Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:16191
2026-06-16
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.9111
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bnt asiel, vervallen voornemenprocedure, 8+4-wekenmodel
Citeert (5)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6860 Rechtbank Den Haag 15-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2020:1560 Raad van State 08-07-2020
- ECLI:NL:RVS:2024:5020 Raad van State 05-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19148 Rechtbank Den Haag 06-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:12538 Rechtbank Den Haag 15-11-2022
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21153 Rechtbank Den Haag 29-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22521 Rechtbank Den Haag 22-07-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (8.369 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9111
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer [nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag. De minister heeft ondanks een uitdrukkelijk verzoek van de rechtbank geen verweerschrift ingediend.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of het beroep ontvankelijk en gegrond is. Omdat zij onder 4 deze vraag bevestigend beantwoordt, legt de rechtbank de minister onder 5.4 een beslistermijn op en legt zij onder 6 de minister een dwangsom op.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
4. Het beroep is ontvankelijk en gegrond. De aanvraag is, gelet op de loopbrief, in ontvangst genomen op 17 augustus 2024. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Hoewel de minister in dit geval onderzoek heeft gedaan in het kader van de Dublinverordening, leidt dit niet tot een later aanvangsmoment van de beslistermijn omdat het onderzoek binnen de claimtermijn beperkt is gebleven tot onderzoek in Eurodac.De rechtbank merkt in dit verband op dat het Dublingehoor heeft plaatsgevonden buiten de claimtermijn. Dit betekent dat de beslistermijn is geëindigd op 17 februari 2025. De minister is na het verstrijken van die termijn in gebreke gesteld. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag is meer dan twee weken na de ingebrekestelling ingesteld.
Welke beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
5. De bestuursrechter kan een termijn stellen voor het nemen van het besluit of het verrichten van een andere handeling.
5.1.
Uit het dossier blijkt dat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven. In een dergelijk geval legde deze rechtbank en zittingsplaats tot nu toe een termijn van zestien weken op, het zogenoemde 8+8-wekenmodel, voor het horen en beslissen. Deze termijn is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend.
5.2.
Met ingang van 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact van toepassing geworden. Daarmee is de voornemenprocedure vervallen, nu de Procedureverordening, die onderdeel uitmaakt van het Asiel- en migratiepact, deze stap niet kent. Het vervallen van deze stap strekt tot vereenvoudiging en versnelling van de asielprocedure, mede gelet op de verkorte beslistermijnen van de Procedureverordening.
5.3.
Dit geeft de rechtbank aanleiding het bestaande 8+8-wekenmodel te herzien. Het vervallen van de voornemenprocedure heeft geen gevolgen voor de termijn van acht weken voor het horen, maar brengt wél mee dat na het gehoor sneller tot besluitvorming kan worden overgegaan. Daarom stelt de rechtbank de termijn voor het nemen van een besluit, nadat al is gehoord over de asielmotieven, vast op vier weken (8+4-wekenmodel).
5.4.
In dit geval is de maximale beslistermijn van 21 maanden als bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn verstreken. In die situatie halveert de rechtbank de op te leggen termijn, tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven daarvan af te wijken. Dergelijke omstandigheden ontbreken. Daarom draagt de rechtbank de minister op om binnen zes weken (4+2-weken) na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
6. De rechtbank moet aan haar uitspraak een dwangsom verbinden. Hierover hebben de zittingsplaatsen een aanbeveling vastgesteld. De rechtbank stelt daarom de hoogte van de dwangsom in deze zaak vast op een bedrag van € 50 per dag voor elke dag waarmee de onder 5.4 genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister de onder 5.4 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de onder 6 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om binnen zes weken een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 50 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 467 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dit volgt uit de artikelen 6:2 en 6:12 van de Awb.
Dit staat in artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Rechtbank Den Haag (zp. Arnhem) 15 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6860.
Dit volgt uit artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560 en 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5020.
Dit volgt uit onderdeel AF en artikel IX van de Wet van 27 mei 2026 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026), Stb. 2026, 127.
TK 2025-2026, 36 871, nr. 3, p. 46 en 47.
Zie Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 6 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19148.
Zie Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 15 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12538.
Dit staat in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9111
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer [nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag. De minister heeft ondanks een uitdrukkelijk verzoek van de rechtbank geen verweerschrift ingediend.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of het beroep ontvankelijk en gegrond is. Omdat zij onder 4 deze vraag bevestigend beantwoordt, legt de rechtbank de minister onder 5.4 een beslistermijn op en legt zij onder 6 de minister een dwangsom op.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
4. Het beroep is ontvankelijk en gegrond. De aanvraag is, gelet op de loopbrief, in ontvangst genomen op 17 augustus 2024. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Hoewel de minister in dit geval onderzoek heeft gedaan in het kader van de Dublinverordening, leidt dit niet tot een later aanvangsmoment van de beslistermijn omdat het onderzoek binnen de claimtermijn beperkt is gebleven tot onderzoek in Eurodac.De rechtbank merkt in dit verband op dat het Dublingehoor heeft plaatsgevonden buiten de claimtermijn. Dit betekent dat de beslistermijn is geëindigd op 17 februari 2025. De minister is na het verstrijken van die termijn in gebreke gesteld. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag is meer dan twee weken na de ingebrekestelling ingesteld.
Welke beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
5. De bestuursrechter kan een termijn stellen voor het nemen van het besluit of het verrichten van een andere handeling.
5.1.
Uit het dossier blijkt dat eiseres nog niet is gehoord over haar asielmotieven. In een dergelijk geval legde deze rechtbank en zittingsplaats tot nu toe een termijn van zestien weken op, het zogenoemde 8+8-wekenmodel, voor het horen en beslissen. Deze termijn is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend.
5.2.
Met ingang van 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact van toepassing geworden. Daarmee is de voornemenprocedure vervallen, nu de Procedureverordening, die onderdeel uitmaakt van het Asiel- en migratiepact, deze stap niet kent. Het vervallen van deze stap strekt tot vereenvoudiging en versnelling van de asielprocedure, mede gelet op de verkorte beslistermijnen van de Procedureverordening.
5.3.
Dit geeft de rechtbank aanleiding het bestaande 8+8-wekenmodel te herzien. Het vervallen van de voornemenprocedure heeft geen gevolgen voor de termijn van acht weken voor het horen, maar brengt wél mee dat na het gehoor sneller tot besluitvorming kan worden overgegaan. Daarom stelt de rechtbank de termijn voor het nemen van een besluit, nadat al is gehoord over de asielmotieven, vast op vier weken (8+4-wekenmodel).
5.4.
In dit geval is de maximale beslistermijn van 21 maanden als bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn verstreken. In die situatie halveert de rechtbank de op te leggen termijn, tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven daarvan af te wijken. Dergelijke omstandigheden ontbreken. Daarom draagt de rechtbank de minister op om binnen zes weken (4+2-weken) na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
6. De rechtbank moet aan haar uitspraak een dwangsom verbinden. Hierover hebben de zittingsplaatsen een aanbeveling vastgesteld. De rechtbank stelt daarom de hoogte van de dwangsom in deze zaak vast op een bedrag van € 50 per dag voor elke dag waarmee de onder 5.4 genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister de onder 5.4 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de onder 6 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om binnen zes weken een besluit op de aanvraag bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 50 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 467 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dit volgt uit de artikelen 6:2 en 6:12 van de Awb.
Dit staat in artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Rechtbank Den Haag (zp. Arnhem) 15 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6860.
Dit volgt uit artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560 en 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5020.
Dit volgt uit onderdeel AF en artikel IX van de Wet van 27 mei 2026 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026), Stb. 2026, 127.
TK 2025-2026, 36 871, nr. 3, p. 46 en 47.
Zie Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 6 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19148.
Zie Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 15 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12538.
Dit staat in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken