Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2014:16347

2014-04-23 Civiel recht C-09-444817 - HA ZA 13-672
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2014-04-23
Publicatiedatum
2015-01-07
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C-09-444817 - HA ZA 13-672
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Buurweg (artikel 719 BW (oud)). Vraag of er sprake is van buurweg of erfdienstbaarheid van weg. Geschil over wijze van uitoefening met betrekking tot parkeergelegenheid. Positie mede-eigenaren en huurders.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (44.258 tekens)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG


Team handel




zaaknummer / rolnummer: C/09/444817 / HA ZA 13-672




Vonnis in de tussenkomstzaak en in de hoofdzaak van 23 april 2014



1. de publieke rechtspersoon


GEMEENTE DEN HAAG,
gevestigd te Den Haag,

2. de commanditaire vennootschap


WIJKONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ


STATIONSBUURT-OUDE CENTRUM DEN HAAG CV,
gevestigd te Den Haag,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid


WIJKONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ


STATIONSBUURT-OUDE CENTRUM DEN HAAG BV,
gevestigd te Den Haag,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid


ARGION BEHEER B.V.,
gevestigd te Den Haag,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid


K&L VASTGOED BELEGGINGEN BV,
gevestigd te Rijswijk,
eiseressen,
advocaat mr. A.H.M. van den Steenhoven te Den Haag,




alsmede na tussenkomst


6. de stichting


STICHTING STAEDION,
gevestigd te Den Haag,
eiseressen,
advocaat mr. A.H.M. van den Steenhoven te Den Haag,



tegen





[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. J.A. Huijgen te Den Haag.




De eisende partijen worden hierna elk afzonderlijk aangeduid als: de Gemeente, WOM C.V., WOM B.V. (laatstgenoemden samen als: WOM c.s.), Argion, K&L en Staedion. Gezamenlijk zullen zij worden aangeduid als de Gemeente c.s. De gedaagde partij zal hierna [gedaagde] worden genoemd.





1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 7 juni 2013, met 19 producties,


de conclusie van antwoord, met 10 producties,


het tussenvonnis van 11 september 2013, waarbij een comparitie van partijen is bevolen,


het proces-verbaal van comparitie van 29 november 2013, met de daarin vermelde stukken,


de incidentele conclusie tot tussenkomst van de zijde van Stichting Staedion,


de conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst van de zijde van [gedaagde] .





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten

2.1.
De Gemeente is sinds 6 januari 1984 eigenares van de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] met de perceelnummers [perceel A] en [perceel B] . Sinds 3 juni 1986 is de Gemeente ook eigenares van de onroerende zaak aangeduid als [adres 2] met perceelnummer [perceel C] .



2.2.

[gedaagde] heeft bij notariële akte van 7 september 1990 de eigendom verkregen van het perceel met kadastrale aanduiding [kadastrale aanduiding] nummer [perceel D] , plaatselijk bekend als [adres 3] , alsmede van één vierde aandeel in de eigendom van het perceel met kadastrale aanduiding [kadastrale aanduiding] nummer [perceel E] , zijnde een poort met gang die uitkomt op de [straat 1] tussen de nummers [huisnummer 1] en [huisnummer 2] .



2.3.
Naast [gedaagde] waren er tot 5 oktober 2010 twee mede-eigenaren van perceel [perceel E] . De aandelen waren tot die datum als volgt verdeeld:



[gedaagde] , eigenaar van perceel [perceel D] ( [adres 3] ) had een aandeel van 25% in het perceel;


Argion, eigenares van de percelen [perceel F] en [perceel G] ( [adres 4] en [adres 5] ) had een aandeel van 50% in het perceel;


K&L Vastgoed, eigenares van perceel [perceel H] ( [adres 6] en [adres 7] ) had een aandeel van 25% in het perceel.




2.4.
De ligging van de verschillende percelen en hun eigenaren blijkt uit de tekening, gevoegd bij de dagvaarding als productie 2, tweede blad (aan dit vonnis gehecht).



2.5.
Op 20 juni 2008 heeft de Gemeente de economische eigendom van bovengenoemde percelen ingebracht in WOM C.V. (met WOM B.V. als enig beherend vennoot), een samenwerkingsverband tussen de Gemeente en de woningcorporatie Staedion.



2.6.
In de loop van 2010 hebben de Gemeente/WOM, Argion en K&L de onbebouwde gedeelten van hun percelen omgebouwd tot een grote parkeerplaats, waarop ieder op haar eigen perceel parkeervakken heeft gecreëerd. De toegang tot deze parkeervakken kan uitsluitend worden verkregen via de poort en gang van perceel [perceel E] . [gedaagde] heeft als mede-eigenaar van perceel [perceel E] geen toestemming verleend voor de aanleg van een nieuwe grote parkeerplaats.



2.7.

[gedaagde] heeft de Gemeente en WOM c.s. op 1 oktober 2010 in kort geding gedagvaard en gevorderd dat het WOM c.s. zal worden verboden de gang als uitweg ten behoeve van de percelen [perceel A] , [perceel B] en [perceel C] te gebruiken. In reconventie hebben de Gemeente en WOM c.s. gevorderd de weg als noodweg aan te wijzen mede om redenen dat de gang van oudsher als zodanig ten behoeve van de betrokken percelen is gebruikt.



2.8.
Bij notariële akte van 5 oktober 2010 heeft Argion 2/100 (2 %) van haar onverdeeld aandeel in perceel [perceel E] verkocht en geleverd aan WOM C.V., economisch eigenares van de percelen [perceel A] en [perceel B] ( [adres 1] ) en perceel [perceel C] ( [adres 2] )



2.9.
In dezelfde notariële akte van 5 oktober 2010 hebben K&L Vastgoed, de Gemeente, WOM C.V. en Argion het volgende opgenomen:


“In overweging nemende
Op initiatief van K&L zijn K&L, Argion, de Gemeente en de koper [WOM C.V., toevoeging rechtbank] overeengekomen om de hen toebehorende onbebouwde grond, zoals hierboven omschreven [ [perceel E] , toevoeging rechtbank], te gebruiken voor de aanleg van parkeerplaatsen. Teneinde deze parkeerplaatsen te ontsluiten naar de openbare weg zijn partijen overeengekomen over en weer, ten behoeve en ten laste van genoemde registergoederen, om niet een erfdienstbaarheid van weg te vestigen om te komen van en te gaan naar de openbare weg, zijnde de [straat 1] .

Vestiging erfdienstbaarheid

Op grond van het vorenstaande wordt bij deze om niet verleend en zal door de inschrijving van het afschrift dezer akte ten kantore van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers in het register Hyp.4 worden gevestigd:

over en weer ten behoeve en ten laste van:

de percelen kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] nummers:
- [perceel A] , [adres 1] ;
- [perceel B] , [straat 2] ongenummerd;
- [perceel C] , [adres 2] ;
- [perceel H] , [adres 6] , [adres 7] ;
- [perceel I] [adres 4] ,

de erfdienstbaarheid van weg:


inhoudend de verplichting voor de eigenaren van de dienende erven om te dulden dat de heersende erven de bevoegdheid hebben om over de dienende erven te komen en te gaan van en naar de openbare straat [straat 1] .

Het zal niet zijn toegestaan de desbetreffende grond te blokkeren, waaronder begrepen het daarop plaatsen van welk voorwerp dan ook, dan wel de vrije doorgang te belemmeren.

Het onderhoud komt voor rekening van de individuele eigenaren van de dienende erven. (…)”




2.10.
Bij vonnis van 26 november 2010 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [gedaagde] toegewezen en de vordering van de Gemeente en WOM c.s. afgewezen.



2.11.
De Gemeente en WOM c.s. hebben hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Tijdens de comparitie van partijen, bevolen door het hof bij arrest van 12 april 2011, hebben partijen in afwachting van de beslissing in de bodemprocedure, een tijdelijke regeling getroffen. De lopende kortgedingprocedure is daarop ingetrokken.



2.12.
Na renovatie heeft WOM B.V. de panden aan de [adres 1] en [adres 2] verhuurd aan het Nederlandse Rode Kruis, die de Stichting Humanity House heeft opgericht, welke Stichting op 9 december 2010 ter plaatse het Humanity House heeft geopend en sindsdien exploiteert. Het Humanity House fungeert als museum en kenniscentrum op het gebied van noodhulp en humanitair oorlogsrecht. Op de website worden bezoekers verwezen naar nabijgelegen parkeergarages. Mindervaliden wordt verzocht contact op te nemen met het museum.



2.13.
In 2012 heeft Argion haar aandeel (van 48%) in het perceel [perceel E] geleverd aan Staedion. Argion is een 100% dochter van Staedion.





3Het geschil
in het incident


3.1.
Tijdens de comparitie in de hoofdzaak heeft [gedaagde] , onder overlegging van een kadastraal bericht met betrekking tot perceel [perceel E] van 12 november 2013, betoogd dat niet langer Argion gedeeltelijk eigenaar is van het betrokken perceel, maar Staedion. [gedaagde] heeft daaraan de conclusie verbonden dat Argion niet-ontvankelijk is in de hoofdzaak. De raadsman van Argion heeft bevestigd dat Argion haar eigendomsrechten aan Staedion heeft overgedragen. De raadsman heeft daaraan toegevoegd dat Argion een 100% dochter van Staedion is en zonodig zich in de plaats stelt van Argion. Nadat de comparitie enige tijd is geschorst, heeft de raadsman van eiseressen verzocht om middels een voegingsincident Staedion in dit geding te laten tussenkomen, de raadsman van [gedaagde] heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te hebben, waarna het verzoek is toegewezen.



3.2.
Bij incidentele conclusie tot tussenkomst heeft mr. Van den Steenhoven namens Staedion verzocht te mogen tussenkomen, kosten rechtens, daarbij stellende dat met het oog op de tijdens de comparitie geboden gelegenheid om te concluderen alsnog tijdig is geïntervenieerd en dat van onredelijke vertraging geen sprake is, nu Staedion geen nieuwe stellingen betrekt en zich geheel refereert aan en aansluit bij hetgeen reeds zijdens de andere eisers is aangevoerd. Bij conclusie van antwoord in het incident heeft mr. Huijgen namens [gedaagde] betoogd dat Staedion niet kan tussenkomen, zoals verzocht, omdat niet aannemelijk is dat Staedion een eigen belang heeft bij tussenkomst, dat voeging mogelijk zou zijn geweest, maar dat hierom niet is verzocht en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechter, met veroordeling van Staedion in de kosten van het incident.



in de hoofdzaak





3.3.
De Gemeente c.s vordert – samengevat – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:



primair: veroordeling van [gedaagde] tot medewerking aan het vestigen van een erfdienstbaarheid van uitweg, in de zin van de reeds door de Gemeente c.s. opgestelde notariële akte van 5 oktober 2010 (productie 15 bij dagvaarding), met bepaling dat het in dezen te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de akte tot vestiging van een erfdienstbaarheid van uitweg, wanneer [gedaagde] niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis vrijwillig medewerking verleent, althans met bepaling dat WOM b.v. als vertegenwoordiger van [gedaagde] zal mogen optreden en met bepaling dat in de akte wordt opgenomen dat [gedaagde] telkens als hij eiseressen dan wel hun huurders de toegang tot de poort (deels) ontzegt, beperkt of belemmert, hij een buitengerechtelijke direct opeisbare boete verbeurt ad € 500,- per dag(deel);




subsidiair: een verklaring voor recht dat de Gemeente c.s. in hun hoedanigheid van mede-eigenaar onbelemmerd gebruik mogen maken van de poort om van en naar de parkeerplaatsen te komen en dat hun huurders, behoudens afwijkend beding, dit recht ook toekomt, met veroordeling van [gedaagde] de toegang tot de poort niet aan de Gemeente c.s. te ontzeggen, beperken, belemmeren op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag(deel)
wanneer [gedaagde] geen gehoor geeft aan dit bevel;




meer subsidiair: een verklaring voor recht dat [gedaagde] zijn recht heeft prijsgegeven om het gebruik van de poort en gang als uitweg van de percelen [perceel F] , [perceel H] , [perceel A] en [perceel C] , respectievelijk [adres 4] , [adres 6] en [adres 7] en [adres 1] en [adres 2] te verhinderen nu hij uitdrukkelijk het recht van overpad van deze percelen ten laste van de gang en poort heeft erkend, met veroordeling van [gedaagde] als hiervoor onder primair en subsidiair omschreven;




meer subsidiair: een verklaring voor recht dat [gedaagde] misbruik maakt van recht en derhalve onrechtmatig jegens de Gemeente c.s. handelt door zijn toestemming te onthouden voor voornoemd gebruik c.q. de mogelijkheid onthoudt aan de Gemeente c.s. en hun huurders om gebruik te kunnen maken van hun eigendom, met veroordeling van [gedaagde] als hiervoor onder primair en subsidiair omschreven;




nog meer subsidiair: een verklaring voor recht dat sprake is van een buurweg op het perceel [perceel E] met de poort en gang, die ten behoeve van de achter de poort met gang gelegen percelen heeft te dienen als een weg om te komen en te gaan van de openbare weg naar die achterliggende percelen (met hun parkeergelegenheden), met veroordeling van [gedaagde] als hiervoor onder primair en subsidiair omschreven;




uiterst subsidiair: veroordeling van [gedaagde] om zijn aandeel in de poort en gang aan de andere eigenaren te verkopen en over te dragen tegen een nader door deskundige(n) te bepalen, marktconforme koopprijs en onder een nader te bepalen toedeling onder de andere eigenaren, met bepaling dat het in de dezen te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de akte indien en voorzover [gedaagde] niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis vrijwillig aan de verkoop en levering mee zal werken, althans met bepaling dat WOM B.V. als vertegenwoordiger van [gedaagde] zal optreden bij de totstandkoming van de koopovereenkomst en bij de levering van het aandeel van [gedaagde] in de poort aan de andere eigenaren;




primair en subsidiair: [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.




3.4.
De Gemeente c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de poort met gang (perceel [perceel E] ) al jarenlang in gebruik is als gemeenschappelijke uitweg voor verschillende buren gelegen rond het perceel, voorheen om te komen en te gaan naar de op die buurpercelen gelegen koetshuizen, en later om met auto’s te komen en te gaan naar de op die buurpercelen gelegen parkeergelegenheden. In 2010 hebben eisers het terrein heringericht en op hun eigen terrein een aantal duidelijk afgebakende parkeervakken aangelegd. Zij willen thans het gebruik van dit terrein reguleren en formaliseren, maar [gedaagde] weigert zijn instemming en medewerking. Volgens eisers ten onrechte. Eisers voeren aan dat sprake is van schending van bestaande rechten (het gebruik van een buurweg). Daarnaast beroepen zij zich op de omstandigheid dat 75% van de eigenaren (waarvan de WOM C.V. sinds 2010 2% van uitmaakt) instemt met het verlenen van een recht van overpad aan eisers om te komen en te gaan naar de door hen aangelegde parkeervakken, en dat de blokkering daarvan door [gedaagde] , met een minderheid van 25%, misbruik van bevoegdheid oplevert, nu [gedaagde] daarbij geen ander doel heeft dan eisers, meer in het bijzonder de Gemeente, te schaden.



3.5.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.



3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling
In het incident


4.1.
Voor toewijzing van een verzoek tot tussenkomst moet blijken van een belang van de verzoeker, in dit geval Staedion, om benadeling of verlies van een hem toekomend recht te voorkomen (art. 217 Rv). In de hoofdzaak en de incidentele vordering tot tussenkomst is gebleken dat Staedion in plaats van Argion gedeeltelijk eigenaar is geworden van het perceel [perceel E] en dat derhalve niet Argion, maar Staedion een vorderingsrecht heeft ten aanzien van [gedaagde] . Nu het in de hoofdzaak er om gaat om de rechten en plichten vast te stellen van de gezamenlijke eigenaren met betrekking tot gemeld perceel, zowel in hun onderlinge verhouding als ten overstaan van een derde, de Gemeente, heeft Staedion een eigen belang bij de onderhavige procedure.



4.2.
Vast staat dat de zaak reeds was afgeconcludeerd, maar dat partijen hebben ingestemd met een nadere conclusie vanwege het onderhavige incident. Nu Staedion de reeds naar voren gebrachte stellingen van Argion volledig tot de hare maakt en toewijzing van het verzoek dus niet tot verdere vertraging in de procedure leidt, maar daarentegen voorkomt dat een tweede procedure aanhangig gemaakt moet worden, waarin dezelfde stellingen en weren van partijen aan de orde zullen zijn, zal de rechtbank uit proceseconomische overwegingen het verzoek tot tussenkomst toewijzen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in materieel opzicht in feite sprake is van dezelfde procespartij, dat de overige eisende partijen om deze tussenkomst hebben verzocht en daarmee instemmen en dat [gedaagde] zich aan het oordeel van de rechtbank heeft gerefereerd. Nu enerzijds onderhavig incident had kunnen worden voorkomen als Staedion bij dagvaarding was verschenen en anderzijds [gedaagde] zich heeft gerefereerd, zal de rechtbank de kosten van het incident tussen partijen compenseren, in die zin dat elke partij zijn eigen kosten draagt.



In de hoofdzaak





4.3.
Aanleiding tot het onderhavige geschil is de vraag of, en zo ja in hoeverre, aan de Gemeente c.s. het recht toekomt om met gebruikmaking van de poort en gang op hun eigen terrein te parkeren. In samenhang daarmee is ook discussie ontstaan over het gebruik, beheer en genot tussen de eigenaren van de poort en gang. De rechtbank stelt voorop dat met betrekking tot de rechten en plichten van partijen ten aanzien van de gang en poort onderscheid moet worden gemaakt in het verschil in rechtspositie van partijen. Vast staat immers dat de Gemeente niet mede-eigenaar van de poort en gang is en de overige partijen wel. Complicatie bij dit laatste is dat [gedaagde] de rechtsgeldigheid van de overdracht door Argion van een deel van haar aandeel (2 %) aan WOM C.V. heeft betwist en dat de eigendom van het restant van het aandeel van Argion inmiddels is overgedragen aan Staedion.



4.4.
Hierna zal de rechtbank eerst ingaan op de positie van de Gemeente tegenover de eigenaren van perceel [perceel E] en daarna op de positie van de eigenaren onderling.


I. Rechtspositie van de Gemeente




4.5.
De Gemeente heeft haar betoog dat zij gerechtigd is gebruik te maken van het door aangelegde parkeerterrein doen steunen op de omstandigheid dat sprake is van een buurweg. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd weersproken. De rechtbank overweegt als volgt.


- Buurweg



4.6.
In art. 719 BW (oud) is bepaald: "Voetpaden, dreven of wegen aan verscheiden geburen gemeen, en welke hun tot eenen uitweg dienen, kunnen niet dan met gemeene toestemming worden verlegd, vernietigd of tot een ander gebruik gebezigd, dan waartoe dezelve bestemd zijn geweest." Bij de invoering van het Nieuw BW per 1 januari l992 is de regeling van de buurweg geschrapt, maar op grond van art. 160 Overgangswet NBW blijven de op 1 januari 1992 bestaande buurwegen gehandhaafd.



4.7.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie conclusie A-G bij HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6496) is voor het ontstaan van een buurweg een (subjectieve) bestemmingshandeling vereist van de eigenaar of rechthebbende, dat wil zeggen een uitdrukkelijke of stilzwijgende wilsverklaring inhoudende een bestemming tot buurweg. Daarnaast moet sprake zijn van een gemeenschappelijk gebruik ten dienste van uitweg door twee of meer buren, onder wie de eigenaar/rechthebbende. Het enkele gedogen door de eigenaar van het gebruik van een weg door een buurman is niet voldoende. Een stilzwijgende bestemming kan worden afgeleid uit gedragingen van de eigenaar (vgl. thans art. 3:37 lid 1 BW). In zijn arrest van 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9402 heeft de Hoge Raad overwogen dat langdurig gemeen gebruik van een weg als buurweg het, voor tegenbewijs vatbare, vermoeden oplevert dat sprake is van (een bestemming tot) een buurweg (vgl. thans art. 3:119 lid 1 BW). Aldus speelt het gebruik door de buren een rol bij het - bij gebreke van een duidelijk ontstaansmoment van de buurweg - aannemelijk maken van het bestaan ervan in rechte.



4.8.
Met inachtneming van het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt. De Gemeente c.s. heeft ten bewijze van het bestaan van een buurweg de navolgende notariële akten overgelegd:



Een notariële akte uit 13 september 1875, waarin de woning en het perceel gelegen aan de [adres 1] wordt verkocht, tegelijk met “een stalling voor vijf paarden en groot koetshuis met koetsierswoning, welwaterpomp [niet leesbare tekst] en openplaats de laatste thans uitmakende een gedeelte van den tuin van perceel numero een staande en gelegen achter perceel numero een en uitgang hebbende in eene gemeene Poort uitkomende in den [straat 1] en Kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] numero [perceel E] hebbende die perceel eene inhoudsgrootte van twee aren, vierendertig centiare [niet leesbare tekst] het overig gedeelte van het voormeld kadastraal numero [perceel J] van [kadastrale aanduiding] .”


Een notariële akte van 30 oktober 1991 waarin wordt geleverd: “het winkelwoonhuis aan de [adres 8] , kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] nummer [perceel K] (…) met de rechten op de gemene slop of poort, uitkomende in de [straat 1] van het perceel kadastraal bekend gemeente en sectie alsvoren nummer [perceel E] groot een are zeventig centiaren”.


Een notariële akte van 1 oktober 1990 waarin wordt geleverd: “de winkel met afzonderlijke bovenwoning aan de [adres 9] , kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] nummer [perceel L] (…) met het recht van uitweg door een gemene poort uitkomende in de [straat 1] , hetwelk behoort tot het kadastrale perceel van dezelfde kadastrale gemeente en sectie nummer [perceel E] ”.




Daarnaast heeft de Gemeente een emailbericht overgelegd d.d. 25 oktober 2010 van de eigenaar van [adres 10] , waarin deze verklaart dat vanaf 1988, het jaar waarin de eigenaar het perceel kocht, het appartement [adres 11] , een achteruitgang heeft die uitkomt op het binnenterrein waar de poort aan de [straat 1] toegang toe geeft en dat de huurder daarvan ook gebruik maakt. In het verslag van de vergadering van eigenaren van 10 maart 2010 wordt voorts opgemerkt dat op dat moment de adressen [adres 12] ( [eigenaar 1] ), [adres 3] ( [gedaagde] ), [adres 2] (WOM), [adres 7] (K&L), [adres 4] (Argion), [adres 13] ( [eigenaar 2] , [eigenaar 3] , [eigenaar 4] ) en [adres 1] (WOM) uitkomen op de poort. In de overgelegde correspondentie van [gedaagde] uit de jaren 1999, 2000, 2001 en 2008, waarin hij klaagt over het parkeren van auto’s in de poort, noemt hij als “de bewoners en gebruikers” van de poort naast genoemde adressen ook [adres 8] en [adres 9] en wijst hen er op dat zij slechts recht van overpad hebben en niet het recht om in de poort te parkeren. Specifiek met betrekking tot [adres 8] , [adres 9] en [adres 12] heeft [gedaagde] op de comparitie verklaard dat zij het terrein gebruiken voor hun meterkast en opslagruimte.




4.9.
Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, concludeert de rechtbank dat perceel [perceel E] bestemd is om tot buurweg te dienen. Dat blijkt expliciet uit de overgelegde akten en vindt steun in de omstandigheid dat het perceel - ook vóór 1992 - feitelijk werd gebruikt door verschillende buren, waaronder de eigenaren/rechthebbenden. [gedaagde] heeft ook niet zozeer bestreden dat sprake is van een buurweg, maar betoogd dat door de aanleg van het parkeerterrein in 2010 sprake is van een bestemmingswijziging, namelijk in die zin dat de buurweg anders dan voorheen thans ook de bestemming van buurweg ten behoeve van gemotoriseerd verkeer zou hebben verkregen. Volgens [gedaagde] is een bestemmingswijziging onder het huidige recht niet meer toegelaten.



4.10.
De rechtbank overweegt daarover het volgende. Uit de akte uit 1875 blijkt dat perceel [perceel E] werd gebruikt voor rijtuigen. Dat impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat het perceel werd gebruikt als weg en dus als geschikt voor rijtuigen en wagens. Dat er in plaats van koetsen en wagens, auto’s zijn gekomen, doet aan het gebruik van de buurweg als weg niet af. Van een bestemmingswijziging enkel door de komst van gemotoriseerd verkeer is dan ook geen sprake. Dat volgt ook uit de door [gedaagde] ter zitting overgelegde foto en zijn verklaring waaruit blijkt dat in de jaren ’80 en begin jaren ’90 het perceel gebruikt werd door auto’s als weg en als parkeerterrein. Uit voormelde correspondentie van [gedaagde] aan de bewoners en gebruikers van de poort blijkt dat ook eind jaren ’90 en in het eerste decennium van deze eeuw het perceel als weg werd gebruikt, bijvoorbeeld door [adres 4] om toegang te hebben tot twee aan haar toebehorende parkeerplaatsen. In de correspondentie richt [gedaagde] zich voorts met name tegen het illegaal parkeren in de poort door niet-bewoners/gebruikers.



4.11.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt [gedaagde] echter met juistheid vast – zie ook zijn correspondentie hieromtrent – dat het perceel [perceel E] niet als parkeerterrein mag worden gebruikt, maar er slechts toe dient om toegang te verlenen aan de diverse buurpercelen. Dat volgt naar het oordeel van de rechtbank onder meer uit de akte van 1875, waarin het koetshuis op eigen terrein staat, als ook uit de door de Gemeente c.s. overgelegde foto’s van voor de herinrichting – te zien aan de muren die er toen nog stonden – waarop is te zien dat de parkeervakken bij [adres 4] , [adres 13] en [adres 1] zich op eigen terrein bevinden. Het ligt ook besloten in de verklaring van [gedaagde] dat hij ook sleutels van de poort heeft verstrekt aan [adres 8] , [adres 9] en [adres 12] om hen via de gang toegang te geven tot een meterkast en opslagruimte en aan [adres 2] , dat alleen een uitweg heeft via perceel [perceel E] , toen het nog een kerk (daarvoor een koetshuis) was. Naar het oordeel van de rechtbank bevestigt dit gebruik dat perceel [perceel E] niet bestemd is om te parkeren, maar slechts om verkeer van en naar de buurtpercelen mogelijk te maken. Dat betekent dat, wanneer de aangrenzende buurpercelen niet op eigen terrein kunnen parkeren, er geen recht tot parkeren op perceel [perceel E] bestaat.



4.12.
Voor de vraag of perceel [perceel E] door de Gemeente mag worden gebruikt om te komen en gaan naar de parkeerplaats achter [adres 1] , overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van de foto’s van voor de herinrichting, inclusief de door [gedaagde] overgelegde foto uit de jaren ’80, alsmede uit de overgelegde correspondentie en verklaringen stelt de rechtbank vast dat het perceel van [adres 1] al geruime tijd en ook vóór 1990 in gebruik was als parkeerterrein, voor circa acht auto’s. Op de foto’s is te zien dat het ging om verhard terrein. Vast staat voorts dat [adres 13] al geruime tijd de beschikking heeft over vier parkeervakken en [adres 4] over twee. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat het binnenterrein voor de herinrichting plaats bood aan circa 14 auto’s. Daarbij werd ook – ten onrechte zoals [gedaagde] herhaaldelijk aan de gebruikers en bewoners heeft voorgehouden – in de poort en de gang geparkeerd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat de herinrichting van het perceel van [adres 1] tot parkeerplaats geen wijziging heeft gebracht in de bestemming van de buurweg. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het de Gemeente op grond van het recht van buurweg is toegestaan om met auto’s te komen en te gaan naar het haar toebehorende parkeerterrein met maximaal acht parkeervakken ten behoeve van [adres 1] . Dat geldt niet voor het eveneens aan de Gemeente toebehorende perceel met het adres [adres 2] . Voor dit perceel geldt (slechts) een recht van overpad (weg) om toegang te verkrijgen tot het gebouw en niet het recht om gebruik te maken van enige parkeergelegenheid, omdat het perceel van [adres 2] daartoe niet de mogelijkheid biedt.


II. Rechtspositie mede-eigenaren perceel [perceel E]




4.13.
Zoals hiervoor uiteengezet waren er voor 5 oktober 2010 drie deelgenoten, namelijk [gedaagde] ( [adres 3] ) met een aandeel van 25%, K&L ( [adres 7] ) met een aandeel van 25% en Argion ( [adres 4] ) met een aandeel van 50%. Op 5 oktober 2010 heeft Argion een deel van haar aandeel (2%) verkocht en geleverd aan WOM C.V. In 2012 heeft Argion het restant van haar aandeel (48%) verkocht en geleverd aan Staedion. Ten aanzien van hun onderlinge rechtspositie overweegt de rechtbank het volgende.


a) eigendomsoverdracht aandelen




4.14.

[gedaagde] heeft de geldigheid van de overdracht van Argion van een 2%-aandeel in perceel [perceel E] aan WOM C.V betwist. [gedaagde] stelt dat Argion daartoe niet bevoegd was, omdat hij daarvoor geen toestemming heeft verleend. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin, omdat door de toevoeging van WOM C.V. als nieuwe deelgenoot, een nieuw perceel met andere belangen in de gemeenschap wordt betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft om die reden en met het oog op de door partijen jegens elkaar in acht te nemen redelijkheid en billijkheid te gelden dat voor de toevoeging van een extra deelgenoot de toestemming van alle eigenaren moet worden verzocht en verkregen. Indien [gedaagde] zijn toestemming blijft weigeren, staat het de overige deelgenoten vrij om op de voet van art. 3:175, lid 2, juncto art. 3:168, lid 3, BW de kantonrechter te verzoeken om de bestaande rechtsverhouding te mogen wijzigen door een nieuwe deelgenoot toe te laten.



4.15.
Eén en ander laat onverlet dat de Gemeente als eigenaar – en WOM C.V. als daarmee gelijk te stellen gerechtigde – op grond van het recht van buurweg in de hiervoor beschreven zin gebruik mag maken van perceel [perceel E] .


b) gebruik door mede-eigenaren




4.16.
Ten aanzien van de overige mede-eigenaren, K&L, Staedion en [gedaagde] overweegt de rechtbank voorts het volgende.



4.17.
Vaststaat dat tussen de eigenaren van perceel [perceel E] geen beheersregeling is overeengekomen. Dat betekent dat de wijze van het gebruik, beheer en genot wordt bepaald door het plaatselijk gebruik en de door partijen jegens elkaar te betrachten redelijkheid en billijkheid. Bij de invulling hiervan speelt hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot inhoud en omvang van de bestaande buurweg een grote rol.



4.18.
Zo heeft naar het oordeel van de rechtbank voor Staedion als eigenaar van [adres 4] te gelden dat zij gerechtigd is om perceel [perceel E] te gebruiken om met auto’s te komen en te gaan naar het haar toebehorende parkeerterrein met maximaal twee parkeervakken en voor [gedaagde] als eigenaar van [adres 3] dat hij via perceel [perceel E] toegang verkrijgt tot zijn woning. Ten aanzien van K&L als eigenaar van [adres 7] overweegt de rechtbank dat K&L bij de herinrichting het stuk grond achter de bebouwing op haar perceel heeft geschoond en daar twee parkeervakken heeft aangelegd. Uit de foto’s leidt de rechtbank af dat het terrein voor de herinrichting bestond uit een braakliggend onverhard stuk grond waarop (gedeeltelijk) puin was gestort. Het is de rechtbank niet duidelijk of [gedaagde] zich tegen het gebruik door K&L van deze twee parkeervakken op het terrein van K&L verzet. Voor zover dat het geval is, is de rechtbank van oordeel dat artikel 3:169 BW in de weg staat aan dit verzet. Genoemd artikel bepaalt dat iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. De rechtbank oordeelt dat het gebruik door K&L van de poort en gang ten behoeve van de nieuwe parkeerplaats met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is, nu de situatie, zoals hiervoor uiteengezet, voor de herinrichting met betrekking tot het aantal auto’s niet wezenlijk verschilt ten aanzien van de situatie na de herinrichting, waarbij bovendien de parkeervakken van K&L ten opzichte van [adres 3] grotendeels aan het zicht worden onttrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is om redenen van redelijkheid en billijkheid derhalve toegestaan aan K&L om perceel [perceel E] te gebruiken als weg voor het bereiken van de twee op haar perceel aangelegde parkeerplaatsen.


III. Positie huurders en overige gebruikers




4.19.
De Gemeente c.s. hebben gevorderd dat het gebruik van perceel [perceel E] niet alleen is toegestaan aan hen, maar ook aan hun huurders. Nu het recht van buurweg zich daartegen niet verzet, acht de rechtbank deze vordering toewijsbaar. Eén en ander is ook in overeenstemming met de plaatselijke situatie, waarbij alle betrokken eigenaren, inclusief [gedaagde] , hun panden hebben verhuurd. Dit volgt ook uit de overgelegde stukken met betrekking tot het sleutelbeheer, voorheen in handen van [gedaagde] , thans in handen van K&L. Daaruit blijkt dat in de loop der jaren sleutels zijn verstrekt aan de bewoners/gebruikers (huurders) van: [adres 3] , [adres 2] , [adres 7] en [adres 4] , alsmede aan [adres 1] . Opmerking verdient wel dat aan de huurders niet een ander gebruik is toegestaan dan aan de eigenaren van de betrokken percelen, dat wil zeggen dat het recht om te parkeren uitsluitend is toegestaan aan:
- de huurders van [adres 7] , op de twee parkeervakken op hun perceel;
- de huurders van [adres 4] , op de twee parkeervakken op hun perceel;
- de huurders van [adres 1] , op de acht parkeervakken op hun perceel.
En dat overigens het gebruik als volgt gelimiteerd is:


de huurders van [adres 2] , om toegang te verkrijgen tot het gebouw;


de huurders van [adres 3] , om toegang te verkrijgen tot het gebouw.





4.20.

Uit de overgelegde stukken blijkt overigens dat perceel [perceel E] ook in gebruik is genomen door:

[adres 13] , om te parkeren op de vier parkeervakken op hun perceel;

[adres 10] , als achterom (geen parkeergelegenheid op eigen terrein);

[adres 8] , [adres 9] en [adres 12] om toegang te geven tot een meterkast en opslagruimte (geen parkeergelegenheid op eigen terrein).
Met uitzondering van [adres 13] is het de rechtbank niet duidelijk of de genoemde adressen nog altijd gebruik maken van [perceel E] en of zij dit doen op grond van het recht van buurweg of op grond van een erfdienstbaarheid.




Conclusie





4.21.
Het voorgaande voert derhalve tot de slotsom dat op perceel [perceel E] een recht van buurweg rust ten gunste van (tenminste) de percelen van de Gemeente, K&L, Staedion en [gedaagde] , waarbij laatstgenoemde drie tevens eigenaar zijn van het perceel. Dat voert tot de slotsom dat de door de Gemeente c.s. gevorderde verklaringen voor recht die daarop betrekking hebben, met in achtneming van de hiervoor onder 4.19 genoemde beperkingen, in beginsel toewijsbaar zijn.



4.22.
De Gemeente c.s. hebben primair gevorderd veroordeling van [gedaagde] tot het vestigen van een erfdienstbaarheid conform het bepaalde in de door de Gemeente c.s. opgestelde akte van 5 oktober 2010. De rechtbank stelt voorop dat nu vast staat dat sprake is van een buurweg, niet tegelijkertijd kan worden aangenomen dat sprake is van een erfdienstbaarheid op grond van verkrijgende of bevrijdende verjaring, zodat, voorzover de Gemeente c.s. mede bedoeld hebben dit aan hun vordering ten grondslag te leggen, deze stellingname niet slaagt. Ook overigens acht de rechtbank deze vordering echter niet toewijsbaar. De rechtbank overweegt daartoe enerzijds dat de omzetting van het bestaande recht van buurweg in een erfdienstbaarheid tot voordeel heeft dat duidelijkheid – met name naar derden toe – komt over de rechtspositie van de Gemeente met betrekking tot perceel [perceel E] . Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat de notariële akte waar de Gemeente c.s. naar verwijzen niet een juiste weergave vormt van de bestaande rechten en verplichtingen, met name doordat daarin geen rekening is gehouden met de hiervoor genoemde beperkingen. Ook is de rechtspositie van WOM C.V. vanwege het ontbreken van toestemming van [gedaagde] aan de levering van het 2%-aandeel te onduidelijk om de vordering thans toe te wijzen. Daarbij ziet de rechtbank niet direct een noodzaak om ook ten behoeve van de mede-eigenaren een recht van erfdienstbaarheid te vestigen, waar het gebruik, beheer en genot ook in een beheersregeling – eventueel af te dwingen via de kantonrechter, zie art. 3: 168, lid 2, BW – kan worden vastgelegd. Dat laat onverlet dat van misbruik van bevoegdheid door [gedaagde] sprake kan zijn, wanneer de Gemeente c.s. aan de hier genoemde bezwaren tegemoet zijn gekomen en het dus nog slechts gaat om de omzetting van een bestaande buurweg in een erfdienstbaarheid.



4.23.
Met betrekking tot de overige vorderingen overweegt de rechtbank als volgt. Nu niet alle eisers eigenaar zijn van perceel [perceel E] kan de subsidiaire vordering slechts gedeeltelijk worden toegewezen in de zin zoals hierna vermeld. De meer subsidiaire vordering stuit af op het feit dat [gedaagde] met zijn erkenning van het recht van overpad op [perceel E] zijn rechten met betrekking tot de inhoud en omvang daarvan niet heeft prijsgeven. De rechtbank acht voorts toewijsbaar de meer subsidiaire en nog meer subsidiaire vordering in de zin als hierna vermeld. Aan de uiterst subsidiair ingestelde vordering om [gedaagde] te veroordelen om zijn aandeel in de poort en gang aan de andere eigenaren te verkopen en over te dragen, komt de rechtbank, na toewijzing van het subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair gevorderde niet toe.



Kosten





4.24.
De Gemeente c.s. hebben gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en hebben vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is gesteld noch gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen. De rechtbank zal, zoals gevorderd, overeenkomstig het Rapport Voorwerk II uitgaan van een bedrag van € 904,-, zijnde twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, exclusief BTW.



4.25.
De Gemeente c.s. hebben aan hun vorderingen een dwangsom verbonden van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] eisers, dan wel hun huurders, de toegang tot de poort (deels) ontzegt of beperkt c.q. belemmert. De rechtbank zal de gevorderde dwangsom toewijzen, met dien verstande dat deze vordering zal worden beperkt tot een maximaal te verbeuren bedrag aan dwangsommen van in totaal € 150.000,-.



4.26.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente c.s. worden begroot op:
- dagvaarding € 78,34
- griffierecht 589,00
- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)
Totaal € 1.571,34






5De beslissing
De rechtbank



in het incident




5.1.
laat Staedion toe in de hoofdzaak tussen te komen aan de zijde van de eisende partijen;



5.2.
compenseert de kosten van dit incident tussen partijen in die zin dat elke partij zijn eigen kosten draagt,



5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,



in de hoofdzaak





5.5.
verklaart voor recht dat K&L en Staedion in hun hoedanigheid van mede-eigenaar onbelemmerd gebruik mogen maken van de poort om van en naar de achter de poort op hun percelen gelegen parkeerplaatsen te komen en dat hun huurders dit recht ook toekomt, voorzover daarover geen afwijkend beding in met huurders te sluiten of reeds gesloten huurovereenkomsten is opgenomen, één en ander als hiervoor onder 4.19 omschreven,



5.6.
verklaart voor recht dat [gedaagde] misbruik maakt van recht en derhalve onrechtmatig jegens de Gemeente c.s. handelt door zijn toestemming te onthouden voor het gebruik van de poort, als hiervoor onder 4.19 omschreven, om van en naar hun percelen te komen c.q. de mogelijkheid onthoudt aan de Gemeente c.s. en hun huurders om gebruik te kunnen maken van hun eigendom,



5.7.
verklaart voor recht dat sprake is van een buurweg op het perceel [perceel E] , zijnde het pereel met de poort en gang, die ten behoeve van de achter de poort met gang gelegen percelen heeft te dienen als weg om te komen en te gaan de openbare weg naar die achterliggende percelen (met hun parkeergelegenheden), één en ander als hiervoor onder 4.19 omschreven,



5.8.
veroordeelt [gedaagde] om aan de Gemeente c.s. een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.5 tot en met 5.7 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 150.000,- is bereikt,



5.9.
veroordeelt [gedaagde] om aan de Gemeente c.s. te betalen een bedrag van € 904,- wegens buitengerechtelijke kosten,



5.10.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente c.s. tot op heden begroot op € 1.571,34,



5.11.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,



5.12.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.13.
wijst het meer of anders gevorderde af,




Dit vonnis is gewezen door mr. I. Brand en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2014.




type: 1959