Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:9300

2026-08-07 Strafrecht 13/296047-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-07
Publicatiedatum
2026-09-16
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/296047-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

opzettelijke brandstichting. Verdachte volledig ontoerekeningsvatbaasr. Ontslag van alle rechtsvervolging.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.534 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM



Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummer: 13/296047-25



Datum uitspraak: 7 augustus 2026




Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieplaats] .






1Het onderzoek ter terechtzitting


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juli 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. Chr. Nij Bijvank, en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. B.J. de Groot, naar voren hebben gebracht.






2Tenlastelegging


Aan verdachte is ten laste gelegd dat




zij op of omstreeks 3 november 2025 te Amsterdam opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht,


door in de woning gelegen aan [adres] de gaskranen open te zetten en/of open te laten staan en/of de gasslang los/open te draaien, in elk geval vuur (vanuit een aansteker) in aanraking te brengen met een hoeveelheid brandbaar gas, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan de keuken van voornoemde woning en/of zich daarin bevindende goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan



- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de voornoemde (huur)woning en/of de nabijgelegen woningen te duchten was

en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in de nabijgelegen woningen bevindende personen te duchten was;



Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.






3Voorvragen


De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.






4Waardering van het bewijs


4.1.


Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De ten laste gelegde brandstichting met gemeengevaar voor goederen, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, kan worden bewezen op grond van de inhoud van het dossier en de bekennende verklaring van verdachte.




4.2.


Het standpunt van de verdediging

Het feit kan worden bewezen, met dien verstande dat in de bewezenverklaring ‘gaskranen’ moet worden aangepast naar ‘één gaskraan’. Verdachte heeft namelijk maar één gaskraan opengezet.




4.3.


Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van het opendraaien van één gaskraan en niet van (meerdere) gaskranen, zoals ook door de raadsvrouw naar voren is gebracht.







5Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte




op 3 november 2025 te Amsterdam opzettelijk brand heeft gesticht


door in de woning gelegen aan [adres] een gaskraan open te draaien en open te laten staan, in elk geval vuur vanuit een aansteker in aanraking te brengen met brandbaar gas, ten gevolge waarvan de keuken van voornoemde woning en zich daarin bevindende goederen (gedeeltelijk) zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan



- gemeen gevaar voor goederen, te weten de voornoemde (huur)woning en de nabijgelegen woningen te duchten was

en

- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in de nabijgelegen woningen bevindende personen te duchten was;







6De strafbaarheid van het feit


Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.






7De strafbaarheid van verdachte


7.1.

. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd voor het feit en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De officier van justitie heeft in de zaak met rekestnummer 26/4973, welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, verzocht om een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz) te verlenen voor de duur van zes maanden.




7.2.

. Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid en dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.




7.3.


Het oordeel van de rechtbank


Ontslag van alle rechtsvervolging

De rechtbank acht verdachte niet strafbaar en overweegt daartoe het volgende.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de NIFP-rapportage van 8 mei 2026, opgesteld door [naam] , psychiater. Hieruit blijkt – kort samengevat – het volgende.
Op basis van de beschikbare informatie is bij verdachte in ieder geval sprake van een psychische stoornis. Meest waarschijnlijk een psychotische stoornis, geclassificeerd als een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Vanwege het gebrek aan collaterale informatie kan de deskundige dit niet nader specificeren. Verdachte zelf ontkent een psychotisch toestandsbeeld en stelt dat sprake is van hervonden traumatische herinneringen. Over het bestaan van hervonden herinneringen bestaat grote controverse en wetenschappelijke ondersteuning voor het bestaan van verdringing ontbreekt. Daarmee wil de deskundige niet uitsluiten dat verdachte traumatische ervaringen heeft meegemaakt. Mensen met trauma in de voorgeschiedenis hebben juist een verhoogd risico op het ontwikkelen van een psychose en de inhoud van een psychose kán een relatie hebben met het doorgemaakte trauma.
De psychische stoornis was aanwezig tijdens het tenlastegelegde. Zoals het ernaar uitziet werd verdachte volledig in beslag genomen door haar overtuigingen. Deze worden als meest waarschijnlijk geduid als wanen bij psychose, waarbij een daadwerkelijk misbruiktrauma door de deskundige niet wordt uitgesloten. Verdachte bevond zich tijdens het feit in een hevige gemoedstoestand. Het heeft er alle schijn van dat haar overtuigingen dusdanig sterk waren en haar angst allesoverheersend, dat zij op dat moment niet beschikte over gedragsalternatieven. In dat geval is het advies om het tenlastegelegde, indien bewezen, niet toe te rekenen aan verdachte.



Gelet op de inhoud van de NIFP-rapportage is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit sprake was van een psychische stoornis als bedoeld in artikel 39 Sr. De rechtbank is van oordeel dat verdachte als gevolg van de aanwezige stoornis ten tijde van het bewezenverklaarde niet in staat was om de wederrechtelijkheid van haar gedragingen te begrijpen en overeenkomstig dat begrip te handelen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verdachte het feit niet kan worden toegerekend, zodat zij wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.




Zorgmachtiging

De rechtbank heeft aan verdachte in de zaak met rekestnummer 26/4973, welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, Wfz verleend voor de duur van zes maanden.







8Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.



Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.



Het bewezen verklaarde levert op:




opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.




Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte [verdachte], voor het bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.



Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.



Op grond van artikel 9, tweede lid, sub h, van de Penitentiaire beginselenwet kan veroordeelde in afwachting van plaatsing in de kliniek ter overbrugging gedetineerd blijven in [detentieplaats] . De rechtbank vindt het belangrijk dat veroordeelde vanuit detentie met vervoer naar de kliniek wordt gebracht.



Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Timmersmans, voorzitter,
mrs. H.E. Hoogendijk en M.E. Kleinherenbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. J.A. Baaijens en M.C. Lieberwirth, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 augustus 2026.








[detentieplaats]






ECLI:NL:HR:2023:1295.