Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:919

2026-09-25 Civiel recht 25/01812
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-09-25
Publicatiedatum
2026-09-24
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
—
Zaaknummer
25/01812
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Scheiding tussen kerk en staat; art. 9 (jo. 11) EVRM; art. 2:2 lid 2 BW; bevoegdheid van de burgerlijke rechter bij vordering uit onrechtmatige daad tegen Jehovah’s Getuigen; ontvankelijkheid; terugwijzing (art. 76 Rv); wijze van toetsing kerkelijk handelen aan art. 6:162 BW; rechterlijke regievoering bij vaststelling feiten; schending art. 8 EVRM en Verdrag van Istanbul door veronderstelde slachtoffers niet te horen; formulering rectificatiegebod.

Citeert (97)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (159.394 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN






Nummer 25/01812

Zitting 25 september 2026




CONCLUSIE



R.H. de Bock




in de zaak



Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland (CGJG)
advocaat: mr. A. Knigge



gevoegde partijen
1. [X] (hierna: X)
2. [Y] (hierna: Y)
advocaat: mr. A Knigge



tegen




[Z] (hierna: Z)
niet verschenen






1Inleiding en samenvatting

1.1
Na een melding van Y dat zij en haar zus X in hun jeugd seksueel misbruikt zijn door hun broer Z heeft de Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland (CGJG) een onderzoek ingesteld, waarna zij restricties (zoals een verbod om bijzondere taken te vervullen binnen de gemeente) heeft opgelegd aan Z. Ook is door CGJG aan de ouders van minderjarigen in de gemeente medegedeeld dat zij alert moeten zijn op contacten van hun kinderen met Z. De restricties zijn later weer ingetrokken.


1.2
Z heeft een procedure aanhangig gemaakt bij de burgerlijke rechter, waarbij hij heeft aangevoerd dat CGJG onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld doordat hij ten onrechte is beschuldigd van kindermisbruik. Hij beroept zich daarbij op kerkelijke regels van Jehovah’s Getuigen die volgens Z voor kindermisbruik vereisen dat vastgesteld wordt dat een volwassene een kind misbruikt en dat er twee getuigen zijn voor het misbruik. Aan die regels is niet voldaan, zodat CGJG niet had kunnen vaststellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan kindermisbruik. Bovendien heeft X haar beschuldigende verklaring tegen hem ingetrokken. Op grond hiervan vordert Z een verklaring voor recht dat CGJG onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, een veroordeling tot vergoeding van materiële en immateriële schade en een rechterlijk gebod aan het lichaam van ouderlingen om alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen te bezoeken en de ouders te vertellen, kort gezegd, dat hij geen kindermisbruiker is, op straffe van verbeurte van een dwangsom.


1.3
De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van Z.


1.4
In hoger beroep heeft het hof zich wel bevoegd geacht. Het hof heeft voor recht verklaard dat CGJG onrechtmatig heeft gehandeld door Z ten onrechte als dader van kindermisbruik aan te merken, en CGJG veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. Ook heeft het hof een gebod opgelegd aan CGJG om erop toe te zien dat het lichaam van ouderlingen alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat Z geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen de ouders ten onrechte heeft gewaarschuwd voor Z als kindermisbruiker.


1.5
In cassatie klaagt CGJG in de eerste plaats dat de burgerlijke rechter zich onbevoegd had moeten verklaren om kennis te nemen van de vorderingen, omdat het gaat om een interne kerkelijke aangelegenheid. Deze klacht slaagt m.i. niet. Ook de klacht dat het hof Z niet-ontvankelijk had moeten verklaren slaagt niet.


1.6
Wel slaagt de klacht dat het hof de zaak had moeten terugwijzen naar de rechtbank (art. 76 Rv). Alleen al om die reden kan het hofarrest niet in stand blijven.


1.7
Verder slagen ook klachten tegen het door het hof geformuleerde rectificatiegebod en tegen het feit dat het hof inhoudelijk heeft geoordeeld over het misbruik, zonder (i) CGJG de gelegenheid te bieden haar stellingen aan te vullen en nader toe te lichten en (ii) zonder de ouderlingen en/of de zussen, als direct betrokkenen, te horen. De verplichting tot het horen van de zussen als slachtoffers van seksueel misbruik berust op art. 8 EVRM en het Verdrag van Istanbul (zie daarover 8.12 e.v.).




2Feiten

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025.


2.2
CGJG is een kerkgenootschap in de zin van art. 2:2 lid 1 BW en bezit civielrechtelijke rechtspersoonlijkheid. Jehovah’s getuigen komen voor de eredienst bijeen in gemeenten, waarvan er in Nederland ongeveer 350 zijn. De religieuze activiteiten van Jehovah’s Getuigen in Nederland worden gecoördineerd vanuit hun nationaal religieus bijkantoor, gevestigd te Emmen. Dit bijkantoor, dat verantwoordelijk is voor de geestelijke, bestuurlijke en wettelijke leiding van het kerkgenootschap, is algemeen bekend bij Jehovah’s Getuigen als ‘Bethel’ (hierna ook wel: het Bijkantoor of Bethel). De werkzaamheden op het Bijkantoor staan onder toezicht van een religieus bijkantoorcomité dat is samengesteld uit ervaren ouderlingen en dat het bestuur van CGJG vormt. De betrokken afdelingen van het Bijkantoor die gemeenteouderlingen bijstaan bij het behandelen van beschuldigingen van seksueel kindermisbruik zijn de Dienstafdeling, die de gemeenteouderlingen bijstaat bij de uitvoering van het beleid van Jehovah’s Getuigen voor het beschermen van kinderen en de Juridische Afdeling, die juridisch advies geeft aan het Bijkantoor en aan gemeenteouderlingen. Een zogeheten ‘lichaam van ouderlingen’ wordt gevormd door de mannen in de gemeente die het ambt van ouderling bekleden. Gemeenten van Jehovah's Getuigen zijn weer gegroepeerd in regionale kringen. De geestelijke behoeften van dergelijke groepen gemeenten worden verzorgd door een ervaren ouderling die kringopziener wordt genoemd. De kringopzieners benoemen of ontheffen de gemeenteouderlingen. De gebedszalen van de Jehovah’s Getuigen worden Koninkrijkszalen genoemd.


2.3
Tot het statuut van CGJG in de zin van artikel 2:2 lid 2 BW behoren haar statuten, het ‘Ouderlingenboek’ en het orgaan van de ‘Wachttoren’.


2.4

In de preambule bij de statuten staat onder punt 4:
“Zowel personen die een geestelijk ambt bekleden als religieuze organisatieonderdelen van Jehovah’s Getuigen in Nederland, functioneren op basis van het interne recht van het kerkgenootschap (hierna ook: 'interne recht') (Psalm 1:2; Psalm 19:7; Galaten 6:2). Dit interne recht stemt overeen met het begrip dat het kerkgenootschap heeft van Bijbelse leringen en van de manier waarop het dient te functioneren, zoals vastgesteld door het Besturende Lichaam (Mattheüs 24:45-47). Het omvat tevens geestelijke richtlijnen van het Besturende Lichaam of haar vertegenwoordigers, en richtlijnen die het bijkantoorcomité als bestuurder van de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen in Nederland (…) in het kader van zijn bevoegdheden uitvaardigt.”
De statuten bepalen verder:
“Artikel 55 Personen die in een geestelijk ambt worden benoemd, dienen in overeenstemming met het interne recht van het kerkgenootschap te handelen. (…)
Artikel 65 Het lichaam van ouderlingen heeft de leiding over de gemeente en voorziet in geestelijk toezicht, waarbij het zorg draagt voor de geestelijke behoefte van de lidmaten in de gemeente, in overeenstemming met het interne recht van het kerkgenootschap (Handelingen 20:28; Galaten 6:1; 1 Petrus 5:1-3). (…)
Artikel 70 Elk lidmaat van het kerkgenootschap is verplicht om te handelen en te leven in overeenstemming met het intern recht van het kerkgenootschap.”



2.5

In het Ouderlingenboek “Zorg als een herder voor Gods kudde” uit 2019 staat onder meer:
‘HOOFDSTUK ÉÉN

Hoe ouderlingen als lichaam samenwerken

(…)
‘VERANTWOORDELIJKHEDEN’
2. De verantwoordelijkheden van het lichaam van ouderlingen zijn onder andere: (…)
(10) Aanwijzen van twee ouderlingen om een beschuldiging van ernstig kwaaddoen te onderzoeken. Bepalen of er een rechterlijk comité nodig is om een geval van ernstig kwaaddoen te behandelen. Bepalen wie er in het comité zullen dienen en wie voorzitter zal zijn. (…)



HOOFDSTUK TWAALF

Bepalen of er een rechterlijk comité moet worden gevormd

1.(…) De ouderlingen moeten eerst beoordelen of het kwaaddoen, als het bewezen kan worden, ernstig genoeg is voor een rechterlijk comité. (…)
OVERTREDINGEN DIE DOOR OUDERLINGEN MOETEN WORDEN BEHANDELD
2. Hieronder volgt een opsomming van overtredingen die mogelijk door een rechterlijk comité behandeld moeten worden. (...) De ouderlingen moeten de ernst van het vermeende kwaaddoen met onderscheidingsvermogen en in redelijkheid evalueren. Ze moeten kijken naar de omvang en aard van het wangedrag, het motief erachter, hoe vaak het is begaan, of het gewoonte is, enzovoorts (...).
13. Mishandeling en misbruik van kinderen: Kindermishandeling omvat het seksueel misbruik of lichamelijk mishandelen van een minderjarige. (...) Seksueel kindermisbruik is een perversiteit en omvat over het algemeen geslachtsgemeenschap met een minderjarige; orale of anale seks met een minderjarige; het strelen van de geslachtsorganen, borsten of billen van een minderjarige; (...).
14. Grove onreinheid, hebzuchtig beoefende onreinheid (…)
15. Hier volgen enkele gevallen (geen complete lijst) waarin sprake kan zijn van grove onreinheid:
(1) Vluchtig aanraken van intieme lichaamsdelen of strelen van borsten: Als het slechts
enkele op zichzelf staande gevallen betreft, dan zal zo’n lichte vorm van onreinheid kunnen worden afgedaan met raad van twee ouderlingen (...). Maar als het vele keren is gebeurd en is toegenomen in ernst en frequentie, kan het op grove, hebzuchtige onreinheid neerkomen die rechterlijk optreden vereist (...).
BEWIJZEN WAARDOOR KWAADDOEN KAN WORDEN VASTGESTELD
40. Ook al wordt iemand beschuldigd van kwaaddoen dat ernstig genoeg is voor rechterlijk optreden, er kan pas een rechterlijk comité worden gevormd als het kwaaddoen door voldoende bewijs is vastgesteld. Dat kan op de volgende manieren:
(1) Bekentenis: Een schriftelijke of mondelinge bekentenis mag als afdoende bewijs worden aanvaard zonder verder ondersteunend bewijsmateriaal (Joz. 7:19). Er moeten twee getuigen zijn van een bekentenis en de bekentenis moet duidelijk en ondubbelzinnig zijn (...).
(2) Ooggetuigen: Er moeten twee of drie ooggetuigen zijn, niet alleen maar mensen die
herhalen wat ze gehoord hebben; er kan niet worden opgetreden als er maar één getuige is (Deut. 19:15-17; Joh. 8:17; 1 Tim. 5-19, 24, 25). Als er twee of drie getuigen zijn van dezelfde soort kwaaddoen maar ieder bij een afzonderlijke gelegenheid, kunnen de ouderlingen hun getuigenis in overweging nemen. Hoewel zulk bewijsmateriaal gebruikt mag worden om schuld vast te stellen, heeft het de voorkeur als er twee getuigen zijn van hetzelfde voorval (...). Het is aan ouderlingen om het waarheidsgehalte van het getuigenis te bepalen. (...).
ERNSTIG KWAADDOEN VAN JAREN GELEDEN
(…)
58. Het lichaam van ouderlingen moet twee ouderlingen aanwijzen om de feiten te achterhalen zodat het lichaam kan bepalen of er een rechterlijk comité nodig is of niet (…)



HOOFDSTUK VEERTIEN

Kindermishandeling en kindermisbruik

1.Ouderlingen moeten zich nauwlettend aan de richtlijnen in dit hoofdstuk houden als zij op de hoogte raken van een kwestie inzake kindermisbruik. Dit zal bijdragen aan de heiliging van Jehovah’s naam en de veiligheid van minderjarigen (Jes. 32:1, 2; 1 Petr. 2:12). (…)
3. Kindermishandeling omvat het seksueel misbruiken of lichamelijk mishandelen van een
minderjarige. (…)
4.Van Bijbels standpunt uit bezien is seksueel kindermisbruik een grove zonde (Deut 23:17, 18; Gal. 5:19-21; w97 1/2 29). (…) De stappen die de gemeente onderneemt om een beschuldiging van seksueel kindermisbruik te behandelen, zijn niet bedoeld als vervanging voor de behandeling van de kwestie door overheidsinstanties (Rom. 13:1-4). (…)
JURIDISCHE ASPECTEN
6.Kindermisbruik is een misdrijf. In sommige rechtsgebieden zijn personen die van een beschuldiging van kindermisbruik op de hoogte zijn geraakt wettelijk verplicht dit bij de overheidsinstanties te melden (Rom. 13:1-4) (…)
7. Als de ouderlingen op de hoogte raken van een beschuldiging van kindermisbruik moeten twee van hen onmiddellijk de Juridische Afdeling bellen voor juridisch advies. Zo wordt gewaarborgd dat de wetgeving voor het melden van kindermisbruik wordt nageleefd. Ze moeten ook bellen als beide betrokkenen minderjarig zijn. (…)
8. De Juridische Afdeling zal op basis van de feiten en de geldende wetgeving juridisch advies geven. Als degene die van kindermisbruik beschuldigd wordt verbonden is met jullie gemeente, dan moeten de twee ouderlingen de Juridische Afdeling zijn volledige naam, geboortedatum en, indien van toepassing, zijn doopdatum geven. (…)
GEMEENTELIJKE ASPECTEN
11. Vanuit gemeentelijk oogpunt omvat seksueel kindermisbruik niet een situatie waarbij een bijna volwassen minderjarige gewillig deelneemt aan seksuele handelingen met een volwassene die een paar jaar ouder is. Ook hebben we het over het algemeen niet over situaties waar alleen minderjarigen bij betrokken zijn. (Zie 14:29-30.) We hebben het over een volwassene die schuldig is aan seksueel misbruik van een jong kind, of een volwassene die schuldig is aan seksuele handelingen met een bijna volwassen minderjarige die daar niet gewillig aan deelnam. (…)
BESCHULDIGINGEN ONDERZOEKEN
18. De ouderlingen kunnen van een beschuldiging van seksueel kindermisbruik op de hoogte raken via het slachtoffer zelf, de ouders of een vertrouwenspersoon van het slachtoffer. Als de beschuldigde een lid van de gemeente is, zal het lichaam van ouderlingen, nadat het bijkantoor hulp heeft geboden, twee ouderlingen aanwijzen om onderzoek te doen. Deze ouderlingen moeten nauwlettend Bijbelse procedures en de op de Bijbel gebaseerde richtlijnen in dit hoofdstuk en hoofdstuk 12 volgen. (…)
RECHTERLIJK COMITÉ
19. Als het lichaam van ouderlingen tot de conclusie komt dat er voldoende Bijbels bewijs is om op grond van seksueel kindermisbruik een rechterlijk comité te vormen, dan moet de coördinator eerst contact opnemen met de kringopziener. (…)
RESTRICTIES
22. De ouderlingen moeten zich nauwlettend aan alle instructies houden die de Dienstafdeling geeft. (…)
23. In zulke gevallen zal de Dienstafdeling de ouderlingen onder andere instructies geven over de restricties die worden opgelegd ten aanzien van iemands activiteiten binnen de gemeente, zijn deelname aan de velddienst en zijn omgang met minderjarigen. De ouderlingen zullen de instructie krijgen de persoon te waarschuwen dat hij nooit met een minderjarige alleen moet zijn, geen vriendschappen met minderjarigen moet aangaan, geen affectie voor minderjarigen moet tonen, enzovoorts. De Dienstafdeling zal de ouderlingen de instructie geven om in hun gemeente gezinshoofden met minderjarige kinderen te laten weten dat het nodig is de omgang van hun kinderen met de persoon in de gaten te houden. De ouderlingen zullen dit alleen doen als de Dienstafdeling daartoe opdracht geeft. (…)
SEKSUEEL WANGEDRAG WAARBIJ ALLEEN MINDERJARIGEN BETROKKEN ZIJN
29. Wat moeten ouderlingen doen als minderjarigen zich onderling schuldig maken aan seksueel wangedrag? Zoals eerder vermeld, moeten twee ouderlingen onmiddellijk de Juridische Afdeling bellen, ook als beide personen minderjarig zijn. Seksueel wangedrag tussen minderjarigen wordt door de gemeente doorgaans niet als kindermisbruik bezien. Maar wat de leeftijd ook is, zulk wangedrag is iets ernstigs en zou rechterlijk optreden kunnen vereisen. Het lichaam van ouderlingen moet met de ouders samenwerken om ervoor te zorgen dat de minderjarigen geestelijke hulp ontvangen.”



2.6

In de Wachttoren (1995, 1/11, p. 25-29) wordt ingegaan op flashbacks en ontkenning van de beschuldiging. Opgemerkt wordt:
“Indien de ouderlingen worden benaderd door een gemeentelid dat last heeft van flash-backs of „verdrongen herinneringen” betreffende kindermisbruik, krijgen doorgaans twee van hen de toewijzing om hulp te bieden.
Wanneer de beschuldiging wordt ontkend, dienen de ouderlingen de beschuldiger uit te leggen dat er langs rechterlijke weg niets meer gedaan kan worden. En de gemeente zal de beschuldigde als onschuldig blijven beschouwen. De bijbel zegt dat er twee of drie getuigen moeten zijn voor er rechterlijke actie kan worden ondernomen (2 Korinthiërs 13:1; 1 Timotheüs 5:19). Zelfs als meer dan één persoon zich „herinnert” door dezelfde persoon misbruikt te zijn, is de aard van deze herinneringen gewoon te onzeker om er zonder ander ondersteunend bewijsmateriaal rechterlijke beslissingen op te baseren. Dit betekent niet dat zulke „herinneringen" als onwaar (of waar) worden beschouwd. Maar voor het rechterlijk vaststellen of er een overtreding is begaan, moeten bijbelse beginselen in acht worden genomen.’
In de Wachttoren van mei 2019, Studieartikel 19, pagina 9 wordt de term seksueel misbruik van kinderen toegelicht:
“Seksueel misbruik van kinderen vindt plaats als een volwassene een kind gebruikt om zijn eigen seksuele lusten te bevredigen. Het kan gaan om geslachtsgemeenschap, orale of anale seks, het strelen van geslachtsorganen, borsten of billen en andere perversiteiten. Vaak zijn meisjes het slachtoffer, maar ook veel jongens worden misbruikt. De kindermisbruiker is vaak een man, maar er zijn ook vrouwen die kinderen misbruiken.”
Over ‘het behandelen van ernstig kwaaddoen’ is in genoemd Studieartikel 19 op p. 11 vermeld:
“Als er geen bekentenis van het kwaaddoen is, zijn er twee getuigen vereist om een beschuldiging te staven. Alleen dan zullen de ouderlingen rechterlijke stappen ondernemen. (…)
Als er maar één getuige is, betekent dit niet dat hij liegt. Ook als vermeend kwaaddoen niet kan worden vastgesteld op basis van twee getuigen, erkennen de ouderlingen dat er mogelijk een ernstige zonde is begaan, een zonde die anderen veel leed heeft aangedaan.”



2.7
Z is in 1997, op 19-jarige leeftijd, gedoopt en toegetreden als lid van een gemeente die behoort tot CGJG (hierna ook: de gemeente). In 2011 is Z aangesteld als gemeenteouderling. Z is gehuwd en heeft twee nog jonge kinderen.


2.8
In november 2019 hebben ouderlingen van de gemeente een melding ontvangen van Y, de zes jaar jongere zus van Z, dat zij en haar anderhalf jaar oudere zus X in hun jeugd seksueel misbruikt zijn door Z.


2.9
Op 21 november 2019 hebben de ouderlingen [ouderling 1] ( [ouderling 1] ) en [ouderling 2] ( [ouderling 2] ) hierover een melding gedaan aan het Bijkantoor. De Dienstafdeling heeft het beleid met de ouderlingen doorgenomen en hen geïnstrueerd.


2.10
De ouderlingen [ouderling 1] en [ouderling 2] hebben vervolgens een onderzoek ingesteld naar de beschuldiging. Op 27 november 2019 hebben zij samen met Y en haar echtgenoot, X bezocht.


2.11
Op 28 november 2019 hebben de ouderlingen [ouderling 1] en [ouderling 2] de ouders van Z bezocht. Op die dag bezochten zij ook Z en confronteerden hem met de beschuldigingen.


2.12
In de gesprekken is verklaard dat Z één of beide zusjes ongeoorloofd heeft aangeraakt toen zij jong waren. De vader van Z heeft verklaard dat hij Z en X eens op heterdaad heeft betrapt.


2.13
Op 2 december 2019 heeft Z uit eigen beweging en naar aanleiding van het voorgaande, zijn ambt als ouderling neergelegd.


2.14

Op 4 december 2019 heeft Z met de ouderlingen [ouderling 1] en [ouderling 2] een gesprek gevoerd in de Koninkrijkszaal. Na dit gesprek hebben de ouderlingen contact opgenomen met het Bijkantoor. CGJG heeft vervolgens restricties opgelegd aan Z. Op 12 januari 2020 hebben de ouderlingen een brief van het Bijkantoor voorgelezen aan Z met de aan hem opgelegde restricties. Z heeft geen afschrift van de brief ontvangen. Deze restricties betroffen:
- de waarschuwing om niet in compromitterende situaties met minderjarigen te belanden. Zo is hem duidelijk gemaakt dat hij nooit met een kind alleen mag zijn, geen vriendschappen met kinderen aan mag gaan en geen affectie voor kinderen mag tonen;
- dat hij tientallen jaren geen voorrechten, verantwoordelijkheden of andere speciale taken in de Gemeente kan vervullen (wellicht zelfs nooit meer);
- dat hij niet mag deelnemen aan de evangelisatie van Jehovah's Getuigen of, als hij daar wel aan deel mag nemen, dat hij dit alleen mag doen met een ouderling die op de hoogte is van zijn verleden.
Daarnaast hebben de ouderlingen de ouders van minderjarigen in de gemeente medegedeeld dat zij alert moeten zijn op contacten van hun kinderen met Z. Daarbij zijn ouders aangemoedigd om het voorlichtingsmateriaal te lezen dat door Jehovah's Getuigen is gepubliceerd over het beschermen van kinderen tegen seksueel misbruik.



2.15

X heeft op 12 oktober 2020 haar mondelinge verklaring, die zij in het gesprek met de ouderlingen [ouderling 1] en [ouderling 2] in het bijzijn van Y en haar man op 27 november 2019 heeft afgelegd (zie onder 2.10), schriftelijk ingetrokken. Zij schrijft:
“Een aantal maanden geleden belden twee ouderlingen uit [de gemeente] bij mij aan. Zij hadden mijn zus en mijn zwager meegenomen. Tijdens dat gesprek ben ik onder druk gezet en helemaal dichtgeklapt en weet niet meer wat ik heb gezegd. Daarom neem ik alle woorden terug die ik toen heb gesproken. Een korte periode in mijn leven zijn mijn broer en ik op jonge leeftijd te close met elkaar geweest. Wanneer dit precies was weet ik niet meer. En hoe oud ik was weet ik ook niet. Ik weet wel dat ik alleen oppervlakkig ben aangeraakt en niet meer dan dat. Ik heb dit [Z] vergeven. En heb altijd een hele goede band gehad en nog steeds. (…) Mijn broer is geen kindermisbruiker of pedofiel! Ik vertrouw mijn dochters volledig toe aan mijn broer (…) Er is mij niks bekend dat er iets tussen mijn broer en mijn jongste zus Y wat heeft plaatsgevonden (…) Deze verklaring berust op de waarheid.”



2.16
Nadat de verklaring is gedeeld met het Bijkantoor, heeft Bethel contact opgenomen met een ouderling uit een buurgemeente. Daarop zijn de ouderlingen [ouderling 3] en [ouderling 4] aangewezen om te onderzoeken of X onder druk is gezet haar mondelinge verklaring schriftelijk in te trekken. De ouderlingen hebben aan de ouderling uit de buurgemeente bevestigd dat X niet door Z of iemand anders onder druk is gezet om haar schriftelijke verklaring af te leggen. Dit is terug gerapporteerd aan het Bijkantoor.


2.17
De ouderlingen [ouderling 1] en [ouderling 2] hebben in een Zoombespreking met Z aangegeven dat er niets in de situatie veranderd zou worden. Met de Kringopziener hebben Z en zijn vrouw ook een aantal maal contact gehad. Ook dat heeft niet geleid tot een heroverweging of een nieuw onderzoek. Op brieven aan het Bijkantoor in de Verenigde Staten heeft Z geen reactie gehad.


2.18
In antwoord op een brief van de raadsman van Z van 2 september 2021 schreef het lichaam van ouderlingen van de gemeente dat zij, in samenwerking met Z, bereid zijn om de situatie binnen de gemeente opnieuw te beoordelen.


2.19
In een brief van 1 november 2021 aan CGJG deelt de raadsman van Z mee dat geen genoegen wordt genomen met slechts een heroverweging van de situatie, maar dat Z aanspraak blijft maken op schulderkenning, rehabilitatie en vergoeding van schade.


2.20

In een ongedateerde brief, heeft de moeder van Z geschreven:
“Toen [ouderling 2] en [ouderling 1] hier waren hadden ze meerdere malen gezegd dat [Z] 18 a 19 was. Wij waren zeer verbaasd dat ze dat bleven zeggen (…) Verscheidene malen zei ik dat die leeftijd niet klopte (…) Meerdere malen bleef ik zeggen dat die leeftijd niet klopte van 18 a 19 jaar. Maar dat [Z] een jonge jongen van 14 ong was. (…)”



2.21

In een ongedateerde brief, heeft de vader van Z geschreven:
‘ [ouderling 1] belde mij op of ze even mogen langskomen. Ja is goed, maar toen wist ik nog niet waar het over ging éénmaal binnen begonnen ze over [Z] en [X] . Toen zei ik direct waar bemoeien jullie je mee, daar zijn de ouders verantwoordelijk voor, het waren toen nog kinderen hij was toen 14 jaar, maar ze wilden toch wat inlichtingen, toen gingen ze vragen stellen. Toen heb ik gezegd. Ik heb ze één keer betrapt toen zei ik waar zijn jullie mee bezig toen kwam de aap uit de mouw. Toen heb ik tegen [Z] gezegd als je [X] nog één keer aanraakt dan krijg je goed straf (..) een week later heb ik [X] gevraagd of [Z] jou nog heeft aangeraakt, toen zei [X] nee papa is niets meer gebeurd. Nou dan is het goed zei ik.’



2.22

In een brief van 18 januari 2022 aan Z schrijft ouderling [ouderling 3] :
‘Op verzoek van het bijkantoor heeft [de ouderling van de buurgemeente] (..) aan [ouderling 4] en mij in oktober 2020 gevraagd een gesprek aan te gaan met jouw zus, [X] . Reden van het gesprek was de handgeschreven brief van [X] (gedateerd 12-10-2020). Die brief is in jouw bezit. In die brief geeft zij weer hoe zij staat ten aanzien van de beschuldiging aan jouw adres en hoe zij daarbij betrokken is.
Namens [de ouderling van de buurgemeente] en [ouderling 4] kan ik het volgende laten weten. In ons gesprek is door [X] nooit letterlijk gezegd nog op enigerlei wijze gezinspeeld op het feit dat haar brief is geschreven onder druk van wie dan ook - en dus ook niet onder druk van jou. Ook is die brief niet door wie dan ook gedicteerd - het zijn haar eigen gedachten en woorden.’



2.23
De aan Z opgelegde restricties zijn op 13 november 2021 opgeheven. Dit is hem mondeling medegedeeld. De informatie die aan de gezinnen is gegeven die zijn bezocht, is evenwel niet teruggenomen.


2.24
Z was ten tijde van de procedure in hoger beroep nog steeds lid van CGJG.




3Procesverloop

3.1

Z heeft bij dagvaarding van 22 maart 2022 gevorderd, samengevat, dat de rechtbank Noord-Nederland, uitvoerbaar bij voorraad:
I) voor recht verklaart dat CGJG onrechtmatig heeft gehandeld door Z ten onrechte als dader van kindermisbruik aan te merken;
II) gebiedt dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat Z geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor Z als kindermisbruiker, op straffe van verbeurte van een dwangsom
III) CGJG veroordeelt tot vergoeding van materiële en immateriële schade;
IV) CGJG veroordeelt in de kosten van de procedure.



3.2
Z heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd, samengevat, dat CGJG onrechtmatig heeft gehandeld door bij de aanwijzing van seksueel kindermisbruik in strijd met de kerkelijke regels en procedures te handelen. Had CGJG wel overeenkomstig de interne regels gehandeld, dan zou Z niet zijn aangemerkt als dader van seksueel kindermisbruik, want dat is hij niet. CGJG heeft in strijd gehandeld met fundamentele rechtsbeginselen en wezenlijke interne regels van totstandkoming van besluiten, waaronder het achterwege laten van zorgvuldig en objectief feitenonderzoek. Onder meer zijn er niet twee getuigen die de beschuldiging van Y kunnen bevestigen en heeft X haar verklaring ingetrokken. Ook is geen sprake van kindermisbruik, omdat, voor zover van ontoelaatbaar gedrag sprake is geweest, Z niet ouder was dan 14 jaar, terwijl CGJG onder kindermisbruik verstaat dat het door een volwassene is gepleegd. Z is in zijn eer en goede naam aangetast doordat hij ten onrechte is beschuldigd, aan hem op grond van die beschuldiging restricties zijn opgelegd en is gewaarschuwd voor hem als kindermisbruiker. Als gevolg daarvan heeft hij materiële en immateriële schade geleden.


3.3
CGJG heeft verweer gevoerd. Primair heeft zij zich erop beroepen dat de overheidsrechter onbevoegd is om de zaak te behandelen. Subsidiair concludeert CGJG tot niet-ontvankelijkheid van Z, dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen.


3.4
Op 24 januari 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt en waarbij beide partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd.


3.5
De rechtbank heeft bij vonnis van 26 juli 2023 beslist dat CGJG naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid heeft kunnen komen tot het punt waarop het de onderhavige belangenafweging maakte en het besluit nam om de interne procedure te volgen die is voorgeschreven bij aanwijzingen voor seksueel kindermisbruik. De rechtbank heeft zich voor het overige onbevoegd verklaard om inhoudelijk kennis te nemen van de door Z ingestelde vorderingen. De rechtbank overweegt daartoe dat de vordering van Z een toets vergt van de door het kerkgenootschap gemaakte belangenafweging en het op basis daarvan genomen kerkelijke besluit. Daarmee wordt van de overheidsrechter verlangd te treden in de interne kerkelijke regels, dus het statuut van CGJG. Daartoe is de overheidsrechter enkel bevoegd indien het statuut in strijd is met de wet en dat heeft Z niet betoogd (rov. 4.4).


3.6
Z heeft hoger beroep ingesteld bij het hof Arnhem-Leeuwarden en geconcludeerd tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. CGJG heeft verweer gevoerd.


3.7
CGJG heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Het incidenteel hoger beroep strekt ertoe dat het hof zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van Z kennis te nemen. Z heeft verweer gevoerd.


3.8
Op 24 januari 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt en waarbij beide partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd.


3.9

Bij arrest van 11 februari 2025 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, samengevat weergeven:
- voor recht verklaard dat CGJG onrechtmatig heeft gehandeld door Z ten onrechte als dader van kindermisbruik te hebben aangemerkt;
- geboden dat CGJG toestemming geeft aan en erop toeziet dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente Harderwijk-Oost alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat Z geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor eiser als kindermisbruiker, op straffe van betaling van dwangsommen;
- CGJG veroordeeld tot betaling van schadevergoeding;
- de veroordelingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het verder gevorderde afgewezen.



3.10
Het hof heeft daartoe als volgt overwogen.


3.11
Tussen partijen staat vast dat tot het statuut van CGJG in de zin van art. 2:2 BW behoren: de Statuten, het Ouderlingenboek en het orgaan van de Wachttoren (weergegeven onder 2.3-2.6) (rov. 3.27).


3.12
Het hof verwerpt het beroep van CGJG op onbevoegdheid van de burgerlijke rechter. Volgens vaste rechtspraak wordt de bevoegdheid van de burgerlijke rechter beoordeeld naar het recht waarin de eiser vraagt te worden beschermd. Z baseert zijn vorderingen op onrechtmatig handelen door CGJG jegens hem, te weten een inbreuk op zijn eer en goede naam en onzorgvuldig handelen jegens hem (rov. 3.28-3.30).


3.13
Het hof verklaart Z in zijn vorderingen ontvankelijk, want de uitzondering dat deze vorderingen uitsluitend in een met voldoende waarborgen omklede kerkelijke rechtsgang worden ingesteld, is niet aan de orde (rov. 3.31-3.32).


3.14
Bij de beoordeling of sprake is van onrechtmatig handelen stelt het hof voorop dat niet aan de orde is of het statuut van CGJG in strijd is met de wet. Het gaat om de wijze waarop het interne kerkrecht is toegepast. Bij de beoordeling of sprake is van onrechtmatig handelen zijn het eigen kerkrecht, de statuten, het Ouderlingenboek en het orgaan van de Wachttoren van CGJG richtinggevend en een terughoudende, marginale toets door het hof is geboden. Van onrechtmatig handelen is in elk geval sprake als blijkt dat het kerkelijk recht niet is gevolgd en daarbij fundamentele rechtsbeginselen in de kerkelijke rechtsgang zijn geschonden (rov. 3.35).


3.15
Het hof is van oordeel dat onduidelijk is welke feiten en daarmee welk misbruik door CGJG op basis van haar eigen onderzoek zijn respectievelijk is vastgesteld, wanneer dat vermeende misbruik precies heeft plaatsgevonden en daarmee hoe oud de betrokkenen daarbij zijn geweest. Hetgeen CGJG daartoe naar voren heeft gebracht is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat Z een dader is van seksueel kindermisbruik. Daarmee heeft CGJG het vereiste onderzoek onzorgvuldig uitgevoerd en gehandeld in strijd met haar eigen kerkelijk recht op basis waarvan ‘de feiten’ moeten worden vastgesteld. CGJG heeft daarbij fundamentele rechtsbeginselen geschonden. Van een nauwlettend volgen van de regels is geen sprake geweest, zodat CGJG gehandeld heeft in strijd met de door haar in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm en daarmee onrechtmatig. Z is met de beschuldiging dader van seksueel kindermisbruik te zijn ernstig in zijn eer en goede naam aangetast en ook dat is onrechtmatig (rov. 3.36 en 3.41).


3.16

Vaststelling van de feiten dient op basis van het Ouderlingenboek, hoofdstuk twaalf onder punt 40, in beginsel plaats te vinden door een bekentenis, dan wel door ten minste twee getuigen (rov. 3.36). Het hof overweegt daarover:
- CGJG geeft geen onderbouwing van haar verweer dat Z het seksueel kindermisbruik heeft bekend. Gespreksverslagen of aantekeningen van de door CGJG gestelde bekentenis door Z tegenover de ouderlingen zijn er niet of zijn vernietigd. Evenmin kan worden vastgesteld of sprake is geweest van een ‘duidelijke en ondubbelzinnige’ bekentenis door Z, zoals het Ouderlingenboek voorschrift. Het hof gaat er dan ook vanuit dat daarvan geen sprake is geweest (rov. 3.37).
- Ten aanzien van het gestelde misbruik van Y ontbreekt ondersteunend bewijsmateriaal. CGJG heeft geen (schriftelijke) onderbouwing gegeven van het feit dat Y tijdens het onderzoek tegenover de ouderlingen zou hebben verklaard dat Z in de periode 1993-1996 haar eenmalig op een seksuele manier heeft aangeraakt. Vaststaat dat van die vermeende aanraking geen getuigen zijn geweest (rov. 3.38).
- Dat X ten overstaan van de ouderlingen zou hebben verklaard dat bij haar rond 1994-1995 gedurende een periode van 2 tot 3 jaar bijna dagelijks sprake was van betastingen en dat er meerdere keren orale seks heeft plaatsgevonden met Z is verder niet door CGJG onderbouwd en wordt gemotiveerd betwist. Nadere details over wat er precies zou zijn gebeurd, wanneer en of Z op dat moment minderjarig was of niet, ontbreken. Z heeft zelf erkend dat, voor zover er sprake was van ontoelaatbaar gedrag, hij destijds niet ouder was dan 14 jaar en dat van seksueel kindermisbruik geen sprake is geweest. De door Z genoemde leeftijd wordt bevestigd door in het geding gebrachte verklaringen van Z’s moeder en vader. Het hof constateert dat voor zover het hier om gedrag gaat dat door het intern kerkelijk recht als seksueel wangedrag moet worden aangemerkt, het in beginsel niet seksueel kindermisbruik betreft, omdat Z toen 14 jaar was. (rov. 3.39)
- De vaststaande feiten rechtvaardigen, ook in onderlinge samenhang beschouwd conform het intern kerkelijk recht, ‘in het algemeen’ niet de conclusie dat Z een dader van seksueel kindermisbruik was. Het valt CGJG aan te rekenen dat er niets aan de restricties veranderde nadat X op 12 oktober 2020 haar mondelinge verklaring ten opzichte van de ouderlingen [ouderling 1] en [ouderling 2] schriftelijk had ingetrokken, te meer omdat het verwijt van seksueel kindermisbruik met deze schriftelijke verklaring verder werd ondergraven (rov. 3.40).
- Het verweer van CGJG dat het ten aanzien van het begrip ‘seksueel kindermisbruik’ een zekere interne beleidsvrijheid heeft getuige de woorden in het Ouderlingenboek dat seksueel kindermisbruik ‘over het algemeen’ niet omvat situaties waar alleen minderjarigen bij betrokken zijn, rechtvaardigt naar het oordeel van het hof in deze omstandigheden nog niet de conclusie dat vanwege het leeftijdsverschil tussen de minderjarige Z en zijn vierenhalfjaar jongere zusje X hiervan wel sprake is. Het hof verwijst hierbij, gezien de schriftelijke verklaring van X van 12 oktober 2020 dat zij alleen oppervlakkig zou zijn aangeraakt, naar het Ouderlingenboek hoofdstuk twaalf onder 15 (1) waar is weergegeven dat voor zover het gaat om slechts enkele op zichzelf staande gevallen van ‘vluchtig aanraken van intieme lichaamsdelen of strelen van borsten (…) zo’n lichte vorm van onreinheid’ kan worden afgedaan met raad van twee ouderlingen. Waarom zo’n ‘lichte vorm van onreinheid’, als dat heeft plaatsgevonden tussen de minderjarige Z en X, niettemin als seksueel kindermisbruik moet worden aangemerkt heeft CGJG onvoldoende toegelicht (rov. 3.40).



3.17
Z heeft het arrest van het hof op 12 maart 2025 aan CGJG betekend. CGJG heeft bij dagvaarding van 18 maart 2025 in een kortgedingprocedure gevorderd dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland met onmiddellijke ingang de tenuitvoerlegging van het arrest van 11 februari 2025 van het hof Arnhem-Leeuwarden zal schorsen totdat in cassatie zal zijn beslist. X en Y hebben in een incident gevorderd dat zij worden toegelaten als gevoegde partijen aan de zijde van CGJG. Z heeft zich bereid verklaard om de tenuitvoerlegging van het arrest op te schorten totdat in het kort geding is beslist.


3.18
Bij vonnis van 16 april 2025 heeft de voorzieningenrechter toegestaan dat X en Y zich voegen aan de zijde van CGJG. De voorzieningenrechter heeft de tenuitvoerlegging van overweging 4.3 van het dictum van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 geschorst, voor zover dit dictum behelst dat CGJG erop toeziet (onderstreping rechtbank) dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat Z geen kindermisbruiker is.


3.19
CGJG heeft bij procesinleiding, ingekomen op 11 mei 2025, tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden. Tegen Z is verstek verleend.


3.20
X en Y hebben gevorderd om te worden toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van CGJG. Bij arrest van 12 december 2025 heeft de Hoge Raad de incidentele vordering tot voeging toegewezen. Nadien heeft CGJG haar standpunt schriftelijk toegelicht.


3.21
Bij de procesinleiding zijn 11 producties gevoegd (C-3 t/m C-13), in totaal zo’n 50 pagina’s. Het gaat ten eerste om drie documenten die betrekking hebben op het onderzoek dat is verricht naar aanleiding van de melding van seksueel kindermisbruik, waaronder een verslag dat is opgesteld door de ouderlingen [ouderling 1] en [ouderling 2] . Verder zijn zeven schriftelijke verklaringen in het geding gebracht, die alle dateren van na de dag waarop de bestreden uitspraak is gedaan, waaronder verklaringen van X en Y. Ook is het beleidsdocument Child Sexual Abuse – Guidelines for Branch Office Service Desks overgelegd. In subonderdeel 2.1.3 en daarop voortbouwend in 2.2 wordt naar deze producties verwezen. De producties dienen ter onderbouwing van het verweer dat CGJG in feitelijke instanties heeft gevoerd.


3.22
De producties zijn in de cassatieprocedure tijdig overgelegd en hoewel de omvang niet gering is, is de overlegging ervan m.i. niet in strijd met de goede procesorde. Gelet op het bepaalde in art. 419 lid 2 Rv zal bij de beoordeling van het cassatiemiddel echter geen acht kunnen worden geslagen op deze producties. De producties bevatten gegevens van feitelijke aard. Ze zijn voor het eerst in cassatie in het geding gebracht. De feitelijke grondslag van de middelen moet worden gevonden in de gedingstukken en in de bestreden uitspraak.




4Juridisch kader

4.1
Het cassatiemiddel bestaat uit zes onderdelen, die elk uiteenvallen in meerdere subonderdelen en een veegklacht (onderdeel 7). Onderdeel 1 betoogt dat het hof niet bevoegd was in deze kerkelijke zaak. Het onderdeel doet daarbij een beroep op art. 2:2 lid 2 BW, art. 6 Grondwet, art. 9 jo. 11 Europees Verdrag voor de Rechten van Mens (EVRM), het beginsel van scheiding van kerk en rechtspraak Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over art. 6 EVRM, waaronder de uitspraak Károly Nagy/Hongarije. Voor het geval dat het oordeel over de bevoegdheid van het hof in stand blijft, klaagt onderdeel 2 dat het hof de zaak had moeten terugwijzen naar de rechtbank, althans dat het een verrassingsbeslissing heeft gegeven door CGJG niet de gelegenheid te bieden haar inhoudelijke verweer aan te vullen. Ook klaagt dit onderdeel over schending van het door art. 8 EVRM beschermde recht op reputatie en het Verdrag van Istanbul, omdat het hof X, Y en de ouderlingen niet heeft gehoord. Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel van het hof dat het Z ontvankelijk acht in zijn vorderingen. De onderdelen 4 en 5 klagen over de inhoudelijke beoordeling dat sprake is van onrechtmatig handelen, onder meer dat het hof niet terughoudend genoeg heeft getoetst. Onderdeel 6 is gericht tegen het dictum en klaagt onder meer over de uitvoerbaarheid daarvan.


4.2

Bij de beoordeling van de klachten van met name de onderdelen 1, 3, 4 en 5 dient het volgende tot uitgangspunt.

Art. 2:2 BW




4.3
Art. 2:2 lid 1 BW bepaalt dat kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en de lichamen waarin zij zijn verenigd, rechtspersoonlijkheid bezitten. Ingevolge het tweede lid van art. 2:2 BW worden zij geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet.


4.4
Art. 2:2 BW voorziet kerkgenootschappen van een vergaande organisatievrijheid, die zowel de oprichting als de inrichting omvat. Asser/Rensen typeert art. 2:2 BW als meer een verwijzingsregel dan een materiële regeling van Nederlands recht. Het artikel geeft aan dat niet het Nederlandse recht, maar het vreemde, kerkelijke recht van toepassing is. Dat kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet, berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat.


4.5

In het arrest NGK/ […] heeft de Hoge Raad nader ingevuld wat tot het statuut van een kerkgenootschap behoort en wanneer sprake is van ‘strijd met de wet’ zoals bedoeld in art. 2:2 lid 2 BW:
“3.2 (…) Wat in een concreet geval behoort tot het statuut van een kerkgenootschap, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het algemeen behoren daartoe regelingen over de organisatiestructuur en het interne functioneren van het kerkgenootschap, waaronder regels over het bestuur van het kerkgenootschap en over de verhouding tussen het kerkgenootschap en zijn geestelijk ambtsdrager(s). Uit art. 2:2 lid 2 BW volgt dat het eigen statuut alleen geldt voor zover dit niet in strijd is met de wet. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het begrip ‘wet’ in deze bepaling verwijst naar bepalingen van fundamentele aard of ‘sterk dwingend recht’, waarbij is gedacht aan ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’.




3.3
Gelet op het voorgaande brengt de in art. 2:2 lid 2 BW vervatte inrichtingsvrijheid mee dat een kerkgenootschap de rechtsverhouding tot een geestelijk ambtsdrager in zijn statuut in beginsel naar eigen inzicht kan vormgeven. Daarbij is afwijking van dwingend recht mogelijk, tenzij dat recht een belang van zo fundamentele aard beschermt dat afwijking van dat dwingend recht in de omstandigheden van het geval, ondanks de aan kerkgenootschappen toekomende inrichtingsvrijheid, niet kan worden aanvaard.”


4.6
Van geval tot geval zal dus moeten worden bepaald wat tot het statuut van een kerkgenootschap behoort. Tevens blijkt uit de geciteerde overwegingen dat niet iedere strijdigheid van het statuut met een wet in formele zin of dwingende wetsbepaling strijd oplevert met de wet zoals in art. 2:2 lid 2 BW bedoeld. Dat is alleen het geval indien het dwingende recht een belang van zo fundamentele aard beschermt, dat afwijking daarvan niet kan worden aanvaard.


4.7
Het statuut van een kerkgenootschap is geen recht in de zin van art. 79 RO. Oordelen over de inhoud en uitleg van het statuut zijn daarom van feitelijke aard.


4.8

Op te merken is dat in de voorliggende zaak niet is aangevoerd dat aan onderdelen van het kerkelijk statuut voorbij gegaan moet worden, omdat ze in strijd met de wet zijn als bedoeld in art. 2:2 lid 2 BW.

Bevoegdheid van de burgerlijke rechter in kerkelijke geschillen




4.9
Art. 2:2 BW bepaalt niets over de bevoegdheid van de burgerlijke rechter in geschillen tussen een kerkgenootschap en/of functionarissen en/of leden daarvan over een onderwerp dat door het statuut van het kerkgenootschap wordt geregeld. Ook elders kent de Nederlandse wetgeving geen specifieke bepaling over de bevoegdheid van de burgerlijke rechter ten aanzien van rechtsvorderingen ingesteld tegen of door een kerkgenootschap.


4.10
Art. 112 Grondwet bepaalt in algemene bewoordingen dat aan de rechterlijke macht de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en schuldvorderingen is opgedragen. Sinds het arrest […] /Noordwijkerhoutis vaste rechtspraak dat de burgerlijke rechter bevoegd is als de eiser of verzoeker zijn vordering op een burgerlijk recht baseert (de objectum litis-leer).


4.11
In de literatuur wordt aangenomen dat de objectum litis-leer ook geldt voor kerkelijke zaken. Van Sasse van IJsselt noemt dit in zijn annotatie bij het bestreden arrest een ‘al lang uitgemaakte zaak’.


4.12
Ook in de feitenrechtspraak wordt de objectum litis-leer op kerkelijke zaken toegepast.


4.13
Het hof wijst er in rov. 3.29 van het bestreden arrest op dat de Hoge Raad in NGK/ […] , maar ook in andere arresten (waaronder het in de voetnoot genoemde arrest van 17 mei 2024), ervan uitgaat dat de burgerlijke rechter in een geschil tussen een kerklid en een kerk bevoegd is van de (op het civiele recht gebaseerde) vordering van het kerklid kennis te nemen. Ook Van Sasse van IJsselt noemt NGK/ […] als voorbeeld van vaste rechtspraak op dit punt.


4.14
CGJG stelt zich in deze procedure (zowel in feitelijke instanties als in cassatie) op het standpunt dat uit het arrest NGK/ […] niet kan worden afgeleid dat de objectum litis-leer ook geldt voor de bevoegdheid van de burgerlijke rechter als het gaat om kerkelijke zaken. De leer zou uitsluitend gelden als maatstaf voor de afbakening tot de bevoegdheid van de bestuursrechter en de strafrechter.


4.15
M.i. gaat het argument van CGJG niet op. Hoewel de Hoge Raad in NGK/ […] dit niet met zoveel woorden overweegt, kan daaruit wel worden afgeleid dat de objectum litis-leer ook in kerkelijke zaken kan worden toegepast.


4.16
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden achtte zich in de zaak NGK/ […] bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van de predikant, omdat de predikant zich beriep op de kennelijk onredelijke beëindiging van de door hem gestelde arbeidsovereenkomst/rechtsverhouding met de NGK Hattem althans op onrechtmatige daad, en dus op rechten waarvoor het burgerlijk recht bescherming biedt. Dit oordeel werd in cassatie niet bestreden. De Hoge Raad mocht dit oordeel ook niet ambtshalve toetsen (art. 419 Rv). Daarmee is het standpunt van CGJG juist dat in het arrest geen expliciet oordeel is gegeven over de bevoegdheidsvraag. De Hoge Raad casseerde vervolgens het oordeel van het hof dat de verhouding tussen de predikant en NGK Hattum een arbeidsovereenkomst is en oordeelde dat dit een interne kerkelijke verhouding is, die NGK Hattem in zijn statuut heeft vormgegeven. Met de bepalingen in dat statuut is onmiskenbaar beoogd de toepasselijkheid van de bepalingen van titel 10 van Boek 7 BW op die verhouding uit te sluiten. De in die bepalingen uitgewerkte ontslagregeling wijkt niet zodanig af van bepalingen van dwingend recht waarop de predikant zich in dit geding beroept dat daardoor belangen van fundamentele aard worden geschonden, aldus de Hoge Raad. Met deze beslissingen kent de Hoge Raad betekenis toe aan de inrichtingsvrijheid van een kerkgenootschap bij de inhoudelijke beoordeling van de zaak en niet in het kader van de beoordeling van de bevoegdheid van de burgerlijke rechter. Indien de Hoge Raad van oordeel zou zijn geweest dat de burgerlijke rechter hoe dan ook niet bevoegd was, zou het in de rede hebben gelegen daar toch een overweging aan te wijden, als obiter dictum.


4.17
Dat de objectum litisleer ook van toepassing is op kerkelijke geschillen, vindt bevestiging in een arrest van 17 mei 2024, hoewel dat ook daarin niet expliciet is overwogen.


4.18
Die zaak ging over een pastoor die geschorst was als priester nadat een lid van de diocesane pastorale raad van het bisdom een melding van grensoverschrijdend gedrag over hem had gedaan. De pastoor verzocht bij de overheidsrechter een voorlopig getuigenverhoor te bevelen van onder andere een bisschop en een kardinaal. Aan dit verzoek had de pastoor ten grondslag gelegd dat de bisschop onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, bestaande in smaad en/of laster, door hem te betichten van imprudent gedrag jegens kinderen en daaraan ruchtbaarheid te geven door het doorzenden van een brief aan de Congregatie. Het hof wees het voorlopig getuigenverhoor gedeeltelijk toe, namelijk voor zover de bisschop heeft onderbouwd en toegelicht waarom het relevant is met het oog op het eventueel instellen van een vordering wegens smaad en/of laster.


4.19
Het door de bisschop ingestelde cassatiemiddel nam tot uitgangspunt dat het hof bevoegdheid kon aannemen voor zover de pastoor in zijn verzoek had gesteld dat de bisschop jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door zich schuldig te maken aan smaad en laster. De door de pastoor aan de bisschop gemaakte verwijten hebben echter betrekking op de wijze waarop de bisschop in zijn functie heeft gehandeld, dus in een kerkelijke kwestie, zo stelde de bisschop. Het gaat om schending van een norm inzake aantasting van eer en goede naam naar canoniek recht en daarvoor is een kerkelijke procedure. Het middel klaagde dat het hof had verzuimd art. 2:2 lid 2 BW toe te passen en had nagelaten te beoordelen of met de voorgenomen vordering van de pastoor een inhoudelijke beoordeling door de burgerlijke rechter in een civiele procedure gerechtvaardigd en geboden is. Subsidiair werd geklaagd dat het hof art. 2:2 lid 2 BW en het daaraan ten grondslag liggende beginsel van scheiding van kerk en staat heeft geschonden.


4.20
A-G Wesseling-van Gent schreef in haar conclusie dat ook in kerkelijke geschillen de bevoegdheid van de civiele rechter wordt bepaald aan de hand van het door de eiser of verzoeker ingeroepen recht. De burgerlijke rechter dient degene die bij hem opkomt echter niet-ontvankelijk te verklaren indien in het statuut van het kerkgenootschap is voorzien in een eigen rechtsgang die met voldoende waarborgen is omkleed.


4.21

De Hoge Raad is niet afzonderlijk ingegaan op de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, maar uit de navolgende overwegingen kan worden afgeleid dat de Hoge Raad tot uitgangspunt heeft genomen dat de burgerlijke rechter bevoegd is, omdat de bisschop een voorlopig getuigenverhoor heeft verzocht ter voorbereiding van een procedure voor de burgerlijke rechter. Overwogen werd het volgende:
“4.1 Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat op grond van het toepasselijke statuut (als bedoeld in art. 2:2 lid 2 BW) van de Rooms-Katholieke Kerk voor [de pastoor] een met voldoende waarborgen omklede kerkelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan. Daarom is geen taak voor de burgerlijke rechter weggelegd en is het hof buiten het toepassingsgebied van art. 186 Rv getreden door het verzoek van [de pastoor] toe te wijzen, aldus het onderdeel.




4.2 [
De pastoor] heeft aan zijn verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ten grondslag gelegd dat de bisschop onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem te betichten van imprudent gedrag jegens kinderen, andere minderjarigen en kwetsbaren, en daaraan ruchtbaarheid te geven door het doorzenden van de brief van 14 februari 2019 (zie hiervoor in 2.1 onder (iii)) aan de Congregatie. Daarmee is volgens [de pastoor] sprake van smaad en/of laster (zie hiervoor in 2.2). Dit is de vordering met het oog waarop [de pastoor] het voorlopig getuigenverhoor heeft verzocht.



4.3
De burgerlijke rechter dient degene die bij hem opkomt met een vordering betreffende een onderwerp dat valt onder het in art. 2:2 lid 2 BW bedoelde statuut van een kerkgenootschap, in beginsel niet-ontvankelijk te verklaren indien de gedaagde zich erop beroept, en toereikend onderbouwt, dat deze vordering uitsluitend in een, met voldoende waarborgen omklede, kerkelijke rechtsgang kan worden ingesteld.


(…)




4.5
Uit hetgeen de bisschop aldus heeft aangevoerd en de norm van canoniek recht die hij in dat verband heeft ingeroepen, kan niet worden afgeleid dat de vordering met het oog waarop [de pastoor] het voorlopig getuigenverhoor heeft verzocht, uitsluitend in een kerkelijke rechtsgang en niet bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.


Reeds hieruit volgt dat het hof niet buiten het toepassingsgebied van art. 186 Rv is getreden door het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toe te wijzen.”



4.22
In rov. 4.1 vat de Hoge Raad het onderdeel samen met de algemene termen dat ‘geen taak voor de burgerlijke rechter [is] weggelegd’ omdat voor de pastoor een kerkelijke rechtsgang openstond. In rov. 4.2 benoemt de Hoge Raad de vordering uit hoofde van smaad en/of laster met het oog waarop de pastoor het voorlopig getuigenverhoor heeft verzocht. De overwegingen staan verder in de sleutel van criteria voor de ontvankelijkheid van de bisschop. De brede formulering van het middel liet echter de ruimte om andere of aanvullende criteria te geven voor de beoordeling van de bevoegdheid van de civiele rechter in kerkelijke zaken en op die grond de zaak af te doen. Uit het feit dat de Hoge Raad dat niet heeft gedaan, kan m.i. worden afgeleid dat de Hoge Raad het hof wel bevoegd achtte te oordelen over het verzoek van de bisschop tot een voorlopig getuigenverhoor met het oog op een op het burgerlijk recht gebaseerde vordering, die betrekking heeft op een onderwerp dat valt onder het in art. 2:2 lid 2 BW bedoelde statuut.


4.23

De conclusie is hiermee dat dat de objectum litis-leer ook geldt voor kerkelijke geschillen. De civiele rechter is bevoegd om van een kerkelijk geschil kennis te nemen, indien eiser zijn vordering baseert op een burgerlijk recht.

Betekenis rechtspraak EHRM over ‘civil right’ in de zin van art. 6 EVRM




4.24
CGJG heeft zich in feitelijke instanties en in cassatie erop beroepen dat uit de uitspraken Károly Nagy/Hongarije, Reuter/Duitsland en een advisory opinion van 5 maart 2026 van het EHRM volgt dat de burgerlijke rechter in kerkelijke geschillen alleen bevoegd is als sprake is van een ‘civil right’ in de zin van art. 6 EVRM en dat niet snel moet worden aangenomen dat daarvan sprake is.


4.25
De zaak Károly Nagy/Hongarije ging over een dominee (Nagy) in de Hongaarse Gereformeerde kerk, die werd geschorst en na een disciplinaire procedure werd ontslagen. Tijdens de disciplinaire procedure werd 50% van zijn loon ingehouden. Nagy vorderde voor de overheidsrechter onder meer betaling van de andere 50%, waarbij hij zich erop beriep dat zijn rechtsverhouding tot de kerk als een agentuurovereenkomst was aan te merken. De rechtbank en het hof wezen de vordering af. Het Hongaarse Supreme Court vernietigde de uitspraak van het hof en beëindigde de procedure in overeenstemming met art. 130 en 157 van het Hongaarse Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering en de Hongaarse Kerkwet. In de Kerkwet is bepaald dat geen overheidsdwang kan worden gebruikt voor het afdwingen van intern kerkelijk recht. Volgens het Supreme Court was Nagy’s vordering kerkrechtelijk en niet civielrechtelijk van aard, zodat die niet voor de nationale rechter kon worden afgedwongen.


4.26

Voor het EHRM beriep Nagy zich op schending van het recht op toegang tot de rechter als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM. De Grote Kamer van het EHRM verklaarde het beroep niet ontvankelijk, omdat Nagy, gelet op het rechtssysteem in Hongarije, geen ‘right’ had dat op redelijke gronden naar nationaal recht erkend kon worden. Art. 6 EVRM was daarom niet op de zaak van toepassing. Het Hof overwoog daartoe dat het niet door middel van interpretatie van art. 6 lid 1 EVRM een subjectief recht mag creëren dat geen juridische basis heeft in de betrokken Staat. Het is primair aan de nationale rechter om te bepalen of sprake is van een naar nationaal recht erkend ‘recht’, behoudens gevallen van willekeur:
“60. The Court has reiterated time and again that for Article 6 § 1 in its “civil” limb to be applicable, there must be a dispute over a “right” which can be said, at least on arguable grounds, to be recognised under domestic law, irrespective of whether that right is protected under the Convention. (…)



61. Article 6 § 1 does not guarantee any particular content for civil “rights and obligations” in the substantive law of the Contracting States: the Court may not create by way of interpretation of Article 6 § 1 a substantive right which has no legal basis in the State concerned (…). Moreover, as can be seen from the Court’s well-established case-law, it is necessary to maintain a distinction between procedural and substantive elements: fine as that distinction may be in a particular set of national legal provisions, it remains determinative of the applicability and, as appropriate, the scope of the guarantees of Article 6 of the Convention, which can, in principle, have no application to substantive limitations on a right existing under domestic law (see Lupeni Greek Catholic Parish and Others, cited above, § 100).



62. In order to decide whether the “right” in question really has a basis in domestic law, the starting-point must be the provisions of the relevant domestic law and their interpretation by the domestic courts (…). The Court recalls that it is primarily for the national authorities, in particular the courts, to resolve problems of interpretation of domestic legislation. The Court’s role is limited to verifying whether the effects of such interpretation are compatible with the Convention. That being so, save in the event of evident arbitrariness, it is not for the Court to question the interpretation of the domestic law by the national courts (…). Thus, where the superior national courts have analysed in a comprehensive and convincing manner the precise nature of the impugned restriction [of access to a court], on the basis of the relevant Convention case-law and principles drawn therefrom, this Court would need strong reasons to differ from the conclusion reached by those courts by substituting its own views for those of the national courts on a question of interpretation of domestic law and by finding, contrary to their view, that there was arguably a right recognised by domestic law (…).”



4.27
Met andere woorden, uit de uitspraak Károly Nagy/Hongarije volgt slechts dat als het recht van een verdragsstaat niet voorziet in een juridische grondslag voor toegang tot de overheidsrechter in een kerkelijk geschil, die grondslag niet gevonden kan worden in art. 6 EVRM. In de woorden van Pel: de autonome verdragsinterpretatie van de begrippen ‘civil rights and obligations’ gaat niet zo ver dat art. 6 EVRM een nieuwe, eigen rechtsingang creëert, los van het nationale recht. Indien het nationale recht geen juridische basis verschaft voor het bestaan van een ‘civil right’, dan biedt art. 6 EVRM geen vervangende oplossing.


4.28
De in de literatuur wel verdedigde opvatting dat uit Károly Nagy/Hongarije zou volgen dat in een kerkelijke verhouding geen sprake kan zijn van een ‘civil right’ en/of dat rechten die voortvloeien uit een kerkelijke verhouding in beginsel geen burgerlijke rechten zijn, is dan ook niet juist.


4.29

In een advisory opinion van 5 maart 2026, gegeven op verzoek van het Oekraïense Supreme Court herhaalt het EHRM de hiervoor weergegeven overwegingen uit Károly Nagy/Hongarije. Het EHRM benadrukt dat beslissend voor de toepassing van art. 6 lid 1 EVRM en het recht op toegang tot de rechter is of de procedure betrekking heeft op een recht dat, althans op verdedigbare gronden, is erkend in het nationale recht. Het EHRM overweegt daarbij dat het primair aan de nationale rechter is om dat te beoordelen en dat de nationale rechter de vordering daarvoor zorgvuldig moet onderzoeken en zijn oordeel met gegronde redenen moet onderbouwen op een manier die in lijn is met het relevante nationale recht en nationale rechtspraak, waaronder constitutionele bepalingen die de autonomie van religieuze organisaties garanderen.
“82. What these cases show is that the question of the applicability of Article 6 of the Convention does not involve, as the requesting court has suggested, the striking of a fair balance between the relevant Convention rights of the parties to the proceedings. Instead, they illustrate that the decisive issue is whether the proceedings concern a “right” that is recognised, at least on arguable grounds, in domestic law. That, as the Court has consistently held, is primarily a matter for the national authorities, in particular the courts. In that regard, and as stated above, this Court’s role is relatively limited. (…)



83. The above-mentioned cases also illustrate that, in examining the question of the existence of a substantive civil right under domestic law, it is important that the courts subject the claim as asserted before them to careful examination, and that they provide cogent reasons for their conclusions, in a manner consistent with relevant domestic law and case-law, including any constitutional-level provisions guaranteeing the autonomy of religious organisations.
(…)



85. This is a matter for the requesting court to resolve. Should it conclude that, in view of the termination of her agreement with the monastery, F. cannot now claim any “right”, even on an arguable basis, in relation to the cell that she previously occupied, it would follow that it is not required, under Article 6 of the Convention, to determine the merits of that claim. In that eventuality, and as seen in the cases referred to above, the Supreme Court should clearly demonstrate in its reasoning – particularly given the contrary position that was reached by the lower courts – that F. does not, as a matter of domestic law, have any cognisable right with respect to the part of the monastic premises at issue in the proceedings.



88. If, however, the requesting court goes on to find that, in the light of the relevant domestic principles, provisions and case-law at the time the proceedings were instituted, the right claimed by F. is at least arguable, and that the other conditions (see Károly Nagy, cited above, § 60) are also satisfied, then she would in principle be entitled under Article 6 to a determination of her claim in compliance with the requirements of a fair civil trial, which have been set out in the Court’s well-established case-law under that provision. That is not to prejudge in any way the conclusion that would ultimately be reached by the domestic courts.”



4.30
Het EHRM wijst in de advisory opinion op enkele andere uitspraken. In al deze zaken is het EHRM tot de conclusie gekomen dat art. 6 EVRM niet van toepassing is. Dat dat anders kan zijn als het nationale recht het subjectieve recht waarop de verzoeker zich beroept wel erkent, blijkt echter eveneens uit al deze uitspraken.


4.31
Vermelding verdient nog de door het EHRM in de advisory opinion niet genoemde uitspraak Reuter/Duitsland, waarop ook in de schriftelijke toelichting een beroep wordt gedaan. In die uitspraak merkt het EHRM op dat er ten tijde van de procedure van verzoeker relatief nieuwe jurisprudentie van het Bundesgerichtshof was die een beperkte toetsing door federale rechtbanken van kerkelijke maatregelen mogelijk maakte. Het EHRM overweegt dat niet valt uit te sluiten dat verzoeker die rechtspraak had kunnen inroepen, in welk geval zijn vordering inhoudelijk beoordeeld had moeten worden. In dat geval zou kunnen worden aangenomen dat verzoeker een recht had ingeroepen dat erkend werd door het nationale recht, in de zin van art. 6 EVRM. Verzoeker had zich echter niet op deze nieuwe rechtspraak beroepen om zijn verzoeken te onderbouwen. Onder deze omstandigheden is het EHRM van oordeel dat de door de verzoeker ingeleide procedures geen betrekking hadden op een recht waarvan op verdedigbare wijze kon worden beweerd dat het in het Duitse recht werd erkend. Hieruit volgt dat art. 6 lid 1 EVRM niet van toepassing is in deze zaak, aldus het EHRM.


4.32

Uit het voorgaande volgt dat uit de rechtspraak van het EVRM niet kan worden afgeleid dat de objectum litis-leer niet zou gelden voor kerkelijke geschillen. Het standpunt van CGJG dat uit die rechtspraak volgt dat niet mag worden afgegaan op het recht dat eiser stelt maar dat eerst moet worden vastgesteld of die vordering kerkelijk dan wel civielrechtelijk is, is dus niet juist.

Ontvankelijkheid




4.33
In rov. 4.3 van het arrest van 17 mei 2024 (zie onder 4.21) overweegt de Hoge Raad dat de burgerlijke rechter degene die bij hem opkomt met een vordering betreffende een onderwerp dat valt onder het in art. 2:2 lid 2 BW bedoelde statuut van een kerkgenootschap in beginsel niet-ontvankelijk dient te verklaren indien de gedaagde zich erop beroept, en toereikend onderbouwt, dat deze vordering uitsluitend in een, met voldoende waarborgen omklede, kerkelijke rechtsgang kan worden ingesteld. Betreft de (op een burgerlijk recht gebaseerde) vordering niet een onderwerp dat valt onder het in art. 2:2 lid 2 BW bedoelde statuut, ontbreekt een kerkelijke rechtsgang, kan uit hetgeen gedaagde heeft aangevoerd niet worden afgeleid dat de vordering uitsluitend in een kerkelijke rechtsgang en niet bij de burgerlijke kan worden ingesteld, of is de kerkelijke rechtsgang niet met voldoende waarborgen omkleed, dan is eiser wel ontvankelijk in zijn vordering.


4.34
Andere gronden voor niet-ontvankelijkheid in verband met de kerkelijke aard van het geschil zijn in de rechtspraak van de Hoge Raad niet aanvaard. M.i. bestaat daar ook geen aanleiding toe. Met de kerkelijke aard van het geschil kan (en in voorkomende gevallen: moet) bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering rekening worden gehouden.


4.35

Is de kerkelijke rechtsgang doorlopen en uitgemond in een beslissing, dan kan de inhoud en van die kerkelijke beslissing slechts terughoudend of ‘marginaal’ worden getoetst. De maatstaf van art. 7:904 lid 1 BW kan hier analoog worden toegepast, zo volgt uit het arrest Vrij-beheer gemeenten/NHK. Die maatstaf houdt in dat een kerkelijke beslissing vernietigbaar is indien de gebondenheid aan de beslissing in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.Alleen ernstige gebreken in de totstandkoming of inhoud van de beslissing kunnen gebondenheid eraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken.

Beoordeling kerkelijk geschil door de civiele rechter




4.36
Ook indien eiser niet de vernietiging van een in een kerkelijk rechtsgang tot stand gekomen kerkelijke beslissing inroept maar een andere vordering op grond van burgerlijk recht instelt, zal de rechter bij de beoordeling daarvan de kerkelijke context in aanmerking moeten nemen. Van belang zijn in dat geval het recht op godsdienstvrijheid van art. 9 (jo. art. 11) EVRM (alsmede art. 6 Grondwet) en de gelding of voorrang van het kerkelijk statuut (art. 2:2 lid 2 BW). Ik beperk mij tot enkele hoofdlijnen.


4.37
In de rechtspraak van het EHRM wordt het belang onderstreept van de autonomie van religieuze gemeenschappen en hun vrijheid om zich te organiseren. Een aspect daarvan is dat de rechter niet dient te treden in een beoordeling van geschillen over de legitimiteit van religieuze overtuigingen tussen of binnen geloofsgemeenschappen.


4.38
Voor zover de toepassing van wettelijke regels aan te merken zou zijn als een beperking van de vrijheid van godsdienst in de zin van art. 9 EVRM (in samenhang met de vrijheid van vereniging van art. 11 EVRM), dan is deze beperking op grond van vaste rechtspraak van het EHRM alleen toegestaan indien deze i) bij wet is voorzien, ii) noodzakelijk is in een democratische samenleving en iii) in het belang is van de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden, of de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.


4.39

Verder benadrukt het EHRM dat het niet de taak is van nationale autoriteiten om op te treden als arbiter tussen een geloofsgemeenschap en een afvallig deel van de gemeenschap. In de zaak Sindicat ‘Pãstorul cel Bun’/ Roemenië werd in dit verband het volgende overwogen (mijn onderstreping):
“165. In this connection, the Court observes that it has frequently emphasised the State’s role as the neutral and impartial organiser of the practice of religions, faiths and beliefs, and has stated that this role is conducive to public order, religious harmony and tolerance in a democratic society, particularly between opposing groups (see, among other authorities, Hasan and Chaush, cited above, § 78, and Leyla Şahin, cited above, § 107). It can only confirm this position in the present case. Respect for the autonomy of religious communities recognised by the State implies, in particular, that the State should accept the right of such communities to react, in accordance with their own rules and interests, to any dissident movements emerging within them that might pose a threat to their cohesion, image or unity. It is therefore not the task of the national authorities to act as the arbiter between religious communities and the various dissident factions that exist or may emerge within them.”



4.40
Ook in geval van “any doctrinal or organisational disagreement’ tussen een kerkgenootschap en een individueel lid, rust op de nationale autoriteiten de verplichting om de autonomie van kerkgenootschappen te respecteren. Dat impliceert dat het niet de taak is van de nationale autoriteiten om in dergelijke geschillen op te treden als arbiter. Het recht op vrijheid van godsdienst houdt geen recht in om het niet eens te zijn met een kerkgenootschap; in zo’n geval heeft het individuele lid de vrijheid om de gemeenschap te verlaten.


4.41

Zie ten slotte ook een Advisory Opinion van het EHRM van 5 oktober 2026:
“The Court would point out in this connection that in accordance with the principle of the autonomy of religious organisations, it has held that the State is prohibited from obliging a religious community to admit new members or to exclude existing ones (see Sindicatul “Păstorul cel Bun” v. Romania [GC], no. 2330/09, §§ 136 and 137, ECHR 2013). Religious communities must be completely free to determine at their own discretion the manner in which new members are admitted and existing members are excluded (see Svyato-Mykhaylivska Parafiya v. Ukraine, no. 77703/01, §§ 146 and 150, 14 June 2007). Moreover, Article 9 of the Convention does not guarantee any right to dissent within a religious body (see Sindicatul “Păstorul cel Bun”, cited above, § 137). In the event of a disagreement over matters of doctrine or organisation between a religious community and one of its members, the individual’s freedom of religion is exercised through freedom to leave the community (see Miroļubovs and Others v. Latvia, no. 798/05, § 80, 15 September 2009).”



4.42
De Staat mag een religieuze gemeenschap dus niet gebieden nieuwe leden toe te laten of leden uit te sluiten.


4.43

In de voorliggende zaak is echter geen sprake van “a doctrinal or organisational disagreement’ tussen CGJG en Z. Ook doet zich niet voor dat Z uit de geloofsgemeenschap van CGJG is gezet. In zoverre is de besproken rechtspraak van het EHRM niet van toepassing. Wel ligt het maar in beperkte mate op de weg van de overheidsrechter om te treden in de inhoud van de door CGJG opgelegde restricties. Die restricties moeten m.i. worden aangemerkt als ‘organisatorische maatregelen’, die in beginsel tot de autonomie van de kerkgemeenschap behoren. Daarbij dienen wel bepaalde minimumeisen te worden gesteld aan de besluitvorming op basis waarvan CGJG tot oplegging van de restricties is gekomen.

Een vordering gebaseerd op onrechtmatige daad




4.44
In deze zaak baseert Z zijn vorderingen op onrechtmatig handelen van CGJG.


4.45
In de literatuur wordt algemeen aangenomen dat kerkgenootschappen uit onrechtmatige daad kunnen worden aangesproken. Dat volgt ook uit het arrest Goeree, waarin de Hoge Raad oordeelde dat ook art. 1401 BW (oud) (thans art. 6:162 BW) beperkingen kan stellen aan de wijze waarop van de vrijheid van godsdienst zoals neergelegd in art. 6 Grondwet en art. 9 EVRM gebruik kan worden gemaakt. De zaak betrof overigens een geval van onrechtmatig handelen jegens derden.


4.46
Bij een open norm als art. 6:162 BW zal niet snel worden aangenomen dat die op grond van art. 2:2 lid 2 BW in het geheel niet van toepassing is. Wel is het mogelijk dat voor de normschending waar het om gaat, ook een kerkelijke norm geldt, en een kerkelijke rechtsgang doorlopen moet of kan worden. Als voorbeeld kan gewezen worden op het hiervoor onder 4.17 e.v. besproken arrest van de Hoge Raad van 17 mei 2024. In de voorliggende zaak is geen beroep gedaan op een kerkelijke norm inzake aantasting in de eer en goede naam en een bijbehorende kerkelijke rechtsgang, die Z had kunnen volgen.


4.47
Ook bij de invulling van het vereiste van ‘onrechtmatige daad’ is de kerkelijke context van betekenis. Dit is in de eerste plaats het geval vanwege de werking van art. 2:2 lid 2 BW: wat van de gelaedeerde mag worden gevergd, wordt bepaald door het kerkelijk statuut, voor zover dat niet in strijd is met de wet. In de tweede plaats hebben maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen hoe dan ook een context-gebonden karakter. De kerkelijke context bepaalt ook langs die weg mede wat van – in dit geval – een kerkgenootschap ten opzichte van een van haar leden mag worden verwacht.


4.48
In dat verband is nog op te merken dat niet kan worden gezegd dat de burgerlijke rechter nooit regels van kerkelijk recht zou mogen interpreteren of uitleggen. Indien partijen – zoals in deze zaak het geval is – zich beroepen op kerkelijk recht, zal de burgerlijke rechter die regels moeten uitleggen en toepassen. Bij de uitleg is uiteraard het partijdebat van belang. Als beide partijen het eens zijn over een bepaalde uitleg van een regel, is het niet aan de rechter om daar een andere uitleg voor in de plaats te stellen. Wel zal uitleg en toepassing van kerkelijk recht in alle gevallen worden begrensd door het leerstuk van scheiding tussen kerk en staat. Dit betekent dat de rechter niet (via een toetsing aan het kerkelijk recht) mag treden in onderwerpen die de autonomie van een kerkgemeenschap betreffen (zie 4.37 e.v.). En, als gezegd, de uitleg van kerkelijk recht moet in cassatie als een feitelijk oordeel worden beschouwd (zie onder 4.7).


4.49
Daarnaast geldt dat regels van kerkelijk recht buiten toepassing moeten blijven indien deze regels strijdig zijn met regels van dwingend recht die een belang van zo fundamentele aard beschermen, dat afwijking daarvan niet kan worden aanvaard (zie onder 4.5-4.6). In de voorliggende zaak is door Z niet aangevoerd dat de interne regels van het kerkelijke recht van Jehovah’s Getuigen in strijd zijn met dwingend recht. Wel bestaat er discussie over welke regels van toepassing zijn; in cassatie wordt betwist dat het hof de juiste kerkelijke regels heeft toegepast (zie onderdeel 5.2, hierna onder 9.2).


4.50
De onrechtmatige daad bestaat in dit geval volgens Z uit handelen door CGJG in strijd met de kerkelijke procedures en regels, naar aanleiding van ontvangst van een melding van seksueel kindermisbruik. Als gevolg daarvan zou Z ten onrechte “zijn aangemerkt als kindermisbruiker” (zie onder 3.2). De gestelde onrechtmatigheid bestaat hier dus enerzijds uit de wijze waarop intern kerkelijk recht is toegepast, en anderzijds uit het resultaat van het kerkelijke besluitvormingsproces. M.i. geldt hier niet de maatstaf van art. 7:904 BW, omdat geen sprake is van een beslissing die tot stand is gekomen na het doorlopen van een kerkelijke rechtsgang (zie hiervoor onder 4.35). Wel geldt dat de burgerlijke rechter bij de beoordeling van de vordering uit onrechtmatige daad betekenis moet toekennen aan de kerkelijke context, zie onder 4.47.


4.51

Voor wat betreft de wijze en indringendheid van rechterlijke toetsing van het gestelde onrechtmatig handelen van CGJG (waaronder begrepen het opleggen van restricties) kan m.i. niet in zijn algemeenheid worden gezegd dat dit ‘marginaal’ dient plaats te vinden. Nog los van het feit dat het begrip ‘marginale toetsing’ geen duidelijk omschreven inhoud heeft, zal de vraag of CGJG onrechtmatig heeft gehandeld, ‘gewoon’ moeten worden getoetst. Wel geldt dat als op grond van de normen van kerkelijk recht voor CGJG niet één concrete handelwijze is voorgeschreven, maar zij naar eigen inzicht, keuzes mag of moet maken ter invulling van haar handelwijze, de rechter die keuzes in beginsel zal moeten respecteren. In zoverre zal de rechter terughoudendheid moeten betrachten. Daarbij geldt bovendien steeds dat als het handelen van CGJG betrekking heeft op onderwerpen die de scheiding tussen kerk en staat betreffen (art. 9 en 11 EVRM), bijvoorbeeld doordat het handelen de organisatie van de kerkgemeenschap betreft, de rechter zich niet als arbiter dient op te stellen. Op dergelijke punten is in beginsel geen rol weggelegd voor de burgerlijke rechter (zie onder 4.37-4.43).

Slotsom




4.52
Samenvattend komt het voorgaande erop neer dat de burgerlijke rechter bevoegd is in een kerkelijke zaak indien een partij haar vordering of verzoek baseert op een burgerlijk recht. Betreft de vordering een onderwerp dat valt onder het in art. 2:2 lid 2 BW bedoelde statuut, dan moet de burgerlijke rechter echter eiser/verzoeker in beginsel niet ontvankelijk verklaren indien de gedaagde (het kerkgenootschap of de geloofsgemeenschap) zich erop beroept, en toereikend onderbouwt, dat de vordering of het verzoek uitsluitend in een, met voldoende waarborgen omklede, kerkelijke rechtsgang kan worden ingesteld. Komt de rechter wel toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering, dan volgt uit art. 9 jo. 11 EVRM, art. 2:2 lid 2 BW en in het geval van een beroep op onrechtmatige daad ook uit art. 6:162 BW, dat en op welke wijze hij de kerkelijke context bij de beoordeling van de vordering in aanmerking dient te nemen. Hoe dan ook dient de rechter niet te treden in zaken die de autonomie van kerkgemeenschappen betreffen.




5Onderdeel 1: bevoegdheid van de burgerlijke rechter

5.1


Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.29 en 3.30, waarin het hof het beroep van CGJG op onbevoegdheid van de burgerlijke rechter afwijst. In rov. 3.28-3.30 overweegt het hof:
“3.28 CGJG heeft zich onder verwijzing naar onder meer artikel 2:2 BW primair beroepen op de onbevoegdheid van de burgerlijke rechter om deze zaak te behandelen. Zij heeft aangevoerd dat de vraag naar de bevoegdheid van de statelijke rechter in kerkelijke aangelegenheden wordt beheerst door de institutionele verhouding tussen kerk en staat. Die rechtstatelijke verhouding kan, aldus CGJG niet zomaar doorbroken worden door een eiser die in een zuiver intern-kerkelijke verhouding stelt dat jegens hem sprake zou zijn van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. Een dergelijke civielrechtelijke benadering miskent de rechtstatelijke basisverhouding waarin de kerkgenootschappen bij uitsluiting bevoegd zijn tot besluitvorming in eigen kerkelijke kring (absolute bevoegdheid) en worden geregeerd door hun eigen interne statuut en niet door het civiele recht. De ‘objectum litis leer’ geldt slechts binnen het statelijke recht en doorbreekt niet de fundamentele scheiding tussen kerkelijk en statelijk domein. [Z] kan niet eenzijdig de grondrechtelijke rechtsmachtverdeling overrulen met een ‘Etikettenschwindel’.”




3.29
Het hof gaat hier niet in mee. De scheiding tussen kerk en staat gaat niet zover dat de gang naar de burgerlijke rechter per definitie is uitgesloten wanneer, zoals in dit geval, sprake is van een geschil tussen een kerkgenootschap en één van zijn leden. Dat zou in strijd zijn met de grondrechtelijke waarborgen die ten behoeve van individuen zijn neergelegd in de artikelen 17 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 112 van de Grondwet. Volgens vaste rechtspraak wordt de bevoegdheid van de burgerlijke rechter tegen deze achtergrond beoordeeld naar het recht waarin de eiser vraagt te worden beschermd. [Z] baseert zijn vorderingen op onrechtmatig handelen door CGJG jegens hem, te weten een inbreuk op zijn eer en goede naam en onzorgvuldig handelen jegens hem. Daarmee beroept hij zich op civiele rechten waarvoor het Nederlands burgerlijk recht bescherming biedt. De burgerlijke rechter is dan ook bevoegd van de zaak kennis te nemen. In dit verband wijst het hof erop dat in het al genoemde arrest van de Hoge Raad in de zaak NGK- […] , maar ook in andere arresten, de Hoge Raad ervan uitgaat dat de burgerlijke rechter in een geschil tussen een kerklid en een kerk bevoegd is van de vordering van het kerklid kennis te nemen.



3.30
De verwijzing door CGJG naar het arrest van het EHRM in de zaak Nagy/Hongarije maakt dit oordeel niet anders. In deze zaak bevestigt het EHRM slechts dat artikel 6 EVRM geen nieuwe, eigen rechtsingang creëert indien het nationale recht daarin niet voorziet. Omdat het Nederlandse recht een eigen rechtsingang kent voor de door [Z] ingestelde vordering, zijn de overwegingen van het Europese Hof van Justitie in deze zaak verder niet van belang.”


5.2

Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof miskent dat in een geval als het onderhavige, waarin de vorderingen van Z een onderwerp betreffen dat valt onder het kerkelijk statuut van CGJG (zie rov. 3.31) en dat, zoals CGJG heeft gesteld en door het hof niet is verworpen, uitsluitend door het kerkelijk statuut wordt beheerst, art. 9 jo. 11 EVRM en/of art. 6 Grondwet in samenhang met het beginsel van scheiding tussen kerk en staat een kerk bescherming biedt tegen bemoeienis van de Staat of de overheidsrechter. Het hof had zich daarom onbevoegd moeten verklaren, althans had zich van een oordeel dienen te onthouden. De bescherming tegen statelijke inmenging in kerkelijke aangelegenheden kan niet (reeds) doorbroken worden op de (enkele) grond dat een lid van die kerk in een geschil met die kerk zich ten overstaan van de burgerlijke rechter beroept op onrechtmatig handelen door de kerk.


5.3
Het subonderdeel voert aan dat de rechtsopvatting waarop het zich beroept niet in strijd is met art. 17 en 112 Grondwet, in ieder geval niet nu het hof in het kader van de beoordeling van zijn bevoegdheid niet heeft vastgesteld dat sprake is van strijd met de wet zoals bedoeld in art. 2:2 lid 2 BW. Voor zover het oordeel van het hof over zijn bevoegdheid in rov. 3.29 in samenhang moet worden begrepen met zijn oordeel in rov. 3.41 dat CGJG fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden en onrechtmatig heeft gehandeld, kan het op de in onderdeel 4 aangevoerde gronden niet in stand blijven.


5.4
In de schriftelijke toelichting wordt onder meer opgemerkt dat het niet aan de overheid is om te bepalen hoe de interne regels van het kerkelijk statuut door de geestelijke ambtsdragers in kerkelijke en religieuze kwesties die spelen tussen de geestelijke autoriteiten binnen een kerkelijke gemeente en één van haar leden moeten worden toegepast. Het grondrecht op godsdienstvrijheid en het beginsel van scheiding van kerk en staat, waarop art. 2:2 BW berust, leggen de overheid de plicht op de autonomie van kerkgenootschappen in het bepalen van hun geestelijke en institutionele orde te respecteren. Deze autonomie wordt slechts begrensd in die gevallen waarin sprake is van strijd met de wet, zoals bedoeld in art. 2:2 lid 2 BW. Voor de invulling van het begrip ‘wet’ verwijst de schriftelijke toelichting naar het arrest NGK/ […] (zie onder 4.5). Alleen als sprake is van strijd met de wet is de overheidsrechter bevoegd zich te mengen in een door ‘het statuut’ beheerste kwestie. Onjuist is dat reeds de enkele omstandigheid dat Z zijn vordering baseert op onrechtmatig handelen de kwestie onder de bevoegdheid van de overheidsrechter brengt en legitimeert dat CGJG kan worden blootgesteld aan statelijke inmenging door de overheidsrechter in een kerkelijke kwestie. De objectum litis-leer ziet alleen op de afbakening van de bevoegdheid van de ene overheidsrechter ten opzichte van de andere en niet op de afbakening van de overheidsrechter ten opzichte van de bevoegdheid van kerkgenootschappen om autonoom hun orde te bepalen.


5.5
Anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, heeft het hof niet het standpunt van CGJG gevolgd dat het onderwerp van deze zaak ‘uitsluitend’ door kerkelijk recht wordt beheerst. CGJG heeft onder andere gesteld dat ‘deze intern-kerkelijke zaak’ wordt beheerst door het statuut en niet door de civiele onrechtmatige daad van Boek 6 BW en dat binnen CGJG het eigen kerkelijk recht geldt en niet het statelijk recht. Z heeft zijn vordering op de civiele onrechtmatige daad gebaseerd. Door die vordering in behandeling te nemen en te overwegen dat bij de beoordeling of sprake is van onrechtmatig handelen door CGJG, het kerkrecht richtinggevend is, heeft het hof het standpunt verworpen dat de zaak niet door het civiele recht (art. 6:162 BW) wordt beheerst. Dat is juist. Kerkgenootschappen kunnen op grond van onrechtmatige daad worden aangesproken. Wat in het concrete geval als onrechtmatig moet worden beschouwd, wordt wel ingekleurd door kerkelijk recht (zie onder 4.47-4.51).


5.6
Zoals hiervoor (onder 4.9-4.23) uiteen is gezet, is de civiele rechter bevoegd van een vordering kennis te nemen als die is gebaseerd is op een burgerlijk recht. Onjuist is dat de burgerlijke rechter alleen bevoegd is als eiser of verzoeker zich erop beroept dat (en de rechter vaststelt dat) een onderdeel van het statuut in strijd is met de wet zoals bedoeld in art. 2:2 lid 2 BW. Z heeft zijn vordering gebaseerd op onrechtmatige daad en daarmee is de burgerlijke rechter bevoegd. Dat het gestelde onrechtmatig handelen zich in een kerkelijke verhouding heeft voorgedaan die wordt geregeld door het kerkelijk statuut, maakt dat niet anders. Evenmin is reeds met dat bevoegdheidsoordeel sprake van strijd met art. 9 jo. 11 EVRM, art. 6 Grondwet en/of het beginsel van scheiding tussen kerk en staat. Het recht op godsdienstvrijheid, zoals opgenomen in art. 6 Grondwet en art. 9 (jo. 11) EVRM en het beginsel van scheiding tussen kerk en staat zal de rechter bij de behandeling van de zaak in acht moeten nemen (zie onder 4.36 e.v.).


5.7

Subonderdeel 1.2 klaagt dat onjuist is, want in strijd met art. 9 jo. 11 EVRM, 6 Grondwet en het beginsel van scheiding tussen kerk en staat zoals ook verankerd in art. 2:2 lid 2 BW, dat de burgerlijke rechter in een geschil tussen een kerklid en een kerk (steeds) bevoegd is van de vordering van het kerklid kennis te nemen, zoals het hof aan het slot van rov. 3.29 oordeelt. In rov. 3.29 en 3.30 miskent het hof dat de burgerlijke rechter niet bevoegd is te oordelen in en over een kerkelijk geschil, althans dat hij zich van een oordeel daarover te dient onthouden. Dat is slechts anders indien een ‘civil right’ in de zin van art. 6 EVRM in het geding is. Het hof heeft niet vastgesteld dat daarvan sprake is.


5.8
De schriftelijke toelichting verwijst ter onderbouwing onder meer naar overwegingen uit – hiervoor onder 4.37 e.v. besproken – rechtspraak van het EHRM waarin het Hof het belang benadrukt van de vrijheid om de religieuze gemeenschap te organiseren, waarbij die gemeenschappen in het algemeen het recht hebben om van aangesloten gelovigen naleving te verlangen van hun “doctrinal standards of behaviour”. De Staat mag de legitimiteit van godsdienstige overtuiging of de wijze waarop die overtuigingen tot uitdrukking worden gebracht niet beoordelen en optreden in interne geschillen ten aanzien van de geloofsleer of de organisatie van het kerkgenootschap. Zo nodig kan de individuele vrijheid van godsdienst van een lid van het kerkgenootschap worden uitgeoefend door vrijwillig die gemeenschap te verlaten.


5.9
Ten aanzien van het beroep op het ‘civil right’ vereiste wordt in de schriftelijke toelichting opgemerkt dat niet snel wordt aangenomen dat van een ‘civil right’ sprake is. Verwezen wordt naar de uitspraken Károly Nagy/Hongarije, Reuter/Duitsland en de Advisory Opinion van 5 maart 2026 op verzoek van de Supreme Court van Oekraïne. Uit Károly Nagy/Hongarije volgt ook dat in een kerkelijk geschil zorgvuldig dient te worden vastgesteld of volgens het nationale recht de verhouding waarop het geschil betrekking heeft en de vordering in geding zijn grondslag heeft, kerkrechtelijk dan wel civielrechtelijk is, aldus het subonderdeel.


5.10
Voor zover het subonderdeel klaagt dat het hof van oordeel is dat de burgerlijke rechter steeds bevoegd is om van een vordering in een kerkelijk geschil kennis te nemen, mist het feitelijke grondslag, omdat het berust op een verkeerde lezing van rov. 3.29. De overweging dat de Hoge Raad ervan uitgaat dat de burgerlijke rechter in een geschil tussen een kerklid en een kerk bevoegd is van de vordering van het kerklid kennis te nemen moet in de context van de rest van rov. 3.29 worden gelezen, waarin het hof tot uitgangspunt neemt dat de burgerlijke rechter bevoegd is van een vordering kennis te nemen indien eiser zich op civiele rechten beroept waarvoor het Nederlandse burgerlijk recht bescherming biedt.


5.11
Het is niet in strijd met art. 9 jo. 11 EVRM en/of art. 6 Grondwet en/of het beginsel van scheiding tussen kerk en staat dat de burgerlijke rechter zich bevoegd acht kennis te nemen van een vordering die gebaseerd is op het burgerlijk recht. Uit de in de schriftelijke toelichting aangehaalde rechtspraak volgt dat ook niet. Overigens is in deze zaak ook geen sprake van een geschil over de wijze waarop CGJG georganiseerd is, of een geschil over geloofsbelijdenis. Het geschil ziet op de wijze waarop CGJG regels van kerkelijk recht heeft toegepast. Zie, in cassatie onbestreden, rov. 3.35.


5.12
Uit de rechtspraak van het EHRM waarop het middel een beroep doet, volgt niet dat de nationale rechter slechts bevoegd is over een kerkelijk geschil te oordelen indien eiser of verzoeker een beroep doet op een ‘civil right’. Verwezen zij naar 4.25-4.32.


5.13
Subonderdeel 1.2 slaagt niet.


5.14

Subonderdeel 1.3 klaagt dat het oordeel van het hof dat Z zich op civiele rechten beroept waarvoor het Nederlandse burgerlijk recht bescherming biedt, onbegrijpelijk is. Z klaagt over een geheel kerkelijke aangelegenheid. Daarom valt niet in te zien waarom zijn vordering (ook) betrekking heeft op een ‘civil right’ in de zin van art. 6 EVRM, althans een burgerlijk recht waarover de burgerlijke rechter bevoegd zou zijn te oordelen. Z heeft zijn vordering weliswaar gepresenteerd als ‘civiele’ vordering, maar uit hetgeen door hem is betoogd blijkt dat het hem in werkelijkheid te doen is om de wijze waarop het interne kerkrecht is toegepast en de volgens hem ten onrechte opgelegde restricties als gevolge waarvan zijn eer en goede naam is aangetast (binnen de kerkelijke gemeenschap.


5.15
Dit subonderdeel faalt in het voetspoor van subonderdeel 1.2. Het hof heeft zijn bevoegdheidsoordeel voldoende gemotiveerd.


5.16
Het falen van onderdeel 1 betekent dat het oordeel van het hof dat het bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van Z stand houdt.




6Onderdeel 2: terugwijzen

6.1

Onderdeel 2 klaagt ten eerste in subonderdeel 2.1.1 dat het hof art. 76 Rv heeft geschonden door de zaak aan zich te houden en inhoudelijk te behandelen en beslissen, terwijl de rechtbank zich onbevoegd had verklaard uit hoofde van het onderwerp van het geschil, het hof die onbevoegdverklaring van de rechtbank heeft vernietigd en zich bevoegd heeft verklaard. Partijen hebben niet verklaard te verlangen dat het hof de zaak aan zich zou houden.


6.2

Subonderdeel 2.1.2 klaagt voor zover het oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dat het hof ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom het de zaak aan zich heeft gehouden.


6.3
Ter bespreking van deze klachten geldt het volgende.


6.4

In het arrest Oracle & SFDC c.s./The Privacy Collective heeft de Hoge Raad de vaste rechtspraak over het terugwijzingsverbod als volgt samengevat (mijn onderstreping):
“4.2.2 Volgens vaste rechtspraak is uitgangspunt dat de rechter in hoger beroep na vernietiging van een einduitspraak de zaak niet mag terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg. Aan die rechtspraak heeft de Hoge Raad ten grondslag gelegd dat door het hoger beroep tegen een einduitspraak in beginsel de gehele zaak, zoals zij voor de eerste rechter diende, naar de hogere rechter wordt overgebracht ter beslissing door deze en dat de hogere rechter zich niet deels aan deze hem opgedragen taak mag onttrekken door een gedeelte van de beslissing van het aan zijn oordeel onderworpene over te laten aan de rechter die zijn oordeel over de zaak reeds heeft gegeven. De rechter in hoger beroep mag de zaak wel terugwijzen indien de rechter in eerste aanleg op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak is toegekomen, hetgeen aan de orde is wanneer de rechter in eerste aanleg zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen of ten onrechte ontslag van de instantie heeft verleend. Dat geldt ook in een geval waarin de rechter in hoger beroep heeft vastgesteld dat het eindvonnis vernietigd moet worden omdat het (mede) is gewezen door een daartoe niet meer bevoegde rechter.”



6.5
De uitzondering op het terugwijzingsverbod voor de situatie dat de rechter in eerste aanleg zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard, is door de Hoge Raad voor het eerst aanvaard in het arrest De Open Ankh. In dat arrest noemde de Hoge Raad de volgende gevallen waarin de rechter in eerste aanleg zich ten onrechte onbevoegd had verklaard: (i) wegens ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, (ii) op grond van het bepaalde in art. 1022 Rv (het bestaan van een arbitrageovereenkomst), (iii) uit hoofde van het onderwerp van het geschil. In deze uitzonderingsgevallen dient de appelrechter de zaak wél terug te wijzen naar de rechter in eerste aanleg, tenzij beide partijen afdoening door de appelrechter wensen, zo voegde de Hoge Raad in het kort nadien gewezen arrest Meulen/Keijsers toe.


6.6
In 2002 is in art. 76 Rv opgenomen dat indien de appelrechter een vonnis of beschikking van de lagere rechter, waarbij deze zich onbevoegd had verklaard, vernietigt, de rechter de zaak naar deze lagere rechter verwijst, tenzij partijen verklaren te verlangen dat de appelrechter de zaak aan zich houdt. In de memorie van toelichting is vermeld dat de bepaling in een leemte voorziet waarin ‘op de hier aangegeven wijze is voorzien’ door het arrest Meulen/Keijsers.


6.7
De woorden ‘wegens het ontbreken van rechtsmacht of in verband met een overkomst tot arbitrage’ zijn bij wet van 8 september 2005 toegevoegd ter verduidelijking van de verhouding tussen art. 75 lid 2 Rv en art. 76 Rv. Niet is vermeld dat daarmee beoogd is de in de rechtspraak aanvaarde grond voor terugwijzing indien de lagere rechter zich ten onrechte onbevoegd had verklaard uit hoofde van het onderwerp van het geschil te schrappen.


6.8
De rechtbank heeft zich in haar vonnis ‘voor het overige’ onbevoegd verklaard om inhoudelijk kennis te nemen van de door Z ingestelde vorderingen. Daarmee heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard op basis van het onderwerp van het geschil, namelijk de toetsing van de door het kerkgenootschap gemaakte belangenafweging en het op basis daarvan genomen kerkelijk besluit (zie rov. 4.4 van het vonnis). Nu het hof zich wel bevoegd verklaarde en de beschikking van de rechtbank vernietigde, had het hof de zaak voor verdere behandeling naar de rechtbank moeten terugwijzen. Het hof heeft niet gemotiveerd waarom het dat niet heeft gedaan. Partijen hebben het hof ook niet verzocht de zaak aan zich te houden. Het bestreden arrest getuigt dus van een onjuiste rechtsopvatting. Subonderdeel 2.1.1 slaagt.


6.9
M.i. moet het vonnis van de rechtbank níet zo worden gelezen, dat zij zich gedeeltelijk bevoegd heeft geacht. De overweging in rov. 4.4 vanaf ”Voor zover Z betoogt dat art. 6 EVRM is geschonden ….”, is een overweging ten overvloede. Dat volgt ook uit grief II, waarin Z aanvoert dat hij zich niet op art. 6 EVRM heeft beroepen. En ook wat de rechtbank in rov. 4.5 overweegt over de vraag of CGJG op basis van de informatie die destijds voorlag heeft kunnen komen tot het punt waarop zij de belangenafweging maakte en het besluit nam, kan niet worden gezien als een gedeeltelijke beoordeling van de vorderingen van Z. Die vorderingen zagen namelijk in het geheel niet op de vraag of CGJG een onderzoek mocht instellen, en of er voldoende informatie lag om dat onderzoek in te stellen, maar op de wijze van uitvoering van het onderzoek, de uitkomsten van het onderzoek en de vervolgens opgelegde restricties. Ter beoordeling van de vorderingen van Z diende de rechter dus uitsluitend te onderzoeken hoe de interne procedure door GCJG was uitgevoerd, en of de uitkomsten van het onderzoek de door GCJG genomen besluiten konden dragen. Tegen die achtergrond bevat ook rov. 4.5 van het vonnis slechts overwegingen ten overvloede.


6.10
Het slagen van subonderdeel 2.1.1 heeft tot gevolg dat de overige (sub)onderdelen strikt genomen geen behandeling meer behoeven. Vanwege het belang van de onderwerpen die daarin aan de orde worden gesteld, wordt hierna toch nader ingegaan op enkele (sub)onderdelen.


6.11
Voor wat betreft de klacht in subonderdeel 2.1.3, dat het verzuim om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank tot gevolg heeft gehad dat CGJC ernstig in haar verdediging is geschaad, doordat zij geen gelegenheid heeft gekregen om haar verweer aan te vullen, naar aanleiding van het oordeel van het hof dat het bevoegd is, en de in het verlengde hiervan liggende klachten in de onderdelen 2.2-2.6, wordt verwezen naar hoofdstuk 8 van deze conclusie.




7Onderdeel 3: ontvankelijkheid

7.1

Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel van het hof over de ontvankelijkheid van Z. CGJG vraagt in de schriftelijke toelichting om het onderdeel ook te behandelen indien de Hoge Raad het bestreden arrest op grond van onderdeel 2 vernietigt, teneinde de voortzetting van het processuele debat na verwijzing te stroomlijnen en de beslechting van het geschil te bespoedigen.


7.2

In rov. 3.31 en 3.32 overweegt het hof:
“3.31 Een andere vraag is of [Z] in zijn vorderingen ontvankelijk is. Ook die vraag beantwoordt het hof bevestigend. De burgerlijke rechter moet degene die bij hem opkomt met een vordering betreffende een onderwerp dat valt onder het in artikel 2:2 lid 2 BW bedoelde statuut van een kerkgenootschap in beginsel niet-ontvankelijk verklaren indien de gedaagde zich erop beroept, en toereikend onderbouwt, dat deze vordering uitsluitend in een, met voldoende waarborgen omklede, kerkelijke rechtsgang kan worden ingesteld. Dat de vordering een onderwerp betreft dat valt onder het in artikel 2:2 lid 2 BW bedoelde statuut van CGJG, is tussen partijen niet in geschil.




3.32
CGJG heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof erkend dat een kerkelijke rechtsgang waarin de vorderingen van Pais kunnen worden ingesteld, ontbreekt. CGJG heeft geen interne procedure voor geschillenbeslechting waarin Pais de tegen hem genomen maatregelen die zijn eer en goede naam aantasten, kan aanvechten. Alleen wanneer een rechterlijk comité wordt samengesteld kan tegen een beslissing van dat rechterlijk comité beroep worden ingesteld. In dit geval is echter geen rechterlijk comité ingesteld, zodat een interne rechtsingang ontbrak. Omdat geen sprake is van een (met voldoende waarborgen omklede) kerkelijke rechtsgang waar Pais zijn vorderingen kan instellen, kan hij worden ontvangen in zijn vordering.”


7.3

Subonderdeel 3.1 klaagt dat het hof met het oordeel dat Z kan worden ontvangen in zijn vorderingen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 6 Grondwet, art. 9 jo 11 EVRM en art. 2:2 lid 2 BW geen ruimte laten voor bemoeienis door de overheidsrechter ten aanzien van een vordering die valt binnen het bereik van de in art. 2:2 lid 2 BW vervatte inrichtingsvrijheid, tenzij een belang van zo fundamentele aard in het geding is dat ondanks de aan kerkgenootschappen toekomende inrichtingsvrijheid afwijking van dwingend recht niet kan worden aanvaard.


7.4
Uit het hiervoor weergegeven juridisch kader blijkt dat dit subonderdeel niet slaagt. De rechter dient de aan een kerkgenootschap toekomende inrichtingsvrijheid bij de beoordeling van de vordering in aanmerking te nemen. Zie onder 4.33, 4.34 en 4.36 e.v.


7.5

Subonderdeel 3.2 en 3.3 bevatten op subonderdeel 3.1 voortbouwende klachten en falen in het voetspoor daarvan.


7.6
Subonderdeel 3.3 beroept zich er tevens op dat kerkelijke maatregelen inzake vermaning en tucht bij uitstek het interne functioneren en de inrichtingsvrijheid van de kerk betreffen en dat een lid dat zich niet aan deze ordening wil onderwerpen daarvan kan afzien of deze kan verlaten en dat art. 9 jo. 11 EVRM eraan in de weg staan dat de overheidsrechter beslist in een dergelijke kwestie.


7.7
De in de schriftelijke toelichting aangehaalde rechtspraak van het EHRM is hiervoor besproken onder 4.37 e.v. Uit deze rechtspraak volgt niet dat Z niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in zijn vorderingen bij de burgerlijke rechter. De klacht slaagt dan ook niet. Wel volgt uit die rechtspraak dat de overheidsrechter bij de toetsing van de vorderingen van Z de kerkelijke context van het geschil in aanmerking moet nemen.(zie onder 4.36 e.v. en 4.51).


7.8
Verder beroept subonderdeel 3.3 zich erop dat een geschil tussen een lid en geestelijke autoriteiten binnen een kerk niet een burgerlijk recht of civil right betreffen. Ook deze klacht is ongegrond. Verwezen wordt naar wat onder 4.24 e.v. is vermeld.


7.9

Subonderdeel 3.4 klaagt dat indien het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat het (enkel) ontbreken van een kerkelijke rechtsgang of interne geschilbeslechtingsprocedure (steeds) legitimeert dat de overheidsrechter intervenieert in een onderwerp dat door het statuut wordt beheerst en daarmee valt binnen het bereik van de in die bepaling vervatte inrichtingsvrijheid, dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, aangezien een ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepaling’ ontbreekt die kerkgenootschappen verplicht steeds voor alle onderwerpen die door ‘het statuut’ worden beheerst een interne geschilbeslechtingsprocedure of kerkelijke rechtsgang open te stellen.


7.10

Subonderdeel 3.5 klaagt dat als het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat door het niet instellen van een rechterlijk comité binnen CGJG aan Z een interne rechtsgang is onthouden, waardoor interventie door de overheid is gewettigd, dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat niet in geschil is dat een rechterlijk comité binnen CGJG een geestelijke en religieuze functie heeft en dient om op Bijbelse gronden te beoordelen of de betrokkene berouw heeft van een ernstige zonde begaan na zijn doop, dan wel dient te worden uitgesloten van de Gemeente..


7.11
Het hof past in rov. 3.31 en 3.32 de in het arrest van de Hoge Raad van 17 mei 2024 gegeven rechtsregel toe. Die regel komt er niet op neer dat het ontbreken van een kerkelijke rechtsgang interventie van de overheidsrechter legitimeert, maar dat de rechter eiser in dat geval ontvankelijk dient te verklaren in zijn vordering. Het oordeel van het hof is dus juist. Uit rov. 3.32 blijkt ook niet dat het hof van oordeel is dat CGJG aan Z een kerkelijke of interne rechtsgang is onthouden, door geen rechterlijk comité in te stellen.


7.12
Beide subonderdelen zijn ongegrond.




8Goede procesorde en rechterlijke regievoering

8.1

Subonderdeel 2.2 bevat de klacht dat de goede procesorde in de omstandigheden van deze zaak eisten dat het hof partijen nadat het zich bevoegd had verklaard in de gelegenheid had moeten stellen om hun stellingen daarop aan te passen. Nu heeft geen voldragen inhoudelijke beoordeling plaatsgevonden en daardoor is CGJG ernstig in haar verdedigingsbelang geschaad.


8.2
In de subonderdelen 2.1.3 en 2.3 wordt erop gewezen dat het hof in rov. 3.36 overweegt dat sprake is van onduidelijkheid en in rov. 3.37 t/m 3.41 dat bepaald bewijs en nadere details ontbreken. De (volgens subonderdeel 2.3 ontoelaatbare verrassings)beslissing van het hof steunt (grotendeels) op volgens het hof onvoldoende betwiste stellingen van Z. Deze had CGJG kunnen en willen betwisten. Daarbij wordt verwezen naar de onder 3.20-3.21 genoemde producties die CGJG in cassatie heeft overgelegd en eerder zou hebben kunnen en willen overleggen.


8.3

Subonderdeel 2.4 voegt hieraan toe dat het hof in meerdere rechtsoverwegingen heeft geoordeeld over feiten die betrekking hebben op X en Y, zonder (ambtshalve) de gelegenheid te bieden hen te (doen) horen. Daarmee heeft het hof art. 56(d) van het Verdrag van Istanbul geschonden, waarin is bepaald dat (vermeende) slachtoffers van onder meer misbruik gelegenheid moeten worden geboden te worden gehoord en hun visie naar voren te brengen. Deze (direct werkende) verplichting, die neerkomt op het waarborgen van een spreekrecht van het slachtoffer, is in het Nederlandse Wetboek van Strafvordering neergelegd. Weliswaar betreft de onderhavige procedure een civiele zaak, maar dit op het Verdrag van Istanbul gestoelde spreekrecht van het slachtoffer werkt door in een zaak als deze, waarin het hof zich wel uitspreekt over het (tuchtrechtelijk) optreden van een kerkelijke instantie jegens een dader naar aanleiding van verklaringen van slachtoffers, echter zonder dat het hof zich heeft vergewist van wat deze slachtoffers over het handelen van de misbruiker kunnen of willen verklaren. Aan de inhoudelijke beoordeling van het hof liggen immers de verklaringen van X en Y ten grondslag en de beschuldigingen gericht tegen Z betreffen zijn handelen jegens X en Y.


8.4
Voor deze klachten geldt het volgende.


8.5
CGJG heeft in feitelijke instanties haar verweer vrijwel uitsluitend gebaseerd op de stellingen dat de overheidsrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van Z, en als dat al anders zou zijn, Z niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen. Het onbevoegdheidsverweer is door de rechtbank gehonoreerd, waarna het partijdebat in hoger beroep zich hoofdzakelijk daarop heeft toegespitst.


8.6
Als gezegd slagen m.i. de onderdelen 2.1.1 en 2.1.2, die tot strekking hebben dat het hof de zaak had moeten terugwijzen naar de rechtbank (zie onder 6.1-6.9).


8.7
Maar zelfs als dit anders zou zijn, dan nog heeft te gelden dat het hof wel heel kort door de bocht is gegaan door de zaak inhoudelijk te beoordelen, zonder eerst CGJG eerst in de gelegenheid te stellen haar stellingen aan te vullen en nader uit te werken. Nu zou men kunnen zeggen dat CGJG zelf tekort is geschoten door dat niet direct te doen. CGJG heeft er welbewust voor gekozen om haar verweer grotendeels te beperken tot bevoegdheids- en ontvankelijkheidsverweren en zal daar zelf de nadelige gevolgen van moeten dragen, zo zou betoogd kunnen worden. Er bestaat geen harde regel die een partij aanspraak geeft op het nemen van nadere processtukken ter aanvulling van eerdere verweren (behoudens gevallen waarin het beginsel van hoor en wederhoor dit vereist).


8.8
Daar staat echter tegenover dat de rechter ook een eigen verantwoordelijkheid heeft voor waarheidsvinding in de procedure. De rechter moet ervoor zorgen dat de feiten zo volledig en correct als mogelijk is worden vastgesteld. Mede met het oog daarop heeft de rechter de wettelijke bevoegdheid om op verzoek van partijen of ambtshalve alle beslissingen te nemen die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure (art. 19 lid 2 Rv). Ook kan de rechter een partij ambtshalve instrueren om stellingen te onderbouwen of om nadere stukken in het geding te brengen (art. 22 Rv) of ambtshalve een getuigenverhoor opdragen (art. 166 lid 1 Rv). Daarbij kan de rechter ambtshalve bepaalde personen aanwijzen om als getuige te worden gehoord (art. 166 lid 3 Rv). De rechter kan ook voorafgaand aan de mondelinge behandeling (art. 87 lid 4 Rv) of tijdens de mondelinge behandeling (art. 87 lid 2 sub b of e Rv) nadere stukken opvragen. Al deze instrumenten zijn ervoor bedoeld om de rechter mogelijkheden te bieden om, als dat nodig is, aan waarheidsvinding te doen en ervoor te zorgen dat de te nemen beslissing op een zorgvuldig en correct vastgesteld feitencomplex berust (regievoering).


8.9
In het voorliggende geval heeft het hof van geen van deze mogelijkheden gebruik gemaakt, hoewel het dossier uiterst summier was over de inhoudelijke merites van de zaak. In plaats daarvan heeft het hof aan de hand van een argumentatief schema (“gesteld en onvoldoende betwist”) op alle cruciale punten beslist (zie voor de samenvatting van de beslissingen van het hof hiervoor onder 3.15-3.16). Dit is m.i. kwalijk, met name omdat de rechten van derden – in dit geval de zussen – in het nauw zijn gekomen. Hoewel het arrest jegens hen geen gezag van gewijsde heeft, worden zij immers wel degelijk geraakt door de beslissing. De uitspraak van het hof heeft grote gevolgen voor X en Y. Het hof stelt immers met zoveel woorden vast dat “Z ten onrechte is aangemerkt als dader van kindermisbruik” en draagt CGJG op erop toe te zien dat alle ouders van minderjarige kinderen in de gemeente wordt verteld dat Z geen kindermisbruiker is. De implicatie van met name die geboden mededeling kan geen andere zijn dan dat de melding van Y niet betrouwbaar is geweest en dat X en Y zich ten onrechte hebben gepresenteerd als slachtoffer van misbruik door Z.


8.10
De zussen zijn echter op geen enkel moment gehoord in de procedure; aan hen is niets gevraagd. Het hof heeft geoordeeld dat CGJG het onderzoek onzorgvuldig heeft uitgevoerd, en daarbij over de hoofden van X en Y beslist dat “de vaststaande feiten (…) niet de conclusie rechtvaardigen dat Z een dader van seksueel kindermisbruik was” en dat sprake zou zijn geweest “van een lichte vorm van onreinheid”. Zonder enig inhoudelijk feitenonderzoek uit te voeren, heeft het hof CGJG opgedragen erop toe te zien dat alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen worden bezocht om aan de ouders te vertellen Z geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen de ouders ten onrechte gewaarschuwd heeft voor Z als kindermisbruiker.


8.11
Er was temeer reden voor het hof om CGJG de gelegenheid te bieden haar stellingen nader aan te vullen en met bewijsstukken te onderbouwen, nu CGJG zelf in haar conclusie van antwoord heeft vermeld zich voor wat betreft het inhoudelijke verweer “te beperken tot de hoofdlijnen.” In hoger beroep heeft zij zich daarover zelfs in het geheel niet meer uitgelaten en zich beperkt tot een bespreking van de grieven van Z tegen het onbevoegdheidsoordeel van de rechtbank. Overigens heeft CGJG in hoger beroep nog wel een algemeen bewijsaanbod gedaan, wat door het hof evenmin is opgepikt.


8.12

Deze gang van zaken is niet alleen in strijd met een goede procesorde, maar verdraagt zich ook niet met de uitgangspunten van het Verdrag van Istanbul, zoals in onderdeel 2.4 terecht wordt aangevoerd. Voor dit verdrag geldt het volgende.

Verdrag van Istanbul




8.13
Het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) is voor Nederland op 1 maart 2016 in werking getreden. Het Verdrag heeft als hoofddoel om vrouwen te beschermen tegen alle vormen van geweld en geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te voorkomen, te vervolgen en uit te bannen (art. 1, lid 1 onder a). Het beoogt daarbij tevens discriminatie van vrouwen uit te bannen, een allesomvattend kader op te zetten met beleid en maatregelen ter bescherming en ondersteuning van alle slachtoffers van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, internationale samenwerking te bevorderen, ondersteuning en bijstand te bieden aan organisaties en rechtshandhavende instanties en een toezichtmechanisme in te stellen (art. 1 lid 1 sub a-e en lid 2). Het Verdrag is van toepassing op alle vormen van geweld tegen vrouwen, met inbegrip van huiselijk geweld, dat vrouwen buitenproportioneel treft (art. 2 lid 1). Met ‘vrouwen’ wordt ook gedoeld op meisjes jonger dan 18 jaar (art. 3 sub f). Onder ‘huiselijk geweld’ wordt verstaan alle vormen van fysiek, seksueel, psychologisch of economisch geweld dat plaatsvindt binnen het gezin of het huishouden, ongeacht of de dader in dezelfde woning verblijft of elders (art. 3 sub b).


8.14
Art. 5 lid 2 van het Verdrag verplicht partijen de nodige wetgevende en andere maatregelen te nemen teneinde de vereiste zorgvuldigheid in acht te nemen bij het voorkomen, onderzoeken, bestraffen en bewerkstelligen van herstel na daden van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag en worden gepleegd door actoren die niet behoren tot het staatsapparaat.


8.15

Hoofdstuk VI bevat bepalingen over onderzoek, vervolging, procesrecht en beschermende maatregelen. Art. 56, lid 1 aanhef en onder d bepaalt het volgende:
Art. 56 Beschermingsmaatregelen



1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om de rechten en belangen van slachtoffers te beschermen, met inbegrip van hun bijzondere behoeften als getuigen, tijdens alle fasen van het onderzoek en de gerechtelijke procedure, en met name door:
(…)
d. slachtoffers in de gelegenheid te stellen, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht, te worden gehoord, bewijzen aan te dragen en hun opvattingen, behoeften en punten van zorg te laten presenteren, rechtstreeks of via een tussenpersoon, en in overweging te worden genomen;
(…)



8.16
In het Explanatory Report is vermeld dat art. 56 is geïnspireerd op art. 31, lid 1 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (Verdrag van Lanzarote). Met art. 56 lid 1, onder d, is beoogd te bewerkstelligen dat slachtoffers worden gehoord, bewijs kunnen aandragen en dat zij kunnen kiezen hoe hun zienswijze, behoeften en zorgen worden gepresenteerd en in overweging genomen.


8.17
Bij de bepaling lijkt in eerste instantie gedacht te zijn aan de rol van slachtoffers in een strafrechtelijke procedure. Zo is ook in de memorie van toelichting bij de Nederlandse Goedkeuringswet van het verdrag vermeld dat verschillende artikelen in het Wetboek van Strafvordering slachtoffers de mogelijkheid geven om te worden gehoord, om bewijs aan te dragen en zich te laten vertegenwoordigen. Het Verdrag beperkt zich echter niet tot de strafprocedure. In het Explanatory Report is ter inleiding op hoofdstuk VI ook vermeld dat het hoofdstuk een breed scala aan onderwerpen omvat, gerelateerd aan onderzoek, vervolging, procesrecht en bescherming tegen alle vormen van geweld, teneinde de rechten en verplichtingen neergelegd in eerdere hoofdstukken van het Verdrag te versterken. In eerdere hoofdstukken is onder meer ook geregeld dat partijen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn nemen om slachtoffers te voorzien van passende civiele rechtsmiddelen tegen de dader (art. 29) en om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor de kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit verdrag (art. 31).


8.18
De bepalingen van het Verdrag zijn geformuleerd als verplichtingen voor de staat, niet als individuele rechten. Bij de behandeling van de Goedkeuringswet is in antwoord op vragen van Kamerleden door de regering opgemerkt dat het verdrag een aantal bepalingen bevat dat naar het oordeel van de regering zodanig geformuleerd is, dat een burger zich naar verwachting bij een rechter succesvol zou kunnen beroepen op de rechtstreekse werking ervan. Als voorbeelden noemt de regering het discriminatieverbod van art. 4 en de bescherming van persoonsgegevens in art. 65 van het Verdrag. Ook zou de overheid kunnen worden aangesproken als zij in gebreke blijft, bijvoorbeeld met het trainen van professionals (art. 15).


8.19
Door feitenrechters is het hiervoor (onder 8.17) genoemde art. 31 al meerdere malen toegepast bij beslissingen over gezag en omgang. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp een beroep van de burgemeester van Rotterdam op art. 52 van het Verdrag (dat verdragsstaten verplicht wetgevende of andere maatregelen moeten nemen om, kort gezegd, mogelijk te maken dat de pleger van huiselijk geweld een locatieverbod wordt opgelegd), omdat het niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is geformuleerd om zonder meer als objectief recht in de nationale rechtsorde door de rechter te worden toegepast.


8.20
De verplichting in art. 56 lid 1, aanhef en onder d om maatregelen te nemen om slachtoffers in de gelegenheid te stellen, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht om te worden gehoord, is m.i. voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk omschreven om in de context van de civiele procedure waarin zij in dit geval wordt ingeroepen, in de nationale rechtsorde als objectief recht te kunnen worden toegepast. Dat in de aanhef van lid 1 van art. 56 wordt genoemd dat de partijen de benodigde wetgevende of andere maatregelen nemen, maakt dat niet anders. Overigens zijn wetgevende maatregelen in dit geval ook niet nodig. Als gezegd bevat Rv tal van open geformuleerde bevoegdheden voor de rechter om ervoor te zorgen dat slachtoffers worden gehoord in zaken waarin hun belangen rechtstreeks in het geding zijn (zie onder 8.8).


8.21
Daarnaast werkt art. 56 van het Verdrag – waaronder de verplichting om het mogelijk te maken dat slachtoffers worden gehoord – door via het recht op privéleven van art. 8 EVRM. Het EHRM heeft in J.K./Italië overwogen dat de rechten van slachtoffers van strafbare feiten in de context van strafrechtelijke procedures binnen het bereik van art. 8 van het EVRM vallen. Art. 8 verplicht staten niet alleen om zich van inmenging in de persoonlijke levenssfeer te onthouden, maar omvat ook positieve verplichtingen teneinde het privé- en familieleven te respecteren. Het slachtoffer moet gedurende de gehele procedure met passende zorg behandeld moet worden, om hem te beschermen tegen secundaire victimisatie. Het EHRM merkt op dat deze positieve verplichtingen ook voortvloeien uit andere internationale instrumenten en noemt daarbij in het bijzonder het Verdrag van Istanbul en onder andere de mogelijkheid voor slachtoffers om te worden gehoord.


8.22
De normen die volgen uit art. 56 van het Verdrag van Istanbul en art. 8 EVRM zijn ook relevant voor de voorliggende zaak. De aanleiding voor de door CGJG opgelegde en getroffen kerkelijke (tucht)maatregelen was een melding van seksueel misbruik door Y van haar en haar zus X. In de door Z tegen CGJG aanhangig gemaakte procedure zijn X en Y echter geheel buiten beeld gebleven. Zij zijn niet gehoord als getuige en er zijn in feitelijke instanties geen verklaringen van hen in het geding gebracht. Ook zijn de ouderlingen die met X en Y hebben gesproken niet gehoord. Daarmee zijn hun rechten onvoldoende gewaarborgd in de procedure. Aldus zijn in de procedure bij het hof de belangen van X en Y op onaanvaardbare wijze in het gedrang gekomen.


8.23
De conclusie is derhalve dat het hof, na een onvoldragen inhoudelijk debat, niet direct uitspraak had mogen doen, maar partijen eerst de gelegenheid had moeten bieden hun stellingen en verweren nader uit te werken en te onderbouwen. Ook had het hof oog moeten hebben voor de rechten en belangen van X en Y, en had het moeten bewaken dat ook zij hun stem zouden kunnen laten horen.


8.24
Hiermee slagen ook de subonderdelen 2.2 en 2.4.




9Onderdelen 4 en 5: wijze van toetsing

9.1

Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 3.41, waarin het hof oordeelt, samengevat, dat CGJG heeft gehandeld in strijd met haar eigen kerkelijk recht op basis waarvan ‘de feiten’ moeten worden vastgesteld en daarbij fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden. De subonderdelen 4.1, 4.2, 4.3 en 4.4 bevatten rechts- en motiveringsklachten tegen dit oordeel. De kern van deze klachten is dat de in art. 2.2 lid 2 BW vervatte inrichtingsvrijheid meebrengt dat het hof diende te beoordelen of, in dat kader, sprake is van strijd met bepalingen van fundamentele aard of sterk dwingend recht. Dat heeft het hof nagelaten, althans onduidelijk is hoe het hof die toets heeft aangelegd.


9.2

Onderdeel 5 richt zich met twee rechtsklachten tegen rov. 3.36 – 3.41, waarin het hof inhoudelijk treedt in de toetsing van het handelen van CGJG aan (met name) het Ouderlingenboek. Dat is volgens CGJG in strijd met art. 9 jo. art. 11 EVRM en de daarop gebaseerde neergelegde inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen. Het hof had zich moeten beperken tot een terughoudende en marginale toetsing. Volgens vaste rechtspraak mag de Staat niet treden in een beoordeling of interpretatie van geloofszaken of doctrines. Ook wordt geklaagd dat het hof bij zijn toetsing ten onrechte het kerkrecht van Jehovah’s Getuigen zelfstandig uitlegt en interpreteert. In de schriftelijke toelichting is geëxpliciteerd dat het hof de “twee getuigen-regel” onjuist heeft uitgelegd. Bovendien heeft het hof niet de juiste bepalingen toegepast. Het hof heeft ten onrechte aangenomen dat de beschuldiging aan Z gebaseerd was op “verdrongen herinneringen”, wat echter niet het geval is geweest.Het hof neemt ten onrechte aan dat sprake zou geweest van een “lichte vorm van onreinheid”, die op grond van het Ouderlingenboek zou kunnen worden afgedaan met raad van twee ouderlingen. Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van kindermisbruik omdat dit volgens het Ouderlingenboek in het algemeen geen situaties omvat waarin alleen minderjarigen betrokken zijn.


9.3
Een bespreking van deze klachten kan achterblijven, nu het bestreden arrest hoe dan ook niet in stand kan blijven. Voor wat betreft de wijze van toetsing door de overheidsrechter van kerkelijk handelen kan verwezen worden naar wat hiervoor is besproken onder 4.36 - 4.52.




10Onderdeel 6: inhoud toegewezen rectificatie

10.1

Onderdeel 6 bevat in subonderdeel 6.1 een rechtsklacht die gericht is tegen onderdeel 4.3 van het dictum, waarin het hof CGJG gebiedt erop toe te zien dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente alle gezinnen in de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat eiser geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor eiser als kindermisbruiker. Het onderdeel klaagt onder meer dat dit gebod blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het lichaam van ouderlingen wordt geacht een negatief geformuleerde mededeling te doen waarvan de ouderlingen – en ook het hof – de juistheid niet met zekerheid kunnen vaststellen.


10.2
Op grond van art. 6:167 lid 1 BW kan de rechter iemand die jegens een ander aansprakelijk is ter zake van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard tot openbaarmaking van een rectificatie veroordelen op een door de rechter aan te geven wijze. Het begrip ‘onjuist’ is in de parlementaire geschiedenis niet nader omlijnd. Nu het betrokken moet worden op gegevens van feitelijke aard, zal het begrepen moeten worden als onwaar, aldus Van Nispen.


10.3
De rectificatie kan bijvoorbeeld inhouden dat gedaagdes bewering omtrent de persoon of het gedrag van eiser of de kwaliteit van zijn product onwaar is, of dat een bewering van gedaagde naar het oordeel van de rechter niet gerechtvaardigd wordt door de feiten, of dat de rechter in kort geding voorshands van oordeel is dat gedaagde de bewerking onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.


10.4
Van belang bij de formulering van de rectificatie is in ieder geval dat uit de strekking van art. 6:167 lid 1 BW – dat juist voorziet in rectificatie van publicatie van onjuiste gegevens – volgt dat de rectificatie zelf wél op waarheid moet berusten.


10.5
De door het hof opgedragen rectificatie voldoet niet aan dit criterium. Volgens het hof heeft CGJG haar beschuldiging dat Z een dader van seksueel kindermisbruik is onvoldoende onderbouwd, heeft zij het vereiste onderzoek naar de beschuldiging onzorgvuldig uitgevoerd en rechtvaardigen de vaststaande feiten, ook in onderlinge samenhang beschouwd, conform het intern kerkelijk recht, ‘in het algemeen’ niet de conclusie dat Z een dader van seksueel kindermisbruik was (rov. 3.40, 3.41). Daaruit volgt echter niet ‘dat eiser geen kindermisbruiker is’. Het hof kon CGJG dan ook niet gebieden om een rectificatie met die strekking te doen.


10.6
Overigens was het hof ook niet gebonden aan de door Z geformuleerde rectificatie. In de toelichting Meijers is vermeld dat de rechter geheel vrij is om te bepalen op welke wijze de oorspronkelijke publicatie gerectificeerd moet worden door de gedaagde. Heeft de eiser een rectificatie geformuleerd, dan kan de rechter daarin alle wijzigingen aanbrengen die hem goeddunken.


10.7
Subonderdeel 6.1 slaagt dus voor wat betreft het door het hof opgelegde gebod dat CGJG erop dient toe te zien dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente alle gezinnen in de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat eiser geen kindermisbruiker is.


10.8
Het onderdeel kan voor het overige onbesproken blijven.




11Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing naar de rechtbank.



De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden



A-G



Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1406, JA 2025/123 m.nt. P.B.C.D.F. van Sasse van IJsselt, rov. 2.1 en rov. 3.2-3.24.


Onderaan rov. 3.5 van het bestreden arrest is vermeld dat er volgens CGJG inmiddels een nieuwe versie van het Ouderlingenboek is uitgebracht, maar dat CGJG deze versie niet heeft overgelegd en ook niet heeft gesteld dat de hier vermelde bepalingen uit de versie 2019 van het Ouderlingenboek in de nieuwe versie zijn gewijzigd of daarin niet meer voorkomen.


Het citaat is opgenomen in de conclusie van repliek, randnr. 20.


Zie hierover conclusie van antwoord, onder punt 23.1: de restricties zouden zijn opgeheven omdat (1) de restricties ca. twee jaar zijn gehandhaafd; (2) er geen nieuwe beschuldigingen van derden tegen Z zijn bijgekomen en (3) het seksueel misbruik bij X en Y meer dan 20 jaar geleden heeft plaatsgevonden en de situatie sinds het bekend worden daarvan in 2019 nu gestabiliseerd lijkt. Volgens Z zijn er andere redenen geweest voor het opheffen van de restricties, onder meer dat hij excuses heeft aangeboden aan X. Zie conclusie van repliek onder 12.


Vonnis van de rechtbank (zie hierna), rov. 3.2; bestreden arrest, rov. 2.1, 3.33; inleidende dagvaarding, randnr. 70-96. Zie in hoger beroep MvG, onder meer randnr. 19-28, 33


Vonnis van de rechtbank (zie hierna), rov. 3.3; CvA, randnr. 25.1.


Rechtbank Noord-Nederland 26 juli 2023, zaaknummer C/19/139514 / HA ZA 22-54. De uitspraak is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.


Rechtbank Noord-Nederland 16 april 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1550.


De procesinleiding is op 11 mei 2025 ingekomen via het portaal van de Hoge Raad.


HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1888, JBPr 2026/20 m.nt R.M. Andes.


Beiden verklaren over het seksueel misbruik door hun broer, de bekendheid daarmee van hun vader, de erkenning van het misbruik van één zus door hun broer, en over de omstandigheden waaronder de brief waarin X haar klacht zou hebben ingetrokken, tot stand is gekomen.


Zie nader Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/289; conclusie A-G Snijders, ECLI:NL:PHR:2025:981, voor HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1658, NJ 2025/313, par. 3.7-3.26; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/241. En zie bijv. HR 10 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2454, NJ 1998/65, rov. 3; HR 10 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2455, NJ 1998/66, rov. 3; HR 17 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2459, NJ 1998/692, rov. 3.


EHRM (Grote Kamer) 14 september 2017, nr. 56665/09, ECLI:CE:ECHR:2017:0914JUD005666509 (Károly Nagy/Hongarije).


F. Keijzer & F. Oldenhuis, ‘Positie van kerkgenootschappen en vrijheid van belijden’, in: L.C. van Drimmelen en T.J. van der Ploeg (red.), Geloofsgemeenschappen en recht, 2014, p. 423; concl. A-G Wesseling-van Gent van 22 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1199, voor HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:718, onder 4.9; Q. Mauer, ‘De concurrentie tussen de civiele en de kerkelijke rechtsgang: een zaak bij de Hoge Raad bezien vanuit Nederlands, Duits en kerkrechtelijk perspectief’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2024 15(3), p. 56, met verdere verwijzingen.



Asser/Rensen 2-III 2022/455.


Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 120 (MvA II Inv.); HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, NJ 2020/323 m.nt. G. van Solinge, rov. 3.2.


HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, NJ 2020/323 m.nt. G. van Solinge.


De Hoge Raad verwijst in een voetnoot naar Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 120 en 125.


De Hoge Raad verwijst in een voetnoot naar Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 125 en 135 en naar de conclusie voor dit arrest onder 2.4-2.9.


HR 14 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0280, NJ 1992/173, rov. 3.2; Asser/Rensen 2-III 2022/454; J. Roest, T&C BW, art. 2:2 BW, aant. 3a (actueel t/m 01-04-2026).


HR 31 december 1915, ECLI:NL:HR:1915:AG1773, AB Klassiek 2009/2, m.nt. W. Konijnenbelt.


Zie nader over de objectum litis-leer bijv. R.J.N. Schlössels e.a., Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat. Band 2. Rechtsbescherming, Overheidsaansprakelijkheid (Staats- en bestuursrecht Wetenschap), Deventer: Wolters Kluwer 2026, par. 23.4.2.


F.T. Oldenhuis en A.H. Santing-Wubs, ‘De rechtspositie van de predikant kanttekeningen bij Hof Arnhem 19 januari 2010 (Ds. De Boer-Chr. Geref. Kerk Zeewolde)’, WPNR 2010/6849, p. 545; P.T. Pel, Geestelijken in het recht (diss. RUG), Den Haag: Boom juridisch 2013, p. 444; A.H. Santing-Wubs, 'Geschilbeslechting binnen geloofsgemeenschappen', in: L.C. van Drimmelen & T.J. van der Ploeg (red.), Geloofsgemeenschappen en recht, Den Haag: Boom juridisch 2014, par. 10.2.1; T. van Kooten, Het kerkgenootschap in de neutrale staat. Een verkenning en analyse van de positie van het kerkgenootschap binnen de Nederlandse rechtsorde (diss.), Den Haag: Boom juridisch 2017, p. 237; Asser/Rensen 2-III 2022/464; J. Roest, T&C BW, art. 2:2 BW, aant. 5 (actueel t/m 01-04-2026).


P.B.C.D.F. van Sasse van IJsselt, annotatie bij Hof Arnhem-Leeuwarden 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1406, JA 2025/123, p. 1393-1394.


Zie bijv. Hof Arnhem 19 januari 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BK9957, NJF 2010/94, rov. 3.2.3-3.2.4; Rb. Rotterdam 8 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:429, JOR 2025/132, mnt Blanco Fernández. Wat minder expliciet: Hof Amsterdam 24 augustus 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN4748, rov. 4.4-4.5. In andere zaken blijkt dat het de feitenrechter zich bevoegd acht doordat hij de zaak verder behandeld. Absolute onbevoegdheid moet de feitenrechter ambtshalve vaststellen. Zie bijv. Hof Amsterdam 30 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1834, JOR 2022/166 m.nt P.T. Pel (cassatie ECLI:NL:HR:2022:458 (art. 81 RO).


Het hof verwijst in voetnoot 4 ook naar HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1387. Dit lijkt een vergissing te zijn. Naar dit arrest verwijst de Hoge Raad in zijn arrest van 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:718 bij zijn weergave van criteria voor doorbreking van een rechtsmiddelenverbod. Het is geen kerkelijke zaak.


P.B.C.D.F. van Sasse van IJsselt, annotatie bij Hof Arnhem-Leeuwarden 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1406, JA 2025/123, p. 1393.


Zie schriftelijke toelichting onder 1.25, 1.27 en 1.28.


Hof Arnhem-Leeuwarden 2 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:38 ([…] /NGK), rov. 5.6.


De Hoge Raad moet op grond van art. 27 Verordening Brussel I-bis wel ambtshalve onderzoeken of een gerecht van een andere lidstaat van de Europese Unie bij uitsluiting bevoegd is. Zie HvJEU 15 november 1983, zaak 288/82, ECLI:EU:C:1983:326 (Duijnstee q.q./Goderbauer), punt 15 en onder meer HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:292, NJ 2019/100, rov. 4.1.1.


HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, NJ 2020/323, m.nt G. van Solinge (NGK/ […]).


HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:718, NJ 2025/330, m.nt. G. van Solinge, JAR 2024/162, m.nt W.A. Zondag, JBPR 2024/46, m.nt P.W. den Hollander, JIN 2024/91, m.nt P.H. Bossema-De Greef.


Conclusie advocaat-generaal Wesseling-van Gent, onder 4.3, 4.4.


Conclusie advocaat-generaal Wesseling- van Gent, onder 4.16-4.18.


EHRM (Grote Kamer) 14 september 2017, nr. 56665/09, ECLI:CE:ECHR:2017:0914JUD005666509 (Károly Nagy/Hongarije).


EHRM 6 december 2011, nr. 39775/04, ECLI:CE:ECHR:2011:1206DEC003977504 (Reuter/Duitsland).


EHRM 5 maart 2026, Advisory opinion on the status of monastic premises and the jurisdiction of the courts to examine a dispute concerning them, nr. P16-2025-00.


Zie onderdeel 1 en de schriftelijke toelichting, onder 1.21, 1.22, 1.26


EHRM 14 september 2017, nr. 56665/09, ECLI:CE:ECHR:2017:0914JUD005666509, EHCR 2018/4, m.nt. C. Gysels, NTKR 2017-2, m.nt P.T. Pel (Károly Nagy/Hongarije).


P.T. Pel, ‘De zaak Nagy: kerkelijke autonomie in het licht van artikel 6 EVRM’, NTKR 2017-2, p. 221-222.


J.M. Blanco Fernández, annotatie bij Hof Arnhem-Leeuwarden 3 augustus 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7452, JBPR 2022/26. In het geannoteerde hofarrest ging het om een vordering tegen Baptisten Gemeente Muntendam (BGM), die gebaseerd was op art. 6:162 BW en/of normen van redelijkheid en billijkheid. Het hof verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep, omdat de vordering van appellanten een toets vereist door de overheidsrechter van de door het kerkgenootschap gemaakte belangenafweging en het op basis daarvan genomen kerkelijke besluit. M.i. is deze beslissing niet juist.



Asser/Rensen 2-III 2022/464.


EHRM 5 maart 2026, Advisory opinion on the status of monastic premises and the jurisdiction of the courts to examine a dispute concerning them, nr. P16-2025-001, rov. 69-75. De zaak had betrekking op een non die jegens een klooster een beroep op haar recht op woonruimte deed.


Het EHRM verwijst in rov. 76- naar EHRM 30 juni 2001, nr. 40224/98, ECLI:CE:ECHR:2001:0130DEC004022498 (Dudová and Duda/Tsjechië); EHRM 23 september 2008, nr. 48907/99, ECLI:CE:ECHR:2008:0923JUD004890799 (Ahtinen/Finland); EHRM 5 december 2023, nr. 70267/17, ECLI:CE:ECHR:2023:1205JUD007026717 (Ţîmpău/Romania).


Schriftelijke toelichting, voetnoten bij randnr. 1.21 en 1.26.


Het hof noemt nog enkele omstandigheden, die hier minder relevant zijn.


EHRM 6 december 2011, nr. 39775/04, ECLI:CE:ECHR:2011:1206DEC003977504 (Reuter/Duitsland): “La Cour estime que, compte tenu du fait que la jurisprudence de la Cour fédérale de justice était relativement récente et qu’elle avait été suivie par une chambre de la Cour fédérale administrative et par au moins une cour d’appel administrative (voir « Le droit et la pratique internes pertinents »), il ne semblait pas exclu par principe que cette jurisprudence eût pu être invoquée pour faire examiner les demandes du requérant dans la présente affaire au stade du bien-fondé de celles-ci. Dans cette hypothèse, on aurait pu considérer que le requérant s’était prévalu d’un droit reconnu en droit interne, au sens de l’article 6 de la Convention. La Cour relève toutefois, d’après les documents qu’il a soumis, que le requérant n’a pas invoqué cette nouvelle jurisprudence pour corroborer ses demandes, (…)”


Zie kritisch over het vereiste dat de vordering uitsluitend in een kerkelijke rechtsgang kan worden ingesteld bijv. Q. Mauer, ‘De concurrentie tussen de civiele en de kerkelijke rechtsgang: een zaak bij de Hoge Raad bezien vanuit Nederlands, Duits en kerkrechtelijk perspectief’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2024 15(3), p. 55-71.


HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7818, NJ 2004/559 m.nt. C.J.H. Brunner (Vrij-beheer gemeenten/NHK), rov. 3.3.2. Zie over deze maatstaf ook P.T. Pel, Geestelijken in het recht, Den Haag: Bju 2013, p. 157-158, 170-173, 184, 241; T. van Kooten, Het kerkgenootschap in de neutrale staat, een verkenning en analyse van de positie van het kerkgenootschap binnen de Nederlandse rechtsorde (diss. Vrije Universiteit), Den Haag: Bju: 2017, p. 238-239, 243, 257; A.H. Santing-Wubs,’Geschilbeslechting binnen geloofsgemeenschappen’, p. 178-179 en F. Keijzer & F. Oldenhuis, ‘Positie van kerkgenootschappen en vrijheid van belijden’, p. 423, beiden in: L.C. van Drimmelen en T.J. van der Ploeg (red.), Geloofsgemeenschappen en recht, 2014. Zie ook de conclusie van A-G Vlas, ECLI:NL:PHR:2014:1743 voor HR 24 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3037 (art. 81 RO), onder 2.5. Zie voor de parlementaire geschiedenis ten aanzien van de toepassing van art. 7:904 lid 1 BW op beslissingen van kerkelijke organen de conclusie van A-G Timmerman, ECLI:NL:PHR:2003:AN7818 voor HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7818, NJ 2004/559 m.nt. C.J.H. Brunner, onder 3.5.


Zie ook P.T. Pel, Geestelijken in het recht, Den Haag: Bju 2013, p. 157-158, 170-173, 184, 241; T. van Kooten, Het kerkgenootschap in de neutrale staat, een verkenning en analyse van de positie van het kerkgenootschap binnen de Nederlandse rechtsorde (diss. Vrije Universiteit), Den Haag: Bju: 2017, p. 238-239, 243, 257; A.H. Santing-Wubs,’Geschilbeslechting binnen geloofsgemeenschappen’, p. 178-179 en F. Keijzer & F. Oldenhuis, ‘Positie van kerkgenootschappen en vrijheid van belijden’, p. 423, beiden in: L.C. van Drimmelen en T.J. van der Ploeg (red.), Geloofsgemeenschappen en recht, 2014. Zie ook de conclusie van A-G Vlas, ECLI:NL:PHR:2014:1743 voor HR 24 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3037 (art. 81 RO), onder 2.5. Zie voor de parlementaire geschiedenis ten aanzien van de toepassing van art. 7:904 lid 1 BW op beslissingen van kerkelijke organen de conclusie van A-G Timmerman, ECLI:NL:PHR:2003:AN7818 voor HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7818, NJ 2004/559 m.nt. C.J.H. Brunner, onder 3.5.


HR 12 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2427, NJ 1998/382, m.nt M.M. Mendel (Confood/Zürich), VR 1998/44, m.nt T.J. Dorhout Mees, rov. 3.5; HR 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0727, NJ 2015/155, m.nt. J. Vranken, rov. 3.5.2. Zie verder bijv. Asser Procesrecht/Sanders, Meijer & Ernste 8 2023/544. Zie nader met betrekking tot kerkelijke beslissingen ook mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2025:61 voor HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:368, RvdW 2025/378 (art. 81 lid 1 RO), onder 4.41-4.45.


Zie bijv. EHRM 12 juni 2014, nr. 56030/07, ECLI:CE:ECHR:2014:0612JUD005603007 (Fernández Martínez/Spanje), par. 127-131; EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96, ECLI:CE:ECHR:2000:1026JUD003098596 (Hasan & Chaush/Bulgarije), par. 62.


EHRM 22 november 2010, appl.nr. 302/02, (Jehovah’s witnesses of Moscow and others v. Russia), par. 119.; EHRM 12 juni 2014, nr. 56030/07, ECLI:CE:ECHR:2014:0612JUD005603007 (Fernández Martínez/Spanje), par. 128-129. Zie in Nederland, zonder verwijzing naar het EVRM, HR 15 februari 1957, ECLI:NL:HR:1957:196 (Kerkelijk conflict Hasselt), NJ 1957/201; HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:771, NJ 2017/297, m.nt P. van Schilfgaarde, rov. 3.4.4-3.4.5. Zie nader bijv. Asser/Rensen 2-III 2022/458; A.H. Santing-Wubs, 'Geschilbeslechting binnen geloofsgemeenschappen', in: L.C. van Drimmelen & T.J. van der Ploeg (red.), Geloofsgemeenschappen en recht, Den Haag: Boom juridisch 2014, par. 10.2.5.


Zie voor een overzicht van relevante rechtspraak: ECHR, Guide on Article 9 of the European Convention on Human Rights, updated 5 March 2026. Zie verder o.a. A.J. Nieuwenhuis, M. den Heijer & A.W. Hins, Hoofdstukken Grondrechten, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2026, par. 6.3; T.J. van der Ploeg, 'De relatie tussen de vrijheid van godsdienst voor geloofsgemeenschappen op organisatorisch vlak en de vrijheid van vereniging, in: C. van den Broeke e.a. (red.), Perspectieven op de godsdienstvrijheid en de verhouding tussen staat en religie, Zutphen: Uitgeverij Paris 2019, par. 7.2 en 7.5; P.T. Pel, Geestelijken in het recht (diss. RUG), Den Haag: Boom juridisch 2013, par. 3.7.


EHRM 9 juli 2013, nr. 2330/09, ECLI:CE:ECHR:2013:0709JUD000233009 (Sindicatul “Păstorul cel Bun”/Roemenië); par. 165. Vgl. ook EHRM 15 september 2009, nr. 798/05, ECLI:CE:ECHR:2009:0915JUD000079805, (Miroļubovs e.a./Letland), par. 80(d).


EHRM 12 juni 2014, nr. 56030/07, ECLI:CE:ECHR:2014:0612JUD005603007 (Fernández Martínez/Spanje), par. 128.


EHRM 5 maart 2026, Advisory opinion on the status of monastic premises and the jurisdiction of the courts to examine a dispute concerning them, nr. P16-2025-001, par. 60.


Zie in dit verband bijv. A.H. Santing-Wubs, Kerken in geding, De burgerlijke rechter en kerkelijke geschillen, diss. RUG 2002, par. 8.6.


A.H. Santing-Wubs, Kerken in geding, De burgerlijke rechter en kerkelijke geschillen, diss. RUG 2002, par. 3.6.5 en 10.5; P.T. Pel, Geestelijken in het recht (diss. RUG), Den Haag: Boom juridisch 2013, p. 257 e.v.; F.Keijzer & F. Oldenhuis, ‘Positie van kerkgenootschappen en vrijheid van belijden’, in: L.C. van Drimmelen & T.J. van der Ploeg (red.), Geloofsgemeenschappen en recht, Den Haag: Boom juridisch 2014, p. 428-430; T. van Kooten, Het kerkgenootschap in de neutrale staat. Een verkenning en analyse van de positie van het kerkgenootschap binnen de Nederlandse rechtsorde (diss.), Den Haag: Boom juridisch 2017, p. 247; conclusie A-G Vlas, ECLI:NL:PHR:2019:1037, voor HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:143, RvdW 2020/179 (art. 81 RO), onder 2.6; concl. A-G Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2023:1199, voor HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:718, onder 4.16.


HR 5 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB9113, NJ 1988/702 (Goeree), rov. 3. In de literatuur is wel opgemerkt dat art. 6:162 BW als zodanig niet aangeeft hoe ver de grondrechtsbeperking gaat. Zie o.a. A.J. Nieuwenhuis, M. den Heijer & A.W. Hins, Hoofdstukken Grondrechten, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2026, p. 174; D.E. Bunschoten, in: T&C Grondwet en Statuut, art. 6 Gw, aant. 3 (actueel t/m 01-11-2025); A. Vleugel, Het juridische begrip van godsdienst (Staat en Recht nr. 43) (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, par. 11.2 (voetnoot 2); B.P. Vermeulen, ‘Beperking van grondrechten’, in: J.B.J.M. ten Berge e.a. (red.), De Grondwet als voorwerp van aanhoudende zorg (Burkens-bundel), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 25.


K.J.O. Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.1.4.1 met verdere verwijzingen.


Zie nader de in voetnoot 59 aangehaalde literatuur.


Zoals betoogd wordt door CGJG, subonderdeel 5.2 en schriftelijke toelichting onder punt 5.8 onder verwijzing naar HR 15 februari 1957, ECLI:NL:HR:1957:196 (Kerkelijk conflict Hasselt), NJ 1957/201 en rechtspraak van het EHRM.


Zie over het begrip uitvoerig de conclusie van advocaat-generaal Assink van 1 mei 2026, ECLI:NL:PHR:2026:448, onder 4.7 (KNVB/Vitesse).


Vgl. de in de vorige voetnoot aangehaalde conclusie van Assink, onder 4.7.4.


Voetnoten uit het citaat zijn overgenomen en doorgenummerd.


HR 31 december 1915, ECLI:NL:HR:1915:AG1773.


Grieven I, V en VI in principaal hoger beroep van Z slagen. De grief in het incidenteel hoger beroep van CGJG faalt.


Zie bijvoorbeeld HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1387 en 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:718.


EHRM (Grote Kamer) 14 september 2017, nr. 56665/09, ECLI:CE:ECHR:2017:0914JUD005666509 (Károly Nagy/Hongarije).


Ter onderbouwing van de stelling dat de verhouding tussen Z en CGJG uitsluitend door het kerkelijk statuut wordt beheerst, wordt in voetnoot 19 van de procesinleiding verwezen naar MvA F3, F4.4 en G1.8.


Schriftelijke toelichting, onder 1.2.


Schriftelijke toelichting onder 1.4 t/m 1.7.


Schriftelijke toelichting 1.16, 1.23.


Schriftelijke toelichting, randnr. 1.24.


Schriftelijke toelichting, randnr. 1.25.


MvA, onder F3.1 en G1.8.


Schriftelijke toelichting 1.17 t/m 1.20, met verwijzingen naar EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96, ECLI:CE:ECHR:2000:1026JUD003098596 (Hasan & Chaush/Bulgarije), par. 62; EHRM 12 juni 2014, nr. 56030/07, ECLI:CE:ECHR:2014:0612JUD005603007 (Fernández Martínez/Spanje), par. 126-127 (bedoeld zal zijn par. 127-128); EHRM 10 juni 2010, nr. 302/02 ECLI:CE:ECHR:2010:0610JUD000030202 (Jehovah’s Getuigen Moskou e.a./Rusland), par. 117-118; EHRM 9 juli 2013, nr. 2330/09, ECLI:CE:ECHR:2013:0709JUD000233009 (Sindicatul “Păstorul cel Bun”/Roemenië), par. 165.


Schriftelijke toelichting 1.21-1.22 en 1.26, onder verwijzing naar EHRM (Grote Kamer) 14 september 2017, nr. 56665/09, ECLI:CE:ECHR:2017:0914JUD005666509 (Károly Nagy/Hongarije), par. 24, 64, 72-77; EHRM 6 december 2011, nr. 39775/04, ECLI:CE:ECHR:2011:1206DEC003977504 (Reuter/Duitsland); EHRM 5 maart 2026, Advisory opinion on the status of monastic premises and the jurisdiction of the courts to examine a dispute concerning them, nr. P16-2025-001, par. 72-75 en 82.


Verwezen wordt naar MvA, randnr. G1.8.


Verwezen wordt naar MvG, randnr. 5, 9, 10 en 34.


HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1198, RvdW 2026/877


De Hoge Raad verwijst in een voetnoot naar HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:604, rov. 3.5.2; HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:97, rov. 3.4; HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0857, rov. 3.4.1.


De Hoge Raad verwijst in een voetnoot naar HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:604, rov. 3.5.3.


HR 16 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0926, NJ 1993/654 m.nt. H.E. Ras onder NJ 1993/655, rov. 3.2.


HR 7 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0949, NJ 1993/655 m.nt. H.E. Ras, rov. 3.6.



Stb. 2001, 623.


Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 234 (MvT).



Stb. 2005, 455, in werking getreden op 15 oktober 2005 (Stb. 2005, 484). Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 863, nr. 3, p. 6.


Zie MvG, randnrs. 29, 30, 32, 33, 34. Bijv. bij randnr. 30: “Dat geïntimeerde aanleiding had om onderzoek in te stellen dat zij daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid daartoe heeft kunnen komen, gaat volkomen aan het aan geïntimeerde gemaakte verwijt voorbij (…).” Vgl. voorts MvA/Mvg i.a. onder F5.1: “De rechtbank hanteert een zelf gekozen twee fasenstructuur”.


Schriftelijke toelichting, randnr. 3.3.


Het hof verwijst naar HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:718.


Verwezen wordt naar EHRM 9 juli 2013, nr. 2330/09, ECLI:CE:ECHR:2013:0709JUD000233009 (Sindicatul “Păstorul cel Bun”/Roemenië); par. 165; EHRM 15 september 2009, nr. 798/05, ECLI:CE:ECHR:2009:0915JUD000079805, (Miroļubovs e.a./Letland), par. 80(d); EHRM 12 juni 2014, nr. 56030/07, ECLI:CE:ECHR:2014:0612JUD005603007 (Fernández Martínez/Spanje), par. 127; EHRM 5 maart 2026, Advisory opinion on the status of monastic premises and the jurisdiction of the courts to examine a dispute concerning them, nr. P16-2025-001, par. 60.


Verwezen wordt naar dagvaarding, randnr. 68 en 69 en CvA, randnr 19 en 35.1-35.4.


Zie bijv. HR 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:837, NJ 2026/194 (Tradin Organic Agriculture).


Dat de zussen dat ook zo hebben opgevat blijkt ook uit de in cassatie van hen overgelegde verklaringen, waarin onder meer staat dat zij die hebben opgesteld “om aan te tonen dat X en Y de waarheid zeggen en om de uitspraak van de rechter aan te vechten” (prod. C-7).


Zie hierover conclusie van antwoord onder 30.2 (inleiding tot het inhoudelijke verweer van CGJG): “Gelet op het nadrukkelijk subsidiaire karakter van het vervolg van deze conclusie zal CGJG zich hier beperken tot de hoofdlijnen. Het kan immers niet zo zijn dat CGJG, doordat zij onterecht door Z in rechte wordt betrokken, gedwongen wordt tot een totale inhoudelijke toelichting en verantwoording van het kerkelijk beleid en de toepassing daarvan in casu, terwijl dat nu juist in strijd is met de grensafbakening tussen kerk en staat.”


Trb. 2012, 233, i.w. Trb. 2015, 197. De Europese Unie is op 1 oktober 2023 toegetreden tot het Verdrag.


Zie over het karakter van deze ‘due dilligence’ verplichting E.C. Gijselaar, ‘Due diligence en positieve verplichtingen: elkaar versterkende grondslagen voor overheidsaansprakelijkheid op verschillende niveaus?’, Boom Strafblad 2024/6, p. 335-341. Zie voor een nadere beschrijving van de inhoud en betekenis van het Verdrag van Istanbul: I. Boerefijn, 'Het Verdrag van Istanbul. Een nieuw instrument voor het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld', NTM/NJCM-Bulletin 2017/3, p. 379-395.


Council of Europe Convention on the Protection of Children against Sexual Exploitation and Sexual Abuse, 25 oktober 2007, Trb. 2008, 58. Zie voor de mogelijkheid om te worden gehoord art. 31 lid 1, onder c van het Verdrag van Lanzarote.


Explanatory Report to the Council of Europe Convention on preventing and ombating violence against women and domestic violence (Istanbul, 11.V.2011) (hierna: Explanatory Report), randnr. 283.


Explanatory Report, randnr. 287.


Zie bijv. art. 49 lid 1 dat partijen opdraagt de rechten van slachtoffers gedurende alle stadia van het strafproces in aanmerking te nemen. Zie ook GREVIO, Evaluatierapport inzake wettelijke en andere maatregelen om uitvoering te geven vaan de bepalingen van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul) – Nederland, GREVIO/Inf(2019)19, gepubliceerd op 20 januari 2020, randnr. 249, waar het strafrechtelijk onderzoek en vervolging worden genoemd.



Kamerstukken II 2014/15, 34 038-(R2039), nr. 3, p. 41. Zie ook Rapportage van de Nederlandse overheid over de uitvoering van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul), september 2018, par. VI.6.


Explanatory Report, randnr. 254.


Hierop wijst ook het hof Amsterdam 24 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1470, rov. 5.3 (slot).



Kamerstukken II 2014/15, 34 038 (R2039), 7, NaV, p. 2. Zie nader over rechtstreekse werking van bepalingen van het verdrag I. Boerefijn, 'Het Verdrag van Istanbul. Een nieuw instrument voor het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld', NTM/NJCM-Bulletin 2017/3, p. 391-392.


Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 23 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11968, JIN 2022/25 m.nt. A.G. Hendriks, rov. 5.4-5.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3537, JPF 2026/113 m.nt. J.H. de Graaf, rov. 5.4; Rb. Zeeland-West-Brabant 18 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2051, rov. 4.12. In Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 november 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:8269, rov. 5.5 wordt art. 18 van het Verdrag aangehaald.


ABRS 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2349, JB 2021/219.


Vgl. HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928 (Rookverbod), NJ 2015/12, m.nt. E.A. Alkema, r.o. 3.5.3. Zie over een ieder verbindende bepalingen in de zin van art. 93 Grondwet bijv. J.W.A. Fleuren, T&C Grondwet en Statuut, art. 93, aant. 4 (actueel t/m 01-11-2025).


EHRM 27 mei 2021, nr. 5671/16, ECLI:CE:ECHR:2021:0527JUD000567116 (J.K./Italië), par. 119-120. Zie ook EHRM 28 mei 2015, nr. 41107/10, ECLI:CE:ECHR:2015:0528JUD004110710 (Y./Slovenië), par. 104. Vgl. ook EHRM 7 februari 2023, nr. 36328/20, ECLI:CE:ECHR:2023:0207JUD003632820 (B./Rusland), par. 54: “The Court reiterates that positive obligations under Article 3 of the Convention include the protection of the rights of victims in criminal proceedings (ibid., § 109). In cases of alleged sexual abuse of children those obligations require the effective implementation of children’s rights to have their best interests as a primary consideration and to have their particular vulnerability and corresponding needs adequately addressed, in order to protect them against secondary victimisation.”


Schriftelijke toelichting onder 5.9, sub b, met verwijzing naar de conclusie van antwoord, productie 22.


Schriftelijke toelichting onder 5.9, sub a, met verwijzing naar conclusie van antwoord onder 32.1.


Schriftelijke toelichting onder 5.9, sub c.


Schriftelijke toelichting onder 5.9, sub d..


Schriftelijke toelichting onder 5.9, sub e.


Zie ook de schriftelijke toelichting onder 6.1.


C.J.J.C. van Nispen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:167 BW, aant. 11 (actueel t/m 05-12-2025).


C.J.J.C. van Nispen, Het rechterlijk verbod en bevel, Amsterdam: deLex 2025, nr. 78. Zie over verschillende vormen van publicatie-opdrachten waaronder naast de rectificatie ook het recht van weerwoord M. Bulk, Rectificatie en uitingsvrijheid (diss. Amsterdam UvA), 1998, hoofdstuk 6.


Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 667 (TM).