlands in order for them to both be registered as legal parents over [minderjarige 2] in the Netherlands.”
- Op 20 maart 2025 is een Amerikaans paspoort voor [minderjarige 2] afgegeven waaruit blijkt dat hij de Amerikaanse nationaliteit heeft.
- Uit een overgelegd rapport van DNA-onderzoek van 12 april 2025 van Genetrack Biolabs blijkt met een waarschijnlijkheid van meer dan 99,9% dat [wensouder 1] de biologische vader is van [minderjarige 2] .
- De Raad heeft in zijn rapport van 17 december 2025 geadviseerd de verzoeken van verzoekers toe te wijzen.
Beoordeling
Rechtsmacht
De rechtbank heeft op grond van artikel 3 onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht om van de verzoeken kennis te nemen.
De positie van de draagmoeder en haar partner
De draagmoeder en haar partner kunnen in beginsel als belanghebbenden als bedoeld in artikel 798 Rv worden aangemerkt. De rechtbank zal de draagmoeder en haar partner evenwel niet als belanghebbenden aanmerken, omdat – zoals hieronder nog zal worden overwogen – het draagmoederschapstraject met de nodige zorgvuldigheid is doorlopen, waarbij de belangen van de draagmoeder in acht zijn genomen, en uit de stukken blijkt dat de draagmoeder nooit de intentie heeft gehad om een (juridische) rol in het leven van [minderjarige 2] te spelen. Bij de Amerikaanse beslissing is bepaald dat verzoekers de enige wettelijke ouders zijn van [minderjarige 2] en dat zij de zorg voor hem dragen vanaf de geboorte. Uit de draagmoederschapsovereenkomst en de Affidavit van 12 februari 2025 blijkt dat de draagmoeder – samengevat – instemt met het feit dat verzoekers de juridische ouders over [minderjarige 2] worden. De rechtbank zal verdere oproeping dan ook achterwege laten.
Verklaringen voor recht
Verzoekers verzoeken verklaringen voor recht af te geven dat de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige 2] waarop verzoekers beiden als de ouders staan geregistreerd, opgemaakt op 17 januari 2025, en de Amerikaanse beslissing van 7 oktober 2024, in Nederland van rechtswege worden erkend en naar hun aard vatbaar zijn voor opname in een Nederlands register van de burgerlijke stand.
Toepasselijk recht
Nu wordt verzocht om voor recht te verklaren dat de Amerikaanse geboorteakte, waarop beide verzoekers als ouders vermeld staan, en de daarbij behorende Amerikaanse beslissing voor erkenning in aanmerking komen en naar hun aard vatbaar zijn voor opneming in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag, zal de rechtbank het Nederlandse recht toepassen.
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:26 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een ieder die daarbij een gerechtvaardigd belang heeft de rechtbank verzoeken een verklaring voor recht af te geven dat een op hem betrekking hebbende, buiten Nederland opgemaakte akte of gedane uitspraak overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand.
Het ouderschap van [wensouder 1] en [wensouder 2] is vastgesteld in de Amerikaanse beslissing van 7 oktober 2024 en geregistreerd op de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige 2] . Het belang van het verzoek is erin gelegen dat verzoekers ook in Nederland als de wettige ouders van [minderjarige 2] zullen worden erkend en geregistreerd. Dit is een gerechtvaardigd belang zodat aan verzoekers een beroep op artikel 1:26 BW toekomt.
Uit de door de ambtenaar overgelegde brief maakt de rechtbank op dat de ambtenaar zich, gelet op de jurisprudentie, refereert aan het oordeel van de rechtbank. Ook ten aanzien van de toetsing van de voorwaarden in het kader van het traject van draagmoederschap refereert de ambtenaar zich aan het oordeel van de rechtbank.
Erkenning Amerikaanse beslissing
De rechtbank zal eerst beoordelen of de uit de Amerikaanse beslissing voortvloeiende, uit hoofde van afstamming vastgestelde, familierechtelijke rechtsbetrekkingen hier te lande van rechtswege worden erkend. De rechtbank zal in dit kader de in boek 10 BW geplaatste erkenningsregeling (naar analogie) toepassen op de afstammingsrechtelijke gevolgen van draagmoederschap.
Op grond van artikel 10:100 lid 1 BW wordt een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd in Nederland van rechtswege erkend, tenzij:
a. er voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond met de rechtssfeer van dat land;
b. aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of;
c. de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
De erkenning van de beslissing kan, ook wanneer daarbij een Nederlander betrokken is, niet wegens onverenigbaarheid met de openbare orde worden geweigerd op de enkele grond dat daarop een ander recht is toegepast dan uit deze titel zou zijn gevolgd (lid 2).
Uitgangspunt van de wet is dat de Amerikaanse beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld tussen verzoekers en [minderjarige 2] wordt erkend. Dit is slechts anders indien er voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond met de rechtssfeer van dat land, aan de beslissingen geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan of de erkenning van de beslissingen onverenigbaar is met de openbare orde.
De rechtbank is gelet op de Amerikaanse beslissing van oordeel dat sprake is geweest van behoorlijk onderzoek en rechtspleging. Nu het draagmoederschap in de Verenigde Staten van Amerika heeft plaatsgevonden en de draagmoeder daar woonachtig is, kan niet worden geoordeeld dat er voor de rechtsmacht van de Amerikaanse rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond. Bij de beoordeling gaat het daarom om de vraag of de openbare orde zich verzet tegen erkenning van de in het buitenland tot stand gekomen familierechtelijke betrekkingen zoals vastgesteld in de Amerikaanse beslissing.
Openbare orde exceptie: zorgvuldig draagmoederschapstraject?
De rechtbank acht het in het kader van de openbare ordetoets van belang om te beoordelen of het in het buitenland gevolgde traject van draagmoederschap zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Dit gelet op de ingrijpende gevolgen van draagmoederschap voor de rechten en verplichtingen van zowel het kind, de draagmoeder als de wensouders in kwestie. Nu de wensouders in de Amerikaanse beslissingen als ouders van [minderjarige 2] zijn aangemerkt en uit DNA-onderzoek is gebleken dat [wensouder 1] de genetische vader is van [minderjarige 2] , dient hierbij naar het oordeel van de rechtbank met name te worden gekeken of de belangen van het kind, de draagmoeder en de eiceldonatrice voldoende in acht zijn genomen. Hierbij zijn van belang de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking Ouderschap zoals opgenomen in het adviesrapport ‘Kind en ouders in de 21e eeuw’ van 7 december 2016 en de door het kabinet in zijn brief van 12 juli 2019 (kamerstukken TK 2018/2019, 33836, nr. 45) geformuleerde waarborgen om het traject zorgvuldig en transparant te laten verlopen en zoveel mogelijk rechtszekerheid te bieden aan de draagmoeder, de eiceldonatrice, de wensouders en het kind.
Hieruit volgt dat het voor kinderen van groot belang is om te (kunnen) achterhalen uit wie zij zijn geboren, van wie zij genetisch afstammen en onder welke omstandigheden zij zijn ontstaan en geboren. Het recht van het kind om zijn of haar afstamming te kennen is een mensenrecht dat is opgenomen in artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
Op grond van de overgelegde stukken komt de rechtbank tot het oordeel dat het draagmoederschapstraject dat verzoekers in de staat Oregon in de VS hebben doorlopen zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De naam van de draagmoeder en haar contactgegevens zijn bekend. Uit de stukken volgt dat verzoekers goed contact hebben met de draagmoeder. Ook de naam van de eiceldonatrice is bij verzoekers bekend; zij is dezelfde eiceldonatrice als ten tijde van het eerder bij [minderjarige 1] gevolgde traject. Met de eiceldonatrice zijn verzoekers een “Donor and Intended Parent Agreement” aangegaan. In deze overeenkomst gaat de eiceldonatrice ermee akkoord dat [minderjarige 2] dan wel verzoekers in de toekomst contact met haar kunnen opnemen. Verzoekers hebben de gegevens van de eiceldonatrice, waaronder een e-mailadres, ontvangen. [minderjarige 2] kan in de toekomst dan ook in contact komen met zowel de draagmoeder als de eiceldonatrice. Voor hem is zijn volledige ontstaansgeschiedenis te achterhalen. Omdat de ontstaansgeschiedenis van [minderjarige 2] vergelijkbaar is met de ontstaansgeschiedenis van zijn broer [minderjarige 1] , kunnen de wensouders de broers op dit punt vergelijkbaar voorlichten.
Zoals hierboven onder de feiten al is weergegeven, hebben de wensouders en de draagmoeder daarnaast in de VS onafhankelijk juridisch advies ontvangen, ieder van hun eigen advocaat. De draagmoeder heeft gedurende het traject de mogelijkheid gehad tot psychologische bijstand en voor haar was eveneens medische zorg geregeld. Uit de met de eiceldonatrice gesloten overeenkomst blijkt dat zij onder andere medische bijstand heeft gehad en gebruik kon maken van juridische bijstand.
Gebleken is dat het juridisch ouderschap van verzoekers vanaf de geboorte van [minderjarige 2] is vastgesteld op grond van de beslissing van de “Circuit Court of the State of Oregon for the County of Multnomah”, van 7 oktober 2024, een en ander in overeenstemming met de wetgeving van Oregon, VS. De rechtbank kwalificeert deze Amerikaanse beslissing als een ‘ontkenning van het moederschap’ van de draagmoeder, een ontkenning van het vaderschap van de partner van de draagmoeder en een vaststelling van het ouderschap van verzoekers. Hoewel de Nederlandse wet niet de ontkenning van het moederschap kent van de moeder, uit wie het kind geboren is – de ‘geboortemoeder’ –, kent de wet wel de mogelijkheid om de familierechtelijke betrekking met de geboortemoeder te beëindigen, namelijk langs de weg van adoptie. Het enkele feit dat een beslissing van een buitenlandse rechter niet overeenstemt met bepalingen uit het Nederlands recht, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van onverenigbaarheid met de openbare orde.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Amerikaanse beslissing van 7 oktober 2024 ten aanzien van [minderjarige 2] , waarbij de familierechtelijke betrekkingen tussen [minderjarige 2] en de wensouders zijn vastgesteld, in Nederland kan worden erkend.
Erkenning Amerikaanse geboorteakte
Voor de vraag of de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige 2] kan worden erkend, zal de rechtbank ook de in boek 10 BW geplaatste erkenningsregeling naar analogie toepassen.
In artikel 10:101 lid 1 BW is, voor zover hier van belang, de in artikel 10:100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 BW opgenomen erkenningsregeling van overeenkomstige toepassing verklaard op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte.
De rechtbank stelt vast dat voor [minderjarige 2] een Amerikaanse geboorteakte is opgemaakt, waarin de wensouders – overeenkomstig de Amerikaanse beslissing die in Nederland wordt erkend – als ouders zijn opgenomen. Niet in geschil is dat dit door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is gedaan. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat aan deze rechtshandelingen geen behoorlijk onderzoek is voorafgegaan. Daarom gaat het bij de beoordeling van de rechtbank ook ten aanzien van deze Amerikaanse geboorteakte om de vraag of erkenning van de uit de Amerikaanse geboorteakte voortvloeiende afstammingsrelaties kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, zoals bedoeld in artikel 10:100 lid 1 sub c BW.
Openbare orde exceptie?
Uit artikel 10:101 lid 1 BW juncto artikel 10:100 lid 2 BW volgt dat de erkenning van de buitenlandse akte, ook wanneer daarbij een Nederlander betrokken is, niet wegens onverenigbaarheid met de openbare orde kan worden geweigerd op de enkele grond dat daarop een ander recht is toegepast dan uit deze titel zou zijn gevolgd. Als uitgangspunt geldt dat het enkele feit dat het van rechtswege ontstaan van een familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige 2] en verzoekers niet overeenstemt met de huidige bepalingen uit het Nederlands recht, onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van onverenigbaarheid met de openbare orde.
Uitgangspunt is dat de buitenlandse akte dient te worden erkend. Het feit dat naar het recht van de VS de wensouders als juridische ouders op de geboorteakte zijn geregistreerd, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van onverenigbaarheid met de openbare orde. Dat er sprake is van kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde, zoals opgenomen in artikel 10:100 lid 1 sub c BW, mag niet snel worden aangenomen. De exceptie van de Nederlandse openbare orde – waaronder kunnen worden verstaan de beginselen van waarden van juridische, sociale of morele aard, die in de eigen rechtsorde fundamenteel worden geacht – mag slechts als ultimum remedium worden ingezet. Met andere woorden: er moet sprake zijn van zulke fundamentele waarden, waarmee dat toepasselijke buitenlands recht strijdig is, dat dit recht niet wordt toegepast. Bij fundamentele waarden en normen uit de Nederlandse rechtsorde moet bijvoorbeeld gedacht worden aan het beginsel van non-discriminatie, de gelijke behandeling van man en vrouw en het recht op bescherming van het privé- en gezinsleven. Daarom wordt alleen in uitzonderlijke gevallen erkenning onthouden aan een buitenlandse akte wegens onverenigbaarheid met de openbare orde. De invulling van de vraag of sprake is van strijd met de openbare orde wordt bovendien beïnvloed door ontwikkelingen in de maatschappij en de rechtspraak.
Uit de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1995/96, 24649, nr. 3 (hierna: MvT), blijkt dat de wetgever destijds, bij het bepalen van de term “moeder” van het kind ook heeft stilgestaan bij de bijzondere wijzen van voortplanting. De MvT zegt daarover op pagina 7:
“De moeder van het kind is de vrouw die het kind heeft gebaard, ook als het genetische materiaal waaruit het kind is ontstaan, niet van haar afkomstig is. Het gaat mij te ver om, nu er technische mogelijkheden tot embryodonatie zijn voor alle gevallen het vaste uitgangspunt ten aanzien van het moederschap te vervangen door een vermoeden van moederschap dat zonodig door de vrouw die het kind heeft gebaard of het kind en eventueel door de vader kan worden ontkracht. Het gegeven dat de vrouw op deze wijze een kind wilde krijgen, de zwangerschap en de geboorte vormen voor deze opvatting voldoende grondslag.” Er is destijds, dus al in 1995, door de wetgever nagedacht over een mogelijkheid om het vaste uitgangspunt dat de moeder van het kind altijd de vrouw is uit wie het kind geboren is, te verlaten. Daar is weliswaar vanaf gezien, maar het idee dat de moeder een ander kan zijn, was geaccepteerd.
Ondanks de ontwikkelingen in het denken over ouderschap zijn in het BW tot op heden nog geen artikelen te vinden over draagmoederschap. Wel is aan de Staatscommissie Herijking Ouderschap gevraagd om na te denken over de vraag of draagmoederschap meer of anders zou moeten worden geregeld. Dit in reactie op de maatschappelijke en medisch-technologische veranderingen. De Staatscommissie heeft in het eerder genoemde rapport ‘Kind en ouders in de 21ste eeuw’ hierover een aanbeveling gedaan. De rechtbank toetst op dit moment ook al of de buitenlandse draagmoederschapstrajecten voldoen aan de door de Staatscommissie genoemde voorwaarden.
Hoewel destijds is afgezien van het aanpassen van de wet worden wel al stappen gezet om dat later mogelijk alsnog te doen, ingegeven door de toename van het aantal kinderen dat geboren wordt middels hoogtechnologisch draagmoederschap. Op dit moment is er een wetsvoorstel aanhangig, namelijk het “Wetsvoorstel Wet kind, draagmoederschap en afstamming” (36390). De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de Memorie van Toelichting behorende bij dit wetsvoorstel. Hierin wordt een regeling getroffen waarin de wensouders vanaf de geboorte als ouders op de geboorteakte staan vermeld. In de toelichting wordt vermeld dat de Nederlandse openbare orde zich niet langer verzet tegen het niet vermeld staan van een geboortemoeder op de geboorteakte. Wel moet de identiteit van de geboortemoeder op termijn voor het betrokken kind te achterhalen zijn. Dit geldt ook voor de overige gegevens betreffende de genetische afstamming, zoals die van de eiceldonatrice.
Uit het voorgaande blijkt dat ook in Nederland zelf de opvattingen over wie als ouder op een geboorteakte moet worden vermeld, zijn veranderd en dat wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat het mogelijk maakt dat – net zoals op de geboorteakte van [minderjarige 2] – op de geboorteakte geen geboortemoeder staat, maar in haar plaats een wensouder. Dat alleen al is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te oordelen dat een dergelijke geboorteakte niet strijdig is met de Nederlandse openbare orde.
Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de geboorteakte van [minderjarige 2] , met de daarin vastgelegde familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming, van rechtswege in Nederland kan worden erkend.
Zijn de Amerikaanse rechterlijke beslissing en de Amerikaanse geboorteakte naar hun aard vatbaar voor opname in de registers van de burgerlijke stand?
De ambtenaar heeft aangegeven dat hij bekend is met de rechtspraak van de rechtbank en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de Amerikaanse beslissing overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en dat de daarin neergelegde familierechtelijke betrekkingen naar hun aard in zijn algemeenheid vatbaar zijn voor opname in een Nederlands register van de burgerlijke stand.
Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat bij inschrijving van een buitenlandse geboorteakte alle stappen die zijn gezet binnen het draagmoederschapstraject ook tot uitdrukking komen in de Nederlandse registers, zodat deze stappen voor de kinderen op latere leeftijd kenbaar zijn. Zo wordt melding gemaakt van de buitenlandse beslissingen, maar ook van de onderhavige beslissing van de rechtbank. Deze uitspraken worden ook bewaard door de rechtbank, waarbij de zaken uiteindelijk worden opgenomen in het Nationaal Archief, zodat een kind inzage in de Nederlandse uitspraak kan vragen en zijn afstamming kan achterhalen, ook waar het de eiceldonatrice betreft, dus de persoon van wie het kind daadwerkelijk genetisch afstamt.
Uit het voorgaande volgt dat de verzochte verklaringen onder I. en III. (met uitzondering van het gezag, dat hieronder zal worden behandeld) worden toegewezen.
Het gelasten van de ambtenaar tot inschrijving van de Amerikaanse geboorteakte in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijke Stand alsmede te bepalen dat de ambtenaar op deze geboorteakte een vermelding plaatst van de Amerikaanse beslissing
Toepasselijk recht
Nu wordt verzocht de ambtenaar te gelasten de Amerikaanse geboorteakte en de Amerikaanse beslissing in te schrijven in het Nederlandse register van geboorten, zal de rechtbank het Nederlandse recht toepassen.
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:26b BW in samenhang gelezen met artikel 1:25 lid 1 BW kan de rechtbank de inschrijving gelasten van een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte van geboorte in het register van geboorten van de gemeente Den Haag, indien de akte een persoon betreft die op het ogenblik van het verzoek Nederlander is.
Artikel 1:20b BW bepaalt – voor zover hier van belang – dat op verzoek van een belanghebbende dan wel ambtshalve van akten en uitspraken die buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige uitwerking hebben als de akten en rechterlijke uitspraken, bedoeld in artikel 1:20 BW, door de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding wordt toegevoegd aan de desbetreffende in de registers van de burgerlijke stand hier te lande voorkomende geboorteakte, tenzij de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet.
De rechtbank oordeelt als volgt. In het voorgaande is al vastgesteld dat de Amerikaanse beslissing en de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige 2] in Nederland kunnen worden erkend. Daarmee worden de familierechtelijke betrekkingen tussen verzoekers en [minderjarige 2] erkend. Dit betekent dat op grond van de Amerikaanse beslissing en Amerikaanse geboorteakte verzoekers de juridische ouders van [minderjarige 2] zijn. Daarmee stamt [minderjarige 2] af van Nederlandse ouders, zodat hij de Nederlandse nationaliteit aan hen ontleent. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde voor inschrijving van de geboorteakte in het Nederlandse register.
Zoals hiervoor is vastgesteld, betreft de Amerikaanse beslissing een ‘ontkenning van het moederschap’ van de draagmoeder, een ontkenning van het vaderschap van de partner van de draagmoeder en een vaststelling van het ouderschap van verzoekers, zodat deze beslissing overeenkomt met een Nederlandse rechterlijke uitspraak zoals bedoeld in artikel 1:20 BW.
Verzoekers hebben verzocht op de in te schrijven geboorteakte de Amerikaanse beslissing als latere vermelding te plaatsen. De rechtbank stelt vast dat het doel van dit verzoek is dat een vermelding van de buitenlandse beslissing op de (nog in te schrijven) geboorteakte van [minderjarige 2] wordt gemaakt, zodat de ontstaansgeschiedenis voor [minderjarige 2] inzichtelijk en steeds te achterhalen zal zijn. Het betreft daarmee niet noodzakelijkerwijs een latere vermelding. Het is aan de ambtenaar om de wijze van vermelding te bepalen. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen in die zin dat de ambtenaar wordt gelast een (latere) vermelding te plaatsen op de geboorteakte van [minderjarige 2] .
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de verzoeken onder II. en VI. zal toewijzen als in het dictum nader bepaald.
Gezag
Verzoekers verzoeken onder III. ook om voor recht te verklaren dat uit de Amerikaanse beslissing voortvloeit dat zij gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] zijn belast.
Toepasselijk recht
Nu de beslissing niet in een EU-lidstaat is gegeven en evenmin in een staat die partij is bij het HKBV 1996, noch de verordening Brussel II-ter, noch het HKBV 1961, dient de rechtbank eerst vast te stellen welk recht van toepassing is op de vraag of de Amerikaanse (gezags)beslissing voor erkenning in aanmerking komt. In dit geval dient te worden teruggevallen op het nationale internationaal privaatrecht om de erkenningsvraag te beantwoorden. De regel omtrent de erkenning is in het Nederlandse recht ongeschreven. Zij houdt in dat een beslissing in Nederland voor erkenning in aanmerking komt indien voldaan is aan vier cumulatieve vereisten:
1. de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is (waarbij aansluiting kan worden gezocht bij de bevoegdheidsgronden uit de verordening Brussel IIter of het HKBV 1996);
2. de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van een behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging (zoals bedoeld in artikel 6 EVRM);
3. de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde;
4. de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.
De rechtbank is van oordeel dat de Amerikaanse beslissing, waarin de ouderlijke rechten van de draagmoeder en haar partner zijn beëindigd en verzoekers als de ouders van [minderjarige 2] zijn aangemerkt, aan alle vier de hiervoor omschreven vereisten voldoet. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het draagmoederschapstraject in de VS plaatsgevonden en is de draagmoeder in de VS woonachtig. De bevoegdheid van de Amerikaanse rechtbank berust derhalve op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Zoals reeds is overwogen, zijn er geen aanwijzingen dat aan de Amerikaanse beslissingen kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan. Verder is niet gebleken dat de erkenning van de beslissing van de Amerikaanse rechtbank in strijd is met de Nederlandse openbare orde of dat er sprake is van een tussen partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter dan wel van een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust.
Voorts is in de draagmoederschapsovereenkomst ook opgenomen dat de (beoogde) ouders de ouderlijke verantwoordelijkheid over het kind zullen dragen en de draagmoeder heeft dit ook aangegeven in het door haar op 12 februari 2025 ondertekende Affidavit.
Het voorgaande betekent dat met de beslissing van de Amerikaanse rechtbank waarin verzoekers als de juridisch ouders van [minderjarige 2] worden aangemerkt, verzoekers ook met het gezag over [minderjarige 2] zijn belast, welke beslissing in Nederland wordt erkend.
Op grond van artikel 2 aanhef en onder c van het Besluit gezagsregisters komen strikt genomen alléén buitenlandse beslissingen die van rechtswege (dus op grond van artikel 23 Haags kinderbeschermingsverdrag 1996, artikel 7 van het oudere Haags kinderbeschermingsverdrag van 1961, artikel 21 verordening Brussel II-bis of artikel 30 Brussel II ter), dus zonder dat daartoe enigerlei procedure vereist is, kunnen worden erkend, voor inschrijving in het gezagsregister in aanmerking. Uit de nota van toelichting bij het (gewijzigde) Besluit gezagsregisters volgt dat deze keuze is gemaakt, omdat in de praktijk de behoefte wordt gevoeld om ook buitenlandse beslissingen in het gezagsregister te vermelden. De reden dat alleen beslissingen die van rechtswege worden erkend in het Besluit zijn opgenomen ziet er uitsluitend op dat ten aanzien van die beslissingen geen inhoudelijke toets aangaande de erkenning hoeft te worden uitgevoerd, zodat de griffiers van de verschillende rechtbanken in staat kunnen worden geacht deze aantekening te verwerken.
In de praktijk wordt evenwel een gelijke behoefte gevoeld om buitenlandse beslissingen in het gezagsregister te vermelden waarvan de erkenning door de Nederlandse rechter is uitgesproken. Ook nadat de Nederlandse rechter in een uitspraak inhoudelijk heeft getoetst of de betreffende buitenlandse beslissing voor erkenning in aanmerking komt, kunnen de griffiers van de verschillende rechtbanken in staat worden geacht de aantekening van die buitenlandse gezagsbeslissing in combinatie met de Nederlandse erkenningsbeslissing te verwerken. De rechtbank ziet dan ook aanleiding artikel 2 aanhef en onder c van het Besluit gezagsregisters analoog toe te passen en zal de griffier gelasten om deze uitspraak, als die onherroepelijk is geworden, aan het gezagsregister toe te zenden zodat er een aantekening van de Amerikaanse beslissing van 7 oktober 2024 en van deze beschikking in het gezagsregister kan worden gemaakt.
Het verzoek onder III. ten aanzien van het gezag wordt toegewezen als in het dictum nader bepaald.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
De aard van de beslissingen verzet zich tegen uitvoerbaar verklaring bij voorraad, zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
*
verklaart voor recht dat de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats] , Oregon, Verenigde Staten van Amerika, waarop verzoekers als ouders worden vermeld, van rechtswege in Nederland wordt erkend en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag;
*
verklaart voor recht dat de uitspraak van de “Circuit Court of the State of Oregon for the County of Multnomah”, Verenigde Staten van Amerika, van 7 oktober 2024, waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming tussen verzoekers en [minderjarige 2] zijn vastgesteld, van rechtswege in Nederland wordt erkend en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand;
*
gelast de inschrijving in het register van geboorten van de gemeente Den Haag van de door de bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften in Oregon, Verenigde Staten van Amerika, opgemaakte geboorteakte van:
- [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats] , Oregon, Verenigde Staten van Amerika, state file nummer [nummer 2] , opgemaakt op 17 januari 2025, waarop de wensouders als de ouders staan geregistreerd en waarvan een fotokopie aan deze beschikking is gehecht;
*
bepaalt dat de ambtenaar op voornoemde akte een (latere) vermelding plaatst van voornoemde Amerikaanse beslissing, welke beslissing de ontkenning van het moederschap van de draagmoeder, de ontkenning van het vaderschap van de partner van de draagmoeder en de vaststelling van het ouderschap van verzoekers betreft;
*
verklaart voor recht dat beide ouders [wensouder 1] en [wensouder 2] gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 2] zijn belast;
*
bepaalt dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister, om daarin aantekening te doen van de Amerikaanse beslissing van 7 oktober 2024 en de beschikking van heden voor zover deze ziet op de vaststelling dat verzoekers op grond van de Amerikaanse beslissing met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] zijn belast;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 juni 2026.
De afbeeldingen zijn verwijderd in verband met de privacy.
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4171
Zaaknummer: C/09/686321
Datum beschikking: 19 juni 2026
Beschikking op het op 2 juni 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[wensouder 1] en [wensouder 2] ,
hierna gezamenlijk verzoekers of wensouders, dan wel afzonderlijk [wensouder 1] en [wensouder 2] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.H. van der Tol te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de ambtenaar van de burgerlijke stand van ’s-Gravenhage,
zetelend te Den Haag,
de ambtenaar.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- de brief van de ambtenaar van 15 augustus 2025;
- het F9-formulier van 28 augustus 2025 van verzoekers;
- het F9-formulier van 25 september 2025 van verzoekers;
- de brief van de ambtenaar van 21 oktober 2025;
- het F9-formulier van 28 oktober 2025 van verzoekers;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van
18 december 2025, met als bijlage het rapport van de Raad van 17 december 2025 met kenmerk KZ-1-66ORRBJ;
- het F9-formulier van 22 december 2025 van verzoekers.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Verzoekers en hun advocaat en de ambtenaar hebben hiermee ingestemd.
Verzoek
Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank:
primair: voor recht verklaart dat de geboorteakte van de minderjarige [minderjarige 2] , waarop verzoekers als juridisch ouders staan vermeld, overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt en naar aard vatbaar is voor opneming in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand;
de ambtenaar van de burgerlijke stand te Den Haag gelast om tot inschrijving van de geboorteakte van [minderjarige 2] in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand over te gaan;
voor recht verklaart dat op grond van de beslissing van de ‘Circuit Court of the
State of Oregon for the County of Multnomah’ van 7 oktober 2024 de familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming tussen verzoekers en [minderjarige 2] zijn vastgesteld en dat deze in Nederland van rechtswege kunnen worden erkend en dat verzoekers met het gezag over [minderjarige 2] zijn belast;
subsidiair: de geboortegegevens van [minderjarige 2] vast te stellen zodanig als de rechtbank redelijk en passend acht;
in het geval van toewijzing van het genoemde onder ‘IV’: de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente Den Haag te gelasten de door de rechtbank vast te stellen geboortegegevens van [minderjarige 2] aan te tekenen in het register van geboorte van de gemeente Den Haag;
in alle gevallen: de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag
te gelasten om op de in te schrijven dan wel op te maken geboorteakte van [minderjarige 2]
de aantekening te maken van de Amerikaanse beslissing van 7 oktober 2024 van de ‘Circuit Court of the State of Oregon for the County of Multnomah’ waarin de familierechtelijke beslissingen tussen verzoekers en [minderjarige 2] zijn vastgesteld, dan wel een zodanige aantekening te gelasten als de rechtbank redelijk en passend acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaar bij voorraad verklaring.
Feiten
- De wensouders, beiden van het mannelijk geslacht, zijn op [datum] 2014 in [plaats] , Groot-Brittannië, in het huwelijk getreden.
- De wensouders wonen op dit moment in Florida, Verenigde Staten van Amerika (hierna ook: VS).
- Volgens de uittreksels uit de Basisregistratie Personen (BRP) hebben de wensouders de Nederlandse nationaliteit. Wensouder [wensouder 2] is daarnaast volgens zijn paspoort van het United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland ook Brits burger.
- De wensouders kunnen hun kinderwens niet op eigen kracht realiseren. Zij hebben voor hoogtechnologisch draagmoederschap gekozen.
- Uit draagmoeder [draagmoeder 1] is op [geboortedatum 1] 2021 het eerste kind van de wensouders geboren: [minderjarige 1] . Juridische beslissingen omtrent [minderjarige 1] zijn bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 september 2022 genomen.
- Na de geboorte van [minderjarige 1] bestond bij de wensouders de wens voor een tweede kind.
- De wensouders hebben opnieuw voor hoogtechnologisch draagmoederschap gekozen. Voor dit draagmoederschapstraject is gebruikgemaakt van de kliniek “ORM Fertility”.
- De wensouders hebben met een eiceldonatrice in februari 2020 een “Donor and Intended Parent Agreement” opgesteld. De eiceldonatrice wordt in deze overeenkomst aangeduid als Donor [nummer 1] . De volledige naam van de eiceldonatrice is [eiceldonatrice] . De eiceldonatrice was ook eiceldonatrice bij [minderjarige 1] .
- De draagmoeder in het tweede draagmoederschapstraject is [draagmoeder 2] (hierna: de draagmoeder). Deze draagmoeder is Amerikaans burger. Zij is gehuwd met [naam 1] . Hij is ook Amerikaans burger. Zij hebben samen drie kinderen.
- De wensouders en de draagmoeder hebben in de VS juridisch advies ontvangen, ieder van hun eigen advocaat. De draagmoeder is daarnaast ook bijgestaan op medisch en psychologisch vlak.
- De wensouders en de draagmoeder hebben voorafgaand aan de zwangerschap een draagmoederschapsovereenkomst “Gestational Surrogacy Agreement” opgesteld. Deze overeenkomst, ondertekend door verzoekers en de partner van de draagmoeder op 26 januari 2024 en door de draagmoeder op 30 januari 2024, bevat onder andere de volgende overweging:
[…]
“D. It is the express intent of the Parties that Gestational Carrier en Gestational Carrier’s Husband shall not have any parental or custodial rights or obligations with respect to the Child and that Gestational Carrier and Gestational Carrier’s Husband shall not be considered the legal parents of any Child born as a result of the medical procedures contemplated by this Agreement.
E. Intended Parents agree to accept custody of any resulting Child not genetically related to Gestational Carrier or Gestational Carrier’s Husband, if any, immediately upon the birth of the Child or Children regardless of the number, gender or mental or physical condition of the Child or Children.”
- De draagmoeder is na een ivfbehandeling in verwachting geraakt. Er is daartoe op 6 mei 2024 bij ORM Fertility een embryo bij de draagmoeder geplaatst, waarbij er gebruik is gemaakt van een zaadcel van [wensouder 1] en een eicel van eiceldonatrice [nummer 1] , [eiceldonatrice] . Dit blijkt uit de verklaring van 27 november 2024 van de ivf-arts [naam 2] , DO, van ORM Fertility.
- Op [geboortedatum 2] 2025 is uit de draagmoeder geboren [minderjarige 2] te [geboorteplaats] , Oregon, VS.
- Op 7 oktober 2024 – voor de geboorte van [minderjarige 2] – heeft de “Circuit Court of the State of Oregon for the County of Multnomah” een beslissing gegeven.
- In deze beslissing – voorzien van apostille –is onder meer het volgende overwogen:[…]
“BASED UPON THE RECORD BEFORE THE COURT, IT IS HEREBY ORDERED, DECLARED AND ADJUDGED:
1. 1. [draagmoeder 2] and [naam 1] are not the genetic or legal parents of Baby Boy [wensouder 1] - [wensouder 2] .
2. 2. [wensouder 1] is the genetic parent of Baby Boy [minderjarige 2] , and both [wensouder 1] and [wensouder 2] are the child’s intended parents.
3. 3. [wensouder 1] and [wensouder 2] will be the exclusive legal parents of Baby Boy [minderjarige 2] upon the child’s birth, with all the same rights and duties as natural parents.
4. 4. [wensouder 1] and [wensouder 2] are granted custody of Baby Boy [minderjarige 2] upon birth by virtue of their status as the child’s legal parents.
5. 5. The effect of this Judgment is stayed until the gestational carrier gives birth.
6. 6. The hospital where the child is born is hereby ordered and directed to discharge Baby Boy [minderjarige 2] into the care and custody of [wensouder 1] and [wensouder 2] or their representative authorized with a Special Power of Attorney.
7. 7. The Oregon State Registrar of the Center for Health Statistics is ordered and directed to promptly issue a new or amended birth certificate for Baby Boy [minderjarige 2] , upon the child’s birth, in the name to be determined by Petitioners, in compliance with this General Declaratory Judgment of Parentage, designating and naming [wensouder 1] en [wensouder 2] as the exclusive parents of Baby Boy [minderjarige 2] ”.
- Naar aanleiding van voornoemde beslissing is op 17 januari 2025 een “Certificate of Live Birth” opgemaakt – voorzien van apostille – waarbij verzoekers als ouders van [minderjarige 2] geregistreerd staan.
- De wensouders verzorgen en voeden [minderjarige 2] sinds zijn geboorte op.
- De draagmoeder heeft in een document getiteld “Affidavit of [draagmoeder 2] ”, ondertekend op 12 februari 2025 en voorzien van apostille, onder andere verklaard dat:
“[…]
7. 7. I recognize [wensouder 1] and [wensouder 2] as the legal fathers of the child. I do not desire to be the legal parent of the child; I recognize the fact that it is in the best interest of the child to allow [wensouder 1] and [wensouder 2] to have sole physical custody and legal parental authority of the child.
8. 8. I hereby consent with the requests the [wensouder 1] and [wensouder 2] will submit to the court in The Netherlands in order for them to both be registered as legal parents over [minderjarige 2] in the Netherlands.”
- Op 20 maart 2025 is een Amerikaans paspoort voor [minderjarige 2] afgegeven waaruit blijkt dat hij de Amerikaanse nationaliteit heeft.
- Uit een overgelegd rapport van DNA-onderzoek van 12 april 2025 van Genetrack Biolabs blijkt met een waarschijnlijkheid van meer dan 99,9% dat [wensouder 1] de biologische vader is van [minderjarige 2] .
- De Raad heeft in zijn rapport van 17 december 2025 geadviseerd de verzoeken van verzoekers toe te wijzen.
Beoordeling
Rechtsmacht
De rechtbank heeft op grond van artikel 3 onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht om van de verzoeken kennis te nemen.
De positie van de draagmoeder en haar partner
De draagmoeder en haar partner kunnen in beginsel als belanghebbenden als bedoeld in artikel 798 Rv worden aangemerkt. De rechtbank zal de draagmoeder en haar partner evenwel niet als belanghebbenden aanmerken, omdat – zoals hieronder nog zal worden overwogen – het draagmoederschapstraject met de nodige zorgvuldigheid is doorlopen, waarbij de belangen van de draagmoeder in acht zijn genomen, en uit de stukken blijkt dat de draagmoeder nooit de intentie heeft gehad om een (juridische) rol in het leven van [minderjarige 2] te spelen. Bij de Amerikaanse beslissing is bepaald dat verzoekers de enige wettelijke ouders zijn van [minderjarige 2] en dat zij de zorg voor hem dragen vanaf de geboorte. Uit de draagmoederschapsovereenkomst en de Affidavit van 12 februari 2025 blijkt dat de draagmoeder – samengevat – instemt met het feit dat verzoekers de juridische ouders over [minderjarige 2] worden. De rechtbank zal verdere oproeping dan ook achterwege laten.
Verklaringen voor recht
Verzoekers verzoeken verklaringen voor recht af te geven dat de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige 2] waarop verzoekers beiden als de ouders staan geregistreerd, opgemaakt op 17 januari 2025, en de Amerikaanse beslissing van 7 oktober 2024, in Nederland van rechtswege worden erkend en naar hun aard vatbaar zijn voor opname in een Nederlands register van de burgerlijke stand.
Toepasselijk recht
Nu wordt verzocht om voor recht te verklaren dat de Amerikaanse geboorteakte, waarop beide verzoekers als ouders vermeld staan, en de daarbij behorende Amerikaanse beslissing voor erkenning in aanmerking komen en naar hun aard vatbaar zijn voor opneming in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag, zal de rechtbank het Nederlandse recht toepassen.
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:26 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een ieder die daarbij een gerechtvaardigd belang heeft de rechtbank verzoeken een verklaring voor recht af te geven dat een op hem betrekking hebbende, buiten Nederland opgemaakte akte of gedane uitspraak overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand.
Het ouderschap van [wensouder 1] en [wensouder 2] is vastgesteld in de Amerikaanse beslissing van 7 oktober 2024 en geregistreerd op de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige 2] . Het belang van het verzoek is erin gelegen dat verzoekers ook in Nederland als de wettige ouders van [minderjarige 2] zullen worden erkend en geregistreerd. Dit is een gerechtvaardigd belang zodat aan verzoekers een beroep op artikel 1:26 BW toekomt.
Uit de door de ambtenaar overgelegde brief maakt de rechtbank op dat de ambtenaar zich, gelet op de jurisprudentie, refereert aan het oordeel van de rechtbank. Ook ten aanzien van de toetsing van de voorwaarden in het kader van het traject van draagmoederschap refereert de ambtenaar zich aan het oordeel van de rechtbank.
Erkenning Amerikaanse beslissing
De rechtbank zal eerst beoordelen of de uit de Amerikaanse beslissing voortvloeiende, uit hoofde van afstamming vastgestelde, familierechtelijke rechtsbetrekkingen hier te lande van rechtswege worden erkend. De rechtbank zal in dit kader de in boek 10 BW geplaatste erkenningsregeling (naar analogie) toepassen op de afstammingsrechtelijke gevolgen van draagmoederschap.
Op grond van artikel 10:100 lid 1 BW wordt een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd in Nederland van rechtswege erkend, tenzij:
a. er voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond met de rechtssfeer van dat land;
b. aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of;
c. de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
De erkenning van de beslissing kan, ook wanneer daarbij een Nederlander betrokken is, niet wegens onverenigbaarheid met de openbare orde worden geweigerd op de enkele grond dat daarop een ander recht is toegepast dan uit deze titel zou zijn gevolgd (lid 2).
Uitgangspunt van de wet is dat de Amerikaanse beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld tussen verzoekers en [minderjarige 2] wordt erkend. Dit is slechts anders indien er voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond met de rechtssfeer van dat land, aan de beslissingen geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan of de erkenning van de beslissingen onverenigbaar is met de openbare orde.
De rechtbank is gelet op de Amerikaanse beslissing van oordeel dat sprake is geweest van behoorlijk onderzoek en rechtspleging. Nu het draagmoederschap in de Verenigde Staten van Amerika heeft plaatsgevonden en de draagmoeder daar woonachtig is, kan niet worden geoordeeld dat er voor de rechtsmacht van de Amerikaanse rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond. Bij de beoordeling gaat het daarom om de vraag of de openbare orde zich verzet tegen erkenning van de in het buitenland tot stand gekomen familierechtelijke betrekkingen zoals vastgesteld in de Amerikaanse beslissing.
Openbare orde exceptie: zorgvuldig draagmoederschapstraject?
De rechtbank acht het in het kader van de openbare ordetoets van belang om te beoordelen of het in het buitenland gevolgde traject van draagmoederschap zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Dit gelet op de ingrijpende gevolgen van draagmoederschap voor de rechten en verplichtingen van zowel het kind, de draagmoeder als de wensouders in kwestie. Nu de wensouders in de Amerikaanse beslissingen als ouders van [minderjarige 2] zijn aangemerkt en uit DNA-onderzoek is gebleken dat [wensouder 1] de genetische vader is van [minderjarige 2] , dient hierbij naar het oordeel van de rechtbank met name te worden gekeken of de belangen van het kind, de draagmoeder en de eiceldonatrice voldoende in acht zijn genomen. Hierbij zijn van belang de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking Ouderschap zoals opgenomen in het adviesrapport ‘Kind en ouders in de 21e eeuw’ van 7 december 2016 en de door het kabinet in zijn brief van 12 juli 2019 (kamerstukken TK 2018/2019, 33836, nr. 45) geformuleerde waarborgen om het traject zorgvuldig en transparant te laten verlopen en zoveel mogelijk rechtszekerheid te bieden aan de draagmoeder, de eiceldonatrice, de wensouders en het kind.
Hieruit volgt dat het voor kinderen van groot belang is om te (kunnen) achterhalen uit wie zij zijn geboren, van wie zij genetisch afstammen en onder welke omstandigheden zij zijn ontstaan en geboren. Het recht van het kind om zijn of haar afstamming te kennen is een mensenrecht dat is opgenomen in artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
Op grond van de overgelegde stukken komt de rechtbank tot het oordeel dat het draagmoederschapstraject dat verzoekers in de staat Oregon in de VS hebben doorlopen zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De naam van de draagmoeder en haar contactgegevens zijn bekend. Uit de stukken volgt dat verzoekers goed contact hebben met de draagmoeder. Ook de naam van de eiceldonatrice is bij verzoekers bekend; zij is dezelfde eiceldonatrice als ten tijde van het eerder bij [minderjarige 1] gevolgde traject. Met de eiceldonatrice zijn verzoekers een “Donor and Intended Parent Agreement” aangegaan. In deze overeenkomst gaat de eiceldonatrice ermee akkoord dat [minderjarige 2] dan wel verzoekers in de toekomst contact met haar kunnen opnemen. Verzoekers hebben de gegevens van de eiceldonatrice, waaronder een e-mailadres, ontvangen. [minderjarige 2] kan in de toekomst dan ook in contact komen met zowel de draagmoeder als de eiceldonatrice. Voor hem is zijn volledige ontstaansgeschiedenis te achterhalen. Omdat de ontstaansgeschiedenis van [minderjarige 2] vergelijkbaar is met de ontstaansgeschiedenis van zijn broer [minderjarige 1] , kunnen de wensouders de broers op dit punt vergelijkbaar voorlichten.
Zoals hierboven onder de feiten al is weergegeven, hebben de wensouders en de draagmoeder daarnaast in de VS onafhankelijk juridisch advies ontvangen, ieder van hun eigen advocaat. De draagmoeder heeft gedurende het traject de mogelijkheid gehad tot psychologische bijstand en voor haar was eveneens medische zorg geregeld. Uit de met de eiceldonatrice gesloten overeenkomst blijkt dat zij onder andere medische bijstand heeft gehad en gebruik kon maken van juridische bijstand.
Gebleken is dat het juridisch ouderschap van verzoekers vanaf de geboorte van [minderjarige 2] is vastgesteld op grond van de beslissing van de “Circuit Court of the State of Oregon for the County of Multnomah”, van 7 oktober 2024, een en ander in overeenstemming met de wetgeving van Oregon, VS. De rechtbank kwalificeert deze Amerikaanse beslissing als een ‘ontkenning van het moederschap’ van de draagmoeder, een ontkenning van het vaderschap van de partner van de draagmoeder en een vaststelling van het ouderschap van verzoekers. Hoewel de Nederlandse wet niet de ontkenning van het moederschap kent van de moeder, uit wie het kind geboren is – de ‘geboortemoeder’ –, kent de wet wel de mogelijkheid om de familierechtelijke betrekking met de geboortemoeder te beëindigen, namelijk langs de weg van adoptie. Het enkele feit dat een beslissing van een buitenlandse rechter niet overeenstemt met bepalingen uit het Nederlands recht, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van onverenigbaarheid met de openbare orde.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Amerikaanse beslissing van 7 oktober 2024 ten aanzien van [minderjarige 2] , waarbij de familierechtelijke betrekkingen tussen [minderjarige 2] en de wensouders zijn vastgesteld, in Nederland kan worden erkend.
Erkenning Amerikaanse geboorteakte
Voor de vraag of de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige 2] kan worden erkend, zal de rechtbank ook de in boek 10 BW geplaatste erkenningsregeling naar analogie toepassen.
In artikel 10:101 lid 1 BW is, voor zover hier van belang, de in artikel 10:100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 BW opgenomen erkenningsregeling van overeenkomstige toepassing verklaard op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte.
De rechtbank stelt vast dat voor [minderjarige 2] een Amerikaanse geboorteakte is opgemaakt, waarin de wensouders – overeenkomstig de Amerikaanse beslissing die in Nederland wordt erkend – als ouders zijn opgenomen. Niet in geschil is dat dit door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is gedaan. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat aan deze rechtshandelingen geen behoorlijk onderzoek is voorafgegaan. Daarom gaat het bij de beoordeling van de rechtbank ook ten aanzien van deze Amerikaanse geboorteakte om de vraag of erkenning van de uit de Amerikaanse geboorteakte voortvloeiende afstammingsrelaties kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, zoals bedoeld in artikel 10:100 lid 1 sub c BW.
Openbare orde exceptie?
Uit artikel 10:101 lid 1 BW juncto artikel 10:100 lid 2 BW volgt dat de erkenning van de buitenlandse akte, ook wanneer daarbij een Nederlander betrokken is, niet wegens onverenigbaarheid met de openbare orde kan worden geweigerd op de enkele grond dat daarop een ander recht is toegepast dan uit deze titel zou zijn gevolgd. Als uitgangspunt geldt dat het enkele feit dat het van rechtswege ontstaan van een familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige 2] en verzoekers niet overeenstemt met de huidige bepalingen uit het Nederlands recht, onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van onverenigbaarheid met de openbare orde.
Uitgangspunt is dat de buitenlandse akte dient te worden erkend. Het feit dat naar het recht van de VS de wensouders als juridische ouders op de geboorteakte zijn geregistreerd, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van onverenigbaarheid met de openbare orde. Dat er sprake is van kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde, zoals opgenomen in artikel 10:100 lid 1 sub c BW, mag niet snel worden aangenomen. De exceptie van de Nederlandse openbare orde – waaronder kunnen worden verstaan de beginselen van waarden van juridische, sociale of morele aard, die in de eigen rechtsorde fundamenteel worden geacht – mag slechts als ultimum remedium worden ingezet. Met andere woorden: er moet sprake zijn van zulke fundamentele waarden, waarmee dat toepasselijke buitenlands recht strijdig is, dat dit recht niet wordt toegepast. Bij fundamentele waarden en normen uit de Nederlandse rechtsorde moet bijvoorbeeld gedacht worden aan het beginsel van non-discriminatie, de gelijke behandeling van man en vrouw en het recht op bescherming van het privé- en gezinsleven. Daarom wordt alleen in uitzonderlijke gevallen erkenning onthouden aan een buitenlandse akte wegens onverenigbaarheid met de openbare orde. De invulling van de vraag of sprake is van strijd met de openbare orde wordt bovendien beïnvloed door ontwikkelingen in de maatschappij en de rechtspraak.
Uit de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1995/96, 24649, nr. 3 (hierna: MvT), blijkt dat de wetgever destijds, bij het bepalen van de term “moeder” van het kind ook heeft stilgestaan bij de bijzondere wijzen van voortplanting. De MvT zegt daarover op pagina 7:
“De moeder van het kind is de vrouw die het kind heeft gebaard, ook als het genetische materiaal waaruit het kind is ontstaan, niet van haar afkomstig is. Het gaat mij te ver om, nu er technische mogelijkheden tot embryodonatie zijn voor alle gevallen het vaste uitgangspunt ten aanzien van het moederschap te vervangen door een vermoeden van moederschap dat zonodig door de vrouw die het kind heeft gebaard of het kind en eventueel door de vader kan worden ontkracht. Het gegeven dat de vrouw op deze wijze een kind wilde krijgen, de zwangerschap en de geboorte vormen voor deze opvatting voldoende grondslag.” Er is destijds, dus al in 1995, door de wetgever nagedacht over een mogelijkheid om het vaste uitgangspunt dat de moeder van het kind altijd de vrouw is uit wie het kind geboren is, te verlaten. Daar is weliswaar vanaf gezien, maar het idee dat de moeder een ander kan zijn, was geaccepteerd.
Ondanks de ontwikkelingen in het denken over ouderschap zijn in het BW tot op heden nog geen artikelen te vinden over draagmoederschap. Wel is aan de Staatscommissie Herijking Ouderschap gevraagd om na te denken over de vraag of draagmoederschap meer of anders zou moeten worden geregeld. Dit in reactie op de maatschappelijke en medisch-technologische veranderingen. De Staatscommissie heeft in het eerder genoemde rapport ‘Kind en ouders in de 21ste eeuw’ hierover een aanbeveling gedaan. De rechtbank toetst op dit moment ook al of de buitenlandse draagmoederschapstrajecten voldoen aan de door de Staatscommissie genoemde voorwaarden.
Hoewel destijds is afgezien van het aanpassen van de wet worden wel al stappen gezet om dat later mogelijk alsnog te doen, ingegeven door de toename van het aantal kinderen dat geboren wordt middels hoogtechnologisch draagmoederschap. Op dit moment is er een wetsvoorstel aanhangig, namelijk het “Wetsvoorstel Wet kind, draagmoederschap en afstamming” (36390). De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de Memorie van Toelichting behorende bij dit wetsvoorstel. Hierin wordt een regeling getroffen waarin de wensouders vanaf de geboorte als ouders op de geboorteakte staan vermeld. In de toelichting wordt vermeld dat de Nederlandse openbare orde zich niet langer verzet tegen het niet vermeld staan van een geboortemoeder op de geboorteakte. Wel moet de identiteit van de geboortemoeder op termijn voor het betrokken kind te achterhalen zijn. Dit geldt ook voor de overige gegevens betreffende de genetische afstamming, zoals die van de eiceldonatrice.
Uit het voorgaande blijkt dat ook in Nederland zelf de opvattingen over wie als ouder op een geboorteakte moet worden vermeld, zijn veranderd en dat wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat het mogelijk maakt dat – net zoals op de geboorteakte van [minderjarige 2] – op de geboorteakte geen geboortemoeder staat, maar in haar plaats een wensouder. Dat alleen al is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te oordelen dat een dergelijke geboorteakte niet strijdig is met de Nederlandse openbare orde.
Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de geboorteakte van [minderjarige 2] , met de daarin vastgelegde familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming, van rechtswege in Nederland kan worden erkend.
Zijn de Amerikaanse rechterlijke beslissing en de Amerikaanse geboorteakte naar hun aard vatbaar voor opname in de registers van de burgerlijke stand?
De ambtenaar heeft aangegeven dat hij bekend is met de rechtspraak van de rechtbank en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de Amerikaanse beslissing overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en dat de daarin neergelegde familierechtelijke betrekkingen naar hun aard in zijn algemeenheid vatbaar zijn voor opname in een Nederlands register van de burgerlijke stand.
Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat bij inschrijving van een buitenlandse geboorteakte alle stappen die zijn gezet binnen het draagmoederschapstraject ook tot uitdrukking komen in de Nederlandse registers, zodat deze stappen voor de kinderen op latere leeftijd kenbaar zijn. Zo wordt melding gemaakt van de buitenlandse beslissingen, maar ook van de onderhavige beslissing van de rechtbank. Deze uitspraken worden ook bewaard door de rechtbank, waarbij de zaken uiteindelijk worden opgenomen in het Nationaal Archief, zodat een kind inzage in de Nederlandse uitspraak kan vragen en zijn afstamming kan achterhalen, ook waar het de eiceldonatrice betreft, dus de persoon van wie het kind daadwerkelijk genetisch afstamt.
Uit het voorgaande volgt dat de verzochte verklaringen onder I. en III. (met uitzondering van het gezag, dat hieronder zal worden behandeld) worden toegewezen.
Het gelasten van de ambtenaar tot inschrijving van de Amerikaanse geboorteakte in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijke Stand alsmede te bepalen dat de ambtenaar op deze geboorteakte een vermelding plaatst van de Amerikaanse beslissing
Toepasselijk recht
Nu wordt verzocht de ambtenaar te gelasten de Amerikaanse geboorteakte en de Amerikaanse beslissing in te schrijven in het Nederlandse register van geboorten, zal de rechtbank het Nederlandse recht toepassen.
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:26b BW in samenhang gelezen met artikel 1:25 lid 1 BW kan de rechtbank de inschrijving gelasten van een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte van geboorte in het register van geboorten van de gemeente Den Haag, indien de akte een persoon betreft die op het ogenblik van het verzoek Nederlander is.
Artikel 1:20b BW bepaalt – voor zover hier van belang – dat op verzoek van een belanghebbende dan wel ambtshalve van akten en uitspraken die buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige uitwerking hebben als de akten en rechterlijke uitspraken, bedoeld in artikel 1:20 BW, door de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding wordt toegevoegd aan de desbetreffende in de registers van de burgerlijke stand hier te lande voorkomende geboorteakte, tenzij de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet.
De rechtbank oordeelt als volgt. In het voorgaande is al vastgesteld dat de Amerikaanse beslissing en de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige 2] in Nederland kunnen worden erkend. Daarmee worden de familierechtelijke betrekkingen tussen verzoekers en [minderjarige 2] erkend. Dit betekent dat op grond van de Amerikaanse beslissing en Amerikaanse geboorteakte verzoekers de juridische ouders van [minderjarige 2] zijn. Daarmee stamt [minderjarige 2] af van Nederlandse ouders, zodat hij de Nederlandse nationaliteit aan hen ontleent. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde voor inschrijving van de geboorteakte in het Nederlandse register.
Zoals hiervoor is vastgesteld, betreft de Amerikaanse beslissing een ‘ontkenning van het moederschap’ van de draagmoeder, een ontkenning van het vaderschap van de partner van de draagmoeder en een vaststelling van het ouderschap van verzoekers, zodat deze beslissing overeenkomt met een Nederlandse rechterlijke uitspraak zoals bedoeld in artikel 1:20 BW.
Verzoekers hebben verzocht op de in te schrijven geboorteakte de Amerikaanse beslissing als latere vermelding te plaatsen. De rechtbank stelt vast dat het doel van dit verzoek is dat een vermelding van de buitenlandse beslissing op de (nog in te schrijven) geboorteakte van [minderjarige 2] wordt gemaakt, zodat de ontstaansgeschiedenis voor [minderjarige 2] inzichtelijk en steeds te achterhalen zal zijn. Het betreft daarmee niet noodzakelijkerwijs een latere vermelding. Het is aan de ambtenaar om de wijze van vermelding te bepalen. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen in die zin dat de ambtenaar wordt gelast een (latere) vermelding te plaatsen op de geboorteakte van [minderjarige 2] .
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de verzoeken onder II. en VI. zal toewijzen als in het dictum nader bepaald.
Gezag
Verzoekers verzoeken onder III. ook om voor recht te verklaren dat uit de Amerikaanse beslissing voortvloeit dat zij gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] zijn belast.
Toepasselijk recht
Nu de beslissing niet in een EU-lidstaat is gegeven en evenmin in een staat die partij is bij het HKBV 1996, noch de verordening Brussel II-ter, noch het HKBV 1961, dient de rechtbank eerst vast te stellen welk recht van toepassing is op de vraag of de Amerikaanse (gezags)beslissing voor erkenning in aanmerking komt. In dit geval dient te worden teruggevallen op het nationale internationaal privaatrecht om de erkenningsvraag te beantwoorden. De regel omtrent de erkenning is in het Nederlandse recht ongeschreven. Zij houdt in dat een beslissing in Nederland voor erkenning in aanmerking komt indien voldaan is aan vier cumulatieve vereisten:
1. de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is (waarbij aansluiting kan worden gezocht bij de bevoegdheidsgronden uit de verordening Brussel IIter of het HKBV 1996);
2. de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van een behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging (zoals bedoeld in artikel 6 EVRM);
3. de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde;
4. de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.
De rechtbank is van oordeel dat de Amerikaanse beslissing, waarin de ouderlijke rechten van de draagmoeder en haar partner zijn beëindigd en verzoekers als de ouders van [minderjarige 2] zijn aangemerkt, aan alle vier de hiervoor omschreven vereisten voldoet. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het draagmoederschapstraject in de VS plaatsgevonden en is de draagmoeder in de VS woonachtig. De bevoegdheid van de Amerikaanse rechtbank berust derhalve op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Zoals reeds is overwogen, zijn er geen aanwijzingen dat aan de Amerikaanse beslissingen kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan. Verder is niet gebleken dat de erkenning van de beslissing van de Amerikaanse rechtbank in strijd is met de Nederlandse openbare orde of dat er sprake is van een tussen partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter dan wel van een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust.
Voorts is in de draagmoederschapsovereenkomst ook opgenomen dat de (beoogde) ouders de ouderlijke verantwoordelijkheid over het kind zullen dragen en de draagmoeder heeft dit ook aangegeven in het door haar op 12 februari 2025 ondertekende Affidavit.
Het voorgaande betekent dat met de beslissing van de Amerikaanse rechtbank waarin verzoekers als de juridisch ouders van [minderjarige 2] worden aangemerkt, verzoekers ook met het gezag over [minderjarige 2] zijn belast, welke beslissing in Nederland wordt erkend.
Op grond van artikel 2 aanhef en onder c van het Besluit gezagsregisters komen strikt genomen alléén buitenlandse beslissingen die van rechtswege (dus op grond van artikel 23 Haags kinderbeschermingsverdrag 1996, artikel 7 van het oudere Haags kinderbeschermingsverdrag van 1961, artikel 21 verordening Brussel II-bis of artikel 30 Brussel II ter), dus zonder dat daartoe enigerlei procedure vereist is, kunnen worden erkend, voor inschrijving in het gezagsregister in aanmerking. Uit de nota van toelichting bij het (gewijzigde) Besluit gezagsregisters volgt dat deze keuze is gemaakt, omdat in de praktijk de behoefte wordt gevoeld om ook buitenlandse beslissingen in het gezagsregister te vermelden. De reden dat alleen beslissingen die van rechtswege worden erkend in het Besluit zijn opgenomen ziet er uitsluitend op dat ten aanzien van die beslissingen geen inhoudelijke toets aangaande de erkenning hoeft te worden uitgevoerd, zodat de griffiers van de verschillende rechtbanken in staat kunnen worden geacht deze aantekening te verwerken.
In de praktijk wordt evenwel een gelijke behoefte gevoeld om buitenlandse beslissingen in het gezagsregister te vermelden waarvan de erkenning door de Nederlandse rechter is uitgesproken. Ook nadat de Nederlandse rechter in een uitspraak inhoudelijk heeft getoetst of de betreffende buitenlandse beslissing voor erkenning in aanmerking komt, kunnen de griffiers van de verschillende rechtbanken in staat worden geacht de aantekening van die buitenlandse gezagsbeslissing in combinatie met de Nederlandse erkenningsbeslissing te verwerken. De rechtbank ziet dan ook aanleiding artikel 2 aanhef en onder c van het Besluit gezagsregisters analoog toe te passen en zal de griffier gelasten om deze uitspraak, als die onherroepelijk is geworden, aan het gezagsregister toe te zenden zodat er een aantekening van de Amerikaanse beslissing van 7 oktober 2024 en van deze beschikking in het gezagsregister kan worden gemaakt.
Het verzoek onder III. ten aanzien van het gezag wordt toegewezen als in het dictum nader bepaald.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
De aard van de beslissingen verzet zich tegen uitvoerbaar verklaring bij voorraad, zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
*
verklaart voor recht dat de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats] , Oregon, Verenigde Staten van Amerika, waarop verzoekers als ouders worden vermeld, van rechtswege in Nederland wordt erkend en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag;
*
verklaart voor recht dat de uitspraak van de “Circuit Court of the State of Oregon for the County of Multnomah”, Verenigde Staten van Amerika, van 7 oktober 2024, waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming tussen verzoekers en [minderjarige 2] zijn vastgesteld, van rechtswege in Nederland wordt erkend en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand;
*
gelast de inschrijving in het register van geboorten van de gemeente Den Haag van de door de bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften in Oregon, Verenigde Staten van Amerika, opgemaakte geboorteakte van:
- [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats] , Oregon, Verenigde Staten van Amerika, state file nummer [nummer 2] , opgemaakt op 17 januari 2025, waarop de wensouders als de ouders staan geregistreerd en waarvan een fotokopie aan deze beschikking is gehecht;
*
bepaalt dat de ambtenaar op voornoemde akte een (latere) vermelding plaatst van voornoemde Amerikaanse beslissing, welke beslissing de ontkenning van het moederschap van de draagmoeder, de ontkenning van het vaderschap van de partner van de draagmoeder en de vaststelling van het ouderschap van verzoekers betreft;
*
verklaart voor recht dat beide ouders [wensouder 1] en [wensouder 2] gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 2] zijn belast;
*
bepaalt dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister, om daarin aantekening te doen van de Amerikaanse beslissing van 7 oktober 2024 en de beschikking van heden voor zover deze ziet op de vaststelling dat verzoekers op grond van de Amerikaanse beslissing met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] zijn belast;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 juni 2026.
De afbeeldingen zijn verwijderd in verband met de privacy.