Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:16593
2026-06-15
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.21411
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin Spanje. Beroep ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2025:381 Raad van State 03-02-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5661 Raad van State 25-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2026:1431 Raad van State 16-03-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.116 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21411
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. R. van Dooren).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk heeft en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
5. In dit geval heeft eiser een visum van Spanje ontvangen, geldig van 4 december 2025 tot 16 februari 2026. Eiser heeft op 3 februari 2026 asiel aangevraagd in Nederland. Gelet op artikel 12, tweede lid, van de Dvo is Spanje dan verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiser. Het visum was immers nog geldig toen eiser zijn asielaanvraag in Nederland indiende. Nederland heeft daarom bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje, omdat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Hiertoe voert eiser aan dat asielzoekers in Spanje niet kunnen rekenen op bijstand, hetgeen in strijd is met de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn. Hierdoor heeft eiser praktisch geen mogelijkheid om te klagen bij de Spaanse autoriteiten. Dit wordt ook nog eens bemoeilijkt door de taalbarrière. Verder is in Spanje sprake van discriminatie en extreem geweld. Het claimakkoord biedt onvoldoende garantie dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen en dat eiser niet verwaarloost zal raken.
7. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraken van 3 februari 2025, 25 november 2025 en 16 maart 2026 nog bevestigd. Het is daarom in beginsel aan eiseres om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 Handvest. Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo.
8. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de omstandigheden in Spanje is onvoldoende om te spreken over ernstige, structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Eiser heeft zijn stellingen ook niet onderbouwd met recente landeninformatie of andere documenten. Verder hebben de Spaanse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. De minister heeft er terecht op gewezen dat mocht eiser toch problemen ondervinden, van hem mag worden verwacht dat hij klaagt bij de Spaanse autoriteiten. Er is niet gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hiertoe voert eiser aan dat hij van anderen heeft gehoord dat de leef- en opvangomstandigheden erbarmelijk zijn. Ook voelt eiser zich als Iraniër niet veilig in Spanje, omdat Spanje goede banden heeft met Iran.
10. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
11. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Spanje onevenredig hard is. Eiser is niet eerder als asielzoeker of Dublinclaimant in Spanje geweest en kan dus niet vanuit persoonlijke ervaring spreken. In de stelling dat Spanje goede banden heeft met Iran ziet de rechtbank geen bijzondere, individuele omstandigheid op grond waarvan de minister de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RVS:2025:381.
ECLI:NL:RVS:2025:5661.
ECLI:NL:RVS:2026:1431.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21411
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. R. van Dooren).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk heeft en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
5. In dit geval heeft eiser een visum van Spanje ontvangen, geldig van 4 december 2025 tot 16 februari 2026. Eiser heeft op 3 februari 2026 asiel aangevraagd in Nederland. Gelet op artikel 12, tweede lid, van de Dvo is Spanje dan verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiser. Het visum was immers nog geldig toen eiser zijn asielaanvraag in Nederland indiende. Nederland heeft daarom bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje, omdat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Hiertoe voert eiser aan dat asielzoekers in Spanje niet kunnen rekenen op bijstand, hetgeen in strijd is met de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn. Hierdoor heeft eiser praktisch geen mogelijkheid om te klagen bij de Spaanse autoriteiten. Dit wordt ook nog eens bemoeilijkt door de taalbarrière. Verder is in Spanje sprake van discriminatie en extreem geweld. Het claimakkoord biedt onvoldoende garantie dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen en dat eiser niet verwaarloost zal raken.
7. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraken van 3 februari 2025, 25 november 2025 en 16 maart 2026 nog bevestigd. Het is daarom in beginsel aan eiseres om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 Handvest. Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo.
8. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de omstandigheden in Spanje is onvoldoende om te spreken over ernstige, structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Eiser heeft zijn stellingen ook niet onderbouwd met recente landeninformatie of andere documenten. Verder hebben de Spaanse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. De minister heeft er terecht op gewezen dat mocht eiser toch problemen ondervinden, van hem mag worden verwacht dat hij klaagt bij de Spaanse autoriteiten. Er is niet gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hiertoe voert eiser aan dat hij van anderen heeft gehoord dat de leef- en opvangomstandigheden erbarmelijk zijn. Ook voelt eiser zich als Iraniër niet veilig in Spanje, omdat Spanje goede banden heeft met Iran.
10. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
11. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Spanje onevenredig hard is. Eiser is niet eerder als asielzoeker of Dublinclaimant in Spanje geweest en kan dus niet vanuit persoonlijke ervaring spreken. In de stelling dat Spanje goede banden heeft met Iran ziet de rechtbank geen bijzondere, individuele omstandigheid op grond waarvan de minister de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RVS:2025:381.
ECLI:NL:RVS:2025:5661.
ECLI:NL:RVS:2026:1431.