Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2023:20921

2023-11-07 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/628719 / FA RK 22-2721
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2023-11-07
Publicatiedatum
2024-01-04
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/628719 / FA RK 22-2721
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Echtscheiding, afwikkeling Spaanse huwelijkse voorwaarden, verdeling eenvoudige gemeenschappen en vergoedingsrechten

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (89.376 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige Kamer


Rekestnummer: FA RK 22-2721
Zaaknummer: C/09/628719
Datum beschikking: 7 november 2023



Echtscheiding, afwikkeling huwelijkse voorwaarden, verdeling eenvoudige gemeenschappen en vergoedingsrechten




Beschikking op het op 22 april 2022 ingekomen verzoek van:




[de vrouw]
,
de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. van Toorn te Rotterdam (voorheen mr. S.C. Meijler en mr. C.G.A. van Stratum).


Als belanghebbende wordt aangemerkt:




[de man]
,
de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.E.C. Verhoeff te Den Haag.



Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:



het verzoekschrift de vrouw van 22 april 2022;


het F9-formulier van 2 mei 2022, met als bijlage het betekeningsexploot, van de zijde van de vrouw;


de brief van 6 juli 2023, met bijlagen, van de vrouw;


het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van de man, ingekomen bij de rechtbank op 6 juli 2022;


het verweer tegen het zelfstandig verzoek alsmede aanvullend en gewijzigd verzoekschrift van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 2 september 2022;


het verweer tegen het aanvullend en gewijzigd verzoekschrift alsmede aanvullend en gewijzigd verzoek van de man, ingekomen bij de rechtbank op 11 november 2022;


het verweer tegen het aanvullend en gewijzigd verzoek alsmede aanvullend en gewijzigd verzoek van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 10 januari 2023;


het F9-formulier van 2 mei 2023, met als bijlage: gewijzigde en aanvullende verzoeken, van de man;


het F9-formulier van 9 mei 2023, met als bijlage een aanvullend c.q. wijzigings-verzoek, van de man;


het aanvullend en gewijzigd verzoekschrift met betrekking tot de kinderen onder aanvulling van gronden, van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 15 mei 2023;


het aanvullend en gewijzigd verzoekschrift met betrekking tot de echtelijke woning en afwikkeling huwelijkse voorwaarden onder aanvulling van gronden – tevens verzoek tot partneralimentatie – van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 15 mei 2023;


het e-mailbericht van 15 mei 2023, met als bijlagen producties 15 en 58, van de vrouw;


het e-mailbericht van 22 mei 2023 van de vrouw;


het e-mailbericht van 22 mei 2023 van de man.



Op 23 mei 2022 is de zaak op de zitting behandeld ten overstaan van mr. L. Koper, rechter bij deze rechtbank. Verschenen zijn: de vrouw bijgestaan door mr. A. van Toorn, mr. R.K. Polo en een tolk; de man bijgestaan door mr. J.E.C. Verhoeff en mr. I. Mulder en K. Meijer namens de Raad voor de Kinderbescherming.


De behandeling op de zitting van de zaak is aangehouden in verband met het verzoek van de vrouw tot wraking van rechter mr. L. Koper.


De wrakingskamer van deze rechtbank heeft op 26 juni 2023 het verzoek tot wraking afgewezen. Daarbij is tevens bepaald dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:

- de jaaropgave 2022 van de man.

Op 2 oktober 2023 is de behandeling op zitting van deze zaak ten overstaan van rechter mr. L. Koper voortgezet.
Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door mr. A. van Toorn, mr. R.K. Polo en een tolk; de man bijgestaan door mr. J.E.C. Verhoeff en mr. I. Mulder. Bij aanvang van de zitting – voorafgaand aan de (verdere) inhoudelijke behandeling – heeft de rechtbank alle door partijen ingediende processtukken (met bijlagen) die zijn ingediend in de periode 24 mei 2023 tot 2 oktober 2023, aan partijen teruggeven, met uitzondering van de jaaropgave 2022 van de man.


Na de zitting zijn – op aanwijzing van de rechtbank – ontvangen:



het bericht van 3 oktober 2023, met bijlage, van de vrouw;


het bericht van 5 oktober 2023, met bijlagen, van de man;


het bericht van 15 oktober 2023, met bijlagen waaronder ook gewijzigde verzoeken tot de kinder- en partneralimentatie, van de vrouw;


het bericht van 19 oktober 2023, met bijlagen, van de vrouw;


het bericht van 20 oktober 2023, met bijlagen, van de man.




Feiten




Partijen zijn gehuwd op [datum] 2016 te [plaats 1] , Spanje.


Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:



[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] , [land] ;



[de minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats 2] .


De vrouw en de man oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.


De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Spaanse nationaliteit. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben in elk geval beiden zowel de Nederlandse als de Spaanse nationaliteit.


Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden naar Spaans recht.


Deze rechtbank heeft op 28 juni 2022 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende: - dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , met inbegrip van de inboedel;- dat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;


- een voorlopige regeling waarbij de zorg- en opvoedingstaken (inmiddels) gelijkelijk tussen partijen is verdeeld;
- dat de man aan de vrouw, met ingang van 2 mei 2022 voorlopig een kinder- alimentatie ten behoeve van de kinderen, van in totaal € 274,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.


Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw – laatstelijk gewijzigd c.q. aangevuld op 12 mei 2023 – strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

primair:




bepaling dat voortaan alleen aan de vrouw het ouderlijk gezag zal toekomen over de kinderen;


vaststelling van een omgangsregeling c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat: - de kinderen eenmaal per twee weken een weekend van vrijdag na school tot en met maandagochtend bij de man zullen verblijven waarbij de man de kinderen op vrijdag van school of de kinderopvang ophaalt en de kinderen maandagochtend weer naar school en de opvang brengt, alsmede dat de kinderen in de week dat zij niet het weekend bij de man verblijven op woensdagmiddag na school tot donderdagochtend bij de man verblijven waarbij de man de kinderen op woensdag uit school of op de opvang haalt en de kinderen op donderdagochtend weer naar school en de opvang brengt, dan wel een regeling vast te stellen die de rechtbank juist acht;


vaststelling van kinderalimentatie vanaf 2 mei 2022 van € 1.451, - per maand en vanaf 1 september 2023 met een bedrag van € 1.697, - per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel een bijdrage ten laste van de man te bepalen die de rechtbank juist acht;


vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie tot 1 september 2023 met een bedrag van € 650,- per maand en vanaf 1 september 2023 met een bedrag van € 825,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;


voortgezet gebruik voor de duur van zes maanden van de echtelijke woning gelegen aan de [adres] , met inbegrip van de inboedel;


dat met betrekking tot de echtelijke woning en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, aldus dat wordt bepaald:a. dat de echtelijke woning gelegen aan de [adres] , wordt toegedeeld aan de man voor een waarde van € 1.550.000, -;


b. dat de man zijn medewerking moet verlenen aan de levering van de woning aan hem, binnen een maand na dagtekening van de (tussen) beschikking in deze zaak onder vrijwaring van de vrouw voor (de helft) van de hypotheeklasten;
c. dat de hypothecaire leningen [lening 1] , [lening 2] en [lening 3] bij Lloyds Bank voor de helft worden toebedeeld aan de vrouw opdat de vrouw de helft van de leningen kan meenemen, daarbij tevens te bepalen dat de man zijn medewerking hieraan dient te verlenen en indien de man zijn medewerking niet verleent, de in deze procedure te geven beschikking zo nodig in de plaats treedt van de noodzakelijke wilsverklaring/medewerking en/of handtekening van de man;

d. dat de man aan de vrouw met ingang van 22 april 2022 een gebruiksvergoeding ter hoogte van € 2.000, - per maand verschuldigd is dan wel een vergoeding te bepalen die de rechtbank juist acht;


het perceel in Spanje toe te delen aan de vrouw voor het bedrag van € 48.500, - onder verrekening van de kosten die de vrouw heeft gemaakt voor het perceel sinds de aankoop tot heden;


de (hoogte van de) vergoedingsrechten van partijen te bepalen zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;


dat de Wet Verevening Pensioenrechten na scheiding van toepassing is;


dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan het opstellen van een inventarislijst en de vrouw hiervoor toegang dient te geven tot de echtelijke woning waarna de rechtbank de inboedel zal verdelen zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;



subsidiair:



vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;


te bepalen dat de vrouw gerechtigd zal zijn om met de kinderen binnen Europa te reizen en de man zijn medewerking dient te verlenen alsmede te bepalen dat indien de man zijn medewerking niet verleent de in deze procedure te geven beschikking zo nodig in de plaatst treedt van de noodzakelijke wilsverklaring/ medewerking en/ of handtekening van de man in het formulier toestemming reizen minderjarige naar het buitenland


een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.


Bovendien heeft de man – laatstelijk gewijzigd c.q. aangevuld op 9 mei 2023 – zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen bij de man zijn volgens de regeling als verwoord onder randnummer
43 van het zelfstandig verzoek van de man van 10 november 2022 alsmede gedurende de door de man onder randnummer 46 van voornoemd zelfstandig verzoek voorgestelde vakantie- en feestdagenregeling, dan wel een zorgregeling vast te stellen die de rechtbank juist acht;


de vrouw te verplichten binnen veertien dagen na de beschikkingsdatum de Nederlandse paspoorten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aan de man te overhandigen als ook de vrouw te verplichten haar medewerking te verlenen aan het verlengen van deze Nederlandse kinderpaspoorten;


vaststelling van een door de man te betalen kinderalimentatie van € 138,- per maand;


voortgezet gebruik voor de duur van zes maanden van de echtelijke woning gelegen aan de [adres] , met inbegrip van de inboedel:



primair: de woning aan de man toe te bedelen waarbij hij de hypothecaire geldleningen bij Lloyds Bank overneemt alsmede te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw ter zake van de door hem additionele investeringen in de woning, waarbij krachtens de huwelijkse voorwaarden de hoogte van dit vergoedingsrecht van de man uitkomt op een bedrag van € 98.109, - (productie 111) waaruit volgt dat de man voor de overname van de woning aan de vrouw dient te betalen een uitkoopsom van € 280.019, - dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht een en ander onder verwijzing naar randnummer 7 tot en met 11 van het zelfstandig verzoek van 9 mei 2023;



subsidiair: de woning aan de man toe te bedelen waarbij hij de hypothecaire geldleningen bij Lloyds Bank overneemt alsmede te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw ter zake van de door hem additionele investeringen in de woning, waarbij de hoogte van dit vergoedingsrecht van de man uitkomt op een bedrag van € 84.304, - (productie 111) waaruit volgt dat de man voor de overname van de woning aan de vrouw dient te betalen een uitkoopsom van € 286.671, -, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht een en ander onder verwijzing naar randnummer 7 tot en met 11 van het zelfstandig verzoek van 9 mei 2023;
- afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, conform het voorstel van de man, aldus dat wordt bepaald dat:


de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag van € 9.775, - op basis van artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden wegens het door de man meer overgeboekte bedrag van totaal € 19.550, - naar de gezamenlijke rekening (recht tot vergoeding man ter zake van door hem gedane hogere uitgaven), dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, een en ander onder verwijzing naar randnummer 12 en 13 van het zelfstandig verzoek van 9 mei 2023;


de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag van € 20.970, - op basis van artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden wegens de door de man vanuit zijn privé vermogen betaalde gezamenlijke lasten van totaal € 41.958, - (vorderingsrecht man inzake de door de man privé betaalde gezamenlijke lasten), dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, een en ander onder verwijzing naar randnummer 12 en 13 van het zelfstandig verzoek van 9 mei 2023;


op basis van de huwelijkse voorwaarden de vrouw aan de man dient te vergoeden ter zake de teruggave loonbelasting c.q. hypotheekrenteaftrek over 2021 een bedrag van € 1.703, -, een en ander onder verwijzing naar randnummer 15 en 16 van het zelfstandig verzoek van 9 mei 2023;




bepaling dat de grond in Spanje wordt toebedeeld aan de vrouw, onder de voorwaarde dat de voormalige echtelijke woning aan de man wordt toebedeeld en waarbij er voor de waarde van de grond wordt uitgegaan van een bedrag van € 64.750, - zodat de vrouw aan de man primair dient te betalen een bedrag van € 29.729, - en subsidiair in het geval de rechtbank de nominaliteitsleer van toepassing acht de vrouw aan de man dient te betalen een bedrag van € 30.595, - dan wel een andere verdeling c.q. bedrag vast te stellen die de rechtbank juist acht;


bepaling dat de inboedel verdeeld zal worden conform het voorstel van de man zoals neergelegd in productie 117, een en ander onder verwijzing naar randnummer 20 en 21 van het zelfstandig verzoek van 9 mei 2023;


een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.


Beoordeling

De rechtbank heeft bij brief van 2 oktober 2023 na raadkamer beslist dat zowel de man als de vrouw in de gelegenheid worden gesteld nadere salarisgegevens in het geding te brengen. Partijen zijn tevens over en weer in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Hiertoe is een specifieke opdracht aan partijen verstrekt. De rechtbank ziet aanleiding om het ingediende stuk dat niet op dit verzoek ziet, te weten een door de man overgelegde verklaring van de Lloyds Bank alsmede de door de vrouw ingediende gewijzigde verzoeken ten aanzien van kinderalimentatie alsmede partneralimentatie wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.


Echtscheiding


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.



Op grond van artikel 10:56 lid 1 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.




Ontvankelijkheid

Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).



Partijen hebben tijdens de voorlopige voorzieningenprocedure afgesproken dat zij zich zouden aanmelden voor een ouderschapsbemiddelingstraject. Het is partijen ondanks de inzet van de ouderschapsbemiddeling niet gelukt om tot een ouderschapsplan te komen.



Nu partijen naar het oordeel van de rechtbank voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschaps-plan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.




Inhoudelijke beoordeling

Beide partijen hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen. De rechtbank zal zo ook beslissen.




Gezag


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het (primaire) verzoek tot bepaling dat voortaan alleen aan de vrouw het ouderlijk gezag zal toekomen over de kinderen.




Inhoudelijke beoordeling

In artikel 1:251a, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is geregeld dat de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood, op verzoek van de ouders of van één van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.



De vrouw heeft naar voren gebracht – zo begrijpt de rechtbank haar betoog – dat partijen zodanig van opvoedstijlen verschillen dat zij niet in staat zijn om in redelijkheid afspraken te maken ten aanzien van de kinderen. De daaruit voortkomende spanningen hebben de laatste jaren geleid tot huiselijk geweldsincidenten, waarbij ook de veiligheid van [de minderjarige 1] in gevaar is gekomen, aldus de vrouw. Zij vindt het daarom niet langer in het belang van de kinderen dat de man het gezag over hen blijft uitoefenen.



De man heeft zich verzet tegen het verzoek de vrouw om te worden belast met het eenhoofdig gezag. Gezamenlijk gezag (ook na echtscheiding) is het wettelijke uitgangspunt. De wettelijke ‘tenzij-gronden’ (klem- en verloren en/of anderszins noodzakelijk in het belang van de kinderen) waarop de vrouw zich beroept, zijn volgens de man niet aan de orde. Hij betwist dat sprake is geweest van situaties van huiselijk geweld en voert aan dat de vrouw situaties zodanig verdraait dat zijn handelen in een verkeerd daglicht worden gesteld. Hij herkent zich evenmin in de stelling van de vrouw dat hij dwingend en rigide zou zijn en niet in staat tot gezamenlijk overleg. De visies van partijen over de opvoeding lopen weliswaar uiteen maar deze zijn niet zo groot dat het gezag bij één van de ouders zou moeten berusten.



Gelet op de stukken en wat op de zitting is besproken is het voor de rechtbank duidelijk dat partijen hun eigen beleving c.q. visie hebben over hun huwelijk en ieders rol in de conflictueuze situaties die zich kennelijk tussen hen beiden hebben voorgedaan. Bij de voorlopige voorzieningenbeschikking van 28 juni 2022 zijn partijen verwezen naar een ouderschapsbemiddelingstraject om te proberen het vertrouwen in elkaar als ouder te herstellen, zodat de kinderen kunnen opgroeien bij ouders die beiden onvoorwaardelijk van hun kinderen houden en kunnen accepteren dat verschil in opvoedstijl bestaat en ook niet altijd nadelig voor kinderen hoeft te zijn. De rechtbank betreurt het dat het ouderschaps-bemiddelingstraject niet positief is afgerond maar zij vindt het tegelijkertijd bemoedigend dat partijen zich op dit moment willen inspannen om hun ouderschap binnen het traject ‘parallel (solo) ouderschap’ vorm te gaan geven. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn immers nog jong en het is in hun belang dat zowel de vrouw als de man hen niet langer (onbewust) belasten met hun onderlinge geschillen en verschillen van inzicht over de opvoeding.



Anders dan door de vrouw betoogd ziet de rechtbank geen ‘tenzij-gronden’ op grond waarvan de vrouw belast zou moeten worden met het eenhoofdig gezag. Al (bijna) een jaar worden de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen gelijk verdeeld en niet is gebleken van (recente) signalen dat het niet goed zou gaan met [de minderjarige 1] dan wel [de minderjarige 2] . Daarnaast worden partijen momenteel begeleid door hulpverleners om hun toekomstig ouderschap vorm te geven waarbij zij zo min mogelijk met elkaar in gesprek hoeven. Het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag wordt daarom afgewezen.




Hoofdverblijfplaats en verdeling van zorg- en opvoedtaken (zorgregeling)


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling.




Inhoudelijke beoordeling

Het verzoek van de vrouw omtrent de hoofdverblijfplaats van de kinderen zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen, nu bovendien niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.



Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan, voor zover van belang, omvatten een toedeling aan de ouders van zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling). De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.



De kinderen verblijven reeds nagenoeg anderhalf jaar de helft van de tijd (50-50) bij de ene dan wel de andere ouder. Deze (voorlopige) zorgregeling kent meerdere wisselmomenten per week. De vrouw vindt dit laatste niet in het belang van de kinderen; het brengt veel onrust met zich en meerdere overdrachtsmomenten per week vergen ook dat partijen vaker moeten afstemmen. Zij heeft gepleit voor één overdrachtsmoment op maandag. De man heeft zich hiertegen verzet. Voor hem staat centraal dat de (jeugdige) kinderen zich goed kunnen hechten aan beide ouders en dat lukt het beste bij de huidige regeling met frequente contactmomenten per week. Wensen van partijen dienen ondergeschikt te zijn aan de belangen van de kinderen, zo begrijpt de rechtbank de man.



Anders dan door de man bepleit zal de rechtbank een zorgregeling vaststellen waarbij de kinderen ‘week-op-week-af’ bij hun respectieve ouders verblijven. Het wisselmoment zal op maandag zijn, voor [de minderjarige 1] op school en voor [de minderjarige 2] (althans tot zij naar de basisschool gaat) op het kinderdagverblijf. Bij dit oordeel weegt voor de rechtbank mee dat voor partijen het onderlinge verschil in opvoedstijlen en de daaruit voorkomende echtelijke geschillen, een prominente rol heeft gespeeld bij de duurzame ontwrichting van hun huwelijk. In dat kader zijn als concrete voorbeelden genoemd de discussies over etens- en bedtijden. Hoewel de Raad op de zitting heeft aangegeven dat een regeling waarbij de kinderen frequent contact met beide ouders kunnen hebben geïndiceerd zou zijn gelet op hun jeugdige leeftijd, heeft de Raad tegelijkertijd benoemd dat het ‘grootste gevaar’ voor deze kinderen gelegen is in het feit dat hun ouders nog steeds met elkaar in conflict zijn. De rechtbank verwacht dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] meer rust en stabiliteit zullen vinden bij een ‘week-op-week-af’ regeling zodat minder frequent hoeven te switchen tussen de thuissituatie van de ene respectievelijk de andere ouder. De rechtbank geeft de ouders in overweging om in het kader van het traject ‘parallel (solo) ouderschap’ met elkaar af te stemmen of de kinderen op bijvoorbeeld een donderdag of vrijdag video-contact kunnen hebben met de ouder bij wie zij op dat moment niet verblijven, nu de rechtbank de vader volgt in zijn betoog dat het gezien de leeftijd van de kinderen goed zou zijn als zij niet een gehele week verstoken zijn van contact met de andere ouder. De rechtbank zal hierover echter geen beslissing afgeven. Hoewel de kinderen nog jong zijn – [de minderjarige 2] is in september 2023 drie jaar geworden – passeert de rechtbank het verzoek van de man om de voorlopige zorgregeling om te zetten in een definitieve regeling en wordt het verzoek van de vrouw toegewezen. De rechtbank ziet aanleiding om deze gewijzigde zorgregeling in te laten gaan op de maandag na de kerstvakantie. Nu de kinderen de tweede week van de kerstvakantie bij de vrouw verblijven zullen de kinderen de eerste week van de week-op-week-af zorgregeling bij de vader verblijven.



Wat betreft de verdeling van de vakanties en feestdagen zijn partijen het eens dat deze bij helfte dienen te worden verdeeld. De rechtbank zal dit tot uitgangspunt nemen en ook meewegen dat de vrouw familie in Spanje heeft en dat zij hen graag in de vakantieperiodes wil kunnen bezoeken. Het verzoek van de vrouw om vanwege die reden de zomervakantie te verdelen in drie weken bij haar en drie weken bij de man, wordt echter afgewezen. In deze neemt de rechtbank het argument van de man over dat een verdeling volgens het schema ‘2-2-1-1’ op dit moment het meeste rechtdoet aan de jonge leeftijd van de kinderen om geen drie weken gescheiden te zijn van de andere ouder. Dit zal op enig moment in de toekomst anders worden. De rechtbank hoopt dat partijen op dat moment als verantwoordelijke ouders in staat zijn om de bij deze beschikking vast te stellen verdeling – zie hierna in het dictum – te herzien.




Paspoorten en vervangende toestemming om met de kinderen door Europa te reizen


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen over de geschillen die zien op de paspoorten van de kinderen en het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming om onbeperkt met de kinderen door Europa te kunnen reizen.




Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank merkt voornoemde geschillen aan als een geschil op grond van artikel 1:253a BW dat ook in het kader van deze echtscheidingsprocedure aan de rechtbank ter beslissing kan worden voorgelegd. Dit artikel bepaalt dat de rechtbank een zodanige beslissing neemt als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.



De man heeft onweersproken gesteld dat [de minderjarige 1] drie paspoorten heeft (een Spaans, Brits en Nederlands paspoort) en [de minderjarige 2] twee (een Spaans en Nederlands paspoort). Alle paspoorten zijn op dit moment in het bezit van de vrouw. Volgens de man is het Nederlandse paspoort van [de minderjarige 1] verlopen. De man heeft aangevoerd dat het in het belang is van de kinderen dat beide ouders over paspoorten beschikken, temeer omdat dit ook het uitgangspunt is van gelijkwaardig ouderschap.



De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen voornoemd verzoek. Zij wil de paspoorten van de kinderen blijven beheren. Zij heeft als alternatief voorgesteld om identiteitskaarten te laten maken voor de kinderen, maar de man heeft te kennen gegeven daar niet mee in te stemmen.



De rechtbank zal hierna beslissen dat de vrouw de Nederlandse paspoorten van de kinderen aan de man dient af te geven, zodat hij deze kan beheren. De vrouw kan de Spaanse paspoorten van de kinderen (blijven) beheren. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak – waarin sprake is van (in elk geval) dubbele nationaliteiten van de kinderen en ook dubbele paspoorten – gelijkwaardig ouderschap met zich brengt dat elke ouder kan beschikken over een paspoort. Voor zover er in de toekomst paspoorten moeten worden verlengd, vertrouwt de rechtbank erop dat beide ouders onverkort zullen meewerken aan een verzoek daartoe van de andere ouder en dat een rechterlijke interventie niet nodig is, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat een rechterlijke beslissing noodzakelijk is.




Vervangende toestemming vakantie van vrouw met de kinderen

De vrouw verzoekt om haar reeds nu vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de man vervangt, om in de toekomst (onbeperkt) met de kinderen te mogen reizen binnen Europa. Zij heeft toegelicht dat veel van haar familieleden en vrienden in Spanje respectievelijk het Verenigd Koninkrijk wonen, dat zij hen regelmatig wil kunnen bezoeken en dat zij wil voorkomen dat zij elke reis eerst met de man moet afstemmen.



De man heeft zich tegen dit verzoek verzet. Hij is van mening dat elke vakantie per keer moeten worden bezien en in onderling overleg tussen partijen moeten worden afgestemd.



De rechtbank merkt op dat deze rigide houding van zowel de vrouw als de man ten aanzien van deze kwestie in de praktijk ten nadele is van de kinderen, zodat de rechtbank aanleiding ziet om hierover te beslissen. Aan de vrouw zal vervangende toestemming worden verleend om met de kinderen naar haar familie in Spanje af te reizen, mits zij kan aantonen dat zij de man tijdig (een week van tevoren) per e-mailbericht heeft geïnformeerd over haar reisgegevens, haar reisbestemming en over de locatie waar zij verblijft. De rechtbank zal deze beslissing in het dictum vastleggen, waarbij het verzoek van de vrouw voor het overige wordt afgewezen.



Kinderalimentatie


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de kinderen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.



Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen




Inhoudelijke beoordeling

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het tremarapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.



Bij de beoordeling van het verzoek tot kinderalimentatie gaat de rechtbank uit van het verzoek zoals ingediend op 12 mei 2023. De vrouw heeft haar verzoek op 15 oktober 2023 weliswaar (opnieuw) gewijzigd c.q. aangevuld maar de rechtbank slaat hier geen acht op aangezien zij het indienen van deze stukken in strijd acht met de goede procesorde.




Ingangsdatum kinderalimentatie

De vrouw heeft verzocht om kinderalimentatie vast te stellen met terugwerkende kracht; met ingang van 2 mei 2022 van € 1.451, - per maand en met ingang van 1 september 2023 met een bedrag van € 1.697, - per maand.



Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen waarbij zij vooropstelt op grond van artikel 1:402 van het BW een grote mate van vrijheid te hebben bij het vaststellen van de ingangsdatum.



Bij voorlopige voorzieningenbeschikking van 28 juni 2022 heeft de rechtbank op grond van artikel 822 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) beslist dat de man aan de vrouw met ingang van 2 mei 2022 een kinderalimentatie van in totaal € 274,- per maand dient te voldoen. Deze beslissing is vastgesteld voor de duur van de echtscheidingsprocedure.



Artikel 824, eerste lid Rv bepaalt dat tegen op grond van artikel 822 gegeven beschikkingen geen hogere voorzieningen openstaan, behoudens cassatie in het belang der wet. In lid 2 van dit artikel is geregeld dat op verzoek van de echtgenoten of van één van hen de voorlopige voorzieningenbeschikking kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uit- gegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.



De vrouw heeft betoogd, zo begrijpt de rechtbank, dat de voorlopige kinderalimentatie met terugwerkende kracht op grond van artikel 824 Rv moet worden gewijzigd, omdat de voorlopige voorzieningenrechter bij het berekenen van de kinderalimentatie is uitgegaan van onjuiste gegevens die door de man zijn verstrekt.



De man heeft zich tegen dit verzoek van de vrouw verzet.



De rechtbank stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenrechter heeft overwogen dat de ouders het eens zijn dat de behoefte van de kinderen binnen de hoogste categorie van het netto gezinsinkomen valt en dat volgens het Rapport Alimentatienormen de behoefte € 1.384, - voor beide kinderen (peiljaar 2022), bedraagt. De man heeft aangegeven dat daar conform zijn berekening nog extra kosten bovenop komen, zodat de totale behoefte van de kinderen € 1.759, - bedraagt. Omdat dit standpunt van de man door de vrouw niet werd betwist is de voorzieningenrechter bij de beslissing uitgegaan van een behoefte van € 1.759, - per maand.



De rechtbank acht een verhoging van het tabelbedrag met € 375, - per maand (€ 1.759, - – € 1.384, -) vanwege bijzondere behoefte verhogende kosten (waartoe ook hoge kinder-opvangkosten worden gerekend), redelijk. De rechtbank heeft daarbij ook meegewogen dat ieder van partijen op het moment van uiteengaan een vergelijkbaar netto besteedbaar inkomen (NBI) hadden van meer dan € 7.000, - per maand. De rechtbank passeert daarom het betoog van de vrouw dat de voorlopige voorzieningenrechter van onjuiste gegevens is uitgegaan bij het bepalen van de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .



De omstandigheid dat de fiscale zogenoemde ‘30%-regeling’ voor ex-pats per 1 september 2023 voor de vrouw vervalt acht de rechtbank wel een zodanige wijziging van omstandig-heden dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige kinderalimentatie (mogelijk) niet in stand kan blijven. Per die datum dient het NBI van de vrouw en het verlengde daarvan ook haar draagkracht, opnieuw te worden berekend.



Uit de door de man ingediende salarisstroken komt naar voren dat zijn salaris is verhoogd sinds A.S.R. Nederland B.V. in de zomer van 2023 eigenaar is geworden van zijn werkgever (Aegon Nederland B.V.). Anders dan door de vrouw bepleit houdt de rechtbank aan de zijde van de man geen rekening met inkomsten in 2022 uit de verkoop van verlofuren over voorgaande jaren en een bonusbetaling(en) De rechtbank acht – gezien de door de man hieromtrent ingediende stukken – voldoende onderbouwd dat het hier eenmalige betalingen betrof en dus geen structurele inkomsten.



Gelet op het voorgaande zal de ingangsdatum voor de kinderalimentatie worden vastgesteld op 1 september 2023.




Behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is tussen partijen in geschil, meer in het bijzonder de behoefte verhogende kosten. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.



De vrouw heeft de behoefte van de kinderen berekend op € 2.760, - per maand: € 1.460, - per maand basiskosten te vermeerderen met € 1.300, - per maand netto kinderopvangkosten (productie 47, vaststelling kosten kinderen).



De man heeft voornoemde behoefte betwist. Anders dan in de voorlopige voorzieningen-procedure, toen hij de behoefte nog had berekend op € 1.759, - per maand, heeft de man nu betoogd dat de behoefte van de kinderen dient te worden bepaald op € 1.275, - per maand. Naar zijn zeggen heeft dit vooral te maken met de hogere kinderopvangtoeslagen die de vrouw sinds 1 augustus 2022 zou ontvangen.



De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat de behoefte van de kinderen binnen de hoogste categorie van het netto gezinsinkomen valt. Volgens het Rapport Alimentatie-normen bedraagt de behoefte (peiljaar 2020) afgerond € 1.385, - voor beide kinderen, geïndexeerd naar 2023 afgerond € 1.432, - per maand. De rechtbank vindt het redelijk om dit laatste bedrag te corrigeren (ofwel te verhogen) met totaal € 400, - per maand vanwege de (hoge) kinderopvangkosten. De rechtbank vindt het aannemelijk dat deze kosten onvoldoende in het tabelbedrag van € 1.432, - zijn verdisconteerd, ook niet wanneer rekening wordt gehouden met de kinderopvangtoeslag, en dat zij bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten.



De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding de behoefte van totaal € 1.832, -(€ 1.432, - + € 400, -) tussen partijen moet worden verdeeld.




Draagkracht vrouw

De man heeft niet betwist dat de fiscale zogenoemde ‘30%-regeling’ per 1 september 2023 voor de vrouw vervalt en dat haar inkomen per die datum zal worden belast op basis van het reguliere fiscale inkomstenbelastingregime.



Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen
van € 10.016, - bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een einde-jaarsuitkering van € 10.012, -. De rechtbank baseert zich hierbij op de salarisstrook van de vrouw van september 2023 en de onderliggende werkgeversverklaring van 2 oktober 2023.



Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 00, -.



De rechtbank houdt verder rekening met de premie ‘Partner and Orphan’s pension’ van € 15, - per maand.



Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:



de algemene heffingskorting;


de arbeidskorting;


de inkomensafhankelijke combinatiekorting.


Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2023 op € 6.866, - per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.


Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 1.930, - per maand, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.175, -) gebruiken.
De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [6.866 – (1.175 + 2.060)] = € 2.542, - per maand.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van afgerond € 12.0690, - bruto per maand, te vermeerderen met het flexbudget van 16,7% (voorheen: vakantietoeslag en dertiende maand). Hierna te noemen: de vaste inkomens-componenten. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificaties van juli 2023 en augustus 2023 en de verklaring van de werkgever van [geboortedatum 1] 2023. De rechtbank laat de salarisstrook van september 2023 buiten beschouwing. De man heeft weliswaar niet toegelicht waarom op die laatste strook een basissalaris van € 10.862, - staat vermeld, maar de rechtbank gaat ervan uit dat dit samenhangt met de mededeling van de man dat hij met het oog op de kinderen minder is gaan werken en dat deze keuze daarom ook voor zijn rekening komt.



Uit voornoemde stukken komt tevens naar voren dat de man in april 2023 een eenmalige gratificatie van € 6.000, - bruto heeft ontvangen en in juli 2023 een eenmalige retentie-betaling van € 82.450, - bruto. Naar de rechtbank begrijpt is deze laatste betaling een beloning aan de man voor het in dienst blijven bij Aegon Nederland B.V., zijnde de datum dat A.S.R. Nederland eigenaar is geworden van het bedrijfsonderdeel Aegon Nederland B.V. Blijkens de verklaring van de werkgever van [geboortedatum 1] 2023 zijn aan de man geen andere retentiebetalingen in het vooruitzicht gesteld en heeft hij – gelet op de vanaf 1 oktober 2023 op de man van toepassing zijnde cao en zijn arbeidscontract – geen recht op een jaarlijkse bonus, noch op een (vaste) gratificatie of winstdeling en evenmin op andere variabele inkomenscomponenten. Verder wordt in de verklaring vermeldt dat het binnen de nieuwe bedrijfscombinatie met A.S.R. Nederland B.V. vanaf 1 oktober 2023 niet meer mogelijk zal zijn verlofuren te verkopen.



Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bij de beoordeling c.q. berekening van de draag-kracht van de man zich beperken tot de hiervoor genoemde vaste inkomenscomponenten.



De rechtbank houdt verder rekening met:



de pensioenpremie;


WGA-hiaat;


ANW hiaat premie;


PAWW-werknemer.




Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank zijn NBI in 2023 op € 7.724, - per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.



Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 1.930, -, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule: 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.175, -)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [7.724 – (1.175 + 2.317)] = € 2.962, - per maand.



De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 5.489, - per maand (€ 2.527 + € 2.962). Dit is (ruim) voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 2.962 / 5.489 x 1.832 = € 986
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 2.542 / 5.489 x 1.832 = € 846
Samen: €1.832



Van de totale behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] komt een gedeelte van € 986, -per maand, wat neerkomt op afgerond € 493, - per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van € 846, - per maand, wat neerkomt op afgerond € 423, - per maand per kind, komt voor rekening van de vrouw.



Nu sprake is van een co-ouderschapsregeling bedraagt het zorgkortingspercentage 35. De zorgkorting bedraagt dan totaal afgerond € 502, - per maand (35% van € 1.432, -).



De rechtbank zal de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 september 2023 vaststellen op € 242, - per maand per kind.




Partneralimentatie


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de vrouw in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.



Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.




Inhoudelijke beoordeling

Met ingang van 1 januari 2023 beveelt de Expertgroep Alimentatienormen een nieuwe rekenwijze aan voor de partneralimentatie: een forfaitaire berekeningswijze. Omdat de ingangsdatum van de partneralimentatie gelegen is na 1 januari 2023 en de inhoudelijke behandeling van het verzoek na 1 januari 2023 heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank de forfaitaire berekeningswijze in deze zaak toepassen.



Bij de beoordeling van het verzoek tot partneralimentatie gaat de rechtbank uit van het verzoek zoals ingediend op 12 mei 2023. De vrouw heeft haar verzoek op 15 oktober 2023 weliswaar (opnieuw) gewijzigd c.q. aangevuld maar de rechtbank slaat hier geen acht op aangezien zij het indienen van deze stukken in strijd acht met de goede procesorde.




Behoefte c.q. behoeftigheid van de vrouw

De vrouw heeft gesteld zij een huwelijksgerelateerde behoefte heeft. Zij heeft haar behoefte aan de hand van de hofnorm (schattenderwijs) berekend op € 8.700, - netto per maand. Zij heeft verzocht een door de man aan haar te betalen partneralimentatie vast te stellen van € 650, - per maand tot 1 september 2023 en vanaf 1 september 2023 met een bedrag van € 825, - per maand.



De man heeft bezwaar gemaakt en aangevoerd dat de vrouw niet behoeftig is nu zij nagenoeg hetzelfde inkomen heeft als de man.



Gelet op de gemotiveerde betwisting heeft de rechtbank aanleiding gezien (zelf) de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekend aan de hand van de hofnorm. Echter partijen hebben de financiën tijdens het huwelijk gescheiden gehouden en tevens is de rechtbank duidelijk geworden dat de inkomsten van partijen in de afgelopen periode aardig hebben gefluctueerd. Enerzijds kan de vrouw geen aanspraak meer maken op de 30% regeling en heeft de man te maken gehad bij zijn werkgever met een overgang van de onderneming. De rechtbank ziet toch aanleiding om bij de vaststelling van de hofnorm uit te gaan van 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het uiteengaan van partijen van minus de kosten van de kinderen van € 1.785, - (€ 1.385 + € 400).



De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2022 op € 14.135, - (€ 7.134 + € 7.001, -) per maand. Hiervan moeten de kosten van de kinderen van € 1.785, - worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 12.350, - per maand beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm in 2022 afgerond € 7.410, - netto per maand (60% van € 12.350, - per maand), geïndexeerd naar 2023 € 7.662, -. Dit bedrag is hoger dan haar huidige NBI van € 6.866, - per maand.



Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 7.662, - per maand moet haar NBI in mindering worden gebracht en dient tevens rekening te worden gehouden met haar aandeel in de kosten van de kinderen van € 846, - per maand. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.642, - netto per maand. Dat is € 3.253, - bruto per maand.




Inkomensvergelijking

Om te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomens-vergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man bij een bedrag van€ 631, - bruto per maand aan partneralimentatie een gelijk te besteden vrije ruimte overhouden. Aangezien dit bedrag lager ligt dan de draagkracht van de man, zal de rechtbank de inkomensvergelijking volgen en de partneralimentatie vaststellen op € 631, - bruto per maand.




Ingangsdatum

Artikel 1:157, lid 6 BW bepaalt dat de termijn voor het verstrekken van levensonderhoud aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het verzoek van de vrouw om een voor die datum gelegen ingangs-datum te bepalen zal daarom worden afgewezen.




Afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling eenvoudige gemeenschappen


Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft zij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.



Krachtens artikel 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Spaanse recht, nu de echtgenoten dat interne recht vóór het huwelijk hebben aangewezen als het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht.



Partijen hebben op 24 december 2015 huwelijkse voorwaarden opgesteld. Uit artikel 1 van die voorwaarden blijkt dat partijen hebben gekozen voor toepasbaarheid van het Spaanse recht. Op grond van artikel 2 van de voorwaarden wordt het huwelijk tussen partijen geregeld op grond van het stelsel van uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen als geregeld in de artikelen 1435 tot en met 1444 van het Spaanse Burgerlijk Wetboek. Op grond van artikel 5 van de voorwaarden dienen partijen in gelijke delen bij te dragen in de kosten van het huwelijk.



Partijen verschillen van mening over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en ook over de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen, zie hierna. De rechtbank zal eerst ingaan op de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen.



Partijen hebben de volgende vermogensbestanddelen gezamenlijk in eigendom, te weten:
1) de echtelijke woning gelegen aan de [adres] en de daarop gevestigde hypothecaire geldlening(en) bij Lloyds Bank;
2) de gezamenlijk aangeschafte inboedel in de echtelijke woning;
3) een perceel land te [plaats 2] , Spanje (plot nummer 188, onderdeel van plan [plan] );4) een gezamenlijke bankrekening.



Nu geen sprake is van een huwelijksgoederenrechtelijke gemeenschap zal hierna met betrekking tot de onder 1) tot en met 4) genoemde vermogensbestanddelen worden gesproken over eenvoudige gemeenschappen. Nu partijen met betrekking tot deze eenvoudige gemeenschappen geen forumkeuze en ook geen rechtskeuze hebben uitgesproken en zij hun geschillen hierover hebben voorgelegd aan de rechtbank Den Haag, acht deze rechtbank zich bevoegd hierover te beslissen.



Bij een eenvoudige gemeenschap komen de vermogensrechtelijke betrekkingen voort uit het algemene vermogensrecht en niet uit het huwelijksvermogensrecht. Het betreffende vermogensbestanddeel is namelijk (slechts) gemeenschappelijk omdat de echtgenoten deze op beider naam geleverd hebben gekregen en niet vanwege hun huwelijk.




Inhoudelijke beoordeling


Verdeling van de eenvoudige gemeenschappen


Ad 1) De echtelijke woning en de hypothecaire geldleningen

Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen is Nederlands (algemeen vermogens) recht van toepassing op zowel de woning als op de daarop gevestigde hypothecaire geldleningen bij Lloyds Bank. De rechtbank passeert daarmee het pleidooi van de man dat Spaans recht van toepassing zou zijn op de woning respectievelijk op de hypothecaire geldleningen. De rechtbank ziet dan ook geen grond om de door de man alsnog in de gelegenheid te stellen de namens hem opgestelde legal opinion omtrent het Spaanse recht in het geding te laten brengen.



Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning aan de man moet worden toegedeeld tegen een waarde van € 1.550.000, -. De man wil echter niet alleen de woning overnemen maar ook de (volledige) hypothecaire geldleningen. De vrouw heeft (inmiddels) geen bezwaar dat de man de woning overneemt maar zij verzet zich tegen het verzoek dat hij ook de (volledige) hypothecaire geldlening(en) en de daaraan verbonden gunstige voorwaarden meeneemt. Zij wil dat deze wordt gesplitst, in die zin dat ieder van partijen de helft van de geldlening en de daaraan verbonden gunstige voorwaarden meeneemt



De vrouw stelt onder verwijzing naar productie 52 dat volgens haar hypotheekadviseur Lloyds Bank ermee akkoord gaat dat zij de helft van de bestaande hypothecaire geldleningen mag meenemen naar haar volgende woning.
De man heeft voornoemde stelling van de vrouw ter zitting betwist. Hij heeft aangevoerd dat de hypothecaire geldleningen en het rentecontract achterblijven bij de woning en dat deze niet gesplitst kunnen worden.



De rechtbank stelt vast dat partijen gezamenlijk de geldlening zijn aangegaan en dat de daaraan verbonden voordelen dan ook in principe aan partijen gezamenlijk toekomt. Mochten de voorwaarden waaronder de hypothecaire lening is afgesloten splitsing in twee leendelen toestaan (zoals door de vrouw gesteld) dan dient de man hieraan medewerking te verlenen. Echter, een hypothecaire schuld is geen goed dat door de rechtbank kan worden opgesplitst nu een eventuele opsplitsing verband houdt met door de bank gestelde voorwaarden en aansprakelijkheden en de rechtbank geen wijzigingen kan aanbrengen in deze voorwaarden en aansprakelijkheden van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.



De rechtbank zal dan ook bepalen dat de man meewerkt aan splitsing van de hypothecaire geldlening in twee leendelen in het geval dat Lloyds Bank hiermee akkoord gaat.



Partijen hebben ook gedebatteerd over de vraag binnen welke termijnen en voorwaarden het een en ander dient te zijn gerealiseerd. De rechtbank zal de wijze van verdeling van deze eenvoudige gemeenschap vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje.



De rechtbank zal gelet op het voorgaande de woning in eerste instantie aan de man toedelen op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld. Daarbij bepaalt de rechtbank ook dat indien de man niet in staat blijkt om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, de woning zal worden verkocht aan een derde, op de wijze en onder de voorwaarden die hierna in het dictum zijn vermeld.




Ad 2) De inboedel

De rechtbank betreurt het dat partijen er niet in zijn geslaagd samen afspraken te maken over de verdeling van de inboedelgoederen, die zij gezamenlijk hebben aangeschaft.



De vrouw heeft ook desgevraagd ter zitting geweigerd een inhoudelijke reactie te geven op het voorstel van de man en de door hem ingediende de lijst van inboedelgoederen. Zij heeft haar reactie afhankelijk gemaakt van de voorwaarde dat zij eerst toegang moet hebben gehad tot de woning.



De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat de vrouw geen inzicht heeft in de inboedelgoederen en niet kan reageren op het door de man ingediende voorstel. De rechtbank stelt dan ook vast dat het door de man ingediende voorstel voor verdeling van de inboedel door de vrouw niet inhoudelijk is betwist. Gelet daarop zal de verdeling van de inboedel worden vastgesteld overeenkomstig de door de man ingediende lijst, die daartoe aan deze beschikking zal worden gehecht.

Ad 3) Verdeling perceel land te [plaats 2] , Spanje (plot nummer 188, onderdeel van plan [plan] ) met vergoedingsrechten

Partijen zijn het eens dat het perceel aan de vrouw zal worden toegedeeld. Zij verschillen echter van mening tegen welke (taxatie)waarde en ook zijn zij het niet eens welk bedrag aan de man dient te worden vergoed nu bij toedeling aan de vrouw sprake zal zijn van een vermogensverschuiving van de man naar de vrouw.



De man heeft gesteld dat partijen het perceel in maart 2021 in gezamenlijke eigendom hebben verkregen tegen een aankoopprijs van totaal € 43.560, - (productie 100 van de man). Hij stelt dat de vrouw € 23.560, - van de gefinancierde koopsom heeft bijgedragen en hij € 20.000, -. Naar de mening van de man bedraagt de huidige waarde van het perceel € 64.750, - (productie 116 van de man).



De vrouw heeft aangevoerd dat het perceel is gekocht voor € 47.156, - en dat de man daaraan € 20.000, - heeft bijgedragen (43%) en zij € 27.156, - (57%). Onder verwijzing naar door haar ingediend taxatierapporten (productie 55) heeft de vrouw een waarde bepleit van € 48.500, -. Zij heeft daaraan toegevoegd dat alle kosten die zij heeft betaald sinds het perceel is aangekocht (totaal € 919,42) op de waarde in mindering moeten worden gebracht.



De rechtbank passeert de door de vrouw genoemde aankoopprijs van € 47.156, - en haar stelling dat zij € 27.156, - zou hebben ingebracht. De vrouw heeft dit niet met stukken aangetoond, wat wel op haar weg had gelegen gezien productie 100 van de man waaruit de door hem gestelde bedragen kunnen worden afgeleid.



De rechtbank volgt de door de vrouw genoemde waarde van het perceel van € 48.500, - welk bedrag tot uitgangspunt zal worden genomen bij het navolgende. Voor de rechtbank is daarbij doorslaggevend dat de vrouw taxatierapporten van lokale makelaars heeft overgelegd terwijl de man heeft aangegeven de waarde te hebben geschat na overleg met een lokale makelaar in Spanje (productie 100).



De man heeft bepleit dat bij de toedeling van het perceel aan de vrouw rekening moet worden gehouden met zijn investering aan zijn zijde omdat hij € 20.000, - heeft ingebracht bij de aankoop van het perceel. Hij stelt (primair) dat op het door hem betaalde bedrag de beleggingsleer moet worden toegepast en (subsidiair) de nominaliteitsleer.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man € 20.000, - heeft betaald. Nu er sprake is van een minimale stijging van de waarde van het perceel ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de man een bedrag gelijk aan zijn inleg, € 20.000, -, toe te wijzen.




Ad 4 gezamenlijke bankrekening

De vrouw heeft gesteld dat partijen een gezamenlijke bankrekening hebben gehad die inmiddels door de man zou zijn opgeheven. Partijen dienen het saldo op het moment van de opheffing nog onderling te verrekenen.



Nu de vrouw dit verzoek onvoldoende heeft onderbouwd zal de rechtbank dit afwijzen. De rechtbank vertrouwt er wel op dat de man de vrouw nog inzage zal geven in het saldo op het moment dat de rekening(en) werd opgeheven en dat zij het saldo – indien dit er was – nog zullen verrekenen.




Voortgezet gebruik (echtelijke) woning en gebruiksvergoeding

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ter zake het verzoek tot het voortgezet gebruik van de woning en wordt dit volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.



Inhoudelijke beoordeling
Zowel de vrouw als de man hebben verzocht het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden na de echtscheiding, aan haar c.q. hem toe te wijzen.



Overwogen wordt dat de man al enige tijd in de woning verblijft terwijl de vrouw elders woonruimte heeft gevonden. Nu partijen zijn overeengekomen dat de woning aan de man zal worden toegedeeld, mits hij de financiering kan regelen om de vrouw uit te kopen, ligt het naar het oordeel van de rechtbank in de rede dat het voortgezet gebruik aan de man zal worden toegekend en dat het gelijkluidende verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.



De vrouw heeft verzocht om ten laste van de man een gebruiksvergoeding vast te stellen van in ieder geval € 2.000, per maand voor het gebruik van de woning, met ingang van 22 april 2022. Zij heeft gesteld dat zij sinds haar vertrek uit de woning de helft van de lasten van de woning is blijven betalen (hypotheeklasten en overige eigenaars-lasten, productie 54 van de vrouw).



De rechtbank overweegt dat, nu sprake is van een eenvoudige gemeenschap, op grond van artikel 3:172 BW elk van partijen de helft van de lasten dient te dragen die verbonden zijn aan de eigendom. Hierin is namelijk bepaald dat de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandeel moeten bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de (eenvoudige) gemeenschap zijn verricht. De rechtbank stelt vast dat dit de helft van de (totale) hypotheekrente en de helft van de overige eigenaarslasten betreft. De door de vrouw verzochte gebruiksvergoeding is gebaseerd op artikel 3:169 BW.



Vast staat dat de man, sinds het vertrek van de vrouw, in de woning is blijven wonen en dat de vrouw sindsdien niet meer over het gebruik en het genot van de woning heeft kunnen beschikken. Bovendien zal de rechtbank de man in de gelegenheid stellen om voorlopig in de woning te blijven wonen en om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen.



Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het redelijk dat de man per 22 april 2022 – zijnde datum dat de vrouw de woning heeft verlaten – een gebruiksvergoeding aan haar verschuldigd is ter hoogte van de helft van de (totale) hypotheekrente en de helft van de overige eigenaarslasten. Voor zover voornoemde kosten inderdaad door de vrouw zijn betaald dient de man deze aan de vrouw te vergoeden. De man wordt dan ook geacht de volledige kosten, dat wil zeggen de hypotheekrente en eigenaarslasten, verbonden aan de woning met ingang van 22 april 2022 voor zijn rekening te nemen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw aldus toewijzen. Overigens merkt de rechtbank op dat de man ook zelf te kennen heeft gegeven het redelijk te vinden dat deze kosten volledig voor zijn rekening komen.



De rechtbank merkt op dat de vrouw – voor zover zij heeft meebetaald aan aflossingen van de hypothecaire geldleningen – hiervoor zal worden ‘gecompenseerd’ bij de verdeling van de overwaarde van de woning.




Vergoedingsrechten


Investeringen van de man in de echtelijke woning

Uit de stukken (productie 97 van de man) komt naar voren dat partijen de echtelijke woning medio 2020 hebben aangekocht voor een bedrag van € 1.255.000, -, dat destijds op de woning een hypotheek werd gevestigd ten behoeve van Lloyds Bank van totaal € 995.000, - en dat de waarborgsom € 125.500, - bedroeg.
De man heeft aangevoerd dat hem uit de overwaarde van de woning eerst een bedrag toekomt van € 84.304, - dat hij vanuit zijn privévermogen in de echtelijke woning heeft
geïnvesteerd. Hij heeft een overzicht ingediend van de diverse aan de woning uitgevoerde werkzaamheden (vervangen van glas voorgevel, renoveren van bovendak, zonnepanelen, schilderwerk, inbouwen shutters in kozijnen, renovatie haard en rookanaal, renovatie centrale verwarming, gordijnen op maat en inbouwafwasmachine) inclusief de facturen en de bijbehorende afschrijvingen ten laste van zijn privé-rekening (productie 98 van de man).



De vrouw betwist dat de man meer geld in de echtelijke woning heeft geïnvesteerd dan zij. Zij stelt grote bedragen ten behoeve van de woning te hebben overgemaakt naar de gezamenlijke rekening van partijen (productie 56 van de vrouw) en dat de man vervolgens met geld – dat hij heeft overgeschreven van de gezamenlijke rekening naar zijn privé-rekening – de facturen voor de woning heeft voldaan.



De rechtbank verwerpt het verweer van de vrouw. De man heeft zijn stelling dat de werkzaamheden van zijn privé-rekening zijn betaald immers met stukken aangetoond en de vrouw heeft onvoldoende kunnen weersleggen dat dit niet klopt. Het enkele overleggen van productie 57 met opnames en afschriften van de gemeenschappelijke rekening is hiervoor onvoldoende. Ten aanzien van de grote bedragen (ten behoeve van de aanschaf van een auto, storting in het waarborgfonds zal de rechtbank onderstaand bij de overige vergoedingsrechten op ingaan) is over en weer een verklaring geboden. Voor de bovengenoemde investeringen in de woning door de man is (door overlegging van deze productie dan wel anderszins) door de vrouw niet aangetoond dat deze bedragen indirect afkomstig waren van de gezamenlijke rekening dan wel dat de vrouw tevens al dan niet indirect deze facturen heeft bekostigd.
De rechtbank gaat daarom hierna uit van een vergoedingsrecht van de man jegens de eenvoudige gemeenschap (de woning) ten bedrage van € 84.304, -.



De man heeft bepleit dat – naar Spaans recht – de beleggingsleer moet worden toegepast op de vergoeding van € 84.304, -. De vrouw heeft dit weersproken.



Anders dan door beide partijen betoogd is de rechtbank van oordeel dat niet Spaans maar Nederlands recht van toepassing is op voornoemd vergoedingsrecht aangezien sprake is van investeringen gedaan in een in Nederland gelegen woning.



Nu Nederlands recht van toepassing zal de rechtbank hierna ingaan op het verzoek van de man om de beleggingsleer van toepassing te verklaren op de door de man betaalde investeringen in de woning. De rechtbank stelt vast dat de (gestelde) investeringen van de man zijn verspreid over drie jaren (2020-2021-2022). De man heeft niet onderbouwd wat de waarde van woning was op het moment dat er weer een nieuwe investering in de woning werd gedaan. Indien en voor zover de beleggingsleer van toepassing zou zijn stelt de rechtbank vast dat het (eventuele) rendement van de afzonderlijke investeringen in de woning dan ook niet valt te berekenen. Het verzoek van de man om de beleggingsleer toe te passen op zijn vergoeding van € 84.304, - zal daarom worden afgewezen.



Gelet op het voorgaande zal de rechtbank vaststellen dat de man een nominaal vergoedingsrecht heeft op de eenvoudige gemeenschap heeft van € 84.304, -.





De waarborgsom bij aankoop van de woning

Partijen hebben ten tijde van de aankoop van de woning een waarborgsom van totaal € 125.500, - aan de notaris voldaan. De man stelt dat hij daarvan € 63.000, - heeft betaald en de vrouw € 62.500, -.



De vrouw heeft voornoemde stelling van de man gemotiveerd betwist. Onder verwijzing naar haar productie 58 heeft zij gesteld destijds totaal € 62.750, - te hebben overgemaakt (€ 8.000 + € 51.000 + € 2.000 + € 1.750). Gelet hierop wordt het verzoek van de man om ten laste van de vrouw een vergoedingsrecht van € 500, - vast te stellen, afgewezen.




De auto

Op naam van de man staat een gezinsauto geregistreerd, merk Toyota, Rav4, kenteken [kenteken] . Omdat de vrouw geen rijbewijs heeft, heeft alleen de man in deze auto gereden, zo begrijpt de rechtbank.



De vrouw stelt mee te hebben betaald aan de aankoop van de auto en dat zij daarom een vergoedingsrecht heeft op de man voor het nominale bedrag van € 5.000, -.



De man heeft onweersproken gesteld dat de auto in 2020 is aangekocht voor een bedrag van € 39.000, - (productie 104 van de man), welk bedrag is betaald vanuit de gezamenlijke rekening. Uit de ingediende stukken komt naar voren dat de vrouw op 31 augustus 2020 vanuit haar privé-rekening € 5.000, - heeft overgemaakt naar de gezamenlijke rekening en dat niet in geschil is dat de man afgerond € 34.422, - heeft betaald, totaal € 39.422, -. Omdat vanuit de gezamenlijke rekening uiteindelijk € 39.000, - is betaald, en de resterende € 422, - op de gezamenlijke rekening is blijven staan, heeft de man om pragmatische redenen de bijdrage van de vrouw voor de aankoop van de auto gesteld op € 4.789, -. Voorts heeft de man aangevoerd dat hij de aanvullende kosten voor de aanschaf van de auto heeft betaald, te weten: afgerond € 1.578, - en € 694, - (productie 105 van de man). Rekening houdend met de waardevermindering van de auto na aankoop (door de man geschat op 15%, productie 107 van de man) stelt de man voor een bedrag aan de vrouw te vergoeden van € 3.367, -. De rechtbank stelt vast dat de vrouw vanuit haar privé-rekening € 5.000, - heeft betaald ten behoeve van de aanschaf van de auto, zodat de vrouw een vergoedingsrecht op de man heeft van € 5.000, -. De rechtbank ziet geen aanleiding dit bedrag lager vast te stellen. Aldus zal worden beslist.



De rechtbank wijst er ten overvloede op dat in het overzicht van de vrouw ten aanzien van de door haar gestorte bedragen op de gezamenlijke rekening (productie 57) naast haar investering van € 5.000, - ten behoeve van de aankoop van de auto, eveneens (op dezelfde datum) het door de man gedane investeringsbedrag van € 34.422, - is opgenomen (onder het overzicht van door de vrouw betaalde bedragen) hoewel de vrouw niet heeft betwist dat de auto hoofdzakelijk door de man is bekostigd. De man heeft te dien aanzien op de (tweede) zitting gesteld dat dit via het “money you account” van de man en via de rekening van de vrouw op de gemeenschappelijke rekening is gestort, hetgeen ook strookt met de door de vrouw (initieel) ingenomen standpunt ten aanzien van de aankoop van de auto.




Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden
De man heeft zelfstandig op grond van artikel 5 (kosten huishouding) van de huwelijkse voorwaarden verzocht dat :


de vrouw aan hem dient te betalen een bedrag van € 9.775, - wegens het door de man meer overgeboekte bedrag van totaal € 19.550, - naar de gezamenlijke rekening (recht tot vergoeding man ter zake van door hem gedane hogere uitgaven), dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, een en ander onder verwijzing naar randnummer 12 en 13 van het zelfstandig verzoek van 9 mei 2023;


de vrouw aan hem dient te betalen een bedrag van € 20.970, - wegens de door de man vanuit zijn privévermogen betaalde gezamenlijke lasten van totaal € 41.958, - (vorderingsrecht man inzake de door de man privé betaalde gezamenlijke lasten), dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, een en ander onder verwijzing naar randnummer 12 en 13 van het zelfstandig verzoek van 9 mei 2023;


de vrouw op basis van de huwelijkse voorwaarden aan de man dient te vergoeden ter zake de teruggave loonbelasting c.q. hypotheekrenteaftrek over 2021 een bedrag van € 1.703, -, een en ander onder verwijzing naar randnummer 15 en 16 van het zelfstandig verzoek van 9 mei 2023.




De vrouw heeft – eveneens – verzocht te bepalen dat de man aan haar een vergoeding verschuldigd is ter hoogte van het bedrag dat zij meer dan de man heeft geïnvesteerd in het gemeenschappelijke vermogen van partijen. De hoogte van dit bedrag dient nog nader te worden vastgesteld, aldus de vrouw. De vrouw heeft verwezen naar de door haar ingediende producties 56 en 57.
De rechtbank stelt voorop dat partijen op grond van artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat zij in gelijke delen dienen bij te dragen in de kosten van het huwelijk. De stelling van de vrouw dat dit alleen de kosten van de huwelijksceremonie betreft wordt door de rechtbank niet gevolgd. Immers, uit de stukken, de in het geding gebrachte overboekingen over en weer en de daarbij behorende toelichting ter zitting is het de rechtbank afdoende duidelijk geworden dat partijen maandelijks een gelijk bedrag op de gezamenlijke rekening hebben gestort en dat hiervan de kosten huishouding zijn betaald. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan deze bepaling van de huwelijkse voorwaarden ook door partijen uitvoering is gegeven. Daarbij merkt de rechtbank op dat vóór de afschaffing van de 30% regeling van de vrouw, het netto-inkomen van partijen niet in zeer substantiële mate verschilde zodat deze regeling de rechtbank ook niet onredelijk voorkomt.



De rechtbank is van oordeel dat de door de man in het geding gebrachte overzicht met daarin opgenomen betalingen vanaf 2016 niet afdoende is om aan te nemen dat hij een vergoedingsrecht te dien aanzien heeft op de vrouw. De rechtbank volgt de vrouw te dien aanzien in het betoog dat een enkel lijstje met betalingen niet afdoende inzicht biedt in de wijze waarop de kosten huishouding zijn betaald en dat het op de weg van de man ligt om dit nader te onderbouwen. Mede in het licht van het op zitting ingenomen standpunt van partijen dat de kosten huishouding werd betaald van de rekening waar partijen beiden voor een gelijk aandeel aan bijdroegen. Nu de man de administratie heeft gevoerd ligt het op zijn weg om te onderbouwen waarom deze, waaronder relatief kleine bedragen, niet van de gezamenlijke rekening zijn afgeschreven. Ten aanzien van de grotere bedragen waaronder betalingen ten aanzien van de huwelijksreis, het huwelijksfeest gezinsvakantie is zonder nadere toelichting niet onderbouwd dat dit kosten huishouding betreffen.



De (zelfstandige) verzoeken die zien op wederzijdse betalingen uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden zullen daarom worden afgewezen.






Compensatie aan de vrouw op grond van het Spaanse BW

Partijen hebben de artikelen 1435 tot en met 1444 van het Spaanse Burgerlijk Wetboek bij hun huwelijkse voorwaarden van toepassing verklaard op hun huwelijk. In artikel 1438 van het Spaanse Burgerlijk Wetboek staat:

“De echtelieden zullen bijdragen aan de gemeenschappelijke lasten van het echtpaar. Bij gebrek aan overeenstemming zullen zij dit naar evenredigheid van hun respectievelijke financiële middelen doen. Huishoudelijk werk zal worden gerekend als bijdrage in de lasten en geeft recht op het verkrijgen van een vergoeding die de rechter zal aangeven, bij gebrek aan overeenstemming, bij het beëindigen het scheidingsregime.”



Op grond van het Spaanse recht maakt de vrouw aanspraak op een vergoeding van
€ 67.496, - (30 x € 1.934,40 per maand). Zij heeft aangevoerd dat de man altijd fulltime heeft gewerkt. Naast haar vierdaagse werkweek is zij altijd de hoofdverzorger van de kinderen geweest. Bovendien heeft zij in de tijd rondom de geboorte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] 30 maanden niet gewerkt en heeft zij in die tijd volledig voor het huishouden en de kinderen gezorgd. De vrouw heeft volgens de Spaanse wet recht op compensatie voor deze periode.



De man heeft zich verzet tegen voornoemd verzoek tot compensatie van de vrouw.
Hij stelt dat er geen grond is om de vrouw op grond van voornoemde bepaling een vergoeding toe te kennen.



De rechtbank overweegt dat voor het toekennen van een dergelijke vergoeding de voorwaarden gelden dat het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten zich door een algehele scheiding van goederen èn dat de bijdrage aan het onderhoud van het gezinsleven van één van de echtgenoten in de vorm van het verrichten van huishoudelijk werk is (onevenredig) veel groter geweest dan een bijdrage op dat punt van de andere echtgenoot (ECLI:NL:RBMNE:2021:2818).



Nu partijen hebben gekozen voor een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de eerste voorwaarde. Echter, de vrouw heeft niet aangetoond dat ook is voldaan aan de tweede voorwaarde. Vast staat dat beide partijen altijd (bijna) fulltime hebben gewerkt. De rechtbank acht onvoldoende onderbouwd dat het aandeel van de vrouw van huishoudelijk werk (onevenredig) veel groter is geweest . De rechtbank acht dit te meer aannemelijk nu de man (voornamelijk) vanuit huis werkte terwijl de vrouw buitenshuis werkte. Dat de vrouw tijdens haar verloven (vanwege zwangerschap, geboorten van de kinderen en ouderschapsverlof) wellicht wat meer taken heeft verricht, hoewel dit door de man is betwist, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank heeft daarbij ook meegewogen dat de vrouw tijdens haar verloven recht had op (gedeeltelijke) doorbetaling van haar salaris. Het verzoek van de vrouw om te worden gecompenseerd voor huishoudelijk werk, zal daarom worden afgewezen.




Pensioenverevening
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echt-scheiding, heeft de Nederlandse rechter ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek die zien op de door beide partijen opgebouwde pensioenrechten.




Overwogen wordt dat, indien het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door buitenlands recht, op grond van artikel 1, lid 7 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps), de Nederlandse wet de verevening beheersen van pensioenrechten die opgebouwd zijn op grond van een Nederlandse pensioenregeling (artikel 1, lid 4-6 Wvps).



De rechtbank zal daarom vaststellen dat partijen over en weer recht hebben op de (wettelijke) pensioenverevening, overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wvps.




Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.




































Beslissing

De rechtbank:



*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2016 te [plaats 1] , Spanje;



*
bepaalt dat de minderjarig kinderen:




[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] , [land] ;



[de minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats 2] ,


de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;


*
bepaalt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met ingang van 8 januari 2024 (de eerste maandag na de kerstvakantie 2023) in het kader van een co-ouderschapsregeling week-op-week-af bij de man en vervolgens bij de vrouw zullen verblijven, waarbij het wisselmoment zal zijn op maandag, voor [de minderjarige 1] op school en voor [de minderjarige 2] (althans totdat zij naar de basisschool gaat) op het kinderdagverblijf en indien er geen school is op maandag 9.00 uur;



*
bepaalt dat de korte schoolvakanties aldus worden verdeeld, dat de kinderen tijdens:



de voorjaarsvakantie in de even jaren bij de man verblijven en de oneven jaren bij de vrouw;


de meivakantie in de even jaren de eerste week bij de man verblijven en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren vice versa;


de herfstvakantie in de even jaren bij de vrouw verblijven en in de oneven jaren bij de man;




bepaalt dat de zomervakantie aldus wordt verdeeld dat de kinderen tijdens de even jaren de eerste twee weken bij de man verblijven, de volgende twee weken bij de vrouw en vervolgens één week bij de man en één week bij de vrouw, en in de oneven jaren vice versa;
bepaalt dat de kerstvakantie, inclusief de daarin vallen feestdagen, aldus worden verdeeld dat:



de kinderen in de even jaren de eerste week bij de man verblijven en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren vice versa; met (in de eerste week) als wisselmoment van vrijdag na school tot de daaropvolgende zaterdag 17.00 uur en waarbij de tweede week loopt van voornoemde zaterdag 17.00 uur tot maandag naar school;


de kinderen in de even jaren eerste Kerstdag bij de man verblijven en tweede Kerstdag bij de vrouw van 9.30 uur tot 17.30 uur en in de oneven jaren vice versa;


de kinderen Oudejaarsdag en -avond vieren bij de ouder bij wie zij die Kerstvakantie-week zijn en op Nieuwjaarsdag van 10.00 uur tot 17.30 uur bij de andere ouder;




bepaalt dat de overige feestdagen aldus worden verdeeld dat de kinderen:



eerste Paasdag en eerste Pinksterdag, respectievelijk tweede Paasdag en tweede Pinksterdag zijn bij die ouder bij wie zij op dat moment in het kader van de co-ouderschapsregeling al zijn, met als wisselmoment ‘maandag’ 9.30 uur;


tijdens Hemelvaart (donderdag en vrijdag) in de even jaren verblijven bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw, met als wisselmoment donderdag 9.00 uur en vrijdag 17.30 uur;




*
bepaalt dat de vrouw binnen een week na de afgiftedatum van deze beschikking de Nederlandse paspoorten van de kinderen aan de man dient af te geven (ofwel in beheer dient te geven) en dat de vrouw de Spaanse paspoorten van de kinderen zal blijven beheren;



verleent toestemming aan de vrouw – welke toestemming die van de man vervangt – om met de kinderen naar Spanje te reizen, mitszij kan aantonen dat zij de man tijdig (een week van tevoren) per e-mailbericht heeft geïnformeerd over haar reisgegevens, haar reisbestemming en over de locatie(s) waar zij tijdens de vakantie(s) verblijft;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 september 2023 een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 242, - per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;



*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echt-scheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 631, - bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



*
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen als volgt vast:


- met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] , de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen, nummers [lening 1] , [lening 2] en [lening 3] bij Lloyds Bank en het vergoedingsrecht van de man jegens de vrouw uit hoofde van de door hem betaalde additionele investeringen in de woning:

1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) de man dient binnen twee maanden na dagtekening van deze beschikking aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde van€ 1.550.000, - kan overnemen met ontslag van de vrouw (voor de helft) uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
b) de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld. De overwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde van € 1.550.000, - minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht minus het vergoedingsrecht van € 84.304, - dat de man op de eenvoudige gemeenschap (van woning) heeft ter zake van de door hem betaalde additionele investeringen in de woning aan [adres] ;
c) de kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan;
d) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
e) dat – indien de hypothecaire geldleningen, nummers [lening 1] , [lening 2] en [lening 3] bij Lloyds Bank bij helfte kunnen worden gesplitst in die zin de vrouw de helft van de leningen tegen de nu geldende rente(s) en voorwaarden kan overnemen – dat de man zijn medewerking hieraan dient te verlenen en dat, indien de man zijn medewerking niet verleent, deze beschikking zo nodig in de plaats treedt van de noodzakelijke wilsverklaring/ medewerking en/of handtekening van de man;


2. indien de man de woning aan de [adres] niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) partijen verstrekken binnen één week nadat de hiervoor genoemde termijn van twee maanden is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen, aan een in gezamenlijk overleg aan te wijzen makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de overwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld. De overwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht, minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur, en minus het vergoedingsrecht van € 84.304, - dat de man op de eenvoudige gemeenschap heeft ter zake van de door hem betaalde additionele investeringen in de woning aan [adres] ;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

3. stelt vast dat de man een vergoedingsrecht van € 84.304, - heeft op de eenvoudige gemeenschap ter zake van de door hem betaalde additionele investeringen in de woning aan [adres] en dat dit vergoedingsrecht zal worden verrekend met de (verdeling van) overwaarde van de woning op de wijze zoals hiervoor is uiteengezet;


bepaalt dat de (gezamenlijke) inboedel in de woning aan de [adres] zal worden verdeeld conform het voorstel van de man zoals neergelegd in diens productie 117, dat aan deze beschikking is gehecht en als zodanig hiervan onderdeel uitmaakt;




met betrekking tot het perceel land te [plaats 2] , Spanje (plot nummer 188, onderdeel van plan [plan] ):



het perceel wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) (eventuele) kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;
b) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
c) dat de vrouw aan de man een bedrag zal voldoen van € 20.000, -;



*
bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de woning aan [adres] , en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de man deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de vrouw uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;



*
veroordeelt de man – per 22 april 2022 tot de datum van overdracht van de woning aan [adres] aan de man dan wel aan een derde – tot het voldoen van een gebruiksvergoeding aan de vrouw ter hoogte van de helft van de totale hypotheekrente en de helft van de overige eigenaarslasten, voor zover deze kosten door de vrouw zijn betaald;



*
veroordeelt de man tot het voldoen van een vergoedingsrecht van € 5.000, - aan de vrouw uit hoofde van haar financiële bijdrage aan de aankoop van de auto merk Toyota, Rav4, kenteken [kenteken] ;



*
stelt vast dat partijen over en weer recht hebben op de (wettelijke) pensioenverevening, overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet verevening pensioenrechten;



*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van de beslissing tot echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;



*
wijst af het meer of anders verzochte.











Deze beschikking is gegeven door mr. L. Koper, rechter tevens kinderrechter, bijgestaan door
mr. P.W.M. Jans als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 november 2023.