Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:17752
2026-03-05
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.47760
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
herhaald en ingelast, standaard voornemen, arrest C.K., Tarakhel, Artikel 17 Dv, artikel 6 EVRM, Slowakije
Citeert (10)
- ECLI:EU:C:2017:127
- ECLI:NL:RVS:2020:223 Raad van State 23-01-2020
- ECLI:NL:RVS:2025:1642 Raad van State 11-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2020:2580 Raad van State 30-10-2020
- ECLI:NL:RVS:2018:92 Raad van State 15-01-2018
- ECLI:NL:RVS:2019:2726 Raad van State 08-08-2019
- ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712
- ECLI:NL:RVS:2015:3806 Raad van State 03-12-2015
- ECLI:NL:RVS:2025:717 Raad van State 25-02-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:717 Raad van State 25-02-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.901 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47760
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.M. Pot),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. de Graaf).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van
11 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Slowakije ervoor verantwoordelijk is.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep eerst op 20 januari 2026 op zitting behandeld. De rechtbank heeft de zaak aangehouden in afwachting van een advies van Bureau Medische Advisering van verweerder (hierna: BMA-advies).
1.2.
Op 23 januari 2026 heeft verweerder een BMA-advies aan het dossier toegevoegd. Op 6 februari 2026 heeft verweerder nog een aanvullend BMA-advies overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen, samen met S. Kefeli als tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Azerbeidzjaanse nationaliteit. Op 30 mei 2025 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Slowakije asiel heeft aangevraagd. Slowakije is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Ten eerste handhaaft eiser onverminderd hetgeen hij eerder in de rest van de procedure naar voren heeft gebracht. Eiser stelt onder verwijzing naar de zienswijze dat verweerder onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. In het voornemen en het besluit is immers niet daadwerkelijk gekeken naar de individuele, bijzondere omstandigheden van de zaak. Ten tweede heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest, waardoor een situatie zoals in artikel 3 EVRM zich eerder kan voordoen. Eiser beroept zich ten derde op artikel 17 van de Dublinverordening. In dit opzicht heeft verweerder het besluit onvoldoende gemotiveerd. Eiser is immers een uitzonderlijk kwetsbare vluchteling vanwege zijn afkomst en seksuele gerichtheid en het feit dat in Azerbeidzjan sprake is van een homofobe samenleving. Ook in Slowakije is sprake geweest van erbarmelijke omstandigheden, nu eiser is gedrogeerd en verkracht door een kampbeambte. Eiser vraagt zich af hoe het zit met de veiligheid van asielzoekers met een LHBT-achtergrond en verwijst naar een wetsvoorstel van de Slowaakse regering, een rapport van Amnesty en een Resolutie van het Europees Parlement. Tot slot voert eiser aan dat op basis van zijn psychische en medische omstandigheden het onaanvaardbaar moet worden geacht dat een overdracht plaatsvindt. Daartoe verwijst eiser naar een aantal (medische) stukken die hij als productie bij het beroep heeft gevoegd, het arrest C.K. en een uitspraak van de hoogste bestuursrechter.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Herhaald en ingelast
6. De rechtbank overweegt allereerst dat het uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, niet zonder meer kan worden afgeleid waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Voornemen
7. Met betrekking tot eisers stellingen dat verweerder in het voornemen niet daadwerkelijk is ingegaan op eisers individuele, bijzondere omstandigheden, overweegt de rechtbank als volgt. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. De rechtbank is van oordeel dat in het voornemen duidelijk uiteen is gezet dat, en op welke gronden, Slowakije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat er geen aanleiding wordt gezien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van verweerder dragende overwegingen opgenomen. Uit de uitspraken van de Afdeling van 23 november 2023 en 11 april 2025 kan worden afgeleid dat een standaardvoornemen in dit geval wel aan de vereisten voldoet. Ook als de verklaringen van eiser niet kenbaar betrokken zijn in het voornemen, heeft eiser door middel van het indienen van de zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op het voornemen. Eiser heeft hier ook gebruik van gemaakt. Vervolgens is verweerder in het bestreden besluit ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. Daarbij is verweerder kenbaar ingegaan op hetgeen wat door eiser in de zienswijze is aangevoerd.
Arrest C.K.
7.1.
Eiser doet een beroep op het arrest C.K. Uit dit arrest volgt dat de overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen.
7.2.
Eiser stelt dat hij ernstig is getraumatiseerd. Hij bevindt zich in een verslechterde geestelijke situatie. Ter onderbouwing heeft eiser een GGZ-rapport overgelegd. Hieruit blijkt onder meer dat er in eisers geval sprake is van een verhoogd suïciderisico. Op grond van deze stukken en een melding van een suïcidepoging, heeft verweerder op
7 november 2025 besloten een BMA-advies op te vragen. Nadat deze adviesaanvraag eerst niet-inhoudelijk is afgedaan op basis van de destijds beschikbare informatie, heeft verweerder tijdens de zitting van 20 januari 2026 aangegeven op basis van nieuwe aangeleverde informatie alsnog een BMA-traject op te kunnen starten. Vervolgens is op 23 januari 2026 een BMA-advies uitgebracht, met daaropvolgend een aanvullend advies van
6 februari 2026. Aan de hand van de door eiser (en zijn behandelaren) overgelegde informatie komt het BMA tot de conclusie dat eiser kan reizen, mits er aan de in het advies genoemde reisvoorwaarden wordt voldaan. Zo wordt aangeraden dat tijdens de reis een (psychiatrisch) verpleegkundige meereist, eiser een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt, dat hij continueert met medicatie en voldoende medicatie meeneemt om de periode van de reis te overbruggen. Bovendien wordt, vanwege het latent verhoogde suïciderisico, een directe beoordeling door een behandelaar in het land van overdracht geadviseerd ter beoordeling van eisers medische situatie.
7.3.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat hij de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoeft te nemen vanwege de medische situatie van eiser. Hoewel uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat hij kampt met psychische problemen, heeft eiser niet met objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat de overdracht aan Slowakije tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zou leiden (in de zin van het arrest C.K.). Verweerder heeft met het opvragen van het BMA-advies zich er voldoende van vergewist dat eiser kan worden overgedragen als aan de daarin vastgestelde reisvoorwaarden wordt voldaan en daarmee de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht aan Slowakije op de gezondheidstoestand van eiser deugdelijk gemotiveerd weggenomen. Verweerder heeft daarmee voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het arrest C.K. In dit verband overweegt de rechtbank dat het BMA-advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Uit het advies blijkt dat het BMA alle bijzondere medische omstandigheden van eiser kenbaar heeft betrokken. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid en de volledigheid van het BMA-advies. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling ter zitting dat het BMA de gezondheidssituatie van eiser onderschat. Ook het beklag omtrent de toonzetting van het medisch advies en de stelling dat er niet in is gegaan op eisers traumatische ervaringen in het Slowaakse vluchtelingenkamp treffen geen doel. Het BMA-advies ziet immers hoofdzakelijk op de overdracht en op de vraag of eiser in staat is om te reizen. Het BMA heeft bij de totstandkoming van het medisch advies diverse bronnen geraadpleegd, onder andere [naam 1] , waarnemend huisarts, d.d. 18 november 2025, [naam 2] , GZ-psycholoog, d.d. 12 december 2025 en medische informatie vanuit het behandelteam Detentiecentrum Rotterdam d.d. 22 januari 2026. Uit het BMA-advies blijkt dat niet alleen is gekeken of eiser kan reizen, maar dat ook rekening is gehouden met de gevolgen van de overdracht. Als reisvoorwaarde is namelijk ook gesteld dat eiser na aankomst wordt beoordeeld door een behandelaar met betrekking tot zijn medische situatie. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit concreet blijkt dat de door het BMA gestelde reisvoorwaarden, gelet op de bijzondere ernst van zijn aandoening, voor hem niet volstaan.
Tarakhel-arrest
8. Voor zover eiser op basis van zijn afkomst, geaardheid en zijn ervaringen in Slowakije een beroep doet op het Tarakhel-arrest, oordeelt de rechtbank dat dit beroep niet slaagt. In het Tarakhel-arrest heeft het Hof van Justitie overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, als de vreemdeling aantoont dat hij zonder garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Uit de Afdelingsuitspraak van 3 december 2015 volgt dat het Tarakhel-arrest ook van toepassing kan zijn op andere personen die bijzonder kwetsbaar zijn als aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdeling van belang kunnen zijn. De bewijslast dat er sprake is van deze bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling. Eiser heeft aangevoerd dat zijn afkomst, geaardheid en traumatische ervaringen maken dat hij bijzonder kwetsbaar is. Hoewel uit de aangevoerde omstandigheden een zekere kwetsbaarheid kan worden afgeleid, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken dat er in het geval van eiser ook sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in het Tarakhel-arrest. Eiser heeft niet met concrete bewijzen aannemelijk gemaakt dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Slowakije geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Onder deze omstandigheden zijn er geen individuele garanties van de Slowaakse autoriteiten vereist voor de overdracht van eiser. Daarnaast verwijst de rechtbank naar artikel 31 en 32 van de Dublinverordening, waarin waarborgen zijn opgenomen om de overdracht van kwetsbare personen op zorgvuldige wijze te laten plaatsvinden.
Artikel 17 van de Dublinverordening
9. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land te behandelen, ook al is die lidstaat daartoe op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt verweerder van zijn bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in ieder geval gebruik als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 februari 2025 is het aan verweerder om te beoordelen of in het geval van een vreemdeling sprake is van zodanige bijzonder individuele omstandigheden dat de overdracht van een onevenredig hardheid getuigt.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen overwegen dat niet gebleken is van bijzondere, individuele omstandigheden die ertoe leiden dat de overdracht naar Slowakije van een onevenredige hardheid zou getuigen. Verweerder heeft eisers afkomst en seksuele geaardheid in relatie tot de stellingen van eiser omtrent homofobie in Slowakije niet voldoende bijzonder hoeven vinden om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken. Eiser heeft gesteld te betwijfelen of Slowakije werkelijk zo veilig is voor terugkerende asielzoekers met LHBT-achtergrond en daartoe verwezen naar diverse landeninformatie en zijn eigen ervaringen in Slowakije. In dit kader heeft verweerder kunnen volstaan met een verwijzing naar hetgeen hij eerder heeft beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat tekortkomingen in de asielprocedure en de ervaringen van eiser in Slowakije namelijk in beginsel thuishoren bij de beoordeling of kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft het bestreden besluit voldoende zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd.
Artikel 6 EVRM
10. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest, is het de rechtbank niet duidelijk geworden wat eiser hiermee wil betogen, zodat het niet kan leiden tot gegrondverklaring van het beroep.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Slowakije ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.
12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
The State of the World's Human RightsThe State of the World’s Human Rights (https://www.amnesty.org/en/documents/pol10/8515/2025/en/)
Resolutie van het Europees Parlement van 20 oktober 2022 over de toename van haatmisdrijven ten aanzien van lhbtiq+-personen in heel Europa in het licht van de recente homofobe moord in Slowakije (2022/2894(RSP)).
ECLI:EU:C:2017:127.
ECLI:NL:RVS:2020:223.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van Staten (Afdeling) ECLI: RVS:2023:4348 en ECLI:NL:RVS:2025:1642.
Zie uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2580, r.o. 2.2.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 15 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:92, en van 8 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2726.
Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
ECLI:NL:RVS:2015:3806.
Zie uitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.
ECLI:NL:RVS:2025:717.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47760
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.M. Pot),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. de Graaf).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van
11 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Slowakije ervoor verantwoordelijk is.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep eerst op 20 januari 2026 op zitting behandeld. De rechtbank heeft de zaak aangehouden in afwachting van een advies van Bureau Medische Advisering van verweerder (hierna: BMA-advies).
1.2.
Op 23 januari 2026 heeft verweerder een BMA-advies aan het dossier toegevoegd. Op 6 februari 2026 heeft verweerder nog een aanvullend BMA-advies overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen, samen met S. Kefeli als tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Azerbeidzjaanse nationaliteit. Op 30 mei 2025 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Slowakije asiel heeft aangevraagd. Slowakije is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Ten eerste handhaaft eiser onverminderd hetgeen hij eerder in de rest van de procedure naar voren heeft gebracht. Eiser stelt onder verwijzing naar de zienswijze dat verweerder onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. In het voornemen en het besluit is immers niet daadwerkelijk gekeken naar de individuele, bijzondere omstandigheden van de zaak. Ten tweede heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest, waardoor een situatie zoals in artikel 3 EVRM zich eerder kan voordoen. Eiser beroept zich ten derde op artikel 17 van de Dublinverordening. In dit opzicht heeft verweerder het besluit onvoldoende gemotiveerd. Eiser is immers een uitzonderlijk kwetsbare vluchteling vanwege zijn afkomst en seksuele gerichtheid en het feit dat in Azerbeidzjan sprake is van een homofobe samenleving. Ook in Slowakije is sprake geweest van erbarmelijke omstandigheden, nu eiser is gedrogeerd en verkracht door een kampbeambte. Eiser vraagt zich af hoe het zit met de veiligheid van asielzoekers met een LHBT-achtergrond en verwijst naar een wetsvoorstel van de Slowaakse regering, een rapport van Amnesty en een Resolutie van het Europees Parlement. Tot slot voert eiser aan dat op basis van zijn psychische en medische omstandigheden het onaanvaardbaar moet worden geacht dat een overdracht plaatsvindt. Daartoe verwijst eiser naar een aantal (medische) stukken die hij als productie bij het beroep heeft gevoegd, het arrest C.K. en een uitspraak van de hoogste bestuursrechter.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Herhaald en ingelast
6. De rechtbank overweegt allereerst dat het uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, niet zonder meer kan worden afgeleid waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Voornemen
7. Met betrekking tot eisers stellingen dat verweerder in het voornemen niet daadwerkelijk is ingegaan op eisers individuele, bijzondere omstandigheden, overweegt de rechtbank als volgt. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. De rechtbank is van oordeel dat in het voornemen duidelijk uiteen is gezet dat, en op welke gronden, Slowakije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat er geen aanleiding wordt gezien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van verweerder dragende overwegingen opgenomen. Uit de uitspraken van de Afdeling van 23 november 2023 en 11 april 2025 kan worden afgeleid dat een standaardvoornemen in dit geval wel aan de vereisten voldoet. Ook als de verklaringen van eiser niet kenbaar betrokken zijn in het voornemen, heeft eiser door middel van het indienen van de zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op het voornemen. Eiser heeft hier ook gebruik van gemaakt. Vervolgens is verweerder in het bestreden besluit ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. Daarbij is verweerder kenbaar ingegaan op hetgeen wat door eiser in de zienswijze is aangevoerd.
Arrest C.K.
7.1.
Eiser doet een beroep op het arrest C.K. Uit dit arrest volgt dat de overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen.
7.2.
Eiser stelt dat hij ernstig is getraumatiseerd. Hij bevindt zich in een verslechterde geestelijke situatie. Ter onderbouwing heeft eiser een GGZ-rapport overgelegd. Hieruit blijkt onder meer dat er in eisers geval sprake is van een verhoogd suïciderisico. Op grond van deze stukken en een melding van een suïcidepoging, heeft verweerder op
7 november 2025 besloten een BMA-advies op te vragen. Nadat deze adviesaanvraag eerst niet-inhoudelijk is afgedaan op basis van de destijds beschikbare informatie, heeft verweerder tijdens de zitting van 20 januari 2026 aangegeven op basis van nieuwe aangeleverde informatie alsnog een BMA-traject op te kunnen starten. Vervolgens is op 23 januari 2026 een BMA-advies uitgebracht, met daaropvolgend een aanvullend advies van
6 februari 2026. Aan de hand van de door eiser (en zijn behandelaren) overgelegde informatie komt het BMA tot de conclusie dat eiser kan reizen, mits er aan de in het advies genoemde reisvoorwaarden wordt voldaan. Zo wordt aangeraden dat tijdens de reis een (psychiatrisch) verpleegkundige meereist, eiser een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt, dat hij continueert met medicatie en voldoende medicatie meeneemt om de periode van de reis te overbruggen. Bovendien wordt, vanwege het latent verhoogde suïciderisico, een directe beoordeling door een behandelaar in het land van overdracht geadviseerd ter beoordeling van eisers medische situatie.
7.3.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat hij de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoeft te nemen vanwege de medische situatie van eiser. Hoewel uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat hij kampt met psychische problemen, heeft eiser niet met objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat de overdracht aan Slowakije tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zou leiden (in de zin van het arrest C.K.). Verweerder heeft met het opvragen van het BMA-advies zich er voldoende van vergewist dat eiser kan worden overgedragen als aan de daarin vastgestelde reisvoorwaarden wordt voldaan en daarmee de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht aan Slowakije op de gezondheidstoestand van eiser deugdelijk gemotiveerd weggenomen. Verweerder heeft daarmee voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het arrest C.K. In dit verband overweegt de rechtbank dat het BMA-advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Uit het advies blijkt dat het BMA alle bijzondere medische omstandigheden van eiser kenbaar heeft betrokken. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid en de volledigheid van het BMA-advies. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling ter zitting dat het BMA de gezondheidssituatie van eiser onderschat. Ook het beklag omtrent de toonzetting van het medisch advies en de stelling dat er niet in is gegaan op eisers traumatische ervaringen in het Slowaakse vluchtelingenkamp treffen geen doel. Het BMA-advies ziet immers hoofdzakelijk op de overdracht en op de vraag of eiser in staat is om te reizen. Het BMA heeft bij de totstandkoming van het medisch advies diverse bronnen geraadpleegd, onder andere [naam 1] , waarnemend huisarts, d.d. 18 november 2025, [naam 2] , GZ-psycholoog, d.d. 12 december 2025 en medische informatie vanuit het behandelteam Detentiecentrum Rotterdam d.d. 22 januari 2026. Uit het BMA-advies blijkt dat niet alleen is gekeken of eiser kan reizen, maar dat ook rekening is gehouden met de gevolgen van de overdracht. Als reisvoorwaarde is namelijk ook gesteld dat eiser na aankomst wordt beoordeeld door een behandelaar met betrekking tot zijn medische situatie. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit concreet blijkt dat de door het BMA gestelde reisvoorwaarden, gelet op de bijzondere ernst van zijn aandoening, voor hem niet volstaan.
Tarakhel-arrest
8. Voor zover eiser op basis van zijn afkomst, geaardheid en zijn ervaringen in Slowakije een beroep doet op het Tarakhel-arrest, oordeelt de rechtbank dat dit beroep niet slaagt. In het Tarakhel-arrest heeft het Hof van Justitie overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, als de vreemdeling aantoont dat hij zonder garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Uit de Afdelingsuitspraak van 3 december 2015 volgt dat het Tarakhel-arrest ook van toepassing kan zijn op andere personen die bijzonder kwetsbaar zijn als aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdeling van belang kunnen zijn. De bewijslast dat er sprake is van deze bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling. Eiser heeft aangevoerd dat zijn afkomst, geaardheid en traumatische ervaringen maken dat hij bijzonder kwetsbaar is. Hoewel uit de aangevoerde omstandigheden een zekere kwetsbaarheid kan worden afgeleid, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken dat er in het geval van eiser ook sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in het Tarakhel-arrest. Eiser heeft niet met concrete bewijzen aannemelijk gemaakt dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Slowakije geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Onder deze omstandigheden zijn er geen individuele garanties van de Slowaakse autoriteiten vereist voor de overdracht van eiser. Daarnaast verwijst de rechtbank naar artikel 31 en 32 van de Dublinverordening, waarin waarborgen zijn opgenomen om de overdracht van kwetsbare personen op zorgvuldige wijze te laten plaatsvinden.
Artikel 17 van de Dublinverordening
9. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land te behandelen, ook al is die lidstaat daartoe op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt verweerder van zijn bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in ieder geval gebruik als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 februari 2025 is het aan verweerder om te beoordelen of in het geval van een vreemdeling sprake is van zodanige bijzonder individuele omstandigheden dat de overdracht van een onevenredig hardheid getuigt.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen overwegen dat niet gebleken is van bijzondere, individuele omstandigheden die ertoe leiden dat de overdracht naar Slowakije van een onevenredige hardheid zou getuigen. Verweerder heeft eisers afkomst en seksuele geaardheid in relatie tot de stellingen van eiser omtrent homofobie in Slowakije niet voldoende bijzonder hoeven vinden om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken. Eiser heeft gesteld te betwijfelen of Slowakije werkelijk zo veilig is voor terugkerende asielzoekers met LHBT-achtergrond en daartoe verwezen naar diverse landeninformatie en zijn eigen ervaringen in Slowakije. In dit kader heeft verweerder kunnen volstaan met een verwijzing naar hetgeen hij eerder heeft beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat tekortkomingen in de asielprocedure en de ervaringen van eiser in Slowakije namelijk in beginsel thuishoren bij de beoordeling of kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft het bestreden besluit voldoende zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd.
Artikel 6 EVRM
10. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest, is het de rechtbank niet duidelijk geworden wat eiser hiermee wil betogen, zodat het niet kan leiden tot gegrondverklaring van het beroep.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Slowakije ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.
12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
The State of the World's Human RightsThe State of the World’s Human Rights (https://www.amnesty.org/en/documents/pol10/8515/2025/en/)
Resolutie van het Europees Parlement van 20 oktober 2022 over de toename van haatmisdrijven ten aanzien van lhbtiq+-personen in heel Europa in het licht van de recente homofobe moord in Slowakije (2022/2894(RSP)).
ECLI:EU:C:2017:127.
ECLI:NL:RVS:2020:223.
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van Staten (Afdeling) ECLI: RVS:2023:4348 en ECLI:NL:RVS:2025:1642.
Zie uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2580, r.o. 2.2.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 15 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:92, en van 8 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2726.
Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
ECLI:NL:RVS:2015:3806.
Zie uitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.
ECLI:NL:RVS:2025:717.