Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2022:1786

2022-03-09 Civiel recht C/13/708987 / HA ZA 21-945
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2022-03-09
Publicatiedatum
2022-04-05
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/13/708987 / HA ZA 21-945
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vonnis in bevoegdheidsincident en incident tot zekerheidstelling voor proceskosten

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.853 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM


Afdeling privaatrecht





zaaknummer / rolnummer: C/13/708987 / HA ZA 21-945




Vonnis in incident van 9 maart 2022




in de zaak van



de rechtspersoon naar buitenlands recht

REVEALROX DMCC,
gevestigd te Dubai (Verenigde Arabische Emiraten),
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. P.L. Reeskamp te Amsterdam,



tegen





[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. S.K. Tuithof te Haarlem.



Partijen worden hierna Revealrox en [gedaagde] genoemd.






1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit


de dagvaarding van 28 juli 2021,


de akte overlegging producties behorend bij de dagvaarding,


kopieën van het exploot betekening instellen eis in de hoofdzaak aan derde ex art. 721 Rv,


de conclusie van eis in het incident van [gedaagde] , inhoudende een incidentele eis tot onbevoegdverklaring en een incidentele eis strekkende tot zekerheidsstelling (hierna: de incidenten),


de conclusie van antwoord in de incidenten van Revealrox.





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in beide incidenten.





2De feiten in de incidenten


2.1.
Revealrox houdt zich bezig met de distributie van natuursteen uit steengroeven in Iran. [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is concessie- en licentiehouder van de steengroeven. Revealrox maakt deel uit van een groep van vennootschappen, waartoe ook ATRH Holding B.V. behoort.



2.2.
In 2017 heeft de heer [naam 2] gewerkt bij Revealrox. In hetzelfde jaar heeft [gedaagde] gewerkt bij ATRH.



2.3.
Tot mei 2017 werden de Iraanse steengroeven geëxploiteerd door een joint venture van [naam 1] en [naam 3] . Deze samenwerking is met een conflict geëindigd. Een daarover door hem aangespannen kort geding heeft [naam 3] eind november 2017 verloren.



2.4.
Revealrox en enkele andere partijen (e.a.) hebben na verkregen verlof op 31 januari 2018 conservatoir bewijsbeslag doen leggen ten laste van [gedaagde] op diverse (digitale) bescheiden.



2.5.
Revealrox e.a. hebben tegen [gedaagde] een inzagevordering als bedoeld in artikel 843a Rv met betrekking tot de onder het bewijsbeslag vallende bescheiden ingesteld (hierna: de inzageprocedure). Nadat de rechtbank Overijssel deze vordering had afgewezen, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep deze vordering bij arrest van 22 juni 2021 alsnog toegewezen.





3Het geschil in de hoofdzaak


3.1.
Revealrox vordert – kort samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:



verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door Revealrox geleden schade op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) wegens onrechtmatig handelen jegens Revealrox als omschreven in de dagvaarding;



[gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de dientengevolge door Revealrox geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.





3.2.
Revealrox legt aan deze vordering kort gezegd het volgende ten grondslag. Tegen Revealrox is – al dan niet naar aanleiding van de uitkomst van het kort geding tussen [naam 1] en [naam 3] – een lastercampagne gevoerd, bestaande onder meer uit valse beschuldigingen om het beeld te creëren dat zij zaken doet met criminelen en onderdeel is van een crimineel netwerk. [gedaagde] heeft de lastercampagne tegen Revealrox gefaciliteerd en hieraan actief uitvoering gegeven. In de inzageprocedure heeft Revealrox voor de betrokkenheid van [gedaagde] bij de lastercampagne gewezen op verschillende feiten en omstandigheden. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat deze omstandigheden voldoende zijn om de aannemelijkheidsdrempel voor inzage te rechtvaardigen, aldus Revealrox.



3.3.
Revealrox baseert de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank om van het geschil kennis te nemen op artikel 102 Rv. Zij wijst daarbij op de volgende feiten waaruit de verbondenheid met het arrondissement Amsterdam blijkt:
- de lastercampagne was het eerste zoekresultaat op Google, zo ook raadpleegbaar in het arrondissement Amsterdam;
- vanaf 4 december 2017 zijn via Twitter onder de naam [twitter account] berichten gepost met een link naar de website waarop het zogenoemde GABME-rapport was gepubliceerd, waaronder de beschuldigende mededelingen over Revealrox. De berichten waren ook raadpleegbaar in het arrondissement Amsterdam;
- het [twitter account] -rapport is onder klanten en relaties van Revealrox verspreid en anoniem toegezonden aan de redactie van het tijdschrift Quote, gevestigd in Amsterdam. Vervolgens heeft Quote verschillende artikelen gepubliceerd die zijn gewijd aan de zakelijke activiteiten van [naam 1] waarin ook Revealrox en de [twitter account] -berichtgeving wordt genoemd;
- [gedaagde] en [naam 2] hadden, onder meer op 19 januari 2019 een ontmoeting in [locatie] om de lastercampagne te bespreken, aldus steeds Revealrox.



3.4.

[gedaagde] heeft in de hoofdzaak nog niet van antwoord gediend.





4Het geschil en de beoordeling in het bevoegdheidsincident

4.1.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank Amsterdam zich relatief onbevoegd verklaart van het geschil kennis te nemen, met veroordeling van Revealrox in de kosten van het incident.



4.2.

[gedaagde] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Revealrox heeft niet gesteld dat het schadebrengende feit zich in Amsterdam heeft voorgedaan. Dat betekent dat deze rechtbank geen relatieve bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 102 Rv, zodat zij onbevoegd is om van onderhavig geschil kennis te nemen. [gedaagde] verzoekt de zaak te verwijzen naar de bevoegde rechtbank.



4.3.
Revealrox voert verweer.



4.4.
Hoewel niet in geschil, moet de rechtbank vanwege de internationale aspecten van deze zaak allereerst ambtshalve vaststellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Het geschil valt zowel materieel, formeel als temporeel onder het toepassingsgebied van de Brussel I bis-Verordening: het betreft een burgerlijke en handelszaak die is ingesteld na 10 januari 2015 tegen een verweerder met een woonplaats in de Europese Unie. In dit geval komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe op grond van de hoofdregel van de Brussel I bis-Verordening (artikel 4). Die hoofdregel kent immers kort gezegd bevoegdheid toe aan de gerechten van de lidstaat van de woonplaats van gedaagde en [gedaagde] woont in Nederland.



4.5.
Daarnaast moet de rechtbank ook ambtshalve haar absolute bevoegdheid vaststellen aan de hand van de dienaangaande bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Nu in de hoofdzaak geen sprake is van vorderingen die tot de absolute bevoegdheid van de kantonrechter behoren is gelet op het bepaalde in artikel 93 Rv niet de kantonrechter maar de gewone civiele rechter absoluut bevoegd om de vordering te behandelen.



4.6.
Eerst dan komt de door [gedaagde] opgeworpen vraag naar de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank aan de orde. [gedaagde] betwist dat de relatieve bevoegdheidsregel van artikel 102 Rv, waarop Revealrox zich beroept, van toepassing is.



4.7.
Ingevolge artikel 102 Rv is in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad mede bevoegd de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Deze regel is ook opgenomen in artikel 6 sub e Rv voor de rechtsmacht, en is ontleend aan de (voorlopers van) artikel 7, aanhef en punt 2, van de genoemde Brussel I bis-Verordening. Bij de uitleg van de bepaling zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over het begrip schadebrengende feit in dit artikel, omdat niet aannemelijk is dat de wetgever heeft beoogd hiervan af te wijken. Volgens de rechtspraak van het HvJ EU omvat de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan zowel de plaats waar de schade is ingetreden als de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis, maar mag het begrip niet zo ruim worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt, zich openbaren of voelbaar zijn.



4.8.
In dit geval gaat het (zie 3.3 hiervoor) onder meer om berichten die al dan niet via Twitter zijn geplaatst op het internet. De gestelde smadelijke uitlatingen in die berichten zijn in heel Nederland toegankelijk geweest, waarmee het schadebrengende feit in de vooropgestelde zin zich in heel Nederland en dus logischerwijs ook in het arrondissement Amsterdam heeft voorgedaan. Dat daaraan een feit vooraf is gegaan dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt, is gesteld noch gebleken. [gedaagde] heeft nog betoogd dat het voorgaande niet geldt voor hem, omdat hem slechts het verwijt wordt gemaakt dat hij de gestelde lastercampagne heeft gefaciliteerd. [gedaagde] miskent echter dat hem ook wordt verweten dat hij actief uitvoering aan de gestelde lastercampagne heeft gegeven, en hij dus mede voor de lastercampagne – die zich als gesteld mede in het arrondissement Amsterdam heeft voorgedaan – verantwoordelijk wordt gehouden. Een en ander betekent dat artikel 102 Rv in dit geval van toepassing is.



4.9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank relatief bevoegd is om van de in de hoofdzaak tegen [gedaagde] ingestelde vorderingen kennis te nemen. Dat betekent dat de incidentele vordering van [gedaagde] moet worden afgewezen.





5Het geschil en de beoordeling in het incident tot zekerheidsstelling

5.1.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank Revealrox veroordeelt om binnen vier weken na dit vonnis zekerheid te stellen voor de proceskosten en schadevergoeding van € 250.000,-- althans een in goede justitie te bepalen bedrag, door middel van een bankgarantie van een Nederlandse Bankinstelling volgens het NVB model 1999, of het storten van genoemd bedrag op de derdengeldrekening van de raadsman van [gedaagde] , en voor zover Revealrox daar niet aan voldoet, haar niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, met veroordeling van Revealrox in de proceskosten.


5.2.

[gedaagde] legt hieraan ten grondslag dat artikel 224 Rv Revealrox tot deze zekerheidstelling verplicht, en dat hij een daadwerkelijke proceskostenveroordeling zal verzoeken, nu deze procedure een herhaling van zetten is ten opzichte van een eerder gevoerde procedure tussen een aan Revealrox gelieerde partij en [gedaagde] waarin [gedaagde] in het gelijk is gesteld.



5.3.
Revealrox voert verweer.



5.4.
De rechtbank overweegt dat artikel 224 lid 1 Rv, voor zover hier van belang, bepaalt dat allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen verplicht zijn op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden.



5.5.
De strekking van artikel 224 Rv is te voorkomen dat een in het gelijk gestelde gedaagde wordt geconfronteerd met oninbaarheid van een proceskostenveroordeling als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging daarvan in het land waar de eiser zijn woonplaats heeft (zie HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1580).



5.6.
Revealrox heeft geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland. Daarnaast geldt dat niet is gesteld of gebleken dat zich een van de uitzonderingsgronden genoemd in artikel 224 lid 2 Rv voordoet. Revealrox voert nog wel aan dat de vordering tot zekerheidsstelling als buitengewoon onpraktisch en onredelijk moet worden bestempeld. Zij wijst er in dit verband op dat slechts de te liquideren proceskosten voor zekerheidsstelling in aanmerking zouden kunnen komen, een bedrag dat zij berekent op ten hoogste € 4.054,-- en dat de kosten ter uitvoering van een zekerheidsstelling naar alle waarschijnlijkheid groter dan of ongeveer gelijk aan dit bedrag zijn. Hoewel Revealvox aan dit betoog geen (duidelijke) conclusie heeft verbonden, meent zij kennelijk dat dit aan toewijzing van de vordering in de weg staat. Nu [gedaagde] met de vordering gebruik maakt van een hem als gedaagde toekomende wettelijke bevoegdheid, valt niet in te zien dat het gebruik daarvan onredelijk is, laat staan in die mate dat sprake is van misbruik van (proces)recht. Uit een en ander volgt dat de vordering tot zekerheidstelling als zodanig in beginsel voor toewijzing gereed ligt.



5.7.
Revealrox voert verweer tegen de omvang van de gevorderde zekerheidstelling. [gedaagde] baseert het door hem gevorderde bedrag van € 250.000,-- mede op een mogelijke daadwerkelijke proceskostenveroordeling. Om met de mogelijkheid van een dergelijke veroordeling rekening te kunnen houden zal [gedaagde] in dit incident daar enige handen en voeten aan moeten geven. Met zijn summiere toelichting heeft [gedaagde] dat onvoldoende gedaan. Reeds hierom bestaat geen reden om bij het bepalen van het bedrag waarvoor zekerheid gesteld dient te worden, uit te gaan van een mogelijke veroordeling van Revealrox in de werkelijke proceskosten in de hoofdzaak. Dat betekent dat alleen de te liquideren proceskosten resteren. Revealrox betoogt dat deze kosten beperkt zijn tot maximaal 6 punten aan proceshandelingen tezamen met het griffierecht, in totaal € 4.054,--. Dit bedrag komt de rechtbank redelijk voor. De rechtbank zal de proceskosten waarvoor Revealrox zekerheid moet stellen daarom begroten op een totaalbedrag van € 4.054,--.



5.8.
Over de wijze waarop de zekerheidstelling dient te geschieden bestaat geen geschil, nu Revealrox subsidiair overeenkomstig de vordering van [gedaagde] heeft aangeboden het door de rechtbank vast te stellen bedrag op de derdengeldenrekening van de advocaat van [gedaagde] te storten.



5.9.
De rechtbank stelt de termijn waarbinnen Revealrox zekerheid moet worden gesteld op de voet van artikel 616 lid 3 Rv vast op vier weken. Indien Revealrox nalaat tijdig zekerheid te stellen, zal zij als gevorderd door [gedaagde] in haar vorderingen in de hoofdzaak niet-ontvankelijk worden verklaard. Partijen kunnen zich op de rol van 6 april 2022 bij gelijktijdig bericht uitlaten of de hiervoor bedoelde zekerheid door Revealrox is gesteld.



Proceskosten




6. Nu beide partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten in de incidenten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.






7De beslissing
De rechtbank



in het bevoegdheidsincident



7.1.
wijst het gevorderde af,



in het incident tot zekerheidsstelling





7.2.
veroordeelt Revealrox om binnen vier weken na heden zekerheid ten behoeve van [gedaagde] te stellen voor een bedrag van € 4.054,-- voor de proceskosten waarin zij zou kunnen worden veroordeeld in de hoofdzaak, door middel van storting van het genoemde bedrag op de derdengeldrekening van de Stichting Derdengelden Tuithof Advocatuur,



7.3.
bepaalt dat indien en voor zover Revealrox niet binnen de in 7.2 genoemde termijn de genoemde zekerheid heeft gesteld, Revealrox niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vorderingen in de hoofdzaak,



7.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordeling onder 7.2 uitvoerbaar bij voorraad,



7.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,



in de incidenten





7.6.
compenseert de proceskosten, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt,



in de hoofdzaak





7.7.
verwijst de zaak naar de rol van 6 april 2022 voor bericht aan de zijde van beide partijen als hiervoor onder 5.9 bedoeld,




7.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.H. Broesterhuizen, rechter, bijgestaan door mr. P.C.N. van Gelderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2022.




Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012, L 351.