Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:3298

2026-04-02 Strafrecht; Internationaal strafrecht 13-017197-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-04-02
Publicatiedatum
2026-04-02
Rechtsgebied
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13-017197-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Executie-EAB uit België. Art 6 OLW: opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar heeft het centrum van zijn (gezins)leven niet in Nederland en wil zijn straf ook niet in Nederland uitzitten. De rechtbank past de weigeringsgrond van artikel 6 OLW niet toe. Artikel 12 OLW, de situatie als bedoeld in artikel 12 sub b is van toepassing. De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Belgische autoriteiten vragen te stellen over de gang van zaken in de strafprocedure van de opgeëiste persoon. De raadsman stelt de procedure (in het geheel) in strijd met het recht heeft plaatsgevonden, doordat de opgeëiste persoon geen bijstand van een tolk heeft gehad, terwijl daar door de opgeëiste persoon wel uitdrukkelijk om is verzocht. De raadsman wil de antwoorden die op de door de rechtbank te stellen vragen worden verkregen gebruiken om, via de kaderconforme uitleg van artikel 4 bis lid 1 sub d jo lid 3 Kaderbesluit 2002, en mede beschouwd idzv artikel 47 en 48 HV-EU jo artikel 6 EVRM, te bewerkstelligen dat de opgeëiste persoon in België gebruik kan maken van een buitengewoon rechtsmiddel. De rechtbank ziet in het kader van de OLW en het toetsingskader dat zij hanteert geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. Wat de antwoorden op de te stellen vragen ook zullen zijn, zij zullen geen weigeringsgrond op grond van de OLW kunnen opleveren, temeer nu geen daartoe strekkend verweer is gevoerd. De uitspraak waar de raadsman naar verwijst om aan te tonen dat er mogelijk een buitengewoon rechtsmiddel openstaat ziet op een andere situatie. In die zaak had een rechter in een eerder stadium al geoordeeld over de schuld van de verdachte. Gesteld noch gebleken is dat daar in het geval van de opgeëiste persoon sprake van is geweest.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.558 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



Parketnummer: 13-017197-26




Datum uitspraak: 2 april 2026







UITSPRAAK





op de vordering van 21 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 december 2025 door het hof van beroep Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:




[de opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedag] 1972,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,



hierna ‘de opgeëiste persoon’.






1Procesgang


De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 maart 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Engelse taal.



De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.



Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.





2Identiteit van de opgeëiste persoon


Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB




Het EAB vermeldt een arrest van het hof van beroep Antwerpen van 29 oktober 2025 – C5 kamer met kenmerk 21/PGA/1863 (Griffienummer: C/1600/2025).



De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1.174 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.



Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.





4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW



Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Belgische autoriteiten vragen te stellen over de gang van zaken in de strafprocedure van de opgeëiste persoon. De raadsman stelt dat de procedure (in haar geheel) in strijd met het recht heeft plaatsgevonden. De opgeëiste persoon heeft namelijk geen bijstand van een tolk gehad, terwijl hij daar wel uitdrukkelijk om had verzocht. Daarnaast is ook sprake van strijd met het onschuldbeginsel, omdat het hof van beroep in Antwerpen de (verklaringen van de) opgeëiste persoon ongeloofwaardig heeft genoemd. De raadsman wil de antwoorden op de door de rechtbank te stellen vragen gebruiken om, via de kaderbesluitconforme uitleg van artikel 4 bis lid 1 sub d in verbinding met lid 3 Kaderbesluit 2002/584/JBZ, en mede beschouwd in de zin van artikel 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) in verbinding met artikel 6 EVRM, te bewerkstelligen dat de opgeëiste persoon in België gebruik kan maken van een buitengewoon rechtsmiddel. De raadsman verwijst in dit verband tevens naar hoofdstuk 5 van het “Groenboek EU” en de klacht die de opgeëiste persoon op 13 december 2025 heeft ingediend bij “ [website] ”.
De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de rechtbank de overlevering toelaatbaar dient te verklaren.




Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het betoog van de raadsman opgevat als een verweer dat op artikel 11 OLW is gebaseerd. De officier van justitie heeft vervolgens erop gewezen dat er geen algemeen gevaar voor België is aangenomen voor schending van het recht op een eerlijk proces. Daarom komt de rechtbank niet toe aan het toetsen van de vraag of er in het concrete geval van de opgeëiste persoon een schending van zijn recht op een eerlijk proces is geweest vanwege het feit dat hij – naar eigen zeggen – geen bijstand van een tolk heeft gehad, terwijl hij daar wel om heeft verzocht.



Met betrekking tot artikel 12 OLW heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze weigeringsgrond niet van toepassing is. Er zijn in hoger beroep twee zittingsdagen geweest, te weten op 5 september 2025 en 10 september 2025. De opgeëiste persoon heeft op zitting verklaard dat hij op beide zittingsdagen aanwezig was. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op de eerste zittingsdag in persoon aanwezig was en op de tweede zittingsdag is vertegenwoordigd door een raadsman. Er is dan ook geen sprake van schending van zijn verdedigingsrechten.




Oordeel van de rechtbank

De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen omdat hij, ondanks zijn uitdrukkelijke verzoek daartoe, geen bijstand heeft gehad van een tolk. De raadsman heeft desgevraagd ter zitting uitdrukkelijk medegedeeld dat hij geen beroep doet op artikel 11 OLW. De rechtbank zal het verweer derhalve in het kader van artikel 12 OLW beoordelen.



Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.



De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Het EAB vermeldt dat:



de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat geleid heeft tot de beslissing;


de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces. Hij heeft zelf een gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman gemachtigd om zijn verdediging op het proces te voeren. Ook is hij op het proces daadwerkelijk door die raadsman verdedigd;


de betrokkene werd vertegenwoordigd door meester D. Peterfreund, advocaat bij de balie Antwerpen.




Uit het zich bij de stukken bevindende arrest van het hof van beroep Antwerpen van
29 oktober 2025 – C5 kamer met kenmerk 21/PGA/1863 maakt de rechtbank op dat:



de opgeëiste persoon op de zitting van 5 september 2025 aanwezig was en werd bijgestaan door meester D. Peterfreund, advocaat bij de balie Antwerpen;


de opgeëiste persoon op de zitting van 10 september 2025 werd vertegenwoordigd door meester Quinten De Keersmaecker, advocaat bij de balie Brussel loco meester


D. Peterfreund, advocaat bij de balie Antwerpen.


Op grond van deze stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing.
De rechtbank ziet in het kader van de OLW en het toetsingskader dat zij hanteert geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. Wat de antwoorden op de te stellen vragen ook zullen zijn, zij zullen geen weigeringsgrond op grond van de OLW kunnen opleveren, temeer nu geen daartoe strekkend verweer is gevoerd. De rechtbank begrijpt de raadsman aldus dat hij vragen wenst te stellen aan de Belgische autoriteiten ten behoeve van de in België te bewerkstelligen mogelijkheid voor de opgeëiste persoon een buitengewoon rechtsmiddel in te stellen. Hij heeft daartoe verwezen naar het arrest Kaya tegen België van Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). De rechtbank is van oordeel dat dit arrest ziet op de situatie dat een rechter in een eerder stadium al ten gronde heeft geoordeeld over de schuld van de verdachte en later deel uitmaakte van de kamer van het Hof van Cassatie die het cassatieberoep in dezelfde zaak behandelde. Gesteld noch gebleken is dat in het geval van de opgeëiste persoon sprake is van een soortgelijke situatie. Daarnaast had in de zaak Kaya tegen België een lid van het openbaar ministerie in de pers bepaalde uitlatingen gedaan die volgens het EHRM in strijd waren met de onschuldpresumptie. Ook die situatie is niet vergelijkbaar met die van de opgeëiste persoon. De vaststelling over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de opgeëiste persoon is een inhoudelijke beoordeling door de rechters in de uitvaardigende lidstaat aan de hand van het dossier en het verhandelde ter zitting en staat niet ter beoordeling van de overleveringsrechter.



De rechtbank wijst in het licht van het bovenstaande het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden om de Belgische autoriteiten vragen te stellen dan ook af.





5Strafbaarheid


De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:




illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.


Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.



Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.





6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW


De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis of arrest opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.



Ter zitting hebben de opgeëiste persoon en zijn raadsman medegedeeld dat de opgeëiste persoon zich niet beroept op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. De opgeëiste persoon heeft in dit verband op de zitting verklaard dat hij Duitsland, in welk land hij staat ingeschreven, als zijn thuis beschouwt. Hij is internationaal vrachtwagenchauffeur met als standplaatsen België en Duitsland. De opgeëiste persoon heeft op de zitting gezegd dat als hij een straf moet uitzitten, dat hij dat dan in België wil doen.



De rechtbank ziet reeds gelet op het voorgaande geen reden voor toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW.





7Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden



Inleiding

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.



De rechtbank stelt vast dat bij bericht van 18 februari 2026, afkomstig van de administratief deskundige bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel de volgende detentiegarantie is gegeven, die de opgeëiste persoon betreft:



“1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?


[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge.





2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?


België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.





In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:





- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte.


Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.


- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.


o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm


o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.


- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.


- Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.






3Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”



Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de detentieomstandigheden en de verstrekte detentiegarantie.




Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich – onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 18 maart 2026 over dezelfde detentie-instelling – op het standpunt dat de door de Belgische autoriteiten gegeven detentiegarantie voldoende is.




Oordeel van de rechtbank

Zoals deze rechtbank eerder heeft geoordeeld gaat de rechtbank aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie.



De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT-standaarden).








8Slotsom


De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.





9Toepasselijke wetsbepalingen


De artikelen 2, 5 en 7 OLW.





10Beslissing



STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het hof van beroep Antwerpen, België voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.





Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 april 2026.





































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.




Zie artikel 23 Overleveringswet.


Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ÁG113125110571fÈ
G113125110571



Zie onderdeel e) van het EAB.


Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.


EHRM Kaya / België, 22 januari 2026, nr. 10089/18


ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.


ECLI:NL:RBAMS:2026:2797


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7937.


Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.