Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7409

2026-07-09 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11969701 \ CV EXPL 25-16058
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-09
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11969701 \ CV EXPL 25-16058
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vordering van consument tot betaling wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Handelaar heeft het aankoopbedrag na een beroep op het herroepingsrecht niet tijdig terugbetaald, dus moet zij de wettelijke rente betalen over het aankoopbedrag tot het moment van terugbetaling. Omdat de consument de handelaar per e-mail nog een nadere termijn voor nakoming heeft gegeven en de handelaar binnen die termijn alsnog overgegaan is tot betaling, is de handelaar geen incassokosten verschuldigd. Dat deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.391 tekens)
RECHTBANK
AMSTERDAM



Civiel recht
Kantonrechter



Zaaknummer: 11969701 \ CV EXPL 25-16058




Vonnis van 9 juli 2026




in de zaak van





[eiser]
,
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: Bill Incasso B.V.,



tegen




AUTONOMY B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Autonomy,
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 november 2025, met producties;- de conclusie van antwoord, met producties;
- het tussenvonnis van 19 februari 2026, waarbij is bepaald dat schriftelijk zal worden voortgeprocedeerd;- de conclusie van repliek, met een productie;- de conclusie van dupliek.



1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[eiser] heeft op 11 augustus 2025 bij Autonomy een online cursus besteld tegen een bedrag van € 833,33. Hij heeft deze overeenkomst met gebruikmaking van zijn herroepingsrecht ontbonden.



2.2.
Op 19 augustus 2025 schrijft Autonomy dat zij akkoord gaat met volledige terugbetaling en dat het bedrag uiterlijk binnen veertien dagen zal worden overgemaakt aan [eiser].



2.3.
Op 2 september 2025 bevestigt Autonomy dat de ‘refund’ intern is doorgevoerd en dat het tot 96 uur kan duren voordat deze zichtbaar is op de rekening van [eiser].



2.4.
Op 8 september 2025 om 10:38 uur schrijft [eiser] aan Autonomy dat hij nog steeds geen betaling heeft ontvangen. Verder schrijft hij in deze e-mail:


‘Ik stel je hierbij een laatste termijn van 48 uur om het bedrag alsnog over te maken en mij de betalingsbevestiging met transactie nummer toe te sturen. Indien betaling binnen deze termijn uitblijft, zal ik direct incasso maatregelen treffen.’




2.5.
Op 9 september 2025 om 19.53 uur stuurt de gemachtigde van [eiser] een e-mail aan Autonomy, waarin zij Autonomy sommeert het bedrag van de online cursus en de rente en buitengerechtelijke kosten te betalen.



2.6.
Op 9 september 2025 om 21.04 uur antwoordt Autonomy op de e-mail van [eiser] (van 8 september 2025):


‘Gek dat ie er nog niet is! Ik ga hier morgen voor je achteraan.’




2.7.
Op 10 september 2025 om 7.38 uur stuurt de gemachtigde van [eiser] nogmaals een e-mail aan Autonomy, waarin zij Autonomy sommeert het bedrag van de online cursus en de rente en buitengerechtelijke kosten te betalen.



2.8.
Op 10 september 2025 om 7:59 uur heeft Autonomy het bedrag van de cursus aan [eiser] overgemaakt.





3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Autonomy tot betaling van een bedrag van € 158,20. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom van € 833,33, € 6,95 aan rente en € 151,25 aan buitengerechtelijke incassokosten, waarop een betaling van € 833,33 in mindering is gebracht. Verder wil [eiser] dat Autonomy wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.



3.2.

[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Met de terugbetaling door Autonomy zijn de cursuskosten aan hem terugbetaald. De onderhavige vordering ziet op rente en buitengerechtelijke kosten. Omdat Autonomy de kosten van de cursus te laat heeft terugbetaald, moet zij de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW hierover betalen. [eiser] had geen vertrouwen meer in de loze beloften van Autonomy om te betalen en heeft daarom op 9 september 2025 de gemachtigde ingeschakeld. De kosten die [eiser] hiervoor heeft moeten maken, moet Autonomy ook betalen.



3.3.
Autonomy voert verweer. Zij is zich ervan bewust dat zij binnen veertien dagen na de ontbinding op 11 augustus 2025 tot betaling had moeten overgaan. Door technische problemen heeft de betaling langer geduurd dan Autonomy had voorzien. Met de nadere termijn van 48 uur die [eiser] op 8 september 2025 heeft gegeven aan Autonomy, mocht Autonomy er gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij tot het verstrijken van die termijn de gelegenheid had om het een en ander uit te zoeken en indien nodig alsnog aan haar verplichtingen te voldoen, zonder dat er kosten zouden worden gemaakt. Door desondanks voor het verstrijken van die termijn een gemachtigde in te schakelen, heeft [eiser] kosten gemaakt die vermijdbaar waren. Dit maakt dat deze kosten niet als redelijk en noodzakelijk kunnen worden aangemerkt.



3.4.
Verder is Autonomy van mening dat [eiser] misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht. Zij vraagt daarom om [eiser] te veroordelen in haar reële proceskosten.



3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.

[eiser] stelt in de dagvaarding dat hij de overeenkomst op 19 augustus 2025 heeft herroepen en dat Autonomy dat in haar e-mail van diezelfde dag heeft bevestigd. Bij conclusie van repliek lijkt hij echter te stellen dat hij de overeenkomst op 11 augustus 2025 heeft herroepen. Stukken waaruit de herroepingsdatum blijkt zijn niet overgelegd. Echter heeft Autonomy bij conclusie van dupliek erkend dat herroeping heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2025. De kantonrechter stelt daarom vast dat [eiser] de overeenkomst op 11 augustus 2025 heeft herroepen.



4.2.
Vast staat dat [eiser] tijdig gebruik heeft gemaakt van zijn herroepingsrecht en dat Autonomy daarom uiterlijk binnen veertien dagen na de dag van ontvangst van de verklaring tot ontbinding, het bedrag dat [eiser] had betaald had moeten terugbetalen. Autonomy had het aankoopbedrag dus uiterlijk op 25 augustus 2025 moeten terugbetalen.



4.3.
Autonomy heeft het volledige bedrag terugbetaald, maar niet binnen de termijn van veertien dagen. Dit betekent dat Autonomy automatisch in verzuim is en dat [eiser] onder andere recht heeft op vergoeding van de wettelijke rente van artikel 6:119 BW.



4.4.
Voor zover [eiser] de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW heeft gevorderd, is dit niet toewijsbaar aangezien [eiser] niet heeft gesteld dat in dit geval sprake is van een handelsovereenkomst. Wel toewijsbaar is de wettelijke rente van artikel 6:119 BW. Autonomy moet deze betalen over het bedrag van € 833,33, vanaf 25 augustus 2025 (zijnde de verzuimdatum) tot de dag dat zij het aankoopbedrag heeft terugbetaald, dus tot 10 september 2025.



4.5.
Verder vordert [eiser] vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Bij de beantwoording van de vraag of deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen, dient te worden onderzocht of, in de gegeven omstandigheden, het redelijk was de kosten te maken en of de kosten redelijk zijn.



4.6.
Autonomy erkent dat zij het aankoopbedrag binnen veertien dagen na de ontbinding had moeten terugbetalen, maar dat dit langer heeft geduurd door technische problemen. Uit de e-mail van 8 september 2025 volgt dat [eiser] Autonomy een nadere termijn geeft om alsnog na te komen, voordat hij incassomaatregelen zal treffen. Met Autonomy is de kantonrechter het eens dat [eiser] daarmee bij Autonomy het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij tot het verstrijken van die termijn de gelegenheid had om alsnog aan haar verplichtingen te voldoen, zonder bijkomende kosten. Desondanks heeft [eiser] binnen de gestelde termijn een gemachtigde ingeschakeld. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat het redelijk was dat [eiser] deze kosten maakte. Deze kosten kunnen dan ook niet in rekening worden gebracht bij Autonomy.



4.7.

[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Autonomy heeft gevraagd om [eiser] te veroordelen in haar reële proceskosten, maar daarvoor ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding. Daarvoor is alleen plaats in buitengewone omstandigheden, bijvoorbeeld bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen daarvan past terughoudendheid, gelet op de toegang tot de rechter, dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Dat [eiser] met het instellen van de vorderingen tegen beter weten in een kansloze procedure is gestart, kan niet gezegd worden. Dat [eiser] zijn e-mail van 8 september 2025 buiten de dagvaarding heeft gehouden is weliswaar niet fraai, maar onvoldoende om tot misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen te concluderen. [eiser] zal daarom worden veroordeeld in de gebruikelijke forfaitaire kosten.



4.8.
Gelet op het voorgaande worden de proceskosten van Autonomy begroot op:









- salaris gemachtigde


€


86,00


(2 punten × € 43,00)




- nakosten


€


21,50


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


107,50














5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt Autonomy om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente over een bedrag van € 833,33, vanaf 25 augustus 2025 tot 10 september 2025,



5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 107,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D.C. Vink.



57327







Zie artikel 230r van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW).


Artikel 6:83 BW.


Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013, rov. 3.3.2. (ECLI:NL:HR:2013:2102).


Zie het arrest van de Hoge Raad van 23 december 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1934).