Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7492

2026-07-22 Strafrecht 13/125342-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-07-22
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/125342-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Openbaar ministerie ontvankelijk, bewijsvergaring door lokprofiel van een burger verenigbaar met een behoorlijke en integere strafrechtspleging. Een 62-jarige man is veroordeeld tot 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 140 uur taakstraf. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan sexchatten met en grooming van iemand die zich via Snapchat voordeed als een 15-jarig meisje. Hij heeft al snel na het eerste contactmoment seksueel getinte berichten gestuurd en aangestuurd op een ontmoeting om seks te hebben. Uiteindelijk is hij ook daadwerkelijk naar de afgesproken ontmoetingsplaats toe gereisd. De rechtbank neemt het hem kwalijk dat hij enkel oog heeft gehad voor het bevredigen van zijn eigen lusten en op geen enkele manier heeft stilgestaan bij de schade die hij daarmee zou toebrengen aan een minderjarige. Dat de persoon waarmee hij chatte en had afgesproken geen minderjarige was, maakt voor het kwalijke van zijn gedrag geen verschil. Hij dacht immers dat hij contact had en een ontmoeting had met een meisje van 15 jaar. Door het groomen heeft hij tot uitdrukking gebracht dat hij de wens had om seksuele handelingen te verrichten met een minderjarige onder de zestien jaar. Dit is naar het oordeel van de rechtbank zeer ernstig en zorgelijk.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.388 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM


Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummer: 13/125342-25



Datum uitspraak: 22 juli 2026




Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,
hierna: verdachte.






1Het onderzoek ter terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 juli 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A. Çatbaş, naar voren hebben gebracht.






2Tenlastelegging


Aan verdachte is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich in periode van 19 oktober 2024 tot en met 24 oktober 2024 in Amsterdam/Nederland heeft schuldig gemaakt aan




feit 1

het online seksueel benaderen van een (persoon die zich voordeed als) kind beneden de leeftijd van 16 jaar (sexchatting);




feit 2

het aan een (persoon die zich voordeed als) kind beneden de leeftijd van 16 jaar voorstellen en handelingen ondernemen tot het verwezenlijken van een ontmoeting voor seksuele doeleinden (grooming).



De tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.



Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.






3Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie


3.1

Standpunt van de verdediging



De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie voor beide tenlastegelegde feiten niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat sprake is van ongeoorloofde inzet van een door burgers beheerd lokprofiel. De inzet van een burgerlokprofiel is in strijd met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever en de ministeriële stellingname, alsmede met de grondslagen van een integere en behoorlijke strafrechtspleging. Daarmee heeft het openbaar ministerie in dit geval geen recht van vervolging. Vooral omdat ook niet is onderzocht in hoeverre is gelokt en in hoeverre sprake is van afpersing door de burgers die verdachte hebben gelokt.




3.2

Standpunt van de officier van justitie



De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gehele gang van zaken niet raakt aan de ontvankelijkheid. Het gaat in deze zaak om een eigen initiatief van een burger, waarbij er geen aanwijzingen zijn dat politie en justitie enige rol hierin hebben gehad.




3.3

Oordeel van de rechtbank



Gedurende de totstandkoming van de Wet Seksuele Misdrijven (hierna: WSM) heeft de Minister van Justitie en Veiligheid op gestelde Kamervragen over pedojagen aangegeven dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling is om de inzet van lokpubers voor het verlenen van assistentie aan de opsporing door niet-overheidsinstanties of burgers mogelijk te maken. Dit is onwenselijk, omdat het niet strookt met het uitgangspunt van een integere en behoorlijke strafrechtspleging, nu het gevaar voor uitlokking – al dan niet in een strafbare variant (zie artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht) – en eigenrichting, waaronder public shaming groot is.



Wel heeft de Minister het volgende opgemerkt: “Als burgers onrechtmatig bewijsmateriaal hebben vergaard betekent dit niet dat het niet kan worden gebruikt als bewijsmiddel in een opsporingsonderzoek. In de jurisprudentie is bepaald dat als het openbaar ministerie en de politie geen bemoeienis hebben gehad met de onrechtmatige bewijsvergaring het in beginsel mag worden gebruikt.”



In dit verband stelt de rechtbank vast dat niet is gebleken dat politie en justitie enige bemoeienis hebben gehad bij de bewijsvergadering tegen verdachte door getuige [getuige] (hierna: [getuige] ).



Over een dergelijke situatie heeft de Minister het volgende aangegeven:
“Het OM moet bij het nemen van de vervolgingsbeslissing een aantal afwegingen maken. Ten eerste of het aangeleverde materiaal al dan niet in combinatie met ander bewijsmateriaal betrouwbaar is en zal kunnen leiden tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring van het strafbare feit. Ten tweede of de bewijsvergaring en de informatie die bekend is over de toegepaste methoden verenigbaar zijn met een behoorlijke en integere strafrechtspleging. Dit hangt af van de aard en ernst van de gemaakte inbreuk, hetgeen OM en politie bekend is over de wijze van vergaring, de mogelijkheden tot falsificatie en/of verificatie van het materiaal, en de ernst van het strafbare feit waarvoor het bewijs is verzameld.”




[getuige] heeft een Snapchat account aangemaakt en zich voorgedaan als een meisje van 15 jaar. Tijdens het sexchatten heeft verdachte duidelijk gemaakt dat hij [getuige] , die zich voordeed als dat 15-jarig meisje, wilde ontmoeten voor seksuele doeleinden. Sexchatten en grooming zijn ernstige strafbare feiten. Verdachte en [getuige] hebben elkaar op de afgesproken plek ontmoet waarna [getuige] de politie heeft gebeld. [getuige] heeft de communicatie met verdachte gefilmd en aan de politie ter plaatse laten zien. De telefoons van [getuige] en verdachte zijn vervolgens in beslag genomen en onderzocht. Op de telefoon van [getuige] bleken meerdere filmpjes te staan met betrekking tot de zaak. Op de telefoon van verdachte is een Snapchatgesprek aangetroffen dat is herkend als de chat die is te zien in de aangetroffen filmpjes op de telefoon van [getuige] . De politie heeft een vergelijking gemaakt tussen de afbeeldingen die te zien zijn op de filmpjes en de afbeeldingen die zijn aangetroffen in de telefoon van verdachte. De door [getuige] toegepaste methode was daarmee bij de politie bekend en de politie heeft de informatie kunnen verifiëren door het aangetroffen materiaal met elkaar te vergelijken.



De rechtbank is van oordeel dat hieruit blijkt dat de bewijsvergaring verenigbaar is met een behoorlijke en integere strafrechtspleging. Dat niet is onderzocht dat verdachte na het sexchatten en de daaropvolgende ontmoeting met seksuele doeleinden mogelijk zou zijn afgeperst door burgers, waaronder [getuige] , doet aan dit oordeel niet af. Overigens is hiervan uit het dossier niet gebleken.



De rechtbank verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte en verwerpt het verweer.







4Waardering van het bewijs


4.1

Standpunt van het openbaar ministerie



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten bewezen kunnen worden.




4.2

Standpunt van de verdediging



De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van beide feiten moet worden vrijgesproken omdat niet is voldaan aan de bestanddelen van artikel 251 lid 1 onder a en c van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Voor feit 1 geldt dat geen sprake is van ‘indringende’ seksuele benadering en voor feit 2 geldt dat geen sprake is van een voorstel tot een ontmoeting voor ‘seksuele doeleinden’.




4.3

Oordeel van de rechtbank



De rechtbank is van oordeel dat het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde is bewezen.




Feit 1 (sexchatting)




De raadsman heeft bepleit dat de chats onvoldoende ‘indringend’ zijn in de zin van artikel 251 lid 1 onder a Sr. De communicatie was beperkt in omvang en duur en er was geen sprake van een systematische, opdringerige of manipulatieve benadering.



De rechtbank overweegt hierover het volgende. In de Memorie van Toelichting van de WSM staat dat het bestanddeel ‘indringend’ vereist dat voor strafbaarheid de seksuele benadering een bepaalde intensiteit moet hebben. Bij de beoordeling van de indringendheid van de seksuele benadering kunnen de duur en frequentie van het contact een factor van betekenis zijn, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. In de opsporingspraktijk komen regelmatig situaties voorbij waarin het seksueel inkapselen al binnen een half uur na het eerste contact plaatsvindt. De schade kan bij een (jong) kind dus ook al in één chatsessie worden veroorzaakt.



Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de chats:

- " let's talk about sex"
- " heb je al seks gehad?"
- " stuur mij naaktfoto's"
- " ik verlang naar je lichaam en wil je zonder condoom neuken"
- " heb je je kutje mooi gemaakt?"
- " mijn lul past in elk gaatje"
- " je klinkt als een leuke meid dus ik wil zeker met je neuken en hopelijk langdurig";
- het sturen van een foto van de penis van verdachte met daarbij de tekst "hier nog een foto waar je van kunt genieten",
een voldoende mate van intensiteit hebben om te kunnen spreken van ‘indringend’. Daar komt bij dat uit de gesprekken is gebleken dat verdachte het gesprek steeds (terug)leidde naar een seksueel onderwerp, ook wanneer van de kant van de “minderjarige”, werd aangegeven dat zij “op school” zat. Naar het oordeel van de rechtbank draagt dit bij aan de conclusie dat er sprake is van op indringende wijze benaderen van iemand die zich voordoet als een minderjarige.


De rechtbank verwerpt het verweer.





Feit 2 (grooming)




De raadsman heeft bepleit dat geen sprake was van een ontmoeting voor ‘seksuele doeleinden’ als bedoeld in artikel 251 lid 1 onder c Sr omdat het een voorstel van een ontmoeting op een neutrale openbare plaats betreft. De rechtbank volgt dat verweer niet. De chatgesprekken van seksuele aard - zoals hierboven uiteengezet - in combinatie met het kort na deze gesprekken aansturen op een ontmoeting en ook daadwerkelijk op deze plek komen opdagen, maken dat de rechtbank tot de conclusie komt dat ook de ontmoeting een seksueel doel had. Dat de ontmoeting op een neutrale plaats zou moeten plaatsvinden, doet niet af aan de context waarin dat voorstel is gedaan.



De rechtbank verwerpt het verweer.




Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting een voorwaardelijk verzoek gedaan om getuige [getuige] en zijn twee vrienden te horen indien de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van feit 2. De raadsman heeft aangevoerd dat de getuigen belastend hebben verklaard en volledig hebben deelgenomen aan het chatgesprek. De verdediging wenst de getuigen te bevragen over het feit dat verdachte heeft verklaard dat hij niet wilde komen. Daarnaast wil de verdediging hen bevragen over het al dan niet (uit-) lokken van verdachte.



In de rechtspraak van feitenrechters – na de zogenaamde Keskin-jurisprudentie – zijn veel voorbeelden te vinden van raadslieden die in een zeer laat stadium verzoeken doen om alsnog getuigen te horen. De Hoge Raad heeft zich ook over deze kwestie uitgelaten. Uit deze jurisprudentie blijkt dat de verdediging het recht behoudt belastende getuigen te bevragen die door de verdediging nog niet eerder zijn gehoord. Van belang is ook of de verdediging mogelijkheden heeft gehad om de getuigen op een eerder moment te horen en of het niet horen van de getuigen te maken heeft met inactiviteit aan de zijde van de verdediging.



In deze zaak is relevant dat de rechter-commissaris op 23 mei 2025 een zogenaamde regiebrief heeft verstuurd aan de raadsman. Bij e-mail van 17 juni 2025 heeft de verdediging verzocht om verstrekking/inzage van/in de volledige berichtenwisseling tussen verdachte en getuige [getuige] . Daarna heeft nadere mailwisseling plaatsgevonden tussen de officier van justitie en de raadsman. De officier van justitie heeft hierbij toegezegd aan het verzoek van de verdediging te zullen voldoen. De rechter-commissaris heeft daarop op 20 oktober 2025 het onderzoek gesloten en de stukken aan het openbaar ministerie geretourneerd. Later bleek dat de volledige berichtenwisseling niet beschikbaar was. Door de verdediging zijn geen nadere onderzoekswensen ingediend.



De rechtbank is van oordeel dat in een geval als dit, waarin de verdediging ter zitting van een – in overleg met de verdediging ingeplande – inhoudelijke behandeling alsnog onderzoekswensen kenbaar maakt, verlangd mag worden dat de verdediging deze verzoeken toereikend motiveert.
Van de zijde van de verdediging heeft geen onderbouwing plaatsgevonden waarom het verzoek tot het horen van de getuigen pas in dit stadium van de zaak is gedaan. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.




Ambtshalve beoordeling eerlijk proces

De rechtbank zal wel de eerlijkheid van het proces als geheel beoordelen. In deze zaak is van belang dat een verdachte het recht heeft om getuigen te ondervragen. Er moet voor de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid zijn om belastende getuigen te ondervragen. Wanneer dat niet het geval is geweest, dan moet de rechter beoordelen het proces als geheel nog wel eerlijk is verlopen in het geval de verklaringen voor het bewijs worden gebruikt. Bij de beoordeling hiervan zijn drie beoordelingsfactoren van belang, namelijk



de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend;


het gewicht van de verklaring van de getuige voor de bewezenverklaring van het feit, en;


het bestaan van voldoende compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en de beperkingen die de verdediging daardoor heeft ondervonden bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige.




De rechtbank gebruikt alleen de verklaring van [getuige] voor het bewijs en de verklaringen van de andere getuigen niet. De verdediging heeft het ondervragingsrecht niet kunnen uitoefenen ten aanzien van getuige [getuige] . De reden daarvoor is dat de verdediging niet op het daartoe geëigende moment en zonder deugdelijke motivering heeft verzocht om het horen van deze getuige.



Naar het oordeel van de rechtbank is deze beperking echter voldoende gecompenseerd, doordat de betrouwbaarheid van deze getuige in toereikende mate kan worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het dossier als geheel, waaronder in het bijzonder ook de verklaringen van verdachte zelf. De verklaringen van verdachte en van de getuige worden in grote mate ondersteund door digitaal bewijs, verkregen uit de telefoons van zowel verdachte als de getuige. De bewijsconstructie steunt in grote mate op dit digitale bewijs, waardoor het gewicht van de verklaring van de getuige beperkt is. De rechtbank is behoedzaam met de verklaring van de getuige omgegaan. Zijn verklaring wordt alleen voor het bewijs gebruikt voor zover deze in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.



De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.







5Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat:




feit 1

hij in de periode van 19 oktober 2024 tot en met 24 oktober 2024 in Nederland, een persoon die zich voordeed als een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [getuige]
indringend schriftelijk seksueel heeft benaderd op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door
via Snapchat seksueel getinte berichten te versturen naar die [getuige] , te weten:

- " let's talk about sex" en
- " heb je al seks gehad?" en
- " stuur mij naaktfoto's" en
- een foto van zijn, verdachtes penis met daarbij de tekst "hier nog een foto waar je
van kunt genieten" en
- " ik verlang naar je lichaam en wil je zonder condoom neuken" en
- " heb je je kutje mooi gemaakt?" en
- " mijn lul past in elk gaatje" en
- " je klinkt als een leuke meid dus ik wil zeker met je neuken en hopelijk langdurig";



feit 2

hij in de periode van 19 oktober 2024 tot en met 24 oktober 2024 in Nederland, een persoon die zich voordeed als een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [getuige]
een ontmoeting heeft voorgesteld voor seksuele doeleinden en enige handeling heeft ondernomen tot het verwezenlijken van die ontmoeting, door via social media contact te zoeken met die [getuige] en de volgende (snapchat-)berichten te versturen:

- " let's talk about sex" en
- " heb je al seks gehad?" en
- " stuur mij naaktfoto's" en
- een foto van zijn, verdachtes penis met daarbij de tekst "hier nog een foto waar je
van kunt genieten" en
- " ik verlang naar je lichaam en wil je zonder condoom neuken" en
- " je klinkt als een leuke meid dus ik wil zeker met je neuken en hopelijk langdurig"
en
- op de vraag van die [getuige] 'of het te doen is met de auto voor als ze gaan
ontmoeten' te antwoorden "jazeker" en
- " kom ik" en/of "donderdag lukt mij wel (...) ik kan donderdagochtend of de
middag" en "ja leuk, geef je nog door waar ik moet zijn" en
- op de vraag van die [getuige] 'ben je er al bijna schat' te antwoorden "ja 2min kom

maar zo naar buiten" en
een fysieke ontmoeting voor te stellen door op een concrete datum, tijdstip en
locatie af te spreken met die voornoemde [getuige] en door zich op dat afgesproken
tijdstip naar die afgesproken locatie te begeven en aldaar die voornoemde [getuige]
te ontmoeten.






6De strafbaarheid van de feiten


De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.






7De strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.






8Motivering van de straffen


8.1

De eis van de officier van justitie



De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren met aftrek van voorarrest, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.




8.2

Het standpunt van de verdediging



De verdediging heeft verzocht geen taakstraf aan verdachte op te leggen en uitsluitend een voorwaardelijke straf.




8.3

Oordeel van de rechtbank



De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.




Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan sexchatten met en grooming van iemand die zich via Snapchat voordeed als een 15-jarig meisje. Verdachte heeft al snel na het eerste contactmoment seksueel getinte berichten gestuurd en aangestuurd op een ontmoeting om seks te hebben. Uiteindelijk is verdachte ook daadwerkelijk naar de afgesproken ontmoetingsplaats toe gereisd. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij enkel oog heeft gehad voor het bevredigen van zijn eigen lusten en op geen enkele manier heeft stilgestaan bij de schade die hij daarmee zou toebrengen aan een minderjarige. Dat de persoon waarmee hij chatte en had afgesproken geen minderjarige was, maakt voor het kwalijke van zijn gedrag geen verschil. Hij dacht immers dat hij contact had en een ontmoeting had met een meisje van 15 jaar. Door het groomen heeft verdachte tot uitdrukking gebracht dat hij de wens had om seksuele handelingen te verrichten met een minderjarige onder de zestien jaar. Dit is naar het oordeel van de rechtbank zeer ernstig en zorgelijk.




Persoonlijke omstandigheden

Uit het strafblad van verdachte van 26 mei 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.



In het reclasseringsrapport van Tactus Verslavingszorg van 20 april 2026 is onder meer gerapporteerd dat verdachte de afspraak met de reclassering op advies van zijn advocaat heeft afgezegd. Op de mail van de reclassering met uitleg over het doel van de afspraak en de geboden gelegenheid om alsnog naar de afspraak te komen heeft verdachte niet meer gereageerd. Het risico op recidive kan door de reclassering niet worden ingeschat. Evenmin kan een inschatting worden gemaakt over de noodzaak of mogelijkheid van eventuele interventies en/of voorwaarden.




De straf

De rechtbank komt, alles afwegende, tot oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met daaraan gekoppeld een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast wordt aan verdachte opgelegd een taakstraf voor de duur van 140 uren, met aftrek van de dagen die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.







9Beslag


Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: telefoon van het merk Apple (goednummer 6572015), dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het onder 1 en 2 bewezen geachte is begaan.






10Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 57 en 251 van het Wetboek van Strafrecht.






11Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.



Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.



Het bewezen verklaarde levert op:




feit 1


een persoon die zich voordoet als een kind beneden de leeftijd van zestien jaren indringend schriftelijk seksueel benaderen op een wijze die schadelijk is te achten voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren





feit 2


een persoon die zich voordoet als een kind beneden de leeftijd van zestien jaren een ontmoeting voorstellen voor seksuele doeleinden en enige handeling ondernemen tot het verwezenlijken van die ontmoeting




Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.



Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 140 (honderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 70 (zeventig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.



Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.



Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.



Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.



De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.



Verklaart verbeurd:
- telefoon, merk: Apple, goednummer 6572015






Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. I. Timmermans en C. Işıtman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Madiol, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juli 2026.






Aanhangsel Handelingen II 2020/21, 1184.



Aanhangsel Handelingen II 2020/21, 1184.



Aanhangsel Handelingen II 2020/21, 1184.




Kamerstukken II 2022/23, 36222, 3, p. 100.


Zie bijvoorbeeld de arresten van het Hof Amsterdam van 23 februari 2023, te vinden onder nummers ECLI:NL:GHAMS:2023:457 en ECLI:NL:GHAMS:2023:458 en het arrest van het Hof Amsterdam met nummer ECLI:NL:GHAMS:2024:277


Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2025, te vinden onder nummer ECLI:NL:HR:2025:778