Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2023:11907

2023-08-04 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL23.16861
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2023-08-04
Publicatiedatum
2023-08-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL23.16861
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Dublin Frankrijk, mondelinge uitspraak, beroep ongegrond

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.036 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: NL23.16861


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),



en


de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).




Procesverloop


Bij besluit van 8 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



De rechtbank heeft het beroep op 3 augustus 2023 op zitting te Breda behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.



Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Overwegingen
1. Niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. In geschil is of ten aanzien van Frankrijk nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgaan. Uitgangspunt is dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt ook uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1256) en van 9 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:715). Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser is daarin niet geslaagd.
2. Niet elk gebrek in de asielprocedure of de opvangsituatie leidt ertoe dat niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hiervoor geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid, zoals bedoeld in het arrest Jawo. De algemene verwijzing van eiser naar het rapport van AIDA is hiervoor onvoldoende. Uit die rapportage maakt de rechtbank niet op dat Dublinterugkeerders geen opvang kunnen verkrijgen. Eiser heeft bovendien verklaard dat hij tijdens zijn asielprocedure in Frankrijk recht had op nachtopvang. Daaruit volgt dat er sprake was van opvang. Daarnaast heeft hij naar eigen zeggen lang bij zijn oom of een vriend van die oom verbleven.
3. Als eiser wordt overgedragen aan Frankrijk dan zal hij naar alle waarschijnlijkheid aankomen op het vliegveld in Lyon. Hij zal dan op eigen gelegenheid moeten reizen naar de hem toegewezen opvanglocatie. Dat is een belemmering, maar met dat gebrek wordt de bijzondere hoge drempel van Jawo niet gehaald.
4. Als eiser in Frankrijk wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvangvoorzieningen, of anderszins, ligt het op zijn weg hierover bij de Franse autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat klagen bij de Franse autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2023 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.



Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218).