Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2024:9054
2024-12-13
Civiel recht
10801862 CV EXPL 23-14701
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- Inachtneminghersteluitspraak ECLI:NL:RBAMS:2024:9054 → ECLI:NL:RBAMS:2024:9053
Inhoudsindicatie
In deze specifieke 7:262 BW-zaak is volgens de kantonrechter door de Huurcommissie ten onrechte geoordeeld dat sprake was van een all-in huur. Tussen partijen staat niet ter discussie dat totaal aantal punten boven de liberalisatie-grens ligt. Met de Huurcommissie gaat de kantonrechter uit van ernstige gebreken, die de door huurder in reconventie gevorderde huurkorting rechtvaardigen, tot het moment waarop die gebreken zijn hersteld. De kosten tussen partijen worden gecompenseerd.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.902 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 10801862 CV EXPL 23-14701
vonnis van: 13 december 2024
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
[eiseres]
wonende te [woonplaats]
eiseres
nader te noemen: [eiseres]
gemachtigde: mr. M.H.J. van Riessen
t e g e n
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde
nader te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: mr. D.J. Ruessink
VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE
In vervolg op het tussenvonnis van 14 mei 2024 zijn nog de volgende stukken aan het dossier toegevoegd:
- dagbepaling descente/voortzetting mondelinge behandeling;
- akte uitlating/ wijziging eis in reconventie van [gedaagde] , met producties;
- antwoordakte van [eiseres] , met producties.
De descente en voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2024. [eiseres] is verschenen, vergezeld door haar gemachtigde. [gedaagde] was ter plaatse, vergezeld door zijn gemachtigde. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
1. In vervolg op de in het tussenvonnis onder 1.2., 1.3. en 1.4. vastgestelde feiten is ook het volgende als gesteld en niet (voldoende) weersproken vast komen te staan.
1.1.
In een chat via Facebook messenger tussen [eiseres] en [gedaagde] op 27 oktober 2021 om 10.50 uur vraagt [eiseres] onder meer “Do you have your own furniture or are you looking to rent fully furnished? Daarop antwoordt [gedaagde] : “I have some of my own stuff but very minor (i.e. vacuum cleaner, some art, etc.). But I’m definitely looking to rent a furnished flat! (…) Price is also no problem” (productie 20 [eiseres] ).
1.2.
In andere chat berichten (productie 8 [gedaagde] ) laat [eiseres] op 27 oktober 2021 weten dat zij nieuw meubilair heeft besteld, een bed, een bank en een bureau om aan te werken. Op 4 november 2021 zegt ze in een chat dat ze meestal een kleine lijst maakt met items die met het huis komen, speciaal nu er zo veel net nieuwe meubels zijn maar dat ze niet ieder kopje, wijnglas of vork noemt. Op 9 november 2021 bericht [eiseres] dat haar vriend en de vader van haar zoon een gordijnrail komen ophangen.
1.3.
In de tussen partijen gesloten huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
“(…) a) Beiden partijen sluiten hierbij een overeenkomst voor huur en verhuur betreffende een appartement gelegen in [adres] verder te noemen “het gehuurde”.
b) Met inventaris volgens gespecificeerde lijst
c) Voor dagelijkse slijtage van de inventaris zullen geen extra kosten in rekening worden gebracht, wel zullen er kosten in rekening worden gebracht als er iets van de inventaris en het gehuurde ontbreekt, kapot of beschadigd is. (….)
f) De huurprijs is het bedrag voor het gebruik van het gehuurde, het gebruik van de vaste inventaris but exclusive WIFI, Elektriciteit, Gas en Water.
g) De wettelijke gemeentelijke belastingen voor bewoners/huurder zijn voor eigen rekening (…)”.
1.4.
In het rapport van onderzoek van de Huurcommissie naar aanleiding van een bezoek aan het gehuurde op 12 juni 2023 heeft de rapporteur onder meer het volgende vastgesteld:
- Het puntenaantal van het gehuurde is 143 en de maximale redelijke huurprijs is daarmee hoger dan de liberalisatiegrens.
- De huurder heeft zich niet op gebreken aan of tekortkomingen in de woonruimte beroepen maar tijdens het onderzoek zijn één of meer gebreken geconstateerd.
- Er bevinden zich ernstige vochtsporen op de muur in de woonkamer over een oppervlakte van ca. 1.30 x 20 cm (0,26 m2) en 50 x 40 (0,20 cm2), hetgeen wordt veroorzaakt door lekkage vanuit de naastgelegen toilet/doucheruimte. De vloer en/of wand van de doucheruimte is onvoldoende waterdicht waardoor er lekkage plaats vindt naar de woonkamer. Uit meting met de vochtmeter (Testo 606) is gebleken dat het steenachtige constructiedeel als zeer vochtig tot nat gekwalificeerd moet worden.
- Bij opmerkingen algemeen staat ondermeer dat volgens de huurder de meubilering en stoffering al is afgeschreven en er niet voor wordt betaald, dat volgens verhuurder de kale huurprijs € 1.300,00 is en dat de huurder tijdens het onderzoek heeft verklaard dat de kale huurprijs inderdaad € 1.300,00 bedraagt.
Standpunten van partijen in conventie en reconventie
2. [eiseres] vordert bij wijziging van eis in conventie voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad uit te spreken dat:
,primair
[eiseres] niet-ontvankelijk is, althans dat haar vordering dient te worden afgewezen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten,
subsidiair
dat partijen per 1 december 2021 een all-in prijs van € 1.300,00 per maand overeen zijn gekomen en de huurprijs ambtshalve vast te stellen op € 715,00 per maand en het voorschot voor bijkomende kosten op € 325,00 per maand;
dat het gehuurde per 1 december 2021 met 154 punten wordt gewaardeerd, zodat de maximaal redelijke huurprijs € 816,31 per maand bedraagt en uit te spreken dat derhalve de vastgestelde huurprijs van € 715,00 per maand redelijk is;
dat de woonruimte op 1 december 2021 de volgende ernstige gebreken had:
- lekkage vanuit de doucheruimte naar de woonkamer, een gebrek in de categorie C (nummer Nb2);
- ernstige vochtsporen op de muur in de woonkamer, een gebrek in de categorie C (nummer 8);
dat door ernstige gebreken in de woonruimte de ambtshalve vastgestelde huurprijs tijdelijk is verlaagd tot € 286,00 per maand per 1 december 2021 tot 1 april 2024.
3. In reconventie vordert [gedaagde] om bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] te veroordelen;
aan [gedaagde] de te veel betaalde huur te betalen, tot op heden € 14.002,00, althans een te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 22 december 2023 tot de voldoening;
aan [gedaagde] een bedrag van € 995,00 te betalen voor iedere maand vanaf november 2024 tot de maand volgende op die waarin het vonnis in deze zaak wordt gewezen en dat bedrag telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de eerste dag van de betreffende maand;
in de proceskosten.
4. [eiseres] voert verweer tegen het verzoek van [gedaagde] om terug te komen op het eindoordeel dat de termijn overschrijding met één dag [eiseres] niet kan worden tegengeworpen en stelt dat [gedaagde] hiertegen in hoger beroep had kunnen gaan hetgeen hij niet heeft gedaan zodat dit oordeel in rechte vast staat.
Verder voert [eiseres] aan dat de beschikbaar gestelde inventaris geen noemenswaardige waarde meer heeft en dat [gedaagde] ook geen bonnen heeft die rechtvaardigen dat zij servicekosten voor de inventaris bij [gedaagde] in rekening zou brengen. Er is volgens [eiseres] , anders dan de Huurcommissie oordeelt, daarom geen sprake van een all-in huur.
Ook voert [eiseres] aan dat [gedaagde] pas bij de rapporteur van de Huurcommissie heeft gemeld dat er een lekkage zou zijn terwijl hij met regelmaat over van alles klaagde. Volgens [eiseres] zou [gedaagde] tegen de rapporteur van de Huurcommissie tot twee keer toe hebben verklaard dat de muur in orde was toen hij er introk. Er heeft volgens [eiseres] weliswaar begin 2021 een kleine reparatie van een gebroken tegel in de badkamer plaats gevonden maar op het moment dat [gedaagde] de woning betrok was er geen enkele aanwijzing dat de badkamer muur lekte en dat de lekkage schimmelvorming op de muur van de woonkamer tot gevolg had zodat niet vast gesteld kan worden dat het gebrek bij aanvang van de huurovereenkomst met [gedaagde] al aanwezig was.
Beoordeling in conventie en in reconventie
5. In het tussenvonnis is geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de geringe termijn overschrijding aan [eiseres] tegen te werpen. De in het tussenvonnis genomen beslissing over de termijnoverschrijding is een eindbeslissing. De bezwaren die [gedaagde] in vervolg daarop nog tegen deze beslissing heeft aangevoerd zullen daarom verder onbesproken blijven. Door de beslissing in het tussenvonnis het beroep van [eiseres] in behandeling te nemen is de uitspraak van de Huurcommissie komen te vervallen. Dit betekent dat de punten waarover [gedaagde] de Huurcommissie om een uitspraak heeft verzocht weer open liggen en daarop, naast de overige in deze procedure ingestelde vorderingen, moet worden beslist.
6. Het verzoek van [gedaagde] bij de Huurcommissie betreft een verzoek Toetsing aanvangshuurprijs. In dat verzoek is op de vraag “Betreft dit een all-in huurprijs” bevestigend geantwoord, op de vraag of er op de ingangsdatum van het huurcontract gebreken in/aan de woning waren is “nee” geantwoord en bij het kopje “Extra toelichting” is door of namens [gedaagde] verzocht tijdens het woningonderzoek te controleren of er gebreken in de woonruimte aanwezig zijn.
7. In hetgeen partijen over het door de Huurcommissie vastgesteld puntenaantal naar voren brengen ziet de kantonrechter geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de Huurcommissie te komen over dat puntenaantal, 154 punten, waarbij het energielabel dat na aanvang van de huur is opgenomen tot toekenning van 11 punten heeft geleid. Door het aantal toe te kennen punten viel de woning bij het aangaan van de huur boven de liberalisatiegrens en mocht deze in de vrije sector worden verhuurd. Dat betekent dat de Huurcommissie alleen bevoegd was een uitspraak te doen over de aanvangshuur indien sprake was van een all-in prijs.
Wel of niet all-in prijs?
8. Op grond van artikel 17 a Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte kan de Huurcommissie indien blijkt dat sprake is van een all-in prijs - de huurovereenkomst omvat meer dan het enkele gebruik van de woonruimte - de huurprijs vaststellen op 55% van de overeengekomen prijs. Op grond van artikel 7:237 BW wordt onder huurprijs verstaan de prijs die verschuldigd is voor het enkele gebruik van de woonruimte. Onder servicekosten wordt in dat artikel verstaan de vergoeding voor de overige zaken en diensten die geleverd worden in verband met de bewoning van de woonruimte. In de bijlage bij het besluit servicekosten worden onder meer de volgende kosten als servicekosten aangemerkt:
De krachtens de huurovereenkomst mede ter beschikking gestelde roerende zaken in het woonruimtegedeelte van het gehuurde dan wel in de gemeenschappelijke gedeelten, waaronder in elk geval:
a. roerende apparatuur voor het verwarmen van water;
b. roerende keukenapparatuur;
c. roerende kachel;
d. meubilering, stoffering en overige inboedel.
9. Vast staat dat [eiseres] als verhuurder aan [gedaagde] als huurder meubels, stoffering en overige inboedel ter beschikking heeft gesteld, maar betwist wordt dat in de overeengekomen huurprijs ook een bedrag voor het ter beschikking stellen van die goederen is begrepen.
10. Door [eiseres] is in dat kader aangevoerd dat slechts sprake was van afgeschreven inventaris, ondermeer achtergebleven nadat eerst zijzelf en vervolgens verschillende huurders de woning hadden verlaten. Het is dan volgens [eiseres] ook niet vol te houden dat die inventaris een waarde vertegenwoordigd en als zodanig onderdeel uitmaakt van de huurprijs. Gedaagde heeft in de woning aanwezige inventaris, die op de inventaris lijst stond maar hem niet aanstond zoals stoelen, een woonkamer tafeltje en decoratieve objecten ook weggegooid, met instemming van [eiseres] . Volgens [eiseres] betreft de inventaris de in de woning door haar en daarna door opvolgende huurders achter gelaten meubels. Door [eiseres] is gemotiveerd betwist dat uit bij de Huurcommissie overgelegde bonnen van Ikea blijkt dat er nieuwe inventaris is aangeschaft. Die bonnen zien volgens [eiseres] wel op in de woning geïnstalleerde keukenkasten maar niet op ter beschikking gestelde inventaris.
[eiseres] verwijst naar het verslag van de rapporteur van de Huurcommissie waarin staat “Volgens de huurder is de meubilering en stoffering al afgeschreven en wordt er niet voor betaald. De huurprijs van € 1.300,00 is de kale huurprijs volgens de verhuurder. De huurder verklaarde tijdens het onderzoek dat de kale huurprijs inderdaad € 1300,00 bedraagt. “
11. [gedaagde] heeft er op gewezen dat in de huurovereenkomst staat dat de huurprijs het bedrag is voor het gebruik van het gehuurde en het gebruik van de vaste inventaris maar exclusief Wifi, elektriciteit, gas en water. [eiseres] heeft in haar eerste reactie aan de Huurcommissie van 22 mei 2023 weliswaar betwist dat het een all-in prijs was maar er wel op gewezen dat de woning volledig was gemeubileerd en was voorzien van keukengerei. Door [gedaagde] wordt betwist dat hij tegenover de rapporteur van de Huurcommissie heeft verklaard dat de meubilering en stoffering geen waarde vertegenwoordigde, dat die al was afgeschreven en dat het bedrag van € 1300,00 de kale huurprijs bedroeg. Volgens een door [gedaagde] opgestelde inventaris lijst is er voor tenminste een bedrag van € 3.272,91 aan roerende zaken in het gehuurde aanwezig waarbij hij voor zaken jonger dan 5 jaar is uitgegaan van de verkoopprijs en voor oudere zaken van de tweede handsprijs. [gedaagde] stelt zich in lijn met de uitspraak van de Huurcommissie op het standpunt dat niet vast is komen te staan dat het ter beschikking gestelde meubilair en inventaris geen waarde vertegenwoordigt en om niet ter beschikking is gesteld. [gedaagde] heeft een lijst opgesteld van de volgens hem in de woning aanwezige meubels, stoffering en inventaris. De goederen die ook op de inventarislijst bij de huurovereenkomst staan hebben volgens [gedaagde] een bij elkaar opgetelde ‘purchase price’ van € 2.607,69.
12. In deze zaak heeft de Huurcommissie geconcludeerd dat sprake is van een all-in huur van € 1.300,00 en de huur vastgesteld op 55% daarvan, te weten € 715,00 en het voorschot bedrag bijkomende kosten vastgesteld op € 525,00. De Huurcommissie overweegt dat uit de huurovereenkomst niet blijkt dat het meubilair om niet ter beschikking wordt gesteld Volgens de Huurcommissie slaagt de stelling van de verhuurder dat het meubilair geen waarde vertegenwoordigt niet omdat vast staat dat er in 2020 inventaris is aangeschaft en ook meubilair ouder dan vijf jaar nog een waarde kan vertegenwoordigen.
13. Bij de beoordeling of in de tussen partijen overeengekomen huurprijs van € 1.300,00 ook een vergoeding voor het ter beschikking stellen van meubilair en andere inventaris is opgenomen komt het aan op hetgeen in de huurovereenkomst staat en wat partijen over en weer in redelijkheid konden verwachten, waarbij zowel de feiten en omstandigheden bij het afsluiten van de huurovereenkomst als de manier waarop partijen invulling hebben gegeven aan de huurovereenkomst een rol spelen.
14. Uit de voor het sluiten van de huurovereenkomst tussen partijen gewisselde berichten in een facebookchat blijkt dat [gedaagde] en [eiseres] overeenstemming hadden over de huurprijs voordat duidelijk was welke meubels en overige inventaris in de woning aanwezig zouden zijn (zie r.o. 1.1). Vervolgens hebben partijen een huurovereenkomst gesloten, waarin onder meer staat:
“(…) Voor dagelijkse slijtage van de inventaris zullen geen extra kosten in rekening worden gebracht, wel zullen er kosten in rekening worden gebracht als er iets van de inventaris en het gehuurde ontbreekt, kapot of beschadigd is. (….)
f) De huurprijs is het bedrag voor het gebruik van het gehuurde, het gebruik van de vaste inventaris but exclusive WIFI, Elektriciteit, Gas en Water.”
In het verslag van de rapporteur van de Huurcommissie staat “Volgens de huurder is de meubilering en stoffering al afgeschreven en wordt er niet voor betaald. De huurprijs van € 1.300,00 is de kale huurprijs volgens de verhuurder. De huurder verklaarde tijdens het onderzoek dat de kale huurprijs inderdaad € 1300,00 bedraagt.“ Dat [gedaagde] en niet [eiseres] zou hebben verklaard dat meubilering en stoffering al is afgeschreven, wordt door [gedaagde] betwist. Gelet op het verslag van de rapporteur van de Huurcommissie gaat de kantonrechter er wel van uit dat [gedaagde] , nadat [eiseres] heeft gezegd dat de huurprijs van € 1.300,00 de kale huur is, dit heeft bevestigd tegenover de rapporteur.
15. Naar het oordeel van de kantonrechter is een redelijke uitleg van hetgeen in de overeenkomst staat, ook gelet op de wijze waarop partijen invulling hebben gegeven aan die overeenkomst, dat de roerende goederen door [eiseres] aan [gedaagde] om niet ter beschikking zijn gesteld. Aan die conclusie liggen de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag. In de huurovereenkomst staat dat kosten voor slijtage niet hoeven te worden vergoed maar er kosten in rekening worden gebracht wanneer er iets ontbreekt of kapot of beschadigd is. De kantonrechter begrijpt deze zinsnede aldus dat alleen als er iets ontbreekt of kapot of beschadigd is kosten in rekening worden gebracht. Door beide partijen is tegen de rapporteur van de huurcommissie verklaard dat het bedrag van € 1.300,00 de kale huur betrof. Nadat [gedaagde] in het gehuurde was getrokken mocht hij van [eiseres] de meubels die hem niet aanstonden na overleg met haar weg doen. Er is geen voorschot voor variabele kosten in de huurprijs begrepen. De conclusie van de huurcommissie aan de hand van de overgelegde Ikea-bonnen dat er nieuwe inventaris voor [gedaagde] is aangeschaft kan niet uit die bonnen worden afgeleid omdat [eiseres] terecht heeft aangevoerd dat die bonnen met name op keukenkastjes zien. [eiseres] heeft aangevoerd en voor een groot aantal goederen ook onderbouwd dat er in de woning vooral al een groot aantal jaren in gebruik zijnde meubels en inventaris aanwezig waren, die nauwelijks waarde meer had.
16. Het voorgaande betekent dat de kantonrechter, anders dan de Huurcommissie, oordeelt dat geen sprake is van een all-in huur en dat de bij het begin van de huurovereenkomst overeengekomen huur van € 1.300,00 nog steeds de tussen partijen geldende huur is. Wel moet er, gelet op de door [gedaagde] ingestelde vorderingen, nog worden besproken wat het geconstateerde gebrek aan het gehuurde voor gevolgen heeft voor de verplichting van [gedaagde] de huur integraal te betalen.
Wat zijn de gevolgen van de gebreken voor de huurprijs?
17. Volgens het rapport van onderzoek van de Huurcommissie zijn er in de woning op 12 juni 2023 ernstige gebreken geconstateerd, te weten:
De vloer of/of wand van de doucheruimte is onvoldoende waterdicht waardoor er lekkage plaats vindt naar de woonkamer (tekst CNb2 Gebrekenboek);
Er bevinden zich ernstige vochtsporen op de muur in de woonkamer, hetgeen wordt veroorzaakt door lekkage vanuit de naastgelegen doucheruimte (C8 Gebrekenboek);
Volgens de Huurcommissie is voldoende aannemelijk dat de gebreken bij start van de huurovereenkomst aanwezig waren. Zij baseren zich daarbij op foto’s van [gedaagde] waarop volgens de Huurcommissie te zien is dat de muur in slecht conditie verkeerd en het stucwerk is opgebold.
18. De enige foto van de muur tussen badkamer en woonkamer van kort na aanvang van de huurovereenkomst betreft een foto met een hond van 6 december 2021. Op die foto zijn, ook uitvergroot, geen vochtsporen te zien. Er staat dan ook niet vast dat [eiseres] kon weten dat sprake was van een lekkage in de badkamer die vochtdoorslag gaf naar de muur van de woonkamer en daar voor opbolling van het stucwerk en schimmelvorm zorgde. [eiseres] heeft verklaard dat er begin 2021 een kleine reparatie aan een kapotte badkamer tegel heeft plaats gevonden maar de aard en omvang van de door de Huurcommissie op 12 juni 2023 geconstateerde gebrek maakt het niet waarschijnlijk dat die reparatie op hetzelfde gebrek zag als het vochtprobleem dat na de komst van [gedaagde] in de woning ontstond. Op de foto’s van de hond van respectievelijk 23 september en 12 november 2022 zijn wel vochtsporen te zien. Die foto’s heeft [gedaagde] echter niet naar [eiseres] opgestuurd noch heeft [eiseres] een melding van een lekkage van badkamer naar woonkamer en ernstige vochtsporen op de woonkamermuur van [gedaagde] ontvangen.
18. Nu [gedaagde] geen melding aan [eiseres] heeft gedaan van het vochtprobleem moet er van uitgegaan worden dat [eiseres] pas vanaf 12 juni 2023, bij het bezoek van de rapporteur van de Huurcommissie, op de hoogte raakte van het gebrek in de badkamermuur en het daardoor veroorzaakte vochtprobleem in en aan de woonkamer muur. In plaats van het probleem op te lossen heeft de gemachtigde van [eiseres] op 28 juni 2023 aan [gedaagde] een aansprakelijkheidsstelling gestuurd voor de herstelschade van het vochtprobleem. Dat is geen juiste manier van handelen van [eiseres] als verhuurder en ook daarom is vanaf 1 juli 2023 een tijdelijke verlaging van de huurprijs op zijn plaats. Die huurkorting bedraagt vanwege de ernst van de gebreken 60% van de overeengekomen huur van € 1.300,00. Het gebrek is in ieder geval per 1 april 2024 hersteld zodat het totaal aan huurkorting € 7.200,00 (te weten 9 maanden ad € 780,00) is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het instellen van de vordering in receconventie, te weten 4 oktober 2024.
20. Dat betekent dat de subsidiaire vordering in conventie van [eiseres] onder II zal worden toegewezen. Van de tegenvorderingen in reconventie van [gedaagde] zullen de vorderingen IV. en V. deels worden toegewezen.
21. De proceskosten dienen partijen ieder zelf te dragen, zowel in conventie als in reconventie, omdat zij allebei op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld.
22. Ter zitting heeft [gedaagde] toegezegd [eiseres] op de hoogte te zullen stellen als er opnieuw vocht doorslag op de muur tussen badkamer en woonkamer ontstaat. Het doorgeven van onderhoudsproblemen mag ook van hem verwacht worden op grond van zijn verplichting zich als een goed huurder te gedragen. Ook van [eiseres] mag verwacht worden dat zij de huurovereenkomst in overeenstemming met de eisen die aan een goed verhuurder kunnen worden gesteld nakomt.
BESLISSING
De kantonrechter:
In conventie
verklaart voor recht dat geen sprake is van een all-in prijs en dat partijen per 1 december 2021 een kale huur van € 1.300,00 per maand zijn overeengekomen;
verklaart voor recht dat de woonruimte in ieder geval op 12 juni 2023 de volgende ernstige gebreken had:
a. lekkage vanuit de doucheruimte naar de woonkamer, een gebrek in de categorie C (nummer Nb2);
b. ernstige vochtsporen op de muur in de woonkamer, een gebrek in de categorie C (nummer 8);
c. dat door ernstige gebreken in de woonruimte de huurprijs tijdelijk is verlaagd tot € 520,00 verlaagd per maand per 1 juli 2024 tot 1 april 2024;
In reconventie
veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] een bedrag te betalen van € 7.200,00 in verband met de huurkorting over de periode juli 2023 tot april 2024, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024;
In conventie en in reconventie
compenseert de proceskosten aldus dat beide partijen hun eigen kosten dragen;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. Patijn, kantonrechter, en in het openbaar
uitgesproken op 13 december 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 10801862 CV EXPL 23-14701
vonnis van: 13 december 2024
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
[eiseres]
wonende te [woonplaats]
eiseres
nader te noemen: [eiseres]
gemachtigde: mr. M.H.J. van Riessen
t e g e n
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde
nader te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: mr. D.J. Ruessink
VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE
In vervolg op het tussenvonnis van 14 mei 2024 zijn nog de volgende stukken aan het dossier toegevoegd:
- dagbepaling descente/voortzetting mondelinge behandeling;
- akte uitlating/ wijziging eis in reconventie van [gedaagde] , met producties;
- antwoordakte van [eiseres] , met producties.
De descente en voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2024. [eiseres] is verschenen, vergezeld door haar gemachtigde. [gedaagde] was ter plaatse, vergezeld door zijn gemachtigde. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
1. In vervolg op de in het tussenvonnis onder 1.2., 1.3. en 1.4. vastgestelde feiten is ook het volgende als gesteld en niet (voldoende) weersproken vast komen te staan.
1.1.
In een chat via Facebook messenger tussen [eiseres] en [gedaagde] op 27 oktober 2021 om 10.50 uur vraagt [eiseres] onder meer “Do you have your own furniture or are you looking to rent fully furnished? Daarop antwoordt [gedaagde] : “I have some of my own stuff but very minor (i.e. vacuum cleaner, some art, etc.). But I’m definitely looking to rent a furnished flat! (…) Price is also no problem” (productie 20 [eiseres] ).
1.2.
In andere chat berichten (productie 8 [gedaagde] ) laat [eiseres] op 27 oktober 2021 weten dat zij nieuw meubilair heeft besteld, een bed, een bank en een bureau om aan te werken. Op 4 november 2021 zegt ze in een chat dat ze meestal een kleine lijst maakt met items die met het huis komen, speciaal nu er zo veel net nieuwe meubels zijn maar dat ze niet ieder kopje, wijnglas of vork noemt. Op 9 november 2021 bericht [eiseres] dat haar vriend en de vader van haar zoon een gordijnrail komen ophangen.
1.3.
In de tussen partijen gesloten huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
“(…) a) Beiden partijen sluiten hierbij een overeenkomst voor huur en verhuur betreffende een appartement gelegen in [adres] verder te noemen “het gehuurde”.
b) Met inventaris volgens gespecificeerde lijst
c) Voor dagelijkse slijtage van de inventaris zullen geen extra kosten in rekening worden gebracht, wel zullen er kosten in rekening worden gebracht als er iets van de inventaris en het gehuurde ontbreekt, kapot of beschadigd is. (….)
f) De huurprijs is het bedrag voor het gebruik van het gehuurde, het gebruik van de vaste inventaris but exclusive WIFI, Elektriciteit, Gas en Water.
g) De wettelijke gemeentelijke belastingen voor bewoners/huurder zijn voor eigen rekening (…)”.
1.4.
In het rapport van onderzoek van de Huurcommissie naar aanleiding van een bezoek aan het gehuurde op 12 juni 2023 heeft de rapporteur onder meer het volgende vastgesteld:
- Het puntenaantal van het gehuurde is 143 en de maximale redelijke huurprijs is daarmee hoger dan de liberalisatiegrens.
- De huurder heeft zich niet op gebreken aan of tekortkomingen in de woonruimte beroepen maar tijdens het onderzoek zijn één of meer gebreken geconstateerd.
- Er bevinden zich ernstige vochtsporen op de muur in de woonkamer over een oppervlakte van ca. 1.30 x 20 cm (0,26 m2) en 50 x 40 (0,20 cm2), hetgeen wordt veroorzaakt door lekkage vanuit de naastgelegen toilet/doucheruimte. De vloer en/of wand van de doucheruimte is onvoldoende waterdicht waardoor er lekkage plaats vindt naar de woonkamer. Uit meting met de vochtmeter (Testo 606) is gebleken dat het steenachtige constructiedeel als zeer vochtig tot nat gekwalificeerd moet worden.
- Bij opmerkingen algemeen staat ondermeer dat volgens de huurder de meubilering en stoffering al is afgeschreven en er niet voor wordt betaald, dat volgens verhuurder de kale huurprijs € 1.300,00 is en dat de huurder tijdens het onderzoek heeft verklaard dat de kale huurprijs inderdaad € 1.300,00 bedraagt.
Standpunten van partijen in conventie en reconventie
2. [eiseres] vordert bij wijziging van eis in conventie voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad uit te spreken dat:
,primair
[eiseres] niet-ontvankelijk is, althans dat haar vordering dient te worden afgewezen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten,
subsidiair
dat partijen per 1 december 2021 een all-in prijs van € 1.300,00 per maand overeen zijn gekomen en de huurprijs ambtshalve vast te stellen op € 715,00 per maand en het voorschot voor bijkomende kosten op € 325,00 per maand;
dat het gehuurde per 1 december 2021 met 154 punten wordt gewaardeerd, zodat de maximaal redelijke huurprijs € 816,31 per maand bedraagt en uit te spreken dat derhalve de vastgestelde huurprijs van € 715,00 per maand redelijk is;
dat de woonruimte op 1 december 2021 de volgende ernstige gebreken had:
- lekkage vanuit de doucheruimte naar de woonkamer, een gebrek in de categorie C (nummer Nb2);
- ernstige vochtsporen op de muur in de woonkamer, een gebrek in de categorie C (nummer 8);
dat door ernstige gebreken in de woonruimte de ambtshalve vastgestelde huurprijs tijdelijk is verlaagd tot € 286,00 per maand per 1 december 2021 tot 1 april 2024.
3. In reconventie vordert [gedaagde] om bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] te veroordelen;
aan [gedaagde] de te veel betaalde huur te betalen, tot op heden € 14.002,00, althans een te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 22 december 2023 tot de voldoening;
aan [gedaagde] een bedrag van € 995,00 te betalen voor iedere maand vanaf november 2024 tot de maand volgende op die waarin het vonnis in deze zaak wordt gewezen en dat bedrag telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de eerste dag van de betreffende maand;
in de proceskosten.
4. [eiseres] voert verweer tegen het verzoek van [gedaagde] om terug te komen op het eindoordeel dat de termijn overschrijding met één dag [eiseres] niet kan worden tegengeworpen en stelt dat [gedaagde] hiertegen in hoger beroep had kunnen gaan hetgeen hij niet heeft gedaan zodat dit oordeel in rechte vast staat.
Verder voert [eiseres] aan dat de beschikbaar gestelde inventaris geen noemenswaardige waarde meer heeft en dat [gedaagde] ook geen bonnen heeft die rechtvaardigen dat zij servicekosten voor de inventaris bij [gedaagde] in rekening zou brengen. Er is volgens [eiseres] , anders dan de Huurcommissie oordeelt, daarom geen sprake van een all-in huur.
Ook voert [eiseres] aan dat [gedaagde] pas bij de rapporteur van de Huurcommissie heeft gemeld dat er een lekkage zou zijn terwijl hij met regelmaat over van alles klaagde. Volgens [eiseres] zou [gedaagde] tegen de rapporteur van de Huurcommissie tot twee keer toe hebben verklaard dat de muur in orde was toen hij er introk. Er heeft volgens [eiseres] weliswaar begin 2021 een kleine reparatie van een gebroken tegel in de badkamer plaats gevonden maar op het moment dat [gedaagde] de woning betrok was er geen enkele aanwijzing dat de badkamer muur lekte en dat de lekkage schimmelvorming op de muur van de woonkamer tot gevolg had zodat niet vast gesteld kan worden dat het gebrek bij aanvang van de huurovereenkomst met [gedaagde] al aanwezig was.
Beoordeling in conventie en in reconventie
5. In het tussenvonnis is geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de geringe termijn overschrijding aan [eiseres] tegen te werpen. De in het tussenvonnis genomen beslissing over de termijnoverschrijding is een eindbeslissing. De bezwaren die [gedaagde] in vervolg daarop nog tegen deze beslissing heeft aangevoerd zullen daarom verder onbesproken blijven. Door de beslissing in het tussenvonnis het beroep van [eiseres] in behandeling te nemen is de uitspraak van de Huurcommissie komen te vervallen. Dit betekent dat de punten waarover [gedaagde] de Huurcommissie om een uitspraak heeft verzocht weer open liggen en daarop, naast de overige in deze procedure ingestelde vorderingen, moet worden beslist.
6. Het verzoek van [gedaagde] bij de Huurcommissie betreft een verzoek Toetsing aanvangshuurprijs. In dat verzoek is op de vraag “Betreft dit een all-in huurprijs” bevestigend geantwoord, op de vraag of er op de ingangsdatum van het huurcontract gebreken in/aan de woning waren is “nee” geantwoord en bij het kopje “Extra toelichting” is door of namens [gedaagde] verzocht tijdens het woningonderzoek te controleren of er gebreken in de woonruimte aanwezig zijn.
7. In hetgeen partijen over het door de Huurcommissie vastgesteld puntenaantal naar voren brengen ziet de kantonrechter geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de Huurcommissie te komen over dat puntenaantal, 154 punten, waarbij het energielabel dat na aanvang van de huur is opgenomen tot toekenning van 11 punten heeft geleid. Door het aantal toe te kennen punten viel de woning bij het aangaan van de huur boven de liberalisatiegrens en mocht deze in de vrije sector worden verhuurd. Dat betekent dat de Huurcommissie alleen bevoegd was een uitspraak te doen over de aanvangshuur indien sprake was van een all-in prijs.
Wel of niet all-in prijs?
8. Op grond van artikel 17 a Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte kan de Huurcommissie indien blijkt dat sprake is van een all-in prijs - de huurovereenkomst omvat meer dan het enkele gebruik van de woonruimte - de huurprijs vaststellen op 55% van de overeengekomen prijs. Op grond van artikel 7:237 BW wordt onder huurprijs verstaan de prijs die verschuldigd is voor het enkele gebruik van de woonruimte. Onder servicekosten wordt in dat artikel verstaan de vergoeding voor de overige zaken en diensten die geleverd worden in verband met de bewoning van de woonruimte. In de bijlage bij het besluit servicekosten worden onder meer de volgende kosten als servicekosten aangemerkt:
De krachtens de huurovereenkomst mede ter beschikking gestelde roerende zaken in het woonruimtegedeelte van het gehuurde dan wel in de gemeenschappelijke gedeelten, waaronder in elk geval:
a. roerende apparatuur voor het verwarmen van water;
b. roerende keukenapparatuur;
c. roerende kachel;
d. meubilering, stoffering en overige inboedel.
9. Vast staat dat [eiseres] als verhuurder aan [gedaagde] als huurder meubels, stoffering en overige inboedel ter beschikking heeft gesteld, maar betwist wordt dat in de overeengekomen huurprijs ook een bedrag voor het ter beschikking stellen van die goederen is begrepen.
10. Door [eiseres] is in dat kader aangevoerd dat slechts sprake was van afgeschreven inventaris, ondermeer achtergebleven nadat eerst zijzelf en vervolgens verschillende huurders de woning hadden verlaten. Het is dan volgens [eiseres] ook niet vol te houden dat die inventaris een waarde vertegenwoordigd en als zodanig onderdeel uitmaakt van de huurprijs. Gedaagde heeft in de woning aanwezige inventaris, die op de inventaris lijst stond maar hem niet aanstond zoals stoelen, een woonkamer tafeltje en decoratieve objecten ook weggegooid, met instemming van [eiseres] . Volgens [eiseres] betreft de inventaris de in de woning door haar en daarna door opvolgende huurders achter gelaten meubels. Door [eiseres] is gemotiveerd betwist dat uit bij de Huurcommissie overgelegde bonnen van Ikea blijkt dat er nieuwe inventaris is aangeschaft. Die bonnen zien volgens [eiseres] wel op in de woning geïnstalleerde keukenkasten maar niet op ter beschikking gestelde inventaris.
[eiseres] verwijst naar het verslag van de rapporteur van de Huurcommissie waarin staat “Volgens de huurder is de meubilering en stoffering al afgeschreven en wordt er niet voor betaald. De huurprijs van € 1.300,00 is de kale huurprijs volgens de verhuurder. De huurder verklaarde tijdens het onderzoek dat de kale huurprijs inderdaad € 1300,00 bedraagt. “
11. [gedaagde] heeft er op gewezen dat in de huurovereenkomst staat dat de huurprijs het bedrag is voor het gebruik van het gehuurde en het gebruik van de vaste inventaris maar exclusief Wifi, elektriciteit, gas en water. [eiseres] heeft in haar eerste reactie aan de Huurcommissie van 22 mei 2023 weliswaar betwist dat het een all-in prijs was maar er wel op gewezen dat de woning volledig was gemeubileerd en was voorzien van keukengerei. Door [gedaagde] wordt betwist dat hij tegenover de rapporteur van de Huurcommissie heeft verklaard dat de meubilering en stoffering geen waarde vertegenwoordigde, dat die al was afgeschreven en dat het bedrag van € 1300,00 de kale huurprijs bedroeg. Volgens een door [gedaagde] opgestelde inventaris lijst is er voor tenminste een bedrag van € 3.272,91 aan roerende zaken in het gehuurde aanwezig waarbij hij voor zaken jonger dan 5 jaar is uitgegaan van de verkoopprijs en voor oudere zaken van de tweede handsprijs. [gedaagde] stelt zich in lijn met de uitspraak van de Huurcommissie op het standpunt dat niet vast is komen te staan dat het ter beschikking gestelde meubilair en inventaris geen waarde vertegenwoordigt en om niet ter beschikking is gesteld. [gedaagde] heeft een lijst opgesteld van de volgens hem in de woning aanwezige meubels, stoffering en inventaris. De goederen die ook op de inventarislijst bij de huurovereenkomst staan hebben volgens [gedaagde] een bij elkaar opgetelde ‘purchase price’ van € 2.607,69.
12. In deze zaak heeft de Huurcommissie geconcludeerd dat sprake is van een all-in huur van € 1.300,00 en de huur vastgesteld op 55% daarvan, te weten € 715,00 en het voorschot bedrag bijkomende kosten vastgesteld op € 525,00. De Huurcommissie overweegt dat uit de huurovereenkomst niet blijkt dat het meubilair om niet ter beschikking wordt gesteld Volgens de Huurcommissie slaagt de stelling van de verhuurder dat het meubilair geen waarde vertegenwoordigt niet omdat vast staat dat er in 2020 inventaris is aangeschaft en ook meubilair ouder dan vijf jaar nog een waarde kan vertegenwoordigen.
13. Bij de beoordeling of in de tussen partijen overeengekomen huurprijs van € 1.300,00 ook een vergoeding voor het ter beschikking stellen van meubilair en andere inventaris is opgenomen komt het aan op hetgeen in de huurovereenkomst staat en wat partijen over en weer in redelijkheid konden verwachten, waarbij zowel de feiten en omstandigheden bij het afsluiten van de huurovereenkomst als de manier waarop partijen invulling hebben gegeven aan de huurovereenkomst een rol spelen.
14. Uit de voor het sluiten van de huurovereenkomst tussen partijen gewisselde berichten in een facebookchat blijkt dat [gedaagde] en [eiseres] overeenstemming hadden over de huurprijs voordat duidelijk was welke meubels en overige inventaris in de woning aanwezig zouden zijn (zie r.o. 1.1). Vervolgens hebben partijen een huurovereenkomst gesloten, waarin onder meer staat:
“(…) Voor dagelijkse slijtage van de inventaris zullen geen extra kosten in rekening worden gebracht, wel zullen er kosten in rekening worden gebracht als er iets van de inventaris en het gehuurde ontbreekt, kapot of beschadigd is. (….)
f) De huurprijs is het bedrag voor het gebruik van het gehuurde, het gebruik van de vaste inventaris but exclusive WIFI, Elektriciteit, Gas en Water.”
In het verslag van de rapporteur van de Huurcommissie staat “Volgens de huurder is de meubilering en stoffering al afgeschreven en wordt er niet voor betaald. De huurprijs van € 1.300,00 is de kale huurprijs volgens de verhuurder. De huurder verklaarde tijdens het onderzoek dat de kale huurprijs inderdaad € 1300,00 bedraagt.“ Dat [gedaagde] en niet [eiseres] zou hebben verklaard dat meubilering en stoffering al is afgeschreven, wordt door [gedaagde] betwist. Gelet op het verslag van de rapporteur van de Huurcommissie gaat de kantonrechter er wel van uit dat [gedaagde] , nadat [eiseres] heeft gezegd dat de huurprijs van € 1.300,00 de kale huur is, dit heeft bevestigd tegenover de rapporteur.
15. Naar het oordeel van de kantonrechter is een redelijke uitleg van hetgeen in de overeenkomst staat, ook gelet op de wijze waarop partijen invulling hebben gegeven aan die overeenkomst, dat de roerende goederen door [eiseres] aan [gedaagde] om niet ter beschikking zijn gesteld. Aan die conclusie liggen de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag. In de huurovereenkomst staat dat kosten voor slijtage niet hoeven te worden vergoed maar er kosten in rekening worden gebracht wanneer er iets ontbreekt of kapot of beschadigd is. De kantonrechter begrijpt deze zinsnede aldus dat alleen als er iets ontbreekt of kapot of beschadigd is kosten in rekening worden gebracht. Door beide partijen is tegen de rapporteur van de huurcommissie verklaard dat het bedrag van € 1.300,00 de kale huur betrof. Nadat [gedaagde] in het gehuurde was getrokken mocht hij van [eiseres] de meubels die hem niet aanstonden na overleg met haar weg doen. Er is geen voorschot voor variabele kosten in de huurprijs begrepen. De conclusie van de huurcommissie aan de hand van de overgelegde Ikea-bonnen dat er nieuwe inventaris voor [gedaagde] is aangeschaft kan niet uit die bonnen worden afgeleid omdat [eiseres] terecht heeft aangevoerd dat die bonnen met name op keukenkastjes zien. [eiseres] heeft aangevoerd en voor een groot aantal goederen ook onderbouwd dat er in de woning vooral al een groot aantal jaren in gebruik zijnde meubels en inventaris aanwezig waren, die nauwelijks waarde meer had.
16. Het voorgaande betekent dat de kantonrechter, anders dan de Huurcommissie, oordeelt dat geen sprake is van een all-in huur en dat de bij het begin van de huurovereenkomst overeengekomen huur van € 1.300,00 nog steeds de tussen partijen geldende huur is. Wel moet er, gelet op de door [gedaagde] ingestelde vorderingen, nog worden besproken wat het geconstateerde gebrek aan het gehuurde voor gevolgen heeft voor de verplichting van [gedaagde] de huur integraal te betalen.
Wat zijn de gevolgen van de gebreken voor de huurprijs?
17. Volgens het rapport van onderzoek van de Huurcommissie zijn er in de woning op 12 juni 2023 ernstige gebreken geconstateerd, te weten:
De vloer of/of wand van de doucheruimte is onvoldoende waterdicht waardoor er lekkage plaats vindt naar de woonkamer (tekst CNb2 Gebrekenboek);
Er bevinden zich ernstige vochtsporen op de muur in de woonkamer, hetgeen wordt veroorzaakt door lekkage vanuit de naastgelegen doucheruimte (C8 Gebrekenboek);
Volgens de Huurcommissie is voldoende aannemelijk dat de gebreken bij start van de huurovereenkomst aanwezig waren. Zij baseren zich daarbij op foto’s van [gedaagde] waarop volgens de Huurcommissie te zien is dat de muur in slecht conditie verkeerd en het stucwerk is opgebold.
18. De enige foto van de muur tussen badkamer en woonkamer van kort na aanvang van de huurovereenkomst betreft een foto met een hond van 6 december 2021. Op die foto zijn, ook uitvergroot, geen vochtsporen te zien. Er staat dan ook niet vast dat [eiseres] kon weten dat sprake was van een lekkage in de badkamer die vochtdoorslag gaf naar de muur van de woonkamer en daar voor opbolling van het stucwerk en schimmelvorm zorgde. [eiseres] heeft verklaard dat er begin 2021 een kleine reparatie aan een kapotte badkamer tegel heeft plaats gevonden maar de aard en omvang van de door de Huurcommissie op 12 juni 2023 geconstateerde gebrek maakt het niet waarschijnlijk dat die reparatie op hetzelfde gebrek zag als het vochtprobleem dat na de komst van [gedaagde] in de woning ontstond. Op de foto’s van de hond van respectievelijk 23 september en 12 november 2022 zijn wel vochtsporen te zien. Die foto’s heeft [gedaagde] echter niet naar [eiseres] opgestuurd noch heeft [eiseres] een melding van een lekkage van badkamer naar woonkamer en ernstige vochtsporen op de woonkamermuur van [gedaagde] ontvangen.
18. Nu [gedaagde] geen melding aan [eiseres] heeft gedaan van het vochtprobleem moet er van uitgegaan worden dat [eiseres] pas vanaf 12 juni 2023, bij het bezoek van de rapporteur van de Huurcommissie, op de hoogte raakte van het gebrek in de badkamermuur en het daardoor veroorzaakte vochtprobleem in en aan de woonkamer muur. In plaats van het probleem op te lossen heeft de gemachtigde van [eiseres] op 28 juni 2023 aan [gedaagde] een aansprakelijkheidsstelling gestuurd voor de herstelschade van het vochtprobleem. Dat is geen juiste manier van handelen van [eiseres] als verhuurder en ook daarom is vanaf 1 juli 2023 een tijdelijke verlaging van de huurprijs op zijn plaats. Die huurkorting bedraagt vanwege de ernst van de gebreken 60% van de overeengekomen huur van € 1.300,00. Het gebrek is in ieder geval per 1 april 2024 hersteld zodat het totaal aan huurkorting € 7.200,00 (te weten 9 maanden ad € 780,00) is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het instellen van de vordering in receconventie, te weten 4 oktober 2024.
20. Dat betekent dat de subsidiaire vordering in conventie van [eiseres] onder II zal worden toegewezen. Van de tegenvorderingen in reconventie van [gedaagde] zullen de vorderingen IV. en V. deels worden toegewezen.
21. De proceskosten dienen partijen ieder zelf te dragen, zowel in conventie als in reconventie, omdat zij allebei op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld.
22. Ter zitting heeft [gedaagde] toegezegd [eiseres] op de hoogte te zullen stellen als er opnieuw vocht doorslag op de muur tussen badkamer en woonkamer ontstaat. Het doorgeven van onderhoudsproblemen mag ook van hem verwacht worden op grond van zijn verplichting zich als een goed huurder te gedragen. Ook van [eiseres] mag verwacht worden dat zij de huurovereenkomst in overeenstemming met de eisen die aan een goed verhuurder kunnen worden gesteld nakomt.
BESLISSING
De kantonrechter:
In conventie
verklaart voor recht dat geen sprake is van een all-in prijs en dat partijen per 1 december 2021 een kale huur van € 1.300,00 per maand zijn overeengekomen;
verklaart voor recht dat de woonruimte in ieder geval op 12 juni 2023 de volgende ernstige gebreken had:
a. lekkage vanuit de doucheruimte naar de woonkamer, een gebrek in de categorie C (nummer Nb2);
b. ernstige vochtsporen op de muur in de woonkamer, een gebrek in de categorie C (nummer 8);
c. dat door ernstige gebreken in de woonruimte de huurprijs tijdelijk is verlaagd tot € 520,00 verlaagd per maand per 1 juli 2024 tot 1 april 2024;
In reconventie
veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] een bedrag te betalen van € 7.200,00 in verband met de huurkorting over de periode juli 2023 tot april 2024, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024;
In conventie en in reconventie
compenseert de proceskosten aldus dat beide partijen hun eigen kosten dragen;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. Patijn, kantonrechter, en in het openbaar
uitgesproken op 13 december 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.