Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2025:5067
2025-03-25
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.11302 + NL25.11303
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
vovo afgewezen.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2024:2362 Raad van State 10-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2625 Raad van State 27-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:3552 Raad van State 30-08-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4011 Raad van State 03-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8597 Rechtbank Den Haag 03-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.094 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.11302 en NL25.11303
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], v-nummer: [nummer 1], verzoeker
en
[verzoekster]
, v-nummer: [nummer 2], verzoekster
mede namens haar minderjarig kind [naam kind]
samen: verzoekers
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. Bij de besluiten van 21 februari 2025 (de bestreden besluiten) heeft de minister de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. Tussen partijen is in geschil of ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
3.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de door verzoekers ingediende gronden, zowel in de beroepen als in de verzoeken om een voorlopige voorziening, summier zijn. Zij stellen uitsluitend dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan gezien de opvangvoorzieningen aldaar.
3.1.1.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat ten aanzien van Frankrijk nog immer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Deze stelling van verzoekers dat dit niet zo is, is vooralsnog onvoldoende onderbouwd. De door verzoekers aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juni 2024 maakt dit niet anders. Die uitspraak zag namelijk op een specifieke situatie van de vreemdelingen waarom het ging. Die waren eerder niet opgevangen in Frankrijk, ondanks dat daar om was verzocht en waarbij onduidelijk was of de vrouw na overdracht op korte termijn aanspraak kon maken op prenatale controles. Daarnaast speelde die zaak zich af in een specifieke periode, namelijk vlak voor de Olympische Spelen. De situatie van verzoekers is daarmee niet vergelijkbaar, aangezien zij niet eerder zonder opvang in Frankrijk hebben verbleven. Zij zijn meteen doorgereisd en hebben dus geen situatie meegemaakt dat zij zonder opvang zijn komen te verkeren. Het is ook niet gebleken dat verzoekers op korte termijn medische zorg nodig hebben.
3.1.2.
Verder is de minister in de bestreden besluiten ingegaan op de bezwaren van verzoekers in hun gehoor en wat in de zienswijze naar voren is gebracht.
3.2.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat de beroepen een zeer geringe kans van slagen hebben. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om op grond van een belangenafweging een voorlopige voorziening te treffen. In dat verband speelt een rol dat verzoekers schorsende werking van de bestreden besluiten van 21 februari 2025 hadden kunnen bewerkstelligen door binnen 24 uur na daarmee bekend te zijn geworden een verzoek om een voorlopige voorziening in te indienen. Verzoekers hebben, om hen moverende redenen, van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Daarom hebben hun verzoeken geen schorsende werking. Pas nadat duidelijk werd dat zij op 27 maart 2025 zouden worden overgedragen, hebben zij op 24 maart 2025 de onderhavige verzoeken om voorlopige voorziening ingediend. De overdracht van verzoekers aan Frankijk heeft verder geen onomkeerbare gevolgen. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan kunnen zij vanuit Frankijk worden teruggeleid naar Nederland. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
NL25.9825 en NL25.9826.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 10 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2362, van 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2625, van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en van 3 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4011.
ECLI:NL:RBDHA:2024:8597.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.11302 en NL25.11303
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], v-nummer: [nummer 1], verzoeker
en
[verzoekster]
, v-nummer: [nummer 2], verzoekster
mede namens haar minderjarig kind [naam kind]
samen: verzoekers
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. Bij de besluiten van 21 februari 2025 (de bestreden besluiten) heeft de minister de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. Tussen partijen is in geschil of ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
3.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de door verzoekers ingediende gronden, zowel in de beroepen als in de verzoeken om een voorlopige voorziening, summier zijn. Zij stellen uitsluitend dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan gezien de opvangvoorzieningen aldaar.
3.1.1.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat ten aanzien van Frankrijk nog immer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Deze stelling van verzoekers dat dit niet zo is, is vooralsnog onvoldoende onderbouwd. De door verzoekers aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juni 2024 maakt dit niet anders. Die uitspraak zag namelijk op een specifieke situatie van de vreemdelingen waarom het ging. Die waren eerder niet opgevangen in Frankrijk, ondanks dat daar om was verzocht en waarbij onduidelijk was of de vrouw na overdracht op korte termijn aanspraak kon maken op prenatale controles. Daarnaast speelde die zaak zich af in een specifieke periode, namelijk vlak voor de Olympische Spelen. De situatie van verzoekers is daarmee niet vergelijkbaar, aangezien zij niet eerder zonder opvang in Frankrijk hebben verbleven. Zij zijn meteen doorgereisd en hebben dus geen situatie meegemaakt dat zij zonder opvang zijn komen te verkeren. Het is ook niet gebleken dat verzoekers op korte termijn medische zorg nodig hebben.
3.1.2.
Verder is de minister in de bestreden besluiten ingegaan op de bezwaren van verzoekers in hun gehoor en wat in de zienswijze naar voren is gebracht.
3.2.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat de beroepen een zeer geringe kans van slagen hebben. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om op grond van een belangenafweging een voorlopige voorziening te treffen. In dat verband speelt een rol dat verzoekers schorsende werking van de bestreden besluiten van 21 februari 2025 hadden kunnen bewerkstelligen door binnen 24 uur na daarmee bekend te zijn geworden een verzoek om een voorlopige voorziening in te indienen. Verzoekers hebben, om hen moverende redenen, van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Daarom hebben hun verzoeken geen schorsende werking. Pas nadat duidelijk werd dat zij op 27 maart 2025 zouden worden overgedragen, hebben zij op 24 maart 2025 de onderhavige verzoeken om voorlopige voorziening ingediend. De overdracht van verzoekers aan Frankijk heeft verder geen onomkeerbare gevolgen. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan kunnen zij vanuit Frankijk worden teruggeleid naar Nederland. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
NL25.9825 en NL25.9826.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 10 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2362, van 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2625, van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en van 3 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4011.
ECLI:NL:RBDHA:2024:8597.