Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2020:2877
2020-06-09
Civiel recht
C/13/683314 / KG ZA 20-393
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHAMS:2021:2432 → ECLI:NL:RBAMS:2020:2877
Inhoudsindicatie
voortzetting bankrelatie met Nederlandse vennootschap, die graan aan Suriname levert, afgewezen. Idem voor de prive-rekeningen van de UBO's. Wft, Wwft. hoog-risico-landen. onvoldoende en niet kloppende facturen
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2014:2929 Hoge Raad 10-10-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.573 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/683314 / KG ZA 20-393 CdK/MAH
Vonnis in kort geding van 9 juni 2020
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
3. [eiser 3],
voor deze zaak domicilie kiezende te [domicilie] ,
eisers bij dagvaarding van 15 mei 2020,
advocaat mr. P.P.E. Buchele te Arnhem,
tegen
de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaten mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer (procesadvocaat)
en mr. M.A. Algra (behandelend advocaat), beiden te Amsterdam.
Partijen zullen hierna ook [eisers] en eisers afzonderlijk [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] worden genoemd. Gedaagde zal ook ING worden genoemd.
1De procedure
1.1.
Op 26 mei 2020 is, met toepassing van artikel 2 lid 1 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, een zitting gehouden via beeldverbinding.
Aan deze Skype-zitting hebben deelgenomen:
- aan de zijde van eisers: [eiser 3] en [eiser 2] , met mr. Buchele en mr. M.J.R. Roethof
- aan de zijde van gedaagde: [naam 1] (analist) met mr. Algra. Tevens was
mr. [naam 2] (bedrijfsjurist) als toehoorder aan de zijde van ING aanwezig.
1.2.
ING heeft op 25 mei 2020 een ‘akte weergave feiten’ ingediend. Beide partijen hebben voor de zitting producties en een pleitnota in het geding gebracht. Aan de hand van de schriftelijke processtukken en de vragen van de voorzieningenrechter hebben partijen over en weer hun standpunten toegelicht.
ING heeft geconcludeerd tot weigering van de gevraagde voorzieningen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
[eiser 1] is opgericht op 25 juli 2014. Volgens het handelsregister zijn haar activiteiten: groothandel in granen; expediteurs, cargadoors, bevrachters en andere tussenpersonen in het goederenvervoer; im- en export van grondstoffen voor tarweproducten alsmede het zorgdragen voor de inkoop de (door)verkoop en de logistiek daarvan. Sinds begin 2015 heeft [eiser 1] bij ING een zakelijke rekening en een vreemde valutarekening.
2.2.
[eiser 3] en [eiser 2] zijn uiteindelijk belanghebbenden (ultimate beneficial owners, UBO’s) van [eiser 1] . [eiser 3] is tevens (rekening)gemachtigde en [eiser 2] tevens middellijk bestuurder (via zijn vennootschap [bedrijf 1] B.V.) van [eiser 1] . Zij hebben ieder ook een privé-betaalrekening bij ING. [eiser 2] heeft samen met iemand anders daarnaast een en/of-rekening bij ING.
2.3.
Op de bankrelaties van eisers bij ING zijn de Algemene Bankvoorwaarden 2017 (ABV) van toepassing.
2.4.
Op de rekeningen van [eiser 1] zijn tevens de Voorwaarden Zakelijke Rekening 2019 (VZR) van ING van toepassing. Artikel 7 VZR luidt, voor zover relevant:
“(…)
7.3
De Overeenkomst kan door de Bank op elk gewenst moment schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van 60 dagen.
7.4
In afwijking van het vorige lid is de Bank bevoegd de Overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen, zonder ter zake tot enige schadevergoeding te zijn gehouden, indien het recht of de plicht daartoe is opgenomen in wet- of regelgeving of wanneer de Rekeninghouder gebruik maakt of heeft gemaakt van diensten of producten van de Bank voor activiteiten of doeleinden die in strijd zijn met wet- en regelgeving, de goede naam van de Bank kunnen schaden of de integriteit van het financiële systeem kunnen aantasten.
(…)”
2.5.
Op de rekeningen van [eiser 3] en [eiser 2] zijn tevens de Voorwaarden Betaalrekening (BZR) van ING van toepassing, waarvan artikel 51.1 luidt:
“51.1 Alle overeenkomsten waarop deze Voorwaarden
Betaalrekening van toepassing zijn, kunnen worden opgezegd.
Voor u geldt hierin geen opzegtermijn. Voor ING geldt een
opzegtermijn van twee maanden.”
2.6.
Uit regulier onderzoek van de afdeling KYC Investigations (know your customer-onderzoek) van ING naar [eiser 1] en haar transacties via de ING-rekeningen is de volgende conclusie gekomen:“(…)In 2016 echter zijn de omzetten enorm toegenomen. (…) 2,6 mio en opvallend is dat de Meelmaatschappij uit Suriname bijna 2,5 mio naar [eiser 1] boekt, waarvan de meeste gelden weer worden door geboekt naar de rekening van de heer [eiser 3] in USA en naar entiteiten (waar weinig tot niets over te vinden is) in landen als Panama, Guyana, USA (Florida) en Trinidad. De transacties kwalificeren wij als ongebruikelijk.
(….)”
2.7.
Bij brief van 28 februari 2019 heeft ING aan [eisers] vragen over de bedrijfsactiviteiten en geldstromen gesteld en documenten opgevraagd. [eisers] heeft geantwoord bij brief van 20 maart 2019.
2.8.
In drie brieven van 12 juli 2019 aan eisers heeft ING op grond van artikel 2 lid 2 en artikel 35 ABV de bankrelaties met hen opgezegd tegen 12 oktober 2019 en bericht dat hun gegevens in haar Interne Verwijzingsregister (IVR) worden geplaatst voor de duur van acht jaar.
2.9.
In de opzeggingsbrief aan [eiser 1] geeft ING daarvoor de volgende redenen:
“Omdat de informatie die u ons toestuurde, niet het benodigde inzicht in uw
rekeninggebruik heeft gegeven, hebben wij na zorgvuldig beraad besloten de bankrelatie met u en beide UBO's de heren [eiser 3] en [eiser 2] op te zeggen. (…)
Onderzoek en bevindingen
(…):
• Bij het openen van de zakelijke rekening van [eiser 1] B.V. in 2015 is er verklaard dat [eiser 1] B.V. het saleskantoor in Europa is die graan exporteert vanuit Duitsland en Frankrijk naar Suriname. Volgens uw reactie van 20 maart 2019 zou deze handelswijze in principe nog steeds van kracht zijn. U verklaarde verder, dat door veranderde omstandigheden in Suriname, de activiteiten voor een nog onbekende periode geminimaliseerd zijn tot het inkopen van graan gerelateerde producten/additieven, die ook gebruikt worden door de meelproductiefabriek in Suriname.
Wij hebben geconstateerd dat de transacties in het jaar 2015 inderdaad in lijn zijn met de bedrijfsactiviteiten zoals door u verklaard.
In het jaar 2016 blijkt echter dat de ontvangen gelden uit Suriname niet zijn aangewend voor het kopen van graan in Duitsland en Frankrijk, maar dat de gelden zijn doorgeboekt naar bedrijven in High Risk Countries en Offshore jurisdicties. Deze internationale transacties zijn gedaan met bedrijven waarvan in openbare bronnen weinig tot niets te vinden is en waarvan de websites veelal ontbreken.
• Uit uw rekeninggegevens blijkt een buitenproportionele hoge omzetstijging in het Jaar 2016. Wij hebben bij u de Jaarcijfers over de jaren 2016 en 2017 opgevraagd, omdat uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [eiser 1] B.V. geen Jaarcijfers heeft gedeponeerd over 2016. Tevens hebben wij een kopie aangifte omzetbelasting over de jaren 2016 en 2017 bij u opgevraagd, omdat er op de rekeningen van [eiser 1] B.V. in de periode 2015 tot en met januari 2019 slechts 3 transacties te zien zijn met de Belastingdienst en slechts 1 transactie met een accountant in januari 2019. Volgens uw verklaring zouden de stukken wel degelijk gedeponeerd zijn via de accountant en was de BTW
eveneens afgehandeld. Documenten hieromtrent zijn niet aangeleverd.
• Inzake de ontvangen gelden uit Suriname hebben wij bij u facturen opgevraagd om de gedane transacties te verklaren. In de aangeleverde facturen, opgemaakt door [eiser 1] B.V. hebben wij diverse onregelmatigheden geconstateerd. Zo komen de bedragen op de facturen veelal niet overeen met de feitelijke transacties. Opvallend is verder dat de facturen een wisselende layout hebben, dat er niet altijd een datum op vermeld staat, terwijl het verplicht is een factuurdatum te vermelden voor de aangifte omzetbelasting, dat er wisselende ID-nummers voor eenzelfde client zijn gebruikt ( [betrokken bv] heeft op de ene
factuur customer ID: [nummer 1] en op een andere factuur Customer ID: [nummer 2] ) en dat diverse transacties al zijn uitgevoerd voordat de factuur überhaupt is opgemaakt.
• Inzake de overboekingen naar [bedrijf 2] B.V. heeft u verklaard dat deze bestemd zijn voor de heer [eiser 3] om deze lokaal in Suriname op te kunnen nemen. Deze gelden zouden voortvloeien uit de commissie die de heer [eiser 3] geniet bij [eiser 1] B.V.
[bedrijf 2] is de Nederlandse tak van een in Suriname gevestigde bedrijvengroep [naam bedrijvengroep] , die ook money transfer/ western union franchise heeft. Wij hebben bij u de facturen opgevraagd die door de heer [eiser 3] zijn opgemaakt, en hier valt op dat geen enkele factuur correspondeert met de gedane transacties. Ook blijken de volgnummers van de facturen door elkaar te lopen. ( Factuur [factuurnummer 2] is van 1 mei 2016 en factuurnummer [factuurnummer 1] is van 29 augustus 2016). Facturen zijn aan regels gebonden en de factuurnummering dient in een chronologische volgorde op te lopen.
Opzeggen bankrelatie
Op grond van het voorgaande kunnen we als bank onvoldoende inhoud geven aan onze verplichtingen uit de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Hieronder valt het garanderen dat onze rekeningen niet worden gebruikt in het kader van fraude en/of het witwassen van illegaal verkregen gelden. Daarnaast willen wij reputatie- en
integriteitsrisico's voorkomen.
(…)
De gegevens die betrekking hebben op [eiser 1] B.V. en diens UBO’s worden opgenomen in het Interne Verwijzingsregister (hierna 'IVR') voor de duur van maximaal 8 Jaar. Het IVR kan alleen door ING (inclusief dochterondernemingen) worden geraadpleegd en bevat verwijzingsgegevens van (rechts)personen die direct of indirect betrokken zijn geweest bij gebeurtenissen, waarbij onregelmatigheden zijn geconstateerd. Staan uw gegevens in het IVR, dan kan dit voor u gevolgen hebben. Bijvoorbeeld bij de aanvraag van producten of diensten bij ING.
(…)”
2.10.
In haar opzeggingsbrieven aan [eiser 3] en [eiser 2] heeft ING, onder verwijzing naar de brief aan [eiser 1] , gemeld dat de vertrouwensbreuk met [eiser 1] (mede) reden is voor de beëindiging van de bankrelatie met hen als wettelijk vertegenwoordiger / UBO van [eiser 1] .
2.11.
Bij e-mail van 1 september 2019 heeft [eiser 2] de jaarcijfers van [eiser 1] over 2016 en 2017 aan ING gestuurd.
2.12.
Zowel [eiser 2] als [eiser 3] hebben tegen de opzeggingen bezwaar aangetekend. In brieven van 18 oktober 2019 aan eisers heeft ING daarop afwijzend gereageerd.
2.13.
Op 28 november 2019 heeft de advocaat van eisers namens hen een klacht bij ING ingediend. ING heeft bij brief van 5 maart 2020 geantwoord het dossier opnieuw te hebben beoordeeld en haar standpunt te handhaven.
2.14.
Nadat de advocaat van eisers ING bij brief van 25 maart 2020 had gesommeerd om de bankrelaties voort te zetten en hun gegevens niet op te nemen in het IVR, heeft ING bij brief van 7 april 2020 haar standpunt gehandhaafd en bericht dat de bancaire relatie met [eiser 1] op 19 mei 2020 wordt beëindigd en die met [eiser 2] en [eiser 3] op 19 september 2020.
3Het geschil
3.1.
[eisers] vordert kort gezegd om
- primair: ING te bevelen de bankrelaties met eisers te continueren, op straffe van dwangsommen,
- subsidiair: de termijn waartegen de opzegging effect heeft te verlengen,- meer subsidiair: een voorziening te treffen waardoor [eisers] aan het geldverkeer op adequate wijze met behulp van ING kan deelnemen, althans een beslissing in goede justitie te nemen,
- een en ander met veroordeling in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
ING voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Er is voldoende spoedeisend belang bij de vorderingen, omdat de datum van beëindiging van de bankrelaties, in ieder geval voor [eiser 1] , nadert.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat ING op grond van het toepasselijke artikel 35 ABV bevoegd is de bankrelaties, die als duurovereenkomsten moeten worden aangemerkt, met eisers op te zeggen. Ook is niet in geschil dat ING de contractuele opzegtermijnen in acht heeft genomen en deze bovendien nog enkele malen heeft verlengd.
4.3.
De vraag in dit kort geding is of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de stelling van eisers zal volgen dat het gebruikmaken door ING van de contractuele opzeggingsbevoegdheid, gelet op alle omstandigheden van het geval, in strijd is met haar zorgplicht en/of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 6:248 lid 2 BW; zie HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929 ING/De Keijzer). Volgens eiseressen is dat het geval, maar ING meent van niet.
4.4.
Bij de beoordeling komt gewicht toe aan de in artikel 2 lid 1 ABV neergelegde zorgplicht, op grond waarvan ING bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht dient te nemen en daarbij naar beste vermogen met de belangen van eisers rekening dient te houden. Uitgangspunt is dat het voor rechts- en natuurlijke personen voor hun functioneren en voortbestaan van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. Van belang is verder dat het hier niet gaat om een kredietrelatie. De beëindiging van een kredietrelatie zal eenvoudiger kunnen plaatsvinden dan het beëindigen van de gehele bankrelatie. Een (rechts)persoon die legale activiteiten ontplooit moet in beginsel toegang hebben tot het betalingsverkeer.
4.5.
Anderzijds komt gewicht toe aan de verplichting van eisers om ingevolge artikel 2 lid 2 ABV rekening te houden met de belangen van ING, zoals het kunnen voldoen aan haar verplichtingen jegens toezichthouders op grond van onder meer de Wft (Wet financieel toezicht) en de Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terroristische activiteiten).
Zo bepaalt artikel 3:10 Wft dat een bank gehouden is om een adequaat beleid te voeren dat de integere uitoefening van haar bedrijf waarborgt en onder meer tegengaat dat wegens haar klanten het vertrouwen in de bank of de financiële sector kan worden geschaad. Blijkens artikel 3:17 Wft dient dit beleid zich te vertalen in een daarbij passende inrichting van de bedrijfsvoering, welke inrichting nader is uitgewerkt in de artikelen 10 t/m 16 van het Besluit prudentiële regels Wft
(Bpr). Zo verplicht artikel 14 Bpr een bank om nauwkeurig onderzoek te doen naar haar klanten en mag zij geen relaties onderhouden met cliënten die het vertrouwen in de bank of in de financiële sector kunnen schaden.
Ook ingevolge artikel 3 Wwft is de bank verplicht om cliëntenonderzoek te verrichten. Als zij niet aan die verplichting kan voldoen, moet zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft de relatie beëindigen.
4.6.
Een instelling kan op basis van het cliëntenonderzoek en het vastgestelde risicoprofiel concluderen dat een bestaande relatie met een cliënt te grote integriteitrisico’s met zich brengt. Daarnaast kan het voorkomen dat het cliëntenonderzoek mislukt, bijvoorbeeld door het ontbreken van noodzakelijke informatie, waardoor de instelling niet kan vaststellen welk doel de zakelijke relatie heeft. In beide gevallen moet ING de zakelijke relatie bij de eerstvolgende mogelijkheid verbreken. Anders dan [eisers] meent, heeft ING naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat die situatie zich met betrekking tot [eiser 1] voordoet.
4.7.
Zo zijn diverse geldstromen op met name de vreemde valutarekening waarover ING begrijpelijke vragen had, door [eisers] ten onrechte niet voldoende opgehelderd. Met name is niet steeds duidelijk geworden welke transacties daaraan ten grondslag liggen. Eisers hebben onvoldoende (duidelijke) stukken ter onderbouwing overgelegd. Op grond van het bedrijfsmodel van [eiser 1] zijn ontvangsten uit Suriname en uitgaven naar Frankrijk en Duitsland te verwachten. Uit het door ING overgelegde en door eisers op zichzelf niet betwiste transactieoverzicht 2015-2018 blijk echter dat vanaf 2016 ontvangsten op de rekening wel deels zijn aangewend om graan in te kopen in Duitsland, maar dat diverse en aanzienlijke bedragen zijn overgemaakt naar [eiser 3] en naar bedrijven in de USA en onder meer Panama, Guyana en Trinidad en Tobago. Deze laatste drie landen zijn inderdaad, zoals ING heeft aangevoerd, aan te merken als hoog risico-landen. Dat maakt alertheid bij ING begrijpelijk, maar hoeft op zichzelf nog niet te betekenen dat de transacties als ongebruikelijk zijn aan te merken. Daarvoor zijn echter in dit geval wel andere indicatoren.
4.8.
Zo overtuigt de verklaring niet van eisers, dat al deze Caribische vennootschappen deel uitmaken van de ‘supply chain’ van [eiser 1] en daarom passen in het bedrijfsmodel. Alleen al niet omdat eisers daarvan nauwelijks bewijsstukken, zoals contracten of facturen, hebben overgelegd. Ook heeft [eisers] weliswaar gesteld dat ING inzicht heeft in de bedrijven waarmee die transacties zijn aangegaan via het door [eisers] aangeleverde (overigens niet gewaarmerkte) UBO-organogram, maar ING heeft er terecht op gewezen dat de bedrijven waar het om gaat, met uitzondering van Eloquent Corp, daar niet op voorkomen.
4.9.
Met betrekking tot de transacties met het in de USA gevestigde Caribbean Interliner Services INC hebben eisers verklaard dat dit bedrijf graan verscheept (charter) voor [eiser 1] . Dan is het vreemd dat dit bedrijf in 2016 aan [eiser 1] USD 53.785,41 heeft overgemaakt. [eiser 3] heeft daarover ter zitting verklaard dat dat te maken zou kunnen hebben met terugbetaling van een te hoog begroot voorschot. Als dat waar zou zijn, zou er een eindafrekening van moeten zijn, maar ook die is door eisers niet overgelegd. Ook is het niet logisch dat in mei 2016 de vermeende terugbetaling plaatsvindt en dat [eiser 1] het bedrijf pas later dat jaar (USD 460.000) betaalt. Verder heeft [eiser 1] in 2018 USD 97.010,30 ontvangen van Caribbean Interliner Services INC, terwijl daar geen enkele betaling in 2018 (of 2017) aan vooraf ging. Eisers hebben voor dit alles geen bevredigende verklaring kunnen geven. Dat het hier zou gaan om terugbetaling van teveel betaalde bedragen is gezien het voorgaande niet aannemelijk.
4.10.
Daarnaast heeft [eisers] niet of onvoldoende betwist dat de door haar overgelegde facturen niet overeenkomen met de transacties. Ook heeft zij zelf gesteld dat bepaalde transacties of betalingen namens andere personen/partijen zijn gedaan of ontvangen. Zo hebben eisers ter verklaring van de aan [eiser 3] betaalde bedragen gesteld dat het hier gaat om door [eiser 1] aan [eiser 3] verschuldigde commissiegelden, die deels rechtstreeks aan [eiser 3] en deels via [bedrijf 2] B.V. zouden zijn betaald. Met ING is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door eisers overgelegde facturen van [eiser 3] niet in eisers voordeel spreken, nu de factuurbedragen niet corresponderen met transacties op de rekening(en), de facturen geen opdracht bevatten om de gelden aan [bedrijf 2] B.V. uit te betalen en facturen van [bedrijf 2] B.V. ontbreken.
4.11.
Eisers hebben wel de vraag van ING kunnen toelichten waarom in 2016 door [eiser 1] ineens een grote omzet is gemaakt en in latere jaren veel minder. Zij stellen dat [betrokken bv] in Suriname - een familiebedrijf van [eiser 3] - voor wie de graanleveranties uit Duitsland en Frankrijk bestemd waren, al een grote speler in de Caribische markt voor meelleveranties was, die in 2015 via [eiser 1] met deze toeleveranciers is gaan werken. Er hoefde dus geen nieuwe onderneming te worden opgezet. Later is [betrokken bv] de import zelf gaan organiseren, zodat de omzet van [eiser 1] weer daalde. Dit kan echter nog steeds de hiervoor onder 4.7 tot en met 4.10 besproken transacties niet verklaren.
4.12.
De conclusie is dan ook dat ING vanwege het door toedoen van eisers onvoldoende kunnen voldoen aan de onderzoeksplicht van de Wwft en vanwege concrete en reële integriteitsrisico’s voldoende gronden had voor de opzegging van de rekeningen van [eiser 1] . Daaruit vloeit voort dat ook de opzegging van de privé-rekeningen van [eiser 3] en [eiser 2] gerechtvaardigd was. Als UBO’s en gemachtigden over de rekeningen (en [eiser 2] daarnaast als bestuurder) waren beiden verantwoordelijk voor het gebruik van de rekeningen en de gang van zaken binnen [eiser 1] . Ook is de bestuurder verantwoordelijk voor het overleggen van door ING gevraagde stukken als facturen en jaarstukken (hetgeen onvolledig en/of laat is gebeurd). Daarbij wordt ten overvloede opgemerkt dat de rol van [eiser 2] relatief klein was; de handel werd in de eerste plaats door [eiser 3] gedreven. Indien was gevorderd om hun gegevens niet in het IVR op te nemen, zou deze vordering ten aanzien van [eiser 2] daarom vermoedelijk worden toegewezen.
4.13.
Er is geen belang aan de zijde van eisers dat de opzegging onaanvaardbaar maakt, ook al is begrijpelijk dat zij de rekeningen willen aanhouden. Na de opzegging is niet of nauwelijks geprobeerd om elders bij een andere bank rekeningen te openen. Niet gesteld of gebleken is dat eisers niet bij een andere bank terecht zouden kunnen. [eiser 3] heeft bovendien nog rekeningen in Suriname en in de USA en [eiser 2] bij een andere bank in Nederland. ING heeft eisers voorts voldoende gelegenheid gegeven om op haar vragen en zorgen te reageren.
4.14.
Mede gezien de redelijke termijn die bij de opzegging in acht is genomen, is gezien dit alles dan ook onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat ING in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht of dat de opzegging van de rekeningen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook voor toewijzing van de (meer) subsidiaire vorderingen is gelet op het voorgaande geen grond. De gevraagde voorzieningen zullen daarom worden geweigerd.
4.15.
Eisers zullen als de in het ongelijke gestelde partij in de proces- en nakosten worden veroordeeld, zoals gevraagd door ING.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen;
5.2.
veroordeelt eisers in de proceskosten, tot heden aan de zijde van gedaagde begroot op:
– € 656,00 aan griffierecht en
– € 980,00 aan salaris advocaat,
te vermeerderen met de wettelijke rente hierover indien eisers deze kosten niet binnen veertien dagen na dit vonnis hebben voldaan;
5.3.
veroordeelt eisers in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de voldoening;
5.4.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2020.
type: MAH
coll: mb
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/683314 / KG ZA 20-393 CdK/MAH
Vonnis in kort geding van 9 juni 2020
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
3. [eiser 3],
voor deze zaak domicilie kiezende te [domicilie] ,
eisers bij dagvaarding van 15 mei 2020,
advocaat mr. P.P.E. Buchele te Arnhem,
tegen
de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaten mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer (procesadvocaat)
en mr. M.A. Algra (behandelend advocaat), beiden te Amsterdam.
Partijen zullen hierna ook [eisers] en eisers afzonderlijk [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] worden genoemd. Gedaagde zal ook ING worden genoemd.
1De procedure
1.1.
Op 26 mei 2020 is, met toepassing van artikel 2 lid 1 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, een zitting gehouden via beeldverbinding.
Aan deze Skype-zitting hebben deelgenomen:
- aan de zijde van eisers: [eiser 3] en [eiser 2] , met mr. Buchele en mr. M.J.R. Roethof
- aan de zijde van gedaagde: [naam 1] (analist) met mr. Algra. Tevens was
mr. [naam 2] (bedrijfsjurist) als toehoorder aan de zijde van ING aanwezig.
1.2.
ING heeft op 25 mei 2020 een ‘akte weergave feiten’ ingediend. Beide partijen hebben voor de zitting producties en een pleitnota in het geding gebracht. Aan de hand van de schriftelijke processtukken en de vragen van de voorzieningenrechter hebben partijen over en weer hun standpunten toegelicht.
ING heeft geconcludeerd tot weigering van de gevraagde voorzieningen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
[eiser 1] is opgericht op 25 juli 2014. Volgens het handelsregister zijn haar activiteiten: groothandel in granen; expediteurs, cargadoors, bevrachters en andere tussenpersonen in het goederenvervoer; im- en export van grondstoffen voor tarweproducten alsmede het zorgdragen voor de inkoop de (door)verkoop en de logistiek daarvan. Sinds begin 2015 heeft [eiser 1] bij ING een zakelijke rekening en een vreemde valutarekening.
2.2.
[eiser 3] en [eiser 2] zijn uiteindelijk belanghebbenden (ultimate beneficial owners, UBO’s) van [eiser 1] . [eiser 3] is tevens (rekening)gemachtigde en [eiser 2] tevens middellijk bestuurder (via zijn vennootschap [bedrijf 1] B.V.) van [eiser 1] . Zij hebben ieder ook een privé-betaalrekening bij ING. [eiser 2] heeft samen met iemand anders daarnaast een en/of-rekening bij ING.
2.3.
Op de bankrelaties van eisers bij ING zijn de Algemene Bankvoorwaarden 2017 (ABV) van toepassing.
2.4.
Op de rekeningen van [eiser 1] zijn tevens de Voorwaarden Zakelijke Rekening 2019 (VZR) van ING van toepassing. Artikel 7 VZR luidt, voor zover relevant:
“(…)
7.3
De Overeenkomst kan door de Bank op elk gewenst moment schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van 60 dagen.
7.4
In afwijking van het vorige lid is de Bank bevoegd de Overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen, zonder ter zake tot enige schadevergoeding te zijn gehouden, indien het recht of de plicht daartoe is opgenomen in wet- of regelgeving of wanneer de Rekeninghouder gebruik maakt of heeft gemaakt van diensten of producten van de Bank voor activiteiten of doeleinden die in strijd zijn met wet- en regelgeving, de goede naam van de Bank kunnen schaden of de integriteit van het financiële systeem kunnen aantasten.
(…)”
2.5.
Op de rekeningen van [eiser 3] en [eiser 2] zijn tevens de Voorwaarden Betaalrekening (BZR) van ING van toepassing, waarvan artikel 51.1 luidt:
“51.1 Alle overeenkomsten waarop deze Voorwaarden
Betaalrekening van toepassing zijn, kunnen worden opgezegd.
Voor u geldt hierin geen opzegtermijn. Voor ING geldt een
opzegtermijn van twee maanden.”
2.6.
Uit regulier onderzoek van de afdeling KYC Investigations (know your customer-onderzoek) van ING naar [eiser 1] en haar transacties via de ING-rekeningen is de volgende conclusie gekomen:“(…)In 2016 echter zijn de omzetten enorm toegenomen. (…) 2,6 mio en opvallend is dat de Meelmaatschappij uit Suriname bijna 2,5 mio naar [eiser 1] boekt, waarvan de meeste gelden weer worden door geboekt naar de rekening van de heer [eiser 3] in USA en naar entiteiten (waar weinig tot niets over te vinden is) in landen als Panama, Guyana, USA (Florida) en Trinidad. De transacties kwalificeren wij als ongebruikelijk.
(….)”
2.7.
Bij brief van 28 februari 2019 heeft ING aan [eisers] vragen over de bedrijfsactiviteiten en geldstromen gesteld en documenten opgevraagd. [eisers] heeft geantwoord bij brief van 20 maart 2019.
2.8.
In drie brieven van 12 juli 2019 aan eisers heeft ING op grond van artikel 2 lid 2 en artikel 35 ABV de bankrelaties met hen opgezegd tegen 12 oktober 2019 en bericht dat hun gegevens in haar Interne Verwijzingsregister (IVR) worden geplaatst voor de duur van acht jaar.
2.9.
In de opzeggingsbrief aan [eiser 1] geeft ING daarvoor de volgende redenen:
“Omdat de informatie die u ons toestuurde, niet het benodigde inzicht in uw
rekeninggebruik heeft gegeven, hebben wij na zorgvuldig beraad besloten de bankrelatie met u en beide UBO's de heren [eiser 3] en [eiser 2] op te zeggen. (…)
Onderzoek en bevindingen
(…):
• Bij het openen van de zakelijke rekening van [eiser 1] B.V. in 2015 is er verklaard dat [eiser 1] B.V. het saleskantoor in Europa is die graan exporteert vanuit Duitsland en Frankrijk naar Suriname. Volgens uw reactie van 20 maart 2019 zou deze handelswijze in principe nog steeds van kracht zijn. U verklaarde verder, dat door veranderde omstandigheden in Suriname, de activiteiten voor een nog onbekende periode geminimaliseerd zijn tot het inkopen van graan gerelateerde producten/additieven, die ook gebruikt worden door de meelproductiefabriek in Suriname.
Wij hebben geconstateerd dat de transacties in het jaar 2015 inderdaad in lijn zijn met de bedrijfsactiviteiten zoals door u verklaard.
In het jaar 2016 blijkt echter dat de ontvangen gelden uit Suriname niet zijn aangewend voor het kopen van graan in Duitsland en Frankrijk, maar dat de gelden zijn doorgeboekt naar bedrijven in High Risk Countries en Offshore jurisdicties. Deze internationale transacties zijn gedaan met bedrijven waarvan in openbare bronnen weinig tot niets te vinden is en waarvan de websites veelal ontbreken.
• Uit uw rekeninggegevens blijkt een buitenproportionele hoge omzetstijging in het Jaar 2016. Wij hebben bij u de Jaarcijfers over de jaren 2016 en 2017 opgevraagd, omdat uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [eiser 1] B.V. geen Jaarcijfers heeft gedeponeerd over 2016. Tevens hebben wij een kopie aangifte omzetbelasting over de jaren 2016 en 2017 bij u opgevraagd, omdat er op de rekeningen van [eiser 1] B.V. in de periode 2015 tot en met januari 2019 slechts 3 transacties te zien zijn met de Belastingdienst en slechts 1 transactie met een accountant in januari 2019. Volgens uw verklaring zouden de stukken wel degelijk gedeponeerd zijn via de accountant en was de BTW
eveneens afgehandeld. Documenten hieromtrent zijn niet aangeleverd.
• Inzake de ontvangen gelden uit Suriname hebben wij bij u facturen opgevraagd om de gedane transacties te verklaren. In de aangeleverde facturen, opgemaakt door [eiser 1] B.V. hebben wij diverse onregelmatigheden geconstateerd. Zo komen de bedragen op de facturen veelal niet overeen met de feitelijke transacties. Opvallend is verder dat de facturen een wisselende layout hebben, dat er niet altijd een datum op vermeld staat, terwijl het verplicht is een factuurdatum te vermelden voor de aangifte omzetbelasting, dat er wisselende ID-nummers voor eenzelfde client zijn gebruikt ( [betrokken bv] heeft op de ene
factuur customer ID: [nummer 1] en op een andere factuur Customer ID: [nummer 2] ) en dat diverse transacties al zijn uitgevoerd voordat de factuur überhaupt is opgemaakt.
• Inzake de overboekingen naar [bedrijf 2] B.V. heeft u verklaard dat deze bestemd zijn voor de heer [eiser 3] om deze lokaal in Suriname op te kunnen nemen. Deze gelden zouden voortvloeien uit de commissie die de heer [eiser 3] geniet bij [eiser 1] B.V.
[bedrijf 2] is de Nederlandse tak van een in Suriname gevestigde bedrijvengroep [naam bedrijvengroep] , die ook money transfer/ western union franchise heeft. Wij hebben bij u de facturen opgevraagd die door de heer [eiser 3] zijn opgemaakt, en hier valt op dat geen enkele factuur correspondeert met de gedane transacties. Ook blijken de volgnummers van de facturen door elkaar te lopen. ( Factuur [factuurnummer 2] is van 1 mei 2016 en factuurnummer [factuurnummer 1] is van 29 augustus 2016). Facturen zijn aan regels gebonden en de factuurnummering dient in een chronologische volgorde op te lopen.
Opzeggen bankrelatie
Op grond van het voorgaande kunnen we als bank onvoldoende inhoud geven aan onze verplichtingen uit de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Hieronder valt het garanderen dat onze rekeningen niet worden gebruikt in het kader van fraude en/of het witwassen van illegaal verkregen gelden. Daarnaast willen wij reputatie- en
integriteitsrisico's voorkomen.
(…)
De gegevens die betrekking hebben op [eiser 1] B.V. en diens UBO’s worden opgenomen in het Interne Verwijzingsregister (hierna 'IVR') voor de duur van maximaal 8 Jaar. Het IVR kan alleen door ING (inclusief dochterondernemingen) worden geraadpleegd en bevat verwijzingsgegevens van (rechts)personen die direct of indirect betrokken zijn geweest bij gebeurtenissen, waarbij onregelmatigheden zijn geconstateerd. Staan uw gegevens in het IVR, dan kan dit voor u gevolgen hebben. Bijvoorbeeld bij de aanvraag van producten of diensten bij ING.
(…)”
2.10.
In haar opzeggingsbrieven aan [eiser 3] en [eiser 2] heeft ING, onder verwijzing naar de brief aan [eiser 1] , gemeld dat de vertrouwensbreuk met [eiser 1] (mede) reden is voor de beëindiging van de bankrelatie met hen als wettelijk vertegenwoordiger / UBO van [eiser 1] .
2.11.
Bij e-mail van 1 september 2019 heeft [eiser 2] de jaarcijfers van [eiser 1] over 2016 en 2017 aan ING gestuurd.
2.12.
Zowel [eiser 2] als [eiser 3] hebben tegen de opzeggingen bezwaar aangetekend. In brieven van 18 oktober 2019 aan eisers heeft ING daarop afwijzend gereageerd.
2.13.
Op 28 november 2019 heeft de advocaat van eisers namens hen een klacht bij ING ingediend. ING heeft bij brief van 5 maart 2020 geantwoord het dossier opnieuw te hebben beoordeeld en haar standpunt te handhaven.
2.14.
Nadat de advocaat van eisers ING bij brief van 25 maart 2020 had gesommeerd om de bankrelaties voort te zetten en hun gegevens niet op te nemen in het IVR, heeft ING bij brief van 7 april 2020 haar standpunt gehandhaafd en bericht dat de bancaire relatie met [eiser 1] op 19 mei 2020 wordt beëindigd en die met [eiser 2] en [eiser 3] op 19 september 2020.
3Het geschil
3.1.
[eisers] vordert kort gezegd om
- primair: ING te bevelen de bankrelaties met eisers te continueren, op straffe van dwangsommen,
- subsidiair: de termijn waartegen de opzegging effect heeft te verlengen,- meer subsidiair: een voorziening te treffen waardoor [eisers] aan het geldverkeer op adequate wijze met behulp van ING kan deelnemen, althans een beslissing in goede justitie te nemen,
- een en ander met veroordeling in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
ING voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Er is voldoende spoedeisend belang bij de vorderingen, omdat de datum van beëindiging van de bankrelaties, in ieder geval voor [eiser 1] , nadert.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat ING op grond van het toepasselijke artikel 35 ABV bevoegd is de bankrelaties, die als duurovereenkomsten moeten worden aangemerkt, met eisers op te zeggen. Ook is niet in geschil dat ING de contractuele opzegtermijnen in acht heeft genomen en deze bovendien nog enkele malen heeft verlengd.
4.3.
De vraag in dit kort geding is of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de stelling van eisers zal volgen dat het gebruikmaken door ING van de contractuele opzeggingsbevoegdheid, gelet op alle omstandigheden van het geval, in strijd is met haar zorgplicht en/of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 6:248 lid 2 BW; zie HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929 ING/De Keijzer). Volgens eiseressen is dat het geval, maar ING meent van niet.
4.4.
Bij de beoordeling komt gewicht toe aan de in artikel 2 lid 1 ABV neergelegde zorgplicht, op grond waarvan ING bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht dient te nemen en daarbij naar beste vermogen met de belangen van eisers rekening dient te houden. Uitgangspunt is dat het voor rechts- en natuurlijke personen voor hun functioneren en voortbestaan van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. Van belang is verder dat het hier niet gaat om een kredietrelatie. De beëindiging van een kredietrelatie zal eenvoudiger kunnen plaatsvinden dan het beëindigen van de gehele bankrelatie. Een (rechts)persoon die legale activiteiten ontplooit moet in beginsel toegang hebben tot het betalingsverkeer.
4.5.
Anderzijds komt gewicht toe aan de verplichting van eisers om ingevolge artikel 2 lid 2 ABV rekening te houden met de belangen van ING, zoals het kunnen voldoen aan haar verplichtingen jegens toezichthouders op grond van onder meer de Wft (Wet financieel toezicht) en de Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terroristische activiteiten).
Zo bepaalt artikel 3:10 Wft dat een bank gehouden is om een adequaat beleid te voeren dat de integere uitoefening van haar bedrijf waarborgt en onder meer tegengaat dat wegens haar klanten het vertrouwen in de bank of de financiële sector kan worden geschaad. Blijkens artikel 3:17 Wft dient dit beleid zich te vertalen in een daarbij passende inrichting van de bedrijfsvoering, welke inrichting nader is uitgewerkt in de artikelen 10 t/m 16 van het Besluit prudentiële regels Wft
(Bpr). Zo verplicht artikel 14 Bpr een bank om nauwkeurig onderzoek te doen naar haar klanten en mag zij geen relaties onderhouden met cliënten die het vertrouwen in de bank of in de financiële sector kunnen schaden.
Ook ingevolge artikel 3 Wwft is de bank verplicht om cliëntenonderzoek te verrichten. Als zij niet aan die verplichting kan voldoen, moet zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft de relatie beëindigen.
4.6.
Een instelling kan op basis van het cliëntenonderzoek en het vastgestelde risicoprofiel concluderen dat een bestaande relatie met een cliënt te grote integriteitrisico’s met zich brengt. Daarnaast kan het voorkomen dat het cliëntenonderzoek mislukt, bijvoorbeeld door het ontbreken van noodzakelijke informatie, waardoor de instelling niet kan vaststellen welk doel de zakelijke relatie heeft. In beide gevallen moet ING de zakelijke relatie bij de eerstvolgende mogelijkheid verbreken. Anders dan [eisers] meent, heeft ING naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat die situatie zich met betrekking tot [eiser 1] voordoet.
4.7.
Zo zijn diverse geldstromen op met name de vreemde valutarekening waarover ING begrijpelijke vragen had, door [eisers] ten onrechte niet voldoende opgehelderd. Met name is niet steeds duidelijk geworden welke transacties daaraan ten grondslag liggen. Eisers hebben onvoldoende (duidelijke) stukken ter onderbouwing overgelegd. Op grond van het bedrijfsmodel van [eiser 1] zijn ontvangsten uit Suriname en uitgaven naar Frankrijk en Duitsland te verwachten. Uit het door ING overgelegde en door eisers op zichzelf niet betwiste transactieoverzicht 2015-2018 blijk echter dat vanaf 2016 ontvangsten op de rekening wel deels zijn aangewend om graan in te kopen in Duitsland, maar dat diverse en aanzienlijke bedragen zijn overgemaakt naar [eiser 3] en naar bedrijven in de USA en onder meer Panama, Guyana en Trinidad en Tobago. Deze laatste drie landen zijn inderdaad, zoals ING heeft aangevoerd, aan te merken als hoog risico-landen. Dat maakt alertheid bij ING begrijpelijk, maar hoeft op zichzelf nog niet te betekenen dat de transacties als ongebruikelijk zijn aan te merken. Daarvoor zijn echter in dit geval wel andere indicatoren.
4.8.
Zo overtuigt de verklaring niet van eisers, dat al deze Caribische vennootschappen deel uitmaken van de ‘supply chain’ van [eiser 1] en daarom passen in het bedrijfsmodel. Alleen al niet omdat eisers daarvan nauwelijks bewijsstukken, zoals contracten of facturen, hebben overgelegd. Ook heeft [eisers] weliswaar gesteld dat ING inzicht heeft in de bedrijven waarmee die transacties zijn aangegaan via het door [eisers] aangeleverde (overigens niet gewaarmerkte) UBO-organogram, maar ING heeft er terecht op gewezen dat de bedrijven waar het om gaat, met uitzondering van Eloquent Corp, daar niet op voorkomen.
4.9.
Met betrekking tot de transacties met het in de USA gevestigde Caribbean Interliner Services INC hebben eisers verklaard dat dit bedrijf graan verscheept (charter) voor [eiser 1] . Dan is het vreemd dat dit bedrijf in 2016 aan [eiser 1] USD 53.785,41 heeft overgemaakt. [eiser 3] heeft daarover ter zitting verklaard dat dat te maken zou kunnen hebben met terugbetaling van een te hoog begroot voorschot. Als dat waar zou zijn, zou er een eindafrekening van moeten zijn, maar ook die is door eisers niet overgelegd. Ook is het niet logisch dat in mei 2016 de vermeende terugbetaling plaatsvindt en dat [eiser 1] het bedrijf pas later dat jaar (USD 460.000) betaalt. Verder heeft [eiser 1] in 2018 USD 97.010,30 ontvangen van Caribbean Interliner Services INC, terwijl daar geen enkele betaling in 2018 (of 2017) aan vooraf ging. Eisers hebben voor dit alles geen bevredigende verklaring kunnen geven. Dat het hier zou gaan om terugbetaling van teveel betaalde bedragen is gezien het voorgaande niet aannemelijk.
4.10.
Daarnaast heeft [eisers] niet of onvoldoende betwist dat de door haar overgelegde facturen niet overeenkomen met de transacties. Ook heeft zij zelf gesteld dat bepaalde transacties of betalingen namens andere personen/partijen zijn gedaan of ontvangen. Zo hebben eisers ter verklaring van de aan [eiser 3] betaalde bedragen gesteld dat het hier gaat om door [eiser 1] aan [eiser 3] verschuldigde commissiegelden, die deels rechtstreeks aan [eiser 3] en deels via [bedrijf 2] B.V. zouden zijn betaald. Met ING is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door eisers overgelegde facturen van [eiser 3] niet in eisers voordeel spreken, nu de factuurbedragen niet corresponderen met transacties op de rekening(en), de facturen geen opdracht bevatten om de gelden aan [bedrijf 2] B.V. uit te betalen en facturen van [bedrijf 2] B.V. ontbreken.
4.11.
Eisers hebben wel de vraag van ING kunnen toelichten waarom in 2016 door [eiser 1] ineens een grote omzet is gemaakt en in latere jaren veel minder. Zij stellen dat [betrokken bv] in Suriname - een familiebedrijf van [eiser 3] - voor wie de graanleveranties uit Duitsland en Frankrijk bestemd waren, al een grote speler in de Caribische markt voor meelleveranties was, die in 2015 via [eiser 1] met deze toeleveranciers is gaan werken. Er hoefde dus geen nieuwe onderneming te worden opgezet. Later is [betrokken bv] de import zelf gaan organiseren, zodat de omzet van [eiser 1] weer daalde. Dit kan echter nog steeds de hiervoor onder 4.7 tot en met 4.10 besproken transacties niet verklaren.
4.12.
De conclusie is dan ook dat ING vanwege het door toedoen van eisers onvoldoende kunnen voldoen aan de onderzoeksplicht van de Wwft en vanwege concrete en reële integriteitsrisico’s voldoende gronden had voor de opzegging van de rekeningen van [eiser 1] . Daaruit vloeit voort dat ook de opzegging van de privé-rekeningen van [eiser 3] en [eiser 2] gerechtvaardigd was. Als UBO’s en gemachtigden over de rekeningen (en [eiser 2] daarnaast als bestuurder) waren beiden verantwoordelijk voor het gebruik van de rekeningen en de gang van zaken binnen [eiser 1] . Ook is de bestuurder verantwoordelijk voor het overleggen van door ING gevraagde stukken als facturen en jaarstukken (hetgeen onvolledig en/of laat is gebeurd). Daarbij wordt ten overvloede opgemerkt dat de rol van [eiser 2] relatief klein was; de handel werd in de eerste plaats door [eiser 3] gedreven. Indien was gevorderd om hun gegevens niet in het IVR op te nemen, zou deze vordering ten aanzien van [eiser 2] daarom vermoedelijk worden toegewezen.
4.13.
Er is geen belang aan de zijde van eisers dat de opzegging onaanvaardbaar maakt, ook al is begrijpelijk dat zij de rekeningen willen aanhouden. Na de opzegging is niet of nauwelijks geprobeerd om elders bij een andere bank rekeningen te openen. Niet gesteld of gebleken is dat eisers niet bij een andere bank terecht zouden kunnen. [eiser 3] heeft bovendien nog rekeningen in Suriname en in de USA en [eiser 2] bij een andere bank in Nederland. ING heeft eisers voorts voldoende gelegenheid gegeven om op haar vragen en zorgen te reageren.
4.14.
Mede gezien de redelijke termijn die bij de opzegging in acht is genomen, is gezien dit alles dan ook onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat ING in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht of dat de opzegging van de rekeningen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook voor toewijzing van de (meer) subsidiaire vorderingen is gelet op het voorgaande geen grond. De gevraagde voorzieningen zullen daarom worden geweigerd.
4.15.
Eisers zullen als de in het ongelijke gestelde partij in de proces- en nakosten worden veroordeeld, zoals gevraagd door ING.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen;
5.2.
veroordeelt eisers in de proceskosten, tot heden aan de zijde van gedaagde begroot op:
– € 656,00 aan griffierecht en
– € 980,00 aan salaris advocaat,
te vermeerderen met de wettelijke rente hierover indien eisers deze kosten niet binnen veertien dagen na dit vonnis hebben voldaan;
5.3.
veroordeelt eisers in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de voldoening;
5.4.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2020.
type: MAH
coll: mb