Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2024:22791

2024-12-24 Bestuursrecht; Omgevingsrecht SGR 24/8612
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2024-12-24
Publicatiedatum
2025-01-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 24/8612
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen omdat verzoekster het college niet heeft verzocht de begunstigingstermijn op te schorten.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.196 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 24/8612


uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 december 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. B.F. Peters),


en




het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, het college
(gemachtigde: mr. J. dos Santos).



Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van 15 januari 2024. Zij heeft het verzoek ingetrokken, omdat het college heeft medegedeeld dat de begunstigingstermijn van de aan haar opgelegde last onder dwangsom wordt opgeschort tot vier weken na de uitspraak op het beroep.



1.1.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om een proceskostenveroordeling.




Procesverloop


2. Met het besluit van 11 november 2022 (het primaire besluit) is aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd.



2.1.
Op 18 december 2023 heeft verzoekster een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend om de geconstateerde overtredingen te legaliseren.



2.2.
Met het besluit van 15 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van 22 december 2022 ongegrond verklaard en de last onder dwangsom in stand gelaten.



2.3.
Op 16 februari 2024 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en gelijktijdig een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.



2.4.
Verzoekster heeft het verzoek om voorlopige voorziening tijdens de behandeling ter zitting op 16 april 2024 ingetrokken. Het college heeft ingestemd met het voorstel van de voorzieningenrechter om met verzoekster in overleg te treden over de lopende omgevingsvergunningaanvraag. Tevens heeft het college de begunstigingstermijn van het bestreden besluit verlengd tot zes weken na de beslissing op de vergunningaanvraag.



2.5.
Met het besluit van 23 september 2024 heeft het college de aanvraag van de omgevingsvergunning van verzoekster afgewezen.



2.6.
Bij e-mail van 10 oktober 2024 heeft verzoekster geprobeerd om een afspraak te maken met het college om het dossier te bespreken. Dit verzoek is door het college afgewezen.



2.7.
Op 30 oktober 2024 heeft verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter, waarin zij verzoekt het bestreden besluit te schorsen.



2.8.
Bij brief van 4 november 2024 heeft het college aan verzoekster medegedeeld dat het bereid is om de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom op te schorten tot vier weken na de uitspraak op het beroep.



2.9.
Op 7 november 2024 heeft verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht het college te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft hierop niet gereageerd.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.



Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?


4. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.


4.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.


4.2.
In beginsel is het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.



4.3.
De bijzondere omstandigheden moeten liggen in het feit dat de noodzaak om een verzoek om voorlopige voorziening in te stellen uitsluitend te wijten was aan de handelswijze van de betrokkene zelf. In een voorlopige-voorzieningenprocedure is onder meer sprake van een bijzondere omstandigheid wanneer verzoeker, voordat hij een verzoek om voorlopige voorziening indient, niet eerst aan het bestuursorgaan vraagt om de werking van het besluit op te schorten.



Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?


5. Het verzoek om voorlopige voorziening strekte tot schorsing van het bestreden besluit. Met het opschorten van de begunstigingstermijn tot vier weken na de uitspraak op het beroep, is het college aan dit verzoek tegemoetgekomen.



Is sprake van een bijzondere omstandigheid?


6. In dit geval is niet gebleken dat verzoekster voorafgaand aan het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening het college heeft verzocht om de begunstigingstermijn te verlengen. De voorzieningenrechter leest in de e-mail van 10 oktober 2024 geen concreet verzoek van verzoekster om de begunstigingstermijn te verlengen. De noodzaak om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen is dus te wijten aan de handelswijze van verzoekster zelf. Daarom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten.
























Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
24 december 2024.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.



Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.


Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.


Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.


Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.


CRvB 7 juli 2005, ECLI:CRVB:2005:AT9764.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 april 2024, ECLI:RBDHA:2024:5509.