Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:7483
2026-07-07
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/5173
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep ongegrond. Ziektewetbeoordeling eigen risico drager. Afwijzing van verzoek om een dwangsom. Hoewel de rechtbank in deze zaak uitsluitend oordeelt over het verzoek van eiseres om een bestuurlijke dwangsom, wil zij partijen meegeven om, gelet op de bredere problematiek, met elkaar in gesprek te blijven en te bezien of tot een oplossing kan worden gekomen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2024:1508 Raad van State 10-04-2024
- ECLI:NL:RVS:2015:922 Raad van State 25-03-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.358 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5173
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
Stichting OLVG, uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. H. Özbakir),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
Met het primaire besluit van 26 november 2024 heeft verweerder het verzoek van eiseres afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 augustus 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van de besluiten
1. Op 17 april 2023 heeft mevrouw [persoon 1] zich ziekgemeld bij eiseres. Omdat haar dienstverband vervolgens per 13 juni 2023 is beëindigd, ontvangt zij vanaf die datum een Ziektewetuitkering. Aangezien eiseres eigenrisicodrager voor de Ziektewet is, heeft zij vanaf dan het ziekengeld aan haar voormalig werkneemster uitbetaald. Op 26 april 2024 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de voormalig werkneemster zal worden uitgenodigd voor de eerstejaars Ziektewetbeoordeling, en heeft tegelijk verzocht om de relevante stukken aan te leveren. Deze stukken zijn door eiseres aan verweerder verstrekt. De voormalig werkneemster heeft zich vervolgens per 1 oktober 2024 hersteld gemeld.
2. Verweerder heeft hierna geen eerstejaars Ziektewetbeoordeling meer uitgevoerd. Eiseres heeft vervolgens op 21 november 2024 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Daarnaast dient volgens eiseres het bezwaarschrift tevens aangemerkt te worden als een schriftelijke ingebrekestelling zodat twee weken na ontvangst van dit bezwaarschrift een dwangsom wordt verbeurd.
3. Met het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres om toekenning van een dwangsom afgewezen. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de eerstejaars Ziektewetbeoordeling geen beslissing op aanvraag betreft, maar een ambtshalve genomen besluit. Volgens verweerder is de Wet dwangsom daarom niet van toepassing. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres heeft verweerder deze afwijzing gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
4. In geschil is de vraag of verweerder op goede gronden het verzoek van eiseres om een bestuurlijke dwangsom? heeft afgewezen.
5. De rechtbank stelt voorop dat deze zaak niet op zichzelf staat, maar onderdeel is van een breder geschil tussen verschillende eigenrisicodragers en verweerder. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat momenteel sprake is van beperkte capaciteit aan verzekeringsartsen, waardoor diverse eerstejaars Ziektewetbeoordelingen niet kunnen worden uitgevoerd. Eiseres heeft aangevoerd dat zij, evenals andere eigenrisicodragers, belang heeft bij deze beoordelingen, omdat zonder toetsing mogelijk langer dan noodzakelijk een Ziektewetuitkering wordt doorbetaald. Voor de vaststelling van eventuele schade is het essentieel dat eiseres weet voor welke zaken dit het geval is geweest. Eiseres heeft ervoor gekozen om in meerdere zaken ingebrekestellingen te versturen, met als doel het verkrijgen van een besluit dan wel een uitnodiging van verweerder voor een overleg. Het ging haar daarbij in eerste instantie niet om het verkrijgen van een dwangsom. Om die reden heeft zij er ook van afgezien om in deze zaken beroepen wegens niet tijdig beslissen in te dienen, terwijl dat daarvoor wel een voor de hand liggende route had kunnen zijn. Volgens eiseres zou dit anders hebben geleid tot ongeveer 2.000 beroepsprocedures, wat zowel de rechtspraak als verweerder aanzienlijk zou hebben belast. De rechtbank vindt dat deze handelswijze van eiseres haar siert. Dit neemt echter niet weg dat het onderliggende knelpunt onverminderd bestaat. Hoewel de rechtbank in deze zaak uitsluitend oordeelt over het verzoek van eiseres om een bestuurlijke dwangsom, wil zij partijen meegeven om, gelet op de bredere problematiek, met elkaar in gesprek te blijven en te bezien of tot een oplossing kan worden gekomen.
6. Eiseres heeft aangevoerd dat zij aanspraak kan maken op een bestuurlijke dwangsom op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Eiseres voert daartoe aan dat zij op 21 november 2024 een ingebrekestelling heeft verzonden en dat de beslistermijn voor de eerstejaars Ziektewetbeoordeling is verstreken. Hierna heeft verweerder geen besluit genomen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Uit artikel 4:17 Awb volgt dat een dwangsom uitsluitend wordt verbeurd indien niet tijdig wordt beslist op een aanvraag. De eerstejaars Ziektewetbeoordeling betreft echter een ambtshalve beoordeling en geen besluit op aanvraag. Daarmee ontbreekt een voorwaarde voor toepassing van artikel 4:17 Awb, zodat in dit geval geen grondslag bestaat voor het verbeuren van een dwangsom.
7. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat haar verzoek tevens moet worden opgevat als een aanvraag om een besluit te nemen dat verweerder in beginsel ambtshalve dient te nemen, maar in dit geval niet heeft genomen. Eiseres heeft erkend dat zij dit bij het indienen van het verzoek niet voor ogen had, maar stelt zich achteraf op het standpunt dat haar verzoek als zodanig moet worden opgevat, zodat recht zou ontstaan op een bestuurlijke dwangsom. De rechtbank volgt eiseres ook hierin niet. De mogelijkheid om een bestuursorgaan te verzoeken een besluit te nemen dat het ook ambtshalve kan nemen, vloeit voort uit artikel 5 van de Grondwet. Deze bepaling is absoluut en dwingend geformuleerd, zodat de wetgever burgers dit recht niet kan onthouden. Voor zover het verzoek van eiseres als zodanig kan worden aangemerkt, leidt dit echter niet zonder meer tot het verbeuren van een dwangsom. Op grond van artikel 4:17 van de Awb ontstaat een dwangsom namelijk uitsluitend indien niet tijdig op een aanvraag is beslist. Een besluit dient te worden genomen binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, dan wel bij gebreke daarvan binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Uit de Ziektewet volgt geen bindende beslistermijn voor het nemen van een besluit op de? eerstejaars Ziektewetbeoordeling. Daarom gelden de beslistermijnen zoals opgenomen in de Awb. Dat brengt mee dat, ook indien het verzoek van eiseres als aanvraag zou moeten worden aangemerkt, verweerder niet al op dezelfde dag in gebreke kon zijn. Om die reden is dan ook geen dwangsom verbeurd.
8. Zoals ter zitting is besproken, heeft eiseres haar verzoek daarnaast ingestoken als een bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Eiseres heeft toegelicht dat zij daarmee heeft beoogd een besluit te verkrijgen waarin verweerder aangeeft geen eerstejaars Ziektewetbeoordeling uit te voeren. De rechtbank overweegt dat zelfs als het verzoek van
21 november 2024 ook aangemerkt kan worden als bezwaar dit ook geen doel treft. Het maken van bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit is sinds de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen per 1 oktober 2009 niet meer mogelijk. Dit hangt samen met de wijziging van artikel 7:1 van de Awb. Op grond van het eerste lid, aanhef en onder f, van dit artikel geldt immers dat geen bezwaar hoeft te worden gemaakt indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvraag. Ook artikel 6:12 Awb spreekt na de wetswijziging niet langer over bezwaar en beroep tegen niet tijdig beslissen, maar uitsluitend nog over beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Verweerder heeft in dit bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan ook geen aanleiding hoeven zien om een (apart) besluit te nemen of een dwangsom toe te kennen.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op goede gronden besloten om aan eiseres geen bestuurlijke dwangsom toe te kennen. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk heeft.
10. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Bij deze uitkomst bestaat er ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.
Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb luidt als volgt: Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&g=2026-07-06&z=2026-07-06) is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1508, met annotatie van [persoon 2] .
Dit volgt uit artikel 4:13 van de Awb.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:922
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5173
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
Stichting OLVG, uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. H. Özbakir),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
Met het primaire besluit van 26 november 2024 heeft verweerder het verzoek van eiseres afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 augustus 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van de besluiten
1. Op 17 april 2023 heeft mevrouw [persoon 1] zich ziekgemeld bij eiseres. Omdat haar dienstverband vervolgens per 13 juni 2023 is beëindigd, ontvangt zij vanaf die datum een Ziektewetuitkering. Aangezien eiseres eigenrisicodrager voor de Ziektewet is, heeft zij vanaf dan het ziekengeld aan haar voormalig werkneemster uitbetaald. Op 26 april 2024 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de voormalig werkneemster zal worden uitgenodigd voor de eerstejaars Ziektewetbeoordeling, en heeft tegelijk verzocht om de relevante stukken aan te leveren. Deze stukken zijn door eiseres aan verweerder verstrekt. De voormalig werkneemster heeft zich vervolgens per 1 oktober 2024 hersteld gemeld.
2. Verweerder heeft hierna geen eerstejaars Ziektewetbeoordeling meer uitgevoerd. Eiseres heeft vervolgens op 21 november 2024 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Daarnaast dient volgens eiseres het bezwaarschrift tevens aangemerkt te worden als een schriftelijke ingebrekestelling zodat twee weken na ontvangst van dit bezwaarschrift een dwangsom wordt verbeurd.
3. Met het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres om toekenning van een dwangsom afgewezen. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de eerstejaars Ziektewetbeoordeling geen beslissing op aanvraag betreft, maar een ambtshalve genomen besluit. Volgens verweerder is de Wet dwangsom daarom niet van toepassing. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres heeft verweerder deze afwijzing gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
4. In geschil is de vraag of verweerder op goede gronden het verzoek van eiseres om een bestuurlijke dwangsom? heeft afgewezen.
5. De rechtbank stelt voorop dat deze zaak niet op zichzelf staat, maar onderdeel is van een breder geschil tussen verschillende eigenrisicodragers en verweerder. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat momenteel sprake is van beperkte capaciteit aan verzekeringsartsen, waardoor diverse eerstejaars Ziektewetbeoordelingen niet kunnen worden uitgevoerd. Eiseres heeft aangevoerd dat zij, evenals andere eigenrisicodragers, belang heeft bij deze beoordelingen, omdat zonder toetsing mogelijk langer dan noodzakelijk een Ziektewetuitkering wordt doorbetaald. Voor de vaststelling van eventuele schade is het essentieel dat eiseres weet voor welke zaken dit het geval is geweest. Eiseres heeft ervoor gekozen om in meerdere zaken ingebrekestellingen te versturen, met als doel het verkrijgen van een besluit dan wel een uitnodiging van verweerder voor een overleg. Het ging haar daarbij in eerste instantie niet om het verkrijgen van een dwangsom. Om die reden heeft zij er ook van afgezien om in deze zaken beroepen wegens niet tijdig beslissen in te dienen, terwijl dat daarvoor wel een voor de hand liggende route had kunnen zijn. Volgens eiseres zou dit anders hebben geleid tot ongeveer 2.000 beroepsprocedures, wat zowel de rechtspraak als verweerder aanzienlijk zou hebben belast. De rechtbank vindt dat deze handelswijze van eiseres haar siert. Dit neemt echter niet weg dat het onderliggende knelpunt onverminderd bestaat. Hoewel de rechtbank in deze zaak uitsluitend oordeelt over het verzoek van eiseres om een bestuurlijke dwangsom, wil zij partijen meegeven om, gelet op de bredere problematiek, met elkaar in gesprek te blijven en te bezien of tot een oplossing kan worden gekomen.
6. Eiseres heeft aangevoerd dat zij aanspraak kan maken op een bestuurlijke dwangsom op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Eiseres voert daartoe aan dat zij op 21 november 2024 een ingebrekestelling heeft verzonden en dat de beslistermijn voor de eerstejaars Ziektewetbeoordeling is verstreken. Hierna heeft verweerder geen besluit genomen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Uit artikel 4:17 Awb volgt dat een dwangsom uitsluitend wordt verbeurd indien niet tijdig wordt beslist op een aanvraag. De eerstejaars Ziektewetbeoordeling betreft echter een ambtshalve beoordeling en geen besluit op aanvraag. Daarmee ontbreekt een voorwaarde voor toepassing van artikel 4:17 Awb, zodat in dit geval geen grondslag bestaat voor het verbeuren van een dwangsom.
7. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat haar verzoek tevens moet worden opgevat als een aanvraag om een besluit te nemen dat verweerder in beginsel ambtshalve dient te nemen, maar in dit geval niet heeft genomen. Eiseres heeft erkend dat zij dit bij het indienen van het verzoek niet voor ogen had, maar stelt zich achteraf op het standpunt dat haar verzoek als zodanig moet worden opgevat, zodat recht zou ontstaan op een bestuurlijke dwangsom. De rechtbank volgt eiseres ook hierin niet. De mogelijkheid om een bestuursorgaan te verzoeken een besluit te nemen dat het ook ambtshalve kan nemen, vloeit voort uit artikel 5 van de Grondwet. Deze bepaling is absoluut en dwingend geformuleerd, zodat de wetgever burgers dit recht niet kan onthouden. Voor zover het verzoek van eiseres als zodanig kan worden aangemerkt, leidt dit echter niet zonder meer tot het verbeuren van een dwangsom. Op grond van artikel 4:17 van de Awb ontstaat een dwangsom namelijk uitsluitend indien niet tijdig op een aanvraag is beslist. Een besluit dient te worden genomen binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, dan wel bij gebreke daarvan binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Uit de Ziektewet volgt geen bindende beslistermijn voor het nemen van een besluit op de? eerstejaars Ziektewetbeoordeling. Daarom gelden de beslistermijnen zoals opgenomen in de Awb. Dat brengt mee dat, ook indien het verzoek van eiseres als aanvraag zou moeten worden aangemerkt, verweerder niet al op dezelfde dag in gebreke kon zijn. Om die reden is dan ook geen dwangsom verbeurd.
8. Zoals ter zitting is besproken, heeft eiseres haar verzoek daarnaast ingestoken als een bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Eiseres heeft toegelicht dat zij daarmee heeft beoogd een besluit te verkrijgen waarin verweerder aangeeft geen eerstejaars Ziektewetbeoordeling uit te voeren. De rechtbank overweegt dat zelfs als het verzoek van
21 november 2024 ook aangemerkt kan worden als bezwaar dit ook geen doel treft. Het maken van bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit is sinds de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen per 1 oktober 2009 niet meer mogelijk. Dit hangt samen met de wijziging van artikel 7:1 van de Awb. Op grond van het eerste lid, aanhef en onder f, van dit artikel geldt immers dat geen bezwaar hoeft te worden gemaakt indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvraag. Ook artikel 6:12 Awb spreekt na de wetswijziging niet langer over bezwaar en beroep tegen niet tijdig beslissen, maar uitsluitend nog over beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Verweerder heeft in dit bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan ook geen aanleiding hoeven zien om een (apart) besluit te nemen of een dwangsom toe te kennen.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op goede gronden besloten om aan eiseres geen bestuurlijke dwangsom toe te kennen. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk heeft.
10. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Bij deze uitkomst bestaat er ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.
Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb luidt als volgt: Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&g=2026-07-06&z=2026-07-06) is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1508, met annotatie van [persoon 2] .
Dit volgt uit artikel 4:13 van de Awb.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:922