Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:8356
2026-08-19
Bestuursrecht
AMS 24/1562
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzet. Beroep n-o verklaard. Beroep tegen de verlening van een tijdelijke verkeersmaatregel voor het afzetten van parkeervakken. Beroepschrift niet tijdig ingediend. Termijnoverschrijding is verschoonbaar. Geen sprake van schade (artikel 8:88 Awb) die samenhangt met een onrechtmatig besluit. Wel sprake van overschrijding redelijke termijn. Verzet gegrond. Beroep ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CBB:2024:31 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-01-2024
- ECLI:NL:CRVB:2025:130 Centrale Raad van Beroep 22-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.633 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1562 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2026 op het verzet van
[opposante]
, uit [woonplaats], opposante
(gemachtigde: mr. G.J. Mulder),
en uitspraak in de beroepszaak tussen
opposante, tevens eiseres
(gemachtigde: mr. G.J. Mulder)
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigden: mr. S. Verbeek en mr. R. Sistermans).
en
de Staat der Nederlanden, de Staat.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 16 april 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard. De uitspraak gaat in dit geval ook over het beroep van eiseres tegen de verlening van een tijdelijke verkeersmaatregel voor het afzetten van parkeervakken.
2. Met het besluit van 22 mei 2023 heeft verweerder een vergunning verleend voor een tijdelijke verkeersmaatregel aan de [adres]. Met het bestreden besluit van 23 januari 2024 op het bezwaar van opposante heeft verweerder het bezwaar van opposante ongegrond verklaard. Opposante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Met de uitspraak van 16 april 2026 van deze rechtbank is het beroep van opposante niet-ontvankelijk verklaard. Opposante heeft tegen die uitspraak verzet ingediend.
3. De rechtbank heeft het verzet op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposante en de gemachtigden van verweerder. Opposante heeft via een digitale beeldverbinding deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de rechtbank van het verzet
4. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 16 april 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposante het beroepschrift niet tijdig heeft ingediend en er geen verontschuldiging is voor dit verzuim.
Is het beroep te laat ingediend?
7. Opposante stelt in verzet dat het beroep op tijd is ingediend omdat de beroepstermijn pas later is gaan lopen. Volgens opposante is het bestreden besluit niet correct bekendgemaakt, omdat dit alleen per e-mail is gebeurd, terwijl zij expliciet heeft gevraagd om informatie per post te ontvangen. Tijdens de bezwaarprocedure verliep het contact vooral telefonisch, waardoor opposante niet verwachtte de beslissing per e-mail te krijgen. Zij ontdekte de beslissing pas op het laatste moment en diende daarna direct per post beroep in.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Verder is in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot opposante zijn gericht door toezending of uitreiking aan haar. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend als het vóór het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. Als op de enveloppe geen (leesbaar) poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift tijdig op de post is gedaan als het de eerste of tweede werkdag na de beroepstermijn is ontvangen.
9. Verweerder heeft het bestreden besluit bekend gemaakt op 23 januari 2024 door verzending per e-mail. Voor de vraag of de beslissing op bezwaar op de juiste wijze is verzonden, is van belang of de belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat zij digitaal bereikbaar is, zoals vereist op grond van artikel 2:8 van de Awb. De rechtbank constateert dat in het bezwaarschrift zowel een e-mailadres als een postadres zijn vermeld. Hoewel in het formulier de vraag is gesteld ‘Wilt u post over uw bezwaar op bovenstaand adres ontvangen?’ en daarop is geantwoord ‘Ja, op bovenstaand adres’, leest de rechtbank hierin geen expliciete en ondubbelzinnige wens tot enkel communicatie per post. Deze conclusie wordt versterkt doordat de verdere communicatie tussen partijen per e-mail heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft opposante bevestigd dat zij in de bezwaarprocedure zelf via e-mail contact heeft opgenomen met verweerder en dat de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift ook per e-mail is gestuurd. De rechtbank constateert op basis daarvan dat er dus eerder digitaal contact heeft plaatsgevonden tussen verweerder en opposante. Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat opposante via de digitale weg bereikbaar was en dat het bestreden besluit dus op de juiste wijze per e-mail is verzonden.
10. Nu het bestreden besluit op 23 januari 2024 op de juiste wijze bekend is gemaakt, eindigde de beroepstermijn van zes weken op 5 maart 2024. Opposante heeft het beroepschrift per post verstuurd. Er staat geen (leesbaar) poststempel op de enveloppe. Het beroep is bij de rechtbank ontvangen op 8 maart 2024. Dat is later dan de tweede werkdag na afloop van de beroepstermijn. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het beroep niet binnen de termijn ter post is bezorgd. Dat betekent dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
11. Opposante stelt zich op het standpunt dat, indien de rechtbank van oordeel is dat het beroep te laat is ingediend, er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Opposante wijst daarbij op de recente jurisprudentie van het CBb waardoor de lat voor een verschoonbare termijnoverschrijding lager is komen te liggen. Daarnaast spelen persoonlijke omstandigheden mee: een relatiebreuk en gezondheidsklachten van opposante (migraineklachten) en haar partner (depressieve klachten). Hierdoor was opposante zeer ontdaan en als gevolg daarvan in deze periode slecht in staat om haar eigen praktische belangen te dienen.
12. Anders dan in de buitenzittingsuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daarbij speelt mee dat opposante ten tijde van het indienen van het bezwaar geen professionele gemachtigde had, dat de overschrijding beperkt is tot één dag, dat er geen derde partij bij betrokken is en dat haar persoonlijke omstandigheden – waaronder een relatiebreuk en ernstige migraine – zijn onderbouwd met medische stukken. De rechtbank komt op grond van alle omstandigheden dan ook tot het oordeel dat er sprake is van geringe verwijtbaarheid en dat de termijnoverschrijding van één dag verschoonbaar is.
13. Gelet op het voorgaande kan de buitenzittingsuitspraak niet in stand blijven. De rechtbank zal deze daarom laten vervallen. De rechtbank is voorts van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van het beroep. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.
Beoordeling door de rechtbank van het beroep
Artikel 8:88 van de Awb - schadevergoeding
14. Eiseres voert aan dat zij schade heeft geleden door het handelen van verweerder. Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor een tijdelijke verkeersmaatregel voor het afzetten van drie parkeervakken voor het verhuizen met een verhuislift. Deze aanvraag is toegekend en de bordjes voor het vrijhouden van de parkeervakken zijn geplaatst. Op de dag van de verhuizing stonden echter twee auto’s van derden geparkeerd in de betreffende vakken. Dit heeft tot extra kosten geleid en de verhuizing duurde twee uur langer. Volgens eiseres komen op grond van artikel 8:88 van de Awb twee schadeposten voor vergoeding in aanmerking, namelijk € 405,70 van de leges omdat eiseres geen gebruik heeft kunnen maken van de ontheffing en € 344,99 voor extra verhuiskosten. Samen vormt dit een totale schade van € 750,69.
15. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die een belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
16. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat causaal verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij aan het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.
17. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van schade die samenhangt met een onrechtmatig besluit. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor een schadevergoeding in de zin van artikel 8:88 van de Awb. Het niet kunnen benutten van een tijdelijke verkeersmaatregel, hoe vervelend ook, maakt niet dat de verkeersmaatregel onrechtmatig is. Verweerder is niet aansprakelijk voor het feit dat anderen hun voertuigen in overtreding op deze parkeervakken plaatsen. Hoewel verweerder streeft naar tijdige uitvoering van het wegsleepbeleid, kan er geen garantie worden gegeven dat de parkeervakken daadwerkelijk vrij blijven. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.
Artikel 6 EVRM – redelijke termijn
18. Eiseres doet een beroep op een immateriële schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM.
Toetsingskader
19. De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden, als de duur van de totale procedure onredelijk lang is.
20. Als een zaak wordt beslecht door middel van een uitspraak van een rechtbank, is de redelijke termijn in beginsel twee jaar. Deze termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt wanneer de rechtbank uitspraak doet. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren en de behandeling van het beroep hoogstens anderhalf jaar.
21. Voor elk half jaar (of gedeelte daarvan) dat de redelijke termijn wordt overschreden, wordt een schadevergoeding van € 500,- toegekend.
Beoordeling
22. De redelijke termijn is gestart vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres op 6 juni 2023. Met deze uitspraak van de rechtbank van 19 augustus 2026 is de procedure geëindigd, zodat de procedure in totaal 27 maanden (afgerond naar boven) heeft geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn met vijftien maanden is overschreden. Eiseres heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500,-.
23. De volgende vraag die moet worden beantwoord is aan wie deze overschrijding moet worden toegerekend. Verweerder heeft acht maanden na het indienen van bezwaar een besluit genomen. Dat betekent dat de redelijke behandelingsduur van bezwaar met twee maanden is overschreden. De rechtbank heeft twee jaar en zes maanden na het instellen van beroep een uitspraak gedaan op het beroep van eiseres. Dat betekent dat de redelijke termijn van het beroep met twaalf maanden is overschreden. Het voorgaande betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn voor 2/14 deel moet worden toegekend aan verweerder en voor 12/14 deel aan de rechtbank.
24. Omdat de overschrijding aan verweerder en de rechtbank is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van verweerder en de Staat der Nederlanden. Dit leidt ertoe dat verweerder een bedrag ter hoogte van € 214,29 moet betalen en de Staat der Nederlanden een bedrag ter hoogte van € 1.285,71.
Conclusie en gevolgen
25. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de rechtbank de buitenzittingsuitspraak laat vervallen en alsnog een inhoudelijk oordeel geeft op het beroep van opposante.
26. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door opposante gemaakte proceskosten, nu het verzet gegrond is. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
27. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiseres krijgt wel een vergoeding van haar proceskosten voor de behandeling van haar verzoek om schadevergoeding. De rechtbank zal verweerder en de Staat der Nederlanden ieder voor de helft veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eiseres heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten bestaan uit het indienen van het verzoek (1 punt = € 934,-). De rechtbank zal hierbij de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan opposante;
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder om aan eiseres een schadevergoeding van € 214,29 te betalen;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden om aan eiseres een schadevergoeding van € 1.285,71 te betalen;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij eiseres in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50,- geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van bij eiseres in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50,- geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en
Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
Ten tijde van het bestreden besluit gold artikel 2:14, eerste lid, van de Awb.
College van Beroep voor het bedrijfsleven, zie de uitspraak van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:130, r.o. 4.3.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1562 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2026 op het verzet van
[opposante]
, uit [woonplaats], opposante
(gemachtigde: mr. G.J. Mulder),
en uitspraak in de beroepszaak tussen
opposante, tevens eiseres
(gemachtigde: mr. G.J. Mulder)
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigden: mr. S. Verbeek en mr. R. Sistermans).
en
de Staat der Nederlanden, de Staat.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 16 april 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard. De uitspraak gaat in dit geval ook over het beroep van eiseres tegen de verlening van een tijdelijke verkeersmaatregel voor het afzetten van parkeervakken.
2. Met het besluit van 22 mei 2023 heeft verweerder een vergunning verleend voor een tijdelijke verkeersmaatregel aan de [adres]. Met het bestreden besluit van 23 januari 2024 op het bezwaar van opposante heeft verweerder het bezwaar van opposante ongegrond verklaard. Opposante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Met de uitspraak van 16 april 2026 van deze rechtbank is het beroep van opposante niet-ontvankelijk verklaard. Opposante heeft tegen die uitspraak verzet ingediend.
3. De rechtbank heeft het verzet op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van opposante en de gemachtigden van verweerder. Opposante heeft via een digitale beeldverbinding deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling door de rechtbank van het verzet
4. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 16 april 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposante het beroepschrift niet tijdig heeft ingediend en er geen verontschuldiging is voor dit verzuim.
Is het beroep te laat ingediend?
7. Opposante stelt in verzet dat het beroep op tijd is ingediend omdat de beroepstermijn pas later is gaan lopen. Volgens opposante is het bestreden besluit niet correct bekendgemaakt, omdat dit alleen per e-mail is gebeurd, terwijl zij expliciet heeft gevraagd om informatie per post te ontvangen. Tijdens de bezwaarprocedure verliep het contact vooral telefonisch, waardoor opposante niet verwachtte de beslissing per e-mail te krijgen. Zij ontdekte de beslissing pas op het laatste moment en diende daarna direct per post beroep in.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Verder is in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot opposante zijn gericht door toezending of uitreiking aan haar. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend als het vóór het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. Als op de enveloppe geen (leesbaar) poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift tijdig op de post is gedaan als het de eerste of tweede werkdag na de beroepstermijn is ontvangen.
9. Verweerder heeft het bestreden besluit bekend gemaakt op 23 januari 2024 door verzending per e-mail. Voor de vraag of de beslissing op bezwaar op de juiste wijze is verzonden, is van belang of de belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat zij digitaal bereikbaar is, zoals vereist op grond van artikel 2:8 van de Awb. De rechtbank constateert dat in het bezwaarschrift zowel een e-mailadres als een postadres zijn vermeld. Hoewel in het formulier de vraag is gesteld ‘Wilt u post over uw bezwaar op bovenstaand adres ontvangen?’ en daarop is geantwoord ‘Ja, op bovenstaand adres’, leest de rechtbank hierin geen expliciete en ondubbelzinnige wens tot enkel communicatie per post. Deze conclusie wordt versterkt doordat de verdere communicatie tussen partijen per e-mail heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft opposante bevestigd dat zij in de bezwaarprocedure zelf via e-mail contact heeft opgenomen met verweerder en dat de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift ook per e-mail is gestuurd. De rechtbank constateert op basis daarvan dat er dus eerder digitaal contact heeft plaatsgevonden tussen verweerder en opposante. Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat opposante via de digitale weg bereikbaar was en dat het bestreden besluit dus op de juiste wijze per e-mail is verzonden.
10. Nu het bestreden besluit op 23 januari 2024 op de juiste wijze bekend is gemaakt, eindigde de beroepstermijn van zes weken op 5 maart 2024. Opposante heeft het beroepschrift per post verstuurd. Er staat geen (leesbaar) poststempel op de enveloppe. Het beroep is bij de rechtbank ontvangen op 8 maart 2024. Dat is later dan de tweede werkdag na afloop van de beroepstermijn. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het beroep niet binnen de termijn ter post is bezorgd. Dat betekent dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
11. Opposante stelt zich op het standpunt dat, indien de rechtbank van oordeel is dat het beroep te laat is ingediend, er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Opposante wijst daarbij op de recente jurisprudentie van het CBb waardoor de lat voor een verschoonbare termijnoverschrijding lager is komen te liggen. Daarnaast spelen persoonlijke omstandigheden mee: een relatiebreuk en gezondheidsklachten van opposante (migraineklachten) en haar partner (depressieve klachten). Hierdoor was opposante zeer ontdaan en als gevolg daarvan in deze periode slecht in staat om haar eigen praktische belangen te dienen.
12. Anders dan in de buitenzittingsuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daarbij speelt mee dat opposante ten tijde van het indienen van het bezwaar geen professionele gemachtigde had, dat de overschrijding beperkt is tot één dag, dat er geen derde partij bij betrokken is en dat haar persoonlijke omstandigheden – waaronder een relatiebreuk en ernstige migraine – zijn onderbouwd met medische stukken. De rechtbank komt op grond van alle omstandigheden dan ook tot het oordeel dat er sprake is van geringe verwijtbaarheid en dat de termijnoverschrijding van één dag verschoonbaar is.
13. Gelet op het voorgaande kan de buitenzittingsuitspraak niet in stand blijven. De rechtbank zal deze daarom laten vervallen. De rechtbank is voorts van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van het beroep. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.
Beoordeling door de rechtbank van het beroep
Artikel 8:88 van de Awb - schadevergoeding
14. Eiseres voert aan dat zij schade heeft geleden door het handelen van verweerder. Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor een tijdelijke verkeersmaatregel voor het afzetten van drie parkeervakken voor het verhuizen met een verhuislift. Deze aanvraag is toegekend en de bordjes voor het vrijhouden van de parkeervakken zijn geplaatst. Op de dag van de verhuizing stonden echter twee auto’s van derden geparkeerd in de betreffende vakken. Dit heeft tot extra kosten geleid en de verhuizing duurde twee uur langer. Volgens eiseres komen op grond van artikel 8:88 van de Awb twee schadeposten voor vergoeding in aanmerking, namelijk € 405,70 van de leges omdat eiseres geen gebruik heeft kunnen maken van de ontheffing en € 344,99 voor extra verhuiskosten. Samen vormt dit een totale schade van € 750,69.
15. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die een belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
16. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat causaal verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij aan het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.
17. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van schade die samenhangt met een onrechtmatig besluit. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor een schadevergoeding in de zin van artikel 8:88 van de Awb. Het niet kunnen benutten van een tijdelijke verkeersmaatregel, hoe vervelend ook, maakt niet dat de verkeersmaatregel onrechtmatig is. Verweerder is niet aansprakelijk voor het feit dat anderen hun voertuigen in overtreding op deze parkeervakken plaatsen. Hoewel verweerder streeft naar tijdige uitvoering van het wegsleepbeleid, kan er geen garantie worden gegeven dat de parkeervakken daadwerkelijk vrij blijven. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.
Artikel 6 EVRM – redelijke termijn
18. Eiseres doet een beroep op een immateriële schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM.
Toetsingskader
19. De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden, als de duur van de totale procedure onredelijk lang is.
20. Als een zaak wordt beslecht door middel van een uitspraak van een rechtbank, is de redelijke termijn in beginsel twee jaar. Deze termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt wanneer de rechtbank uitspraak doet. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren en de behandeling van het beroep hoogstens anderhalf jaar.
21. Voor elk half jaar (of gedeelte daarvan) dat de redelijke termijn wordt overschreden, wordt een schadevergoeding van € 500,- toegekend.
Beoordeling
22. De redelijke termijn is gestart vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres op 6 juni 2023. Met deze uitspraak van de rechtbank van 19 augustus 2026 is de procedure geëindigd, zodat de procedure in totaal 27 maanden (afgerond naar boven) heeft geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn met vijftien maanden is overschreden. Eiseres heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500,-.
23. De volgende vraag die moet worden beantwoord is aan wie deze overschrijding moet worden toegerekend. Verweerder heeft acht maanden na het indienen van bezwaar een besluit genomen. Dat betekent dat de redelijke behandelingsduur van bezwaar met twee maanden is overschreden. De rechtbank heeft twee jaar en zes maanden na het instellen van beroep een uitspraak gedaan op het beroep van eiseres. Dat betekent dat de redelijke termijn van het beroep met twaalf maanden is overschreden. Het voorgaande betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn voor 2/14 deel moet worden toegekend aan verweerder en voor 12/14 deel aan de rechtbank.
24. Omdat de overschrijding aan verweerder en de rechtbank is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van verweerder en de Staat der Nederlanden. Dit leidt ertoe dat verweerder een bedrag ter hoogte van € 214,29 moet betalen en de Staat der Nederlanden een bedrag ter hoogte van € 1.285,71.
Conclusie en gevolgen
25. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de rechtbank de buitenzittingsuitspraak laat vervallen en alsnog een inhoudelijk oordeel geeft op het beroep van opposante.
26. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door opposante gemaakte proceskosten, nu het verzet gegrond is. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).
27. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiseres krijgt wel een vergoeding van haar proceskosten voor de behandeling van haar verzoek om schadevergoeding. De rechtbank zal verweerder en de Staat der Nederlanden ieder voor de helft veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eiseres heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten bestaan uit het indienen van het verzoek (1 punt = € 934,-). De rechtbank zal hierbij de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan opposante;
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder om aan eiseres een schadevergoeding van € 214,29 te betalen;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden om aan eiseres een schadevergoeding van € 1.285,71 te betalen;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij eiseres in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50,- geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van bij eiseres in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50,- geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en
Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
Ten tijde van het bestreden besluit gold artikel 2:14, eerste lid, van de Awb.
College van Beroep voor het bedrijfsleven, zie de uitspraak van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:130, r.o. 4.3.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.