Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:7096

2026-07-09 Strafrecht 13/346093-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-09
Publicatiedatum
2026-07-13
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/346093-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van vernieling tijdens een solidariteitsbijeenkomst voor Israël op de Dam in Amsterdam, omdat niet kan worden vastgesteld dat hij de persoon is geweest die de in de tenlastelegging genoemde goederen heeft beschadigd of vernield. Ook van de verstoring van die bijeenkomst wordt hij vrijgesproken, omdat het dossier geen bewijs bevat dat die bijeenkomst geoorloofd was, terwijl dat wel een bestanddeel van de betreffende wetsbepaling is.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.478 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM



Afdeling Publiekrecht



Teams Strafrecht



Parketnummer: 13/346093-25



Datum uitspraak: 9 juli 2026




Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .





1Het onderzoek ter terechtzitting


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 juni 2026.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. van Duijn en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. I.I. Herremans naar voren hebben gebracht.





2Tenlastelegging


Verdachte wordt er - kort gezegd - van beschuldigd dat hij op 17 december 2025 in Amsterdam:




Feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk goederen die geheel of ten dele aan anderen toebehoorden, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.




Feit 2: door het verwekken van wanorde of maken van gedruis een geoorloofde betoging opzettelijk heeft verstoord.



De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.





3Vrijspraak


3.1.

Standpunt van de officier van justitie



De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van alle feiten. De standpunten van de officier van justitie worden - voor zover van belang - besproken in paragraaf 3.3.




3.2.

Standpunt van de verdediging



De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van alle feiten moet worden vrijgesproken. De standpunten van de raadsvrouw worden - voor zover van belang - besproken in paragraaf 3.3.




3.3.

Oordeel van de rechtbank



De rechtbank acht hetgeen onder feit 1 en feit 2 is ten laste gelegd niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.



3.3.1.

Feiten en omstandigheden



Op 17 december 2025 heeft op de Dam in Amsterdam een bijeenkomst, georganiseerd door de organisatie ‘Op de bres voor Israël’, plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat er gedurende die bijeenkomst op twee verschillende momenten en op twee verschillende plekken op de Dam incidenten hebben plaatsgevonden, waar meerdere personen bij betrokken waren.



Het eerste incident vond plaats bij een grote Israëlische vlag die boven het aanwezige publiek werd uitgerold en later weer ingerold. Tijdens het weer oprollen van de vlag werd er op korte afstand van de vlag vanuit de menigte een rode vloeistof op de vlag gegooid, waarbij ook meerdere kledingstukken van mensen werden geraakt door de vloeistof. Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte de persoon is geweest die rode vloeistof heeft gegooid tijdens dit eerste moment.



Enkele minuten later vindt er opnieuw een incident plaats. Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte wel betrokken is geweest bij dit tweede moment. Uit het dossier blijkt namelijk dat verdachte tijdens dat moment rode vloeistof over de menigte heeft gegooid en dat daardoor meerdere mensen werden geraakt door de vloeistof. Direct na dit moment is de wegrennende verdachte aangehouden.




3.3.2.

Vrijspraak feit 1



Voor een bewezenverklaring van vernieling, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd, moet de rechtbank kunnen vaststellen dat verdachte de persoon is geweest die de in de tenlastelegging genoemde goederen heeft beschadigd of vernield.



Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit niet kan worden vastgesteld, nu het gaat om twee momenten, op verschillende plekken, waarbij in beide gevallen rode vloeistof is gegooid. Nu betrokkenheid van verdachte aan slechts één van beide momenten kan worden vastgesteld en op basis van het dossier niet van alle in de tenlastelegging genoemde Israëlische vlaggen, kledingstukken en een protestbord kan worden vastgesteld op welk moment de rode vloeistof op de genoemde goederen terecht is gekomen, leidt dit er dan ook toe dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van de onder feit 1 ten laste gelegde vernieling.




3.3.3.

Vrijspraak feit 2



Onder feit 2 wordt verdachte verweten een geoorloofde betoging te hebben verstoord.



De rechtbank is van oordeel dat de bijeenkomst op de Dam op 17 december 2025 is aan te merken als een betoging, nu het ging om een groep mensen die op een openbare plaats een of meer gemeenschappelijke meningen, gevoelens en/of wensen op politiek of maatschappelijk gebied uitdroegen.



Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 144 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel "geoorloofde", moet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid dat het ging om een betoging die voldeed aan de daarvoor geldende vereisten.



In Amsterdam zijn deze vereisten neergelegd in de artikelen 2.32 en 2.33 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (hierna: APV). Op grond van artikel 2.32 APV dient degene die een betoging op een openbare plaats wil organiseren de burgemeester daarvan ten minste 48 uur vóór aanvang schriftelijk in kennis te stellen. Vervolgens ontvangt de organisator op grond van artikel 2.33 APV een bewijs van ontvangst van die kennisgeving.



De rechtbank stelt vast dat het dossier geen bewijs bevat waaruit kan worden afgeleid dat de betoging voldeed aan de daarvoor geldende vereisten, en dus “geoorloofd” was in de zin van artikel 144 Sr. De rechtbank zegt daarmee uitdrukkelijk niet dat de betoging naar haar oordeel daarmee dus ongeoorloofd was. De vaststelling dat het ging om een geoorloofde betoging kan op basis van de stukken in het dossier simpelweg niet worden gedaan.
Dat het dossier aanwijzingen bevat dat de betoging geoorloofd was en dat niet blijkt dat de betoging ongeoorloofd was, zoals door de officier van justitie is gesteld, is voor de rechtbank onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de betoging voldeed aan de daarvoor geldende vereisten en daarmee dus geoorloofd was.
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde.







4Vorderingen benadeelde partijen


De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 49,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.



De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 261,50 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.



De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 63,50 aan vergoeding van materiële schade en € 250,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.



4.1.

Het standpunt van de officier van justitie



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [benadeelde partij 1] geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.



De officier van justitie heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat die onvoldoende onderbouwd zijn.




4.2.

Het standpunt van de verdediging



De verdediging heeft primair verzocht om alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om niet-ontvankelijkheid, onder meer omdat er onvoldoende verband bestaat tussen het handelen van verdachte en de gestelde schade.




4.3.

Het oordeel van de rechtbank



Alle benadeelde partijen zullen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte van de feiten waarop de vorderingen betrekking hebben wordt vrijgesproken.
De rechtbank zal bepalen dat de verdachte en de benadeelde partijen ieder de eigen kosten dragen die in verband met deze vorderingen zijn gemaakt.






5Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing:



Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 en feit 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.



Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.



Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.



Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.




Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Thomas, voorzitter,
mrs. A.E. Wilbrink en M.P.N. Gommers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.A.B. Fransen en S.B. le Noble, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juli 2026.