Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:2385

2025-02-13 Bestuursrecht SGR 24/8430
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2025-02-13
Publicatiedatum
2025-02-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 24/8430
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen. Er is niet gebleken dat verzoekers voorafgaand aan het indienen van het verzoek het college hebben verzocht om de begunstigingstermijn te verlengen

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.653 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 24/8430

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 februari 2025 in de zaak tussen




[verzoeker 1]
, uit [woonplaats 1] , [verzoeker 2] , uit [woonplaats 2] en [verzoeker 3] , uit [woonplaats 3] , verzoekers
(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland),



en


het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: A.C. Visser).


Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekers om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekers hebben dit verzoek gedaan bij de intrekking van hun verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van 1 oktober 2024.



1.1.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.




Procesverloop
2. Met het besluit van 3 januari 2024 (het primaire besluit) is aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd wegens achterstallig onderhoud aan de buitenzijde van het pand aan de [adres] .


2.1.
Verzoekers hebben op 7 februari 2024 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.



2.2.
Met de brief van 13 februari 2024 heeft het college de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom opgeschort tot zes weken na de beslissing op bezwaar.



2.3.
Met het besluit van 1 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard en de last onder dwangsom in stand gelaten.



2.4.
Op 23 oktober 2024 hebben verzoekers beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en gelijktijdig een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, waarin zij de voorzieningenrechter verzoeken het bestreden besluit te schorsen.



2.5.
Op 30 oktober 2024 heeft het college aan de voorzieningenrechter medegedeeld dat het college de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom heeft opgeschort tot zes weken na de uitspraak op het beroep.



2.6.
Op 20 november 2024 hebben verzoekers hun verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.



2.7.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dit verzoek. Het college heeft hier met de brief van 18 december 2024 op gereageerd.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot een veroordeling van het college in de proceskosten af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.



Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?



4. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.


4.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.



4.2.
In beginsel is het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekers tegemoetkomt reden om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoekers hebben dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt op grond van bijzondere omstandigheden.



4.3.
Deze bijzondere omstandigheden moeten liggen in het feit dat de noodzaak om een verzoek om voorlopige voorziening in te stellen uitsluitend te wijten was aan de handelswijze van de betrokkene zelf. In een voorlopige voorzieningenprocedure is onder andere sprake van een bijzondere omstandigheden wanneer verzoeker, voordat hij een verzoek om voorlopige voorziening indient, niet eerst aan het bestuursorgaan vraagt om de werking van het besluit op te schorten.



Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?



5. Het verzoek om voorlopige voorziening strekte tot schorsing van het bestreden besluit. Het college heeft de voorzieningenrechter op 30 oktober 2024 medegedeeld dat de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom is opgeschort tot zes weken na de uitspraak in beroep. Gelet hierop is het college aan verzoekers tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.



Is sprake van een bijzondere omstandigheid?



6. Hoewel er sprake is van een tegemoetkoming door het college aan het verzoek van verzoekers, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten. Er is namelijk niet gebleken dat verzoekers voorafgaand aan het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening het college hebben verzocht om de begunstigingstermijn te verlengen. Daardoor is de noodzaak om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen te wijten aan het handelen van verzoekers. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening onnodig geweest.




Conclusie en gevolgen


7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.




Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2025.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.


Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.


Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.


Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.


CRvB 7 juli 2005, ECLI:CRVB:2005:AT9764.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 april 2024, ECLI:RBDHA:2024:5509.