Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:8001

2026-07-16 Strafrecht 1371014512
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
1371014512
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van € 224.130,74. Overschrijding redelijke termijn.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.266 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM


Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummer: 13/710145-12 (ontneming)



Datum uitspraak: 16 juli 2026



Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de ontnemingszaak tegen:





[de veroordeelde] ,
(hierna: [de veroordeelde] )

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1955,
wonende op het adres [adres] .





1Procesverloop en onderzoek ter terechtzitting


De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 4 juni 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel, van de op de vordering betrekking hebbende stukken en van wat de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en de raadsman, mr. L.R. Klaver, naar voren hebben gebracht.



Voorafgaand aan de zitting heeft een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden. De rechtbank heeft de volgende conclusies ontvangen:




een conclusie van antwoord, gedateerd 20 januari 2026;


een conclusie van repliek, gedateerd 16 februari 2026;


een conclusie van dupliek, gedateerd 19 maart 2026.






2De vordering


De vordering van de officier van justitie van 1 oktober 2018 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [de veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 224.130,74.




Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft feiten waarvoor [de veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.






3Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.1.

Standpunt van de verdediging



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de berechting niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden en daardoor de waarheidsvinding in het geding is gekomen. Inmiddels zijn twee getuigen overleden en heeft [de veroordeelde] geen onderliggende stukken meer, waardoor hij zich niet goed meer kan verdedigen. Hierdoor wordt het recht op een eerlijk proces geschonden.




3.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat tijdsverloop niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leidt. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat er in deze zaak geen bijzondere redenen zijn om daar wel toe over te gaan. Zij stelt dat het verloop van tijd grotendeels aan de zijde van de verdediging ligt. De waarheidsvinding is daarnaast niet in het geding gekomen.




3.3.

Oordeel van de rechtbank



In het arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering, ook niet in uitzonderlijke gevallen. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. De verdediging stelt dat de getuigen die inmiddels zijn overleden konden getuigen over de werkzaamheden die veroordeelde al dan niet heeft verricht. Het gerechtshof Amsterdam heeft echter ten aanzien van deze werkzaamheden – zakelijk weergegeven – geoordeeld dat niet uit te sluiten valt dat verdachte enige werkzaamheden heeft verricht voor de Stichting, maar dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte recht had op een financiële vergoeding daarvan. De rechtbank beschouwt deze getuigen daarom niet als getuigen die in deze ontnemingsprocedure dienen te worden gehoord. Daarnaast stelt de verdediging dat [de veroordeelde] geen stukken en accurate herinneringen meer heeft die zijn standpunten kunnen onderbouwen. Dat komt voor zijn eigen rekening en risico nu hij reeds vanaf 2016 op de hoogte was van de ontnemingszaak en van hem mag worden verwacht dat hij de voor hem relevante stukken en informatie bewaart en/of vastlegt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de waarheidsvinding niet in het geding is gekomen.






4Grondslag van de vordering



[de veroordeelde] is bij arrest van het Gerechtshof in Amsterdam van 20 augustus 2020 terzake van de navolgende strafbare feiten veroordeeld.




Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en oplichting, meermalen gepleegd.





5Het wederrechtelijk verkregen voordeel


5.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie heeft aangevoerd dat zowel de rechtbank als het gerechtshof hebben geoordeeld dat er geen werkzaamheden ten grondslag lagen aan de valse facturen. Ten aanzien van de hoogte van de ontnemingsvordering stelt het Openbaar Ministerie dat het gehele bedrag van € 224.130,74 ten gunste van [de veroordeelde] is gekomen.




5.2.

Het standpunt van de verdediging



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontnemingsbedrag moet worden verminderd, omdat veroordeelde in een periode van enkele jaren wel degelijk werkzaamheden heeft verricht en dus niet ten onrechte heeft gedeclareerd. Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet het gehele bedrag van € 224.130,74 voordeel is voor [de veroordeelde] . Niet alle betalingen zijn naar [de veroordeelde] in privé gegaan en voor zover betalingen zijn gegaan naar de besloten vennootschap van [de veroordeelde] kan hij niet worden vereenzelvigd met deze rechtspersoon.




5.3.

Het oordeel van de rechtbank



5.3.1.

Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel



De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 224.130,74. Dit bedrag volgt uit de volgende berekening uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel:



Opbrengst: € 224.130,74
Kosten: € -
Wederrechtelijk verkregen voordeel: € 224.130,74




5.3.2.

Aanvullende overwegingen



Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.



De rechtbank is van oordeel dat [de veroordeelde] geen werkzaamheden heeft verricht die tot mindering zouden moeten leiden van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Zoals onder 3.3 is opgenomen heeft het gerechtshof Amsterdam immers geoordeeld dat [de veroordeelde] geen werkzaamheden heeft verricht die recht gaven op een financiële vergoeding. Dit arrest dient als uitgangspunt in deze ontnemingsprocedure.



Met betrekking tot de vereenzelviging met de rechtspersoon [BV] BV merkt de rechtbank het volgende op. Uitgangspunt is de zelfstandigheid van afzonderlijke juridische entiteiten en dus niet vereenzelviging van de rechtspersoon met natuurlijke personen. Slechts als er sprake sprake is van bijzondere omstandigheden kan worden geconcludeerd tot vereenzelviging van de rechtspersoon met de natuurlijke persoon. Van vereenzelviging kan sprake zijn als de natuurlijk persoon niet alleen (vrijwel) volledige zeggenschap heeft over de rechtspersoon, maar hij ook over (vrijwel) het gehele vermogen van die rechtspersoon kon beschikken en het verkregen voordeel (vrijwel) volledig heeft kunnen strekken tot voordeel van de natuurlijke persoon.




[de veroordeelde] is 100% aandeelhouder en directeur van het bedrijf [BV] BV. Het vestigingsadres van dit bedrijf is het woonadres van [de veroordeelde] . Uit de analyse van de bankrekening van [BV] BV is gebleken dat [de veroordeelde] beschikking had over de bankrekening en dat deze ten gunste van hem werd gebruikt. Uit de analyse volgt dat er vele overboekingen zijn gedaan die betrekking hebben op betalingen ten aanzien van primaire levensbehoeften van [de veroordeelde] . Ook zijn er bedragen naar de eenmanszaak van [de veroordeelde] en naar [de veroordeelde] privé geboekt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [de veroordeelde] volledig zeggenschap had over [BV] BV, dat hij over het vermogen van [BV] BV kon beschikken en dat het verkregen voordeel heeft gestrekt tot voordeel van de veroordeelde zelf. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [de veroordeelde] kan worden vereenzelvigd met [BV] BVen dat de gelden die frauduleus zijn overgemaakt naar dat bedrijf ten gunste zijn gekomen van [de veroordeelde] .



Ten aanzien van de gelden die naar [naam] en haar eenmanszaak zijn overgemaakt, stelt de rechtbank vast dat de valse facturen door [de veroordeelde] zijn gemaakt. [naam] heeft verklaard dat zij geen beschikking heeft gehad over de gelden en dat [de veroordeelde] de beschikking had over haar bankpassen. Ook deze gelden zijn dus ten gunste gekomen van [de veroordeelde] . Ook dit leidt naar het oordeel van de rechtbank dus niet tot vermindering van het te ontnemen bedrag.




5.3.3.

Conclusie



Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de veroordeelde] door middel van voornoemde strafbare feiten voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 224.130,74.







6De verplichting tot betaling



Overschrijding redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat niet binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist (artikel 6 EVRM). Op de zitting van 21 september 2016 heeft de officier van justitie aan [de veroordeelde] het voornemen kenbaar gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken. Op 25 oktober 2018 zijn door de rechtbank termijnen gesteld voor het indienen van conclusies. De verdediging heeft uitdrukkelijk geen conclusies willen indienen, voordat de zaak inhoudelijk zou zijn uitbehandeld. De strafzaak is vervolgens op 19 oktober 2021 onherroepelijk geworden. De rechtbank is van oordeel dat het tijdsverloop tot deze datum voor rekening van de verdediging komt en neemt bij de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn de datum van 19 oktober 2021 als uitgangspunt. In de rechtspraak geldt als uitgangspunt dat een ontnemingsprocedure in eerste aanleg binnen twee jaar moet worden afgerond. De rechtbank wijst op 16 juli 2026 vonnis, zodat de redelijke termijn is overschreden met 2 jaar en 9 maanden. De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen.
Een overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het vastgestelde ontnemingsbedrag dat afhankelijk is van de overschrijding. De rechtbank zal in verband met deze overschrijding de betalingsverplichting naar beneden bijstellen met 15% (wat overeenkomt met een bedrag van € 33.619,61).



De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op (€ 224.130,74 minus € 33.619,61 =)
€ 190.511,13.




Draagkracht [de veroordeelde]

De verdediging heeft verder verzocht om bij het vaststellen van de betalingsverplichting rekening te houden met de beperkte draagkracht van [de veroordeelde] . De rechtbank wijst dit verzoek af.



Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de draagkracht van de betrokkene in beginsel aan de orde komt in de executiefase. De reden daarvoor is dat de rechter in de ontnemingsprocedure doorgaans niet met zekerheid zal kunnen vaststellen hoe de draagkracht van de betrokkene zich in de – soms aanzienlijk later plaatsvindende – executiefase zal ontwikkelen, en dat de mogelijkheid om aan de opgelegde betalingsverplichting te voldoen zich dus beter laat beoordelen in de executiefase. In de ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting als aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Het gaat dan om het geval waarin de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat de betrokkene op het moment van de ontnemingsprocedure geen draagkracht heeft en dat het zeer waarschijnlijk is dat daarin in de toekomst geen verandering zal komen.



In deze zaak is niet gebleken dat de door de Hoge Raad genoemde uitzonderingssituatie aan de orde is, zodat de rechtbank bij het vaststellen van de betalingsverplichting geen rekening zal houden met de draagkracht van [de veroordeelde] .





7Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.





8Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 224.130,74 (tweehonderdvierentwintigduizend honderddertig euro en vierenzeventig eurocent).



Legt op aan [de veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 190.511,13
(honderdnegentigduizend vijfhonderdelf euro en dertien eurocent) aan de Staat.



Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 1080 dagen.



Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Wiewel, voorzitter,
mrs. M. Smit en A.E. Wilbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2026.



Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 juni 2018, in het bijzonder paragraaf 5.4.


HR 14 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:840 en HR 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1818.


Gerechtshof Den Haag d.d. 21 april 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1097.


Proces-verbaal relaas van 14 april 2014, p. 24, 27 en 46.


Hoge Raad d.d. 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:376.