Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22521

2026-07-22 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.34257
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.34257
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

beroep niet tijdig beslissen omgeklapt naar inhoudelijk beroep na besluit en weer teruggeklapt naar beroep niet tijdig beslissen na intrekking van het besluit; proceskostenvergoeding

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.753 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem


Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.34257


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2026 in de zaak tussen



[eiseres] , v-nummer [nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),


en




de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. L. Rog).




Inleiding
1. Eiseres heeft op 23 juni 2023 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 21 augustus 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Dit besluit is door deze rechtbank en zittingsplaats vernietigd. Eiseres heeft vervolgens twee maal beroep ingesteld omdat de minister volgens haar niet op tijd opnieuw op haar opvolgende aanvraag had beslist. Op het op 23 april 2025 ingediende beroep vanwege niet tijdig beslissen heeft deze rechtbank en zittingsplaats op 5 augustus 2025 uitspraak gedaan. Bij het bestreden besluit van 19 augustus 2025 heeft de minister de opvolgende aanvraag wederom afgewezen als kennelijk ongegrond. Het op 26 juli 2025 ingediende beroep vanwege niet tijdig beslissen, waarop op 19 augustus 2025 nog geen uitspraak was gedaan, is van rechtswege mede gericht tegen het bestreden besluit. Dit beroep zou op 16 juni 2026 door de meervoudige kamer op zitting worden behandeld. Op 10 juni 2026 heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken. Daarop heeft eiseres laten weten dat zij haar beroep handhaaft, waarbij eiseres verzoekt dit beroep aan te merken als zijnde een beroep vanwege het door de minister niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag van 23 juni 2023.


1.1.
De rechtbank heeft het beroep in enkelvoudige samenstelling op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank



Het beroep tegen het besluit van 19 augustus 2025


2. De minister heeft het besluit van 19 augustus 2025 ingetrokken. Daarom heeft eiseres geen belang meer bij een beoordeling van het beroep voor zover dat is gericht tegen dat besluit. Dit beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.
Het niet op tijd nemen van een besluit
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan.


3.1.
Bij uitspraak van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank het eerdere beroep tegen het niet tijdig beslissen op de opvolgende asielaanvraag gegrond verklaard en de minister opgedragen om binnen vier weken een besluit op de aanvraag bekend te maken. Dat heeft de minister aanvankelijk gedaan door op 19 augustus 2025 een besluit te nemen. Dit besluit is echter ingetrokken, waarmee het er volgens de rechtbank voor moet worden gehouden dat de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde beslistermijn heeft beslist. De minister moet nog altijd beslissen op de opvolgende asielaanvraag van eiseres van 23 juni 2023. Het beroep voor zover gericht tegen het niet op tijd nemen van een besluit is daarom ontvankelijk en gegrond.



Welke beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?

4. De bestuursrechter kan een termijn stellen voor het nemen van het besluit of het verrichten van een andere handeling.




4.1.

Uit het dossier blijkt dat in dit geval een gehoor over de asielmotieven heeft plaatsgevonden. In haar uitspraak van 16 juni 2026 acht deze rechtbank en zittingsplaats in een dergelijk geval een termijn van vier weken passend. De rechtbank stelt echter vast dat in deze zaak de maximale termijn van 21 maanden uit artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is verstreken. In dat geval halveert de rechtbank de op te leggen termijn.
De minister moet daarom binnen twee weken een besluit op de aanvraag bekendmaken. In dat wat de minister op de zitting heeft aangevoerd, namelijk dat nog wordt bezien of eiseres aanvullend moet worden gehoord en dat de inwerkingtreding van het Europese Asiel- en migratiepact veel werk met zich brengt, ziet de rechtbank geen aanleiding om een langere termijn op te leggen.




Welke dwangsom legt de rechtbank aan de minister op?

5. De rechtbank moet aan haar uitspraak een dwangsom verbinden. Hierover hebben de zittingsplaatsen een aanbeveling vastgesteld. De rechtbank stelt daarom de hoogte van de dwangsom in deze zaak vast op een bedrag van € 50 per dag voor elke dag waarmee de onder 4.1 genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.





Conclusie en gevolgen


6. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het zich richt tegen het besluit van 19 augustus 2025. Het beroep is gegrond voor zover het zich richt tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Dat betekent dat de minister de onder 4.1 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.



6.1.

Eiseres krijgt een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Gelet op het aanbod van de minister in het intrekkingsbesluit om de door eiseres gemaakte proceskosten te vergoeden, kan het ervoor worden gehouden dat de minister zelf meent dat de intrekking een tegemoetkoming is in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Een proceskostenveroordeling voor het beroep gericht tegen het besluit van 19 augustus 2025 is daarom aangewezen. Deze vergoeding bedraagt € 934 (1 punt voor het indienen van beroepsgronden, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Omdat het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is, krijgt eiseres ook daarvoor een vergoeding voor haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt
€ 467 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5 omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden). De vergoeding voor de proceskosten bedraagt in totaal € 1.401.






Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het besluit van 19 augustus 2025;


verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit;


vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;


draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;


bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 50 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van


€ 15.000;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.401 aan proceskosten aan eiseres.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.T.J. Kouwenberg griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.







Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 6 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18509.


Op 23 april 2025, geregistreerd onder zaaknummer NL25.18843, en op 26 juli 2025, geregistreerd onder zaaknummer NL25.34257 (het zaaknummer van de onderhavige procedure).


Dit volgt uit artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.


Zie Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 16 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16191.


Dit staat in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.


https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.


Zie ABRvS 6 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3728.