Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:849
2026-09-04
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
25/02135
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Burgerlijk procesrecht. Art. 843a Rv (oud)-inzageverzoek en tegenverzoeken. Terugkomen van Semtex-maatstaf (ECLI:NL:HR:2020:1251)? Voldaan aan Semtex-maatstaf? Bepaalde bescheiden? Getuigenverhoor meer in de rede? Onbegrijpelijke uitleg van schriftelijke getuigenverklaring? Tegenverzoeken ontvankelijk?
Citeert (52)
- ECLI:NL:HR:2020:1251 Hoge Raad 10-07-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2025:317 Gerechtshof Den Haag 11-03-2025
- ECLI:NL:HR:2020:1251 Hoge Raad 10-07-2020
- ECLI:NL:RBROT:2023:2495 Rechtbank Rotterdam 22-03-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:2494 Rechtbank Rotterdam 22-03-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2025:317 Gerechtshof Den Haag 11-03-2025
- ECLI:NL:HR:2020:1251 Hoge Raad 10-07-2020
- ECLI:NL:HR:2026:201 Hoge Raad 06-02-2026
- ECLI:NL:HR:2020:1251 Hoge Raad 10-07-2020
- ECLI:NL:HR:2015:3304 Hoge Raad 13-11-2015
- ECLI:NL:HR:2016:2834 Hoge Raad 09-12-2016
- ECLI:NL:HR:2018:1775 Hoge Raad 28-09-2018
- ECLI:NL:PHR:2020:128 Parket bij de Hoge Raad 07-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2025:996 Parket bij de Hoge Raad 12-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1073 Parket bij de Hoge Raad 03-10-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:753 Parket bij de Hoge Raad 04-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2026:223 Parket bij de Hoge Raad 06-03-2026
- ECLI:NL:PHR:1991:ZC0438
- ECLI:NL:HR:2017:2518 Hoge Raad 29-09-2017
- ECLI:NL:HR:2012:BW9244 Hoge Raad 26-10-2012
- ECLI:NL:HR:2011:BS1706 Hoge Raad 18-11-2011
- ECLI:NL:PHR:2020:10 Parket bij de Hoge Raad 03-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2022:1145 Parket bij de Hoge Raad 11-11-2022
- ECLI:NL:HR:2023:830 Hoge Raad 02-06-2023
- ECLI:NL:HR:2024:1773 Hoge Raad 29-11-2024
- ECLI:NL:HR:2005:AS5824 Hoge Raad 01-04-2005
- ECLI:NL:HR:2018:1985 Hoge Raad 26-10-2018
- ECLI:NL:HR:1997:ZC2473 Hoge Raad 24-10-1997
- ECLI:NL:HR:1991:ZC0438 Hoge Raad 06-12-1991
- ECLI:NL:HR:1988:AD0150 Hoge Raad 22-01-1988
- ECLI:NL:HR:1973:AC5299 Hoge Raad 16-02-1973
- ECLI:NL:HR:1992:ZC0487 Hoge Raad 31-01-1992
- ECLI:NL:HR:1979:AC6534 Hoge Raad 23-03-1979
- ECLI:NL:HR:1992:ZC0531 Hoge Raad 28-02-1992
- ECLI:NL:HR:1993:ZC1150 Hoge Raad 19-11-1993
- ECLI:NL:HR:1996:ZC1983 Hoge Raad 02-02-1996
- ECLI:NL:HR:1988:AC3067 Hoge Raad 13-05-1988
- ECLI:NL:PHR:2008:BG1682 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2008
- ECLI:NL:HR:2008:BD0452 Hoge Raad 25-04-2008
- ECLI:NL:HR:1987:AK4754 Hoge Raad 29-05-1987
- ECLI:NL:HR:1991:ZC0456 Hoge Raad 20-12-1991
- ECLI:NL:HR:1989:AC1347 Hoge Raad 10-03-1989
- ECLI:NL:HR:1976:AC5808 Hoge Raad 19-11-1976
- ECLI:NL:HR:1986:AG5171 Hoge Raad 10-01-1986
- ECLI:NL:HR:1936:55 Hoge Raad 22-05-1936
- ECLI:NL:PHR:2025:356 Parket bij de Hoge Raad 21-03-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1812 Hoge Raad 05-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:753 Parket bij de Hoge Raad 04-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:996 Parket bij de Hoge Raad 12-09-2025
- ECLI:NL:HR:2015:3477 Hoge Raad 04-12-2015
- ECLI:NL:HR:2009:BG7995 Hoge Raad 20-03-2009
- ECLI:NL:HR:2016:147 Hoge Raad 29-01-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (83.491 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02135
Zitting 4 september 2026
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
[verzoekster] Inc.
advocaten: mr. R.J. ter Rele en mr. J.H.M. van Swaaij
tegen
Alblasserdam Yachtbuilding B.V.
advocaten: mr. G.C. Nieuwland en mr. M.E.A. Möhring
1Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak gaat over een inzageverzoek op de voet van art. 843a Rv (oud). [verzoekster] stelt dat Alblasserdam Yachtbuilding (Oceanco) commissie aan haar verschuldigd is voor de bouw van een superjacht voor een klant. In dit kader heeft [verzoekster] bij Oceanco bewijsbeslag laten leggen en inzage verzocht in verschillende bescheiden. Oceanco heeft op haar beurt een aantal tegenverzoeken gedaan, te weten opheffing van het bewijsbeslag, vergoeding van de kosten van het bewijsbeslag, vergoeding van de kosten van het inzageverzoek en een veroordeling in de volledige proceskosten.
1.2
Rechtbank en hof hebben het inzageverzoek van [verzoekster] afgewezen omdat sprake is van een fishing expedition. Volgens het hof heeft [verzoekster] de rechtsbetrekking waarop het inzageverzoek ziet, de commissieafspraak, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook is volgens het hof niet voldaan aan het bepaaldheidsvereiste en ligt volgens het hof een getuigenverhoor meer in de rede. Verder hebben zowel rechtbank als hof geoordeeld dat Oceanco ontvankelijk is in haar tegenverzoeken. Omdat de rechtbank de tegenverzoeken nog niet inhoudelijk heeft behandeld, heeft het hof de zaak voor wat betreft de tegenverzoeken teruggewezen naar de rechtbank.
1.3
[verzoekster] voert in cassatie onder meer aan dat de Hoge Raad terug moet komen van het Semtex-arrest, waarin de aannemelijkheidsmaatstaf is ontwikkeld. Ook worden klachten aangevoerd tegen de toepassing van die maatstaf. Verder verzet [verzoekster] zich tegen het oordeel van het hof over de ontvankelijkheid van de tegenverzoeken van Oceanco en de terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.
1.4
M.i. falen alle klachten. Er is geen aanleiding om terug te komen van de Semtex-maatstaf in zaken over art. 843a Rv (oud). Het oordeel van het hof over die maatstaf is verder niet onbegrijpelijk. Wat betreft de tegenverzoeken zie ik geen goede reden waarom Oceanco daarin niet-ontvankelijk zou zijn.
2Feiten
2.1
De feiten in deze zaak, ontleend aan de beschikking van het hof Den Haag van 11 maart 2025, zijn als volgt.
2.2
[verzoekster] is een makelaar (hierna ook: broker) in de superjachtenbranche en is onder meer gespecialiseerd in de bemiddeling tussen kopers en verkopers (scheepswerven) van superjachten.
2.3
Alblasserdam Yachtbuilding B.V. is een Nederlandse scheepswerf die gespecialiseerd is in het ontwikkelen, bouwen en verkopen van luxe superjachten. Zij opereert onder de handelsnaam Oceanco.
2.4
In de exclusieve branche waarin partijen opereren komt het voor dat brokers bemiddelen tussen de scheepswerf die het superjacht bouwt en (potentiële) kopers. Hiervoor ontvangt de broker van de scheepswerf een commissie. De (potentiële) koper is van die commissiebetaling op de hoogte.
2.5
In 2008 hebben partijen een mondelinge commissieovereenkomst gesloten. [verzoekster] heeft een klant bijgestaan in de onderhandelingen met Oceanco voor de aankoop van het [superjacht 1] . [verzoekster] heeft hiervoor van Oceanco een commissie van 3,5% (ongeveer € 4,9 miljoen) ontvangen.
2.6
In april 2017 heeft Oceanco een shipbuilding contract gesloten met (indirect) dezelfde klant voor de bouw van een nieuw [superjacht 2] .
2.7
Bij e-mail van 15 maart 2022 van haar advocaat schreef [verzoekster] aan Oceanco dat en waarom zij commissie verschuldigd is voor de bouw van [superjacht 2] :
“This letter aims to provide Oceanco with a final opportunity to voluntarily fulfil its debt to MWA, consisting of the industry standard 5% broker fee with respect to the new build [superjacht 2] . As you are aware, MWA introduced [klant] to Oceanco.
This introduction by MWA has resulted in [de klant] (i) signing the shipbuilding contract in relation to one 86m Oceanco Motor Yacht with Hull No. [superjacht 1] ( [superjacht 1] ) and (ii) buying and taking delivery of [superjacht 1] .
Since MWA introduced [de klant] to Oceanco, Oceanco owed commission to MWA, calculated over the purchase price of [superjacht 1] .
This commission on [superjacht 1] has been paid by Oceanco to MWA.
Although it was a highly top-secret negotiation, MWA heard that a shipbuilding contract with respect to a new build yacht was concluded between Oceanco and [de klant] on or about 16 April 2018 (Shipbuilding Contract). Oceanco owes to MWA the industry standard 5% brokerfee with regard to this new build yacht [de klant] has bought from Oceanco. This has been made clear by MWA in inter alia various a-mails to Oceanco, both prior to and after the signing if the Shipbuilding Contract. (...)”
2.8
Oceanco heeft bij e-mail van 16 maart 2022 gereageerd en gesteld dat zij het niet eens is met de inhoud van voornoemde e-mail en dat [verzoekster] geen recht heeft op enige commissie.
2.9
Bij brief van 20 april 2022 heeft de advocaat van Oceanco geschreven waarom [verzoekster] niet gerechtigd is tot commissie:
“In your demand letter, MWA claims payment of a supposed brokerage commission of 5% of the Purchase Price regarding the sale of the new build [superjacht 2] to (...) (“the Client”), which supposedly was introduced to Oceanco by MWA.
As stated in the email of 16 March 2022, Oceanco explicitly denies MWA's claim and the allegations made in your letter.
At the end of 2007, the Client first visited the yacht of Oceanco's former owner. This first meeting (the "introduction") between the Client and Oceanco's former owner was not arranged by or through MWA. After this visit the Client - through one of his friends - involved MWA to explore the possibilities regarding an Oceanco yacht and in the end to help him negotiate a deal for [superjacht 1] . At that time AIWA was fully compensated for its services on that specific project through the commission (of 3,5 %, and not 5% as implied by MWA) paid to them by Oceanco.
Almost 10 years later the Client and Oceanco concluded a shipbuilding contract for a new yacht ( [superjacht 2] ). In relation to this agreement no brokers were used by the parties. Therefore, there have also not been any brokerage activities at all from MWA’s side regarding that order.
MWA's statement that it should nonetheless receive 5 % commission for project [superjacht 2] simply because it was involved with project [superjacht 1] cannot hold.
First, the fact that MWA received commission for [superjacht 1] of course does not mean that MWA would be entitled to commission (let alone a commission of 5 %) for any orders placed by the Client beyond [superjacht 1] without being involved.
Furthermore, Oceanco is not party to any oral or written commission agreement with MWA in connection with any orders placed with Oceanco by the Client beyond [superjacht 1] . Oceanco did not agree at all that any further orders from the Client would entitle MWA to a 5 % commission. In absence of such an agreement MWA are not entitled to any payment whatsoever
Oceanco never responded to MWA's (written) contentions concerning the commission on [superjacht 2] as these are simply not true. (...) The mere fact that Oceanco did not respond of course does not mean that Oceanco acknowledges these contentions, rather to the contrary. (...)
What is more,(...) Oceanco did not in any way discuss or "pitch" MWA for a 2,5% repeat client commission during the Monaco Yacht show in 2015. (...) Consequently, MWA is not entitled to any commission by Oceanco.”
2.10
Op 2 juni 2022 heeft [verzoekster] conservatoir bewijsbeslag gelegd op basis van het daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam van 2 mei 2022.
2.11
De beslagen bescheiden zijn in bewaring gegeven bij Digi Juris, die krachtens het verlof van de voorzieningenrechter is aangewezen tot gerechtelijk bewaarder volgens art. 709 Rv.
3Procesverloop
3.1
Bij verzoekschrift van 15 juni 2022 heeft [verzoekster] de rechtbank Rotterdam op de voet van art. 843a Rv (oud) verzocht om afschrift en (subsidiair) inzage van, kort gezegd, correspondentie en interne bescheiden ten aanzien van de gestelde verschuldigde commissie voor [superjacht 2] (verzoek I). Verder heeft [verzoekster] de rechtbank verzocht te bepalen dat primair afschrift en subsidiair inzage wordt verschaft op een door haar (eveneens gedetailleerd) gespecificeerde wijze (verzoek II), een dwangsom in verband met verzoeken I en II op te leggen (verzoek III) en een voorlopig getuigenverhoor te gelasten (verzoek IV).
3.2
Oceanco heeft enkele tegenverzoeken gedaan. Zij heeft verzocht te bepalen dat de beslagkosten en de kosten van het inzageverzoek door [verzoekster] aan Oceanco vergoed moeten worden. Ook heeft zij verzocht om veroordeling van Oceanco in de volledige proceskosten van de procedure, en ten slotte om opheffing van het bewijsbeslag.
3.3
Bij beschikking van 22 maart 2023 heeft de rechtbank de verzoeken van [verzoekster] afgewezen, omdat [verzoekster] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij tijdens de Monaco Yacht Show met Oceanco heeft gesproken over commissie voor een opvolgend jacht voor de klant en dat tussen partijen een commissieovereenkomst tot stand is gekomen inhoudende dat Oceanco aan [verzoekster] 5% commissie zou betalen voor de verkoop van de [superjacht 2] . Daarmee is niet voldaan aan de maatstaf uit het Semtex-arrest.
3.4
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat Oceanco ontvankelijk is in haar tegenverzoeken. De overige beslissingen (over de proceskosten en het inhoudelijk oordeel over de tegenverzoeken) heeft de rechtbank aangehouden. De rechtbank heeft – voor zover nodig – tussentijds hoger beroep opengesteld.
3.5
In een afzonderlijke beschikking van 22 maart 2023 heeft de rechtbank het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor toegewezen.
3.6
Bij beroepschrift van 21 juni 2023 heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld tegen de beschikking waarin de rechtbank haar exhibitieverzoeken heeft afgewezen.
3.7
Bij beschikking van 11 maart 2025 heeft het hof de afwijzing van het art. 843a Rv (oud)-verzoek van [verzoekster] bekrachtigd.
3.8
Allereerst heeft het hof de (gewijzigde) verzoeken I-V van [verzoekster] beschreven (rov. 5.1).
3.9
Hierna heeft het hof het juridisch kader voor inzageverzoeken weergegeven (rov. 6.2-6.4). Daarbij heeft het hof verwezen naar het Semtex-arrest van de Hoge Raad en rechtsoverwegingen uit dat arrest in zijn beschikking overgenomen.
3.10
Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat [verzoekster] gelet op het gemotiveerde verweer van Oceanco onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een rechtsbetrekking voor de beweerdelijk door Oceanco verschuldigde commissie van 5% bestaat. Dat heeft het hof als volgt gemotiveerd (rov. 6.5):
- Het ligt niet direct in de rede dat Oceanco heeft ingestemd met een commissie van 5% voor toekomstige aankopen nu tussen partijen vaststaat dat [verzoekster] aanspraak heeft gemaakt op een commissie van 3,5% voor de bouw van [superjacht 1] . Geenszins stond vast dat [verzoekster] bij latere aankopen dan de aankoop van [superjacht 1] de klant zou bijstaan.
- [verzoekster] heeft in reactie op de betwisting van haar stelling dat een commissie van 5% binnen de branche gebruikelijk is niet de stellingen van Oceanco weersproken dat commissieafspraken altijd per jacht worden gemaakt, dat het niet uitgesloten is dat bij een volgende aankoop een andere makelaar bemiddelt en dat in dat geval alleen deze andere makelaar recht op commissie heeft (wat nooit tot problemen heeft geleid).
- [verzoekster] heeft niet weersproken dat de klant via een vriend is uitgekomen bij Oceanco (waarna de klant van [verzoekster] heeft ingeroepen bij de onderhandelingen), terwijl [verzoekster] had gesteld dat zij de klant bij Oceanco had geïntroduceerd.
- De omstandigheid dat [verzoekster] over een langere periode in e-mails haar aanspraken heeft herhaald, wijst erop dat zij niet erop heeft vertrouwd (en ook niet gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen) dat Oceanco (al) met 5% commissie had ingestemd.
- De sworn affidavit van de heer [verzoekster] is te weinig overtuigend en concreet. Daarin vermeldt hij dat hij in de periode na 2008 diverse gesprekken heeft gevoerd met de CEO van Oceanco over de op basis van gebruik verschuldigde commissie van 5% bij een nieuwe aankoop door de klant. In deze verklaring staat echter niet hoe [betrokkene 2] daarop reageerde en waarom [verzoekster] er toen op mocht vertrouwen dat [betrokkene 2] akkoord was met een commissieafspraak van 5% voor een eventuele vervolgaankoop door de klant.
- Ook al is de verklaring van de heer [verzoekster] onder ede afgelegd, Oceanco heeft geen gelegenheid gehad om hem te bevragen.
3.11
Daarna heeft het hof overwogen dat in deze zaak een voorlopig getuigenverhoor meer in de rede ligt, en dat [verzoekster] niet op zoek is naar specifieke stukken om het bestaan van de gestelde overeenkomst te bewijzen maar in feite op zoek is naar interne stukken die zij – naar zij hoopt – kan gebruiken om aan te tonen dat Oceanco zich bewust was van het feit dat zij een commissie verschuldigd is van 5% (rov. 6.6). Voor dit laatste is een art. 843a Rv (oud)-verzoek echter niet bedoeld, aldus het hof.
3.12
Verder heeft het hof het oordeel van de rechtbank dat Oceanco ontvankelijk is in haar tegenverzoeken bekrachtigd (rov. 6.8-6.12). Volgens het hof is daarvoor redengevend dat de onderhavige procedure aan te merken is als de hoofdprocedure volgend op het conservatoir bewijsbeslag en dat de tegenverzoeken nauw samenhangen met deze onderhavige procedure (rov. 6.11-6.12).
3.13
Omdat de rechtbank nog niet inhoudelijk heeft beslist op de tegenverzoeken van Oceanco, geen sprake is van een eenstemmig verzoek om de zaak zelf af te doen en de tegenverzoeken nog niet in staat van wijzen zijn, heeft het hof de zaak ten aanzien van de tegenverzoeken van Oceanco naar de rechtbank teruggewezen (rov. 6.13).
3.14
[verzoekster] heeft op 11 juni 2025 cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 11 maart 2025.
3.15
Oceanco heeft bij incidenteel verzoek van 24 juni 2025 verzocht om [verzoekster] niet ontvankelijk te verklaren in haar cassatieberoep, omdat het niet tijdig zou zijn ingesteld. Volgens Oceanco is in de onderhavige zaak op de voet van de per 1 januari 2025 geldende Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht een verkorte cassatietermijn van acht weken van toepassing (art. 200 lid 1, in verbinding met art. 426 lid 2 Rv) en niet een cassatietermijn van drie maanden (art. 426 lid 1 Rv).
3.16
Op 17 juli 2025 heeft [verzoekster] een verweerschrift in het incident ingediend.
3.17
Bij beschikking van 6 februari 2026 heeft de Hoge Raad het incidentele verzoek afgewezen.
3.18
Vervolgens heeft Oceanco bij verweerschrift van 19 maart 2026 inhoudelijk gereageerd op het cassatieberoep van [verzoekster] .
4Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatieberoep is uitsluitend gericht tegen de afwijzing van het inzageverzoek (rov. 6.3 en 6.5-6.6), de beslissing van het hof dat Oceanco ontvankelijk is in haar tegenverzoeken (rov. 6.11-6.12) en de beslissing van het hof dat de zaak wat betreft deze tegenverzoeken wordt teruggewezen naar de rechtbank (rov. 6.13). Het cassatieberoep bevat zes onderdelen. Onderdeel 6 valt uiteen in twee subonderdelen.
Onderdeel 1: terugkomen van de Semtex-maatstaf
4.2
Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 6.3 en voert aan dat de Hoge Raad moet terugkomen van het Semtex-arrest. De juiste maatstaf voor het rechtsbetrekkingvereiste is volgens het onderdeel of de bescheiden waarvan inzage wordt verzocht het centrale onderwerp betreffen dat partijen verdeeld houdt, gelet ook op het arrest Theodoor Gilissen Bankiers en de parlementaire geschiedenis van het ingetrokken wetsvoorstel 33079 en de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. Met deze (andere) maatstaf wordt volgens het onderdeel beter recht gedaan aan het bewijsvergaringsbelang, waarmee in voorkomende gevallen bovendien een schending van art. 6 EVRM (informatie-asymmetrie) zou kunnen worden voorkomen.
4.3
Bij de bespreking van het onderdeel is het volgende voorop te stellen.
4.4
Art. 843a lid 1 Rv (oud) geeft drie cumulatieve voorwaarden voor toewijzing van een inzagevordering. Er moet sprake zijn van (i) een rechtmatig belang van de verzoeker bij de inzage en de inzage moet gericht zijn op (ii) bepaalde bescheiden die (iii) betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij (de rechtsvoorganger van) de verzoeker partij is. De drie cumulatieve voorwaarden moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld en zijn tot op zekere hoogte communicerende vaten. Bij onduidelijkheid over de rechtsbetrekking waarop een partij zich beroept, moeten bijvoorbeeld hogere eisen worden gesteld aan de eis van bepaaldheid van de bescheiden en het rechtmatig belang. Zo kunnen ongewenste fishing expeditions buiten de deur worden gehouden.
4.5
In het Semtex-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van art. 843a Rv (oud) te gelden heeft dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Die maatstaf, zo overweegt de Hoge Raad, stelt de rechter in staat een evenwicht te vinden tussen het belang van eiser of verzoeker om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van verweerder om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is. Die maatstaf biedt de rechter voorts voldoende ruimte om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede tekortkoming of onrechtmatige daad te kunnen aantonen, zal derhalve gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden dienen te stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die tekortkoming of onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen.
4.6
Ook overwoog de Hoge Raad dat de vraag wat als een ‘voldoende mate van aannemelijkheid’ kan worden beschouwd, niet in algemene zin kan worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij is enerzijds uitgangspunt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op (dreigend) tekortschieten of onrechtmatig handelen gebaseerde (ge- of verbods)vordering of vordering tot schadevergoeding; anderzijds dienen aan de mate van aannemelijkheid van de gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad bij de beoordeling van een inzagevordering hogere eisen te worden gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal. De Semtex-maatstaf is dus een flexibele norm.
4.7
De Hoge Raad heeft in het Semtex-arrest aansluiting gezocht bij zijn eerdere uitspraken AIB/Novisem, Synthon/Astellas en Organik/Dow. Uit deze laatste uitspraken volgde al dezelfde maatstaf voor IE-zaken en zaken over bedrijfsgeheimen.
4.8
De Semtex-maatstaf is door verschillende auteurs bekritiseerd. Zo stelde A-G Wesseling-Van Gent in haar conclusie voor het Semtex-arrest dat een dergelijke maatstaf niet passend is in andere zaken dan IE- en bedrijfsgeheimenzaken. Ook anderen menen dat de drempel in de Semtex-maatstaf te hoog is: met de Semtex-maatstaf wordt in wezen al gevraagd om een rechtsbetrekking aannemelijk te maken waarvoor inzage eerst nodig wordt geacht.
4.9
De uitspraak heeft echter ook bijval gekregen. Volgens deze auteurs stelt de Semtex-maatstaf de rechter goed in staat om een afweging te maken tussen conflicterende belangen bij inzageverzoeken in concrete gevallen. Voorstanders signaleren tevens dat niet goed valt in te zien waarom het rechtsbetrekkingsvereiste zou (moeten) verschillen voor IE- en bedrijfsgeheimenzaken en dat de Semtex-maatstaf ook geschikt is voor andere zaken.
4.10
In de memorie van toelichting bij het sinds 1 januari 2025 geldende art. 194 Rv, dat de basis vormt voor het vernieuwde inzagerecht, is expliciet vermeld dat onder het nieuwe recht de aannemelijkheidseis niet geldt. Dat voor het vernieuwde inzagerecht de eis van aannemelijkheid van de rechtsbetrekking niet geldt, wordt ook in de literatuur wel aangenomen. Er zijn echter ook auteurs die menen dat de Semtex-maatstaf ook onder het nieuwe inzagerecht van betekenis is, via het vereiste van ‘voldoende belang’ (art. 194 lid 1 en art. 196 lid 2 onder b Rv). Ook A-G Snijders is deze mening toegedaan. Lock betwijfelt echter of bij de eis van ‘voldoende belang’ moet worden getoetst aan de aannemelijkheidsmaatstaf.
4.11
De komende jaren zal zich in de rechtspraak moeten uitkristalliseren of, en zo ja hoe, de aannemelijkheidsmaatstaf nog relevant is bij de beoordeling van inzageverzoeken. Wel staat m.i. buiten kijf dat de toelichting die de Hoge Raad in het Semtex-arrest heeft gegeven op de aannemelijkheidsmaatstaf, namelijk dat deze de rechter in staat stelt “een evenwicht te vinden tussen het belang van eiser of verzoeker om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van verweerder om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is”, ook onder het nieuwe inzagerecht van betekenis blijft. Op dit punt is er immers niets gewijzigd in doel én begrenzing van het inzagerecht. Ook blijft relevant wat de Hoge Raad vervolgens overwoog, namelijk dat de aannemelijkheidsmaatstaf de rechter ruimte biedt om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen.
4.12
De vraag die het cassatieberoep aan de orde stelt is of de Semtex-maatstaf, na de inwerkingtreding van het nieuwe inzagerecht, nog steeds moet worden toegepast in procedures waarin het nog gaat om inzageverzoeken op de voet van art. 843a Rv (oud). Volgens het verzoekschrift zou de opmerking in de memorie van toelichting bij het nieuwe inzagerecht, dat de eis van aannemelijkheid van de rechtsbetrekking niet geldt voor inzageverzoeken onder het nieuwe recht, ook moeten gelden voor inzageverzoeken ex art. 843a Rv (oud). Daarmee wordt in wezen verzocht dat de Hoge Raad terugkomt van het Semtex-arrest.
4.13
M.i. zou de Hoge Raad dat niet moeten doen. De Hoge Raad heeft de Semtex-maatstaf zes jaar geleden welbewust aanvaard voor inzageverzoeken ex art. 843a Rv (oud). Het oude recht zal nog slechts bij hoge uitzondering van toepassing zijn. De rechtsontwikkeling of de rechtseenheid is er dan ook niet mee gebaat om voor de nu nog lopende art. 843a Rv (oud)-procedures terug te komen van het Semtex-arrest.
4.14
Daarbij komt dat nog helemaal niet is uitgekristalliseerd wat de consequenties zijn van de opmerking in de parlementaire geschiedenis dat voor het nieuwe inzagerecht de eis van aannemelijkheid van de rechtsbetrekking niet geldt, voor de rechterlijke beoordeling van een inzageverzoek op grond van art. 194 Rv.
4.15
Er zijn, tot slot, geen aanwijzingen dat de Semtex-maatstaf – in zijn algemeenheid – leidt tot strijd met het in art. 6 EVRM verankerde beginsel van equality of arms.
4.16
Het onderdeel faalt.
Onderdeel 2: de Semtex-maatstaf is verkeerd toegepast
4.17
Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 6.5-6.6. en voert aan dat het hof de Semtex-maatstaf onjuist en/of onbegrijpelijk heeft toegepast. Het hof heeft te hoge eisen gesteld aan de stelplicht van [verzoekster] wat betreft het aannemelijk maken van het bestaan van de rechtsbetrekking tussen [verzoekster] en Oceanco, op grond waarvan [verzoekster] aanspraak kan maken op 5% commissie in verband met een indirect door de klant met Oceanco gesloten overeenkomst voor de bouw van het jacht [superjacht 2] , of het hof heeft de aannemelijkheid van deze rechtsbetrekking te indringend getoetst. Het hof mocht het inzageverzoek van [verzoekster] niet, althans niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, afwijzen, in verband met haar bewijsvergaringsbelang. Ter toelichting wijst het onderdeel nog op de volgende twee omstandigheden (het onderdeel voert niet aan dat het hof stellingen in dit verband ten onrechte heeft gepasseerd):
- De (beweerdelijke) rechtsbetrekking vloeit voort uit een mondelinge overeenkomst, en is daarom naar haar aard moeilijk te bewijzen.
- MWA heeft al het haar beschikbare bewijsmateriaal in het geding gebracht, namelijk een sworn affidavit, zeven e-mails en een telefoonnotitie.
4.18
Bij de bespreking van de klachten moet voorop worden gesteld dat het oordeel van het hof dat het inzageverzoek moet worden afgewezen, berust op vier pijlers. In de eerste plaats is niet voldaan aan de aannemelijkheidsmaatstaf; in de tweede plaats is niet voldaan aan het bepaaldheidsvereiste omdat Oceanco niet op zoek is naar specifieke stukken om het bestaan van de gestelde overeenkomst te bewijzen; in de derde plaats gaat het om interne stukken van Oceanco; en in de vierde plaats ligt het meer in de rede dat [verzoekster] bewijs levert door middel van het horen van getuigen (rov. 6.5-6.6). Deze oordelen tezamen en in onderling verband bezien leiden het hof tot het oordeel dat sprake is van een ongewenste fishing expedition, zodat het inzageverzoek moet worden afgewezen.
4.19
Deze benadering sluit aan bij het Semtex-arrest. De Hoge Raad overwoog daarin immers, samengevat, dat de aannemelijkheidsmaatstaf de rechter in staat stelt een evenwicht te vinden tussen het belang van eiser om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van verweerder bij vertrouwelijkheid van bepaalde informatie, waarbij rekening moet worden gehouden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Hieruit volgt dat toetsing aan de aannemelijkheidsmaatstaf niet los te zien is van de overige bijzonderheden van het geval, waarbij het er uiteindelijk om gaat een evenwicht te vinden tussen de belangen van partijen.
4.20
De aannemelijkheidsmaatstaf moet dus niet geïsoleerd worden beschouwd, maar in samenhang met de overige eisen die aan een inzageverzoek moeten worden gesteld. Als duidelijk omschreven is van welke specifieke stukken inzage wordt verzocht, en/of als die stukken concreet zijn afgebakend, dan kan de lat voor aannemelijkheid van de rechtsbetrekking minder hoog worden gelegd. Maar als dat eerste níet het geval is en bovendien sprake is van interne informatie van een partij, dan ligt het in de reden om van de partij die inzage verzoekt méér te vragen op het punt van het aannemelijk maken van de rechtsbetrekking. En als er géén mogelijkheid bestaat om op een andere wijze bewijs te leveren van stellingen dan via inzage, dan kan dat aanleiding zijn om eerder over te gaan tot toewijzing van een inzageverzoek. Dat de aannemelijkheidsmaatstaf op deze manier moet worden toegepast, blijkt ook uit de door de Hoge Raad omschreven flexibiliteit van de norm (zie onder 4.6).
4.21
Het hof heeft zijn oordeel dat [verzoekster] het bestaan van een commissieafspraak van 5% onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt onder andere gemotiveerd door erop te wijzen dat [verzoekster] de betwisting door Oceanco van het bestaan van deze rechtsbetrekking op verschillende, cruciale punten niet althans onvoldoende heeft weersproken (rov. 6.5). Het gaat dan met name om de stellingen van Oceanco over de wijze waarop commissieafspraken in het algemeen tot stand komen (te weten: per aankoop) en de wijze waarop de desbetreffende klant bij Oceanco terecht is gekomen (te weten: niet via [verzoekster] maar via een vriend).
4.22
Niet valt in te zien waarom deze motivering blijk geeft van een onjuiste dan wel onbegrijpelijke toepassing van de Semtex-maatstaf. De constatering van het hof dat [verzoekster] een aantal cruciale stellingen van Oceanco niet heeft weersproken, kan niet als een (te) indringende toetsing van de Semtex-maatstaf worden aangemerkt. Anders dan het onderdeel veronderstelt, kon van [verzoekster] dus wel méér worden verwacht, namelijk een reactie op de betwisting door Oceanco ten aanzien van deze verschillende, cruciale punten.
4.23
Voor het overige motiveert het hof in rov. 6.5 zijn oordeel door te wijzen op een aantal vaststaande omstandigheden, waaruit naar het oordeel van het hof op zichzelf niet kan worden afgeleid dat een commissieafspraak van 5% bestond. Het gaat hier met name om de omstandigheid dat in het kader van een eerdere aankoop 3,5% als commissie was overeengekomen, de herhaling van een standpunt in verschillende e-mails van [verzoekster] zonder bevestiging daarvan door Oceanco, en de weinig betekenisvolle inhoud van de sworn affidavit van [verzoekster] .
4.24
Ook hier valt niet in te zien waarom het hof de Semtex-maatstaf onjuist of onbegrijpelijk zou hebben toegepast. Deze vaststaande feiten en omstandigheden wijzen er op zichzelf inderdaad niet op dat een commissieafspraak bestond. Dat een mondelinge overeenkomst naar zijn aard moeilijk te bewijzen is, maakt dat niet anders.
4.25
Al met al heeft [verzoekster] naar het oordeel van het hof dus onvoldoende aangevoerd om te kunnen oordelen dat zij het bestaan van een commissieafspraak voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Dit oordeel is, als gezegd, niet los te zien van de omstandigheid dat [verzoekster] onvoldoende concreet heeft omschreven van welke stukken zij inzage wenst. Dat maakt het des te knellender dat [verzoekster] – in mijn woorden – niet gewezen heeft op concrete relevante gedragingen of verklaringen van Oceanco die op een commissieafspraak zouden kunnen duiden. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof dat niet is voldaan aan de Semtex-maatstaf, niet onjuist of onbegrijpelijk.
4.26
Het onderdeel slaagt niet.
Onderdeel 3: oordeel dat getuigenverhoor meer in de rede zou liggen is ontoereikend gemotiveerd
4.27
Volgens onderdeel 3 is het oordeel in rov. 6.6 dat het horen van [verzoekster] als getuige meer in de rede zou liggen dan een, naar haar aard ingrijpende, exhibitievordering, ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof ten onrechte niet zou hebben gerespondeerd op de volgende essentiële stellingen van [verzoekster] :
a. dat [verzoekster] er, gezien de stelligheid waarmee Oceanco haar positie verdedigt, dringend belang bij heeft dat bescheiden verkregen worden voordat overgegaan wordt tot het horen van getuigen, zodat de getuigen op basis van deze bescheiden bevraagd kunnen worden en het geheugen opgefrist kan worden, en
b. dat deze volgordelijkheid van inzage in de bescheiden van Oceanco en het getuigenverhoor van [verzoekster] de materiële waarheidsvinding dient en het getuigenverhoor zowel voor partijen als de rechter een zinvoller instrument maakt, waarmee het bewijs daadwerkelijk beschikbaar komt en de feiten aan het licht komen.
4.28
Deze stellingen zijn volgens het onderdeel essentieel omdat de rechter bij de beoordeling van een inzageverzoek rekening dient te houden met de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. In de lezing van het onderdeel heeft [verzoekster] volgens deze stellingen thans onvoldoende mogelijkheid om haar vordering op Oceanco door getuigenbewijs te onderbouwen, nu zij de bescheiden waarin zij inzage wenst nodig heeft om goede vragen te formuleren die zij aan de getuige kan stellen.
4.29
Voor het onderdeel geldt het volgende.
4.30
In het arrest Pretium/Tros heeft de Hoge Raad overwogen dat in art. 843a lid 4 (oud) Rv niet in haar algemeenheid de eis besloten ligt dat een vordering tot inzage in of afgifte van bescheiden slechts toewijsbaar is indien andere mogelijkheden om bewijs te vergaren zijn uitgeput of afwezig zijn. De slotzinsnede van art. 843a lid 4 (oud) Rv, bepalende dat een inzagevordering niet toewijsbaar is “indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd”, moet in het licht van de omstandigheden van het geval en met inachtneming van de belangen van de betrokken partijen worden toegepast. Daarbij kan, zo overwoog de Hoge Raad, onder meer gewicht toekomen aan de omstandigheid dat een andere wijze van vergaring van bewijs bezwaarlijker of minder effectief kan zijn dan de gevraagde inzage in of afgifte van bescheiden. Wel moet voor ogen worden gehouden dat in dit arrest het recht op vrije meningsuiting en vrije nieuwsgaring in zin art. 10 EVRM betrokken was. Toewijzing van een inzagevordering zou daar mogelijk inbreuk op hebben kunnen maken.
4.31
In het Semtex-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de daarin aangenomen aannemelijkheidsmaatstaf de rechter ruimte biedt om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen.
4.32
In de parlementaire geschiedenis van het nieuwe bewijsrecht is duidelijk gemaakt dat het inzagerecht niet moet worden gezien als een min of meer ultimum remedium. Het inzagerecht moet zoveel mogelijk op één lijn worden gesteld met andere bewijsverrichtingen. De uitzondering ‘behoorlijke rechtsbedeling wordt ook zonder inzage gewaarborgd’ is dan ook niet opgenomen in art. 194 Rv. Wel kan bij een inzageverzoek in de vorm van een voorlopige bewijsverrichting bij de beoordeling van het belang daarbij (art. 196 lid 2 onder b Rv in samenhang met art. 194 Rv) de beschikbaarheid en relevantie van andere voorlopige bewijsverrichtingen een rol spelen.
4.33
Aldus is duidelijk dat de mogelijkheid om het bestaan van een vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen, in ieder geval onder art. 843a Rv (oud) door de rechter kan worden meegewogen bij het oordeel over een inzageverzoek. M.i. is dit onder het nieuwe recht niet anders. Maar het is níet zo (dat geldt zowel voor het oude als voor het nieuwe inzagerecht) dat een inzageverzoek slechts zou kunnen worden toegewezen indien er geen andere bewijsmiddelen ter beschikking staan van een partij.
4.34
Tegen deze achtergrond moet het oordeel van het hof dat een getuigenverhoor meer in de rede ligt, worden begrepen in samenhang met zijn oordelen dat (i) niet voldaan is aan de aannemelijkheidsmaatstaf, en (ii) niet voldaan is aan het bepaaldheidsvereiste en (iii) de informatie waarop het inzageverzoek zich richt interne informatie betreft. Dit oordeel is noch onjuist noch onbegrijpelijk.
4.35
De in het onderdeel aangehaalde stellingen zijn niet voldoende concreet om als essentiële stellingen te kunnen worden aangemerkt. Het hof hoefde die stellingen dan ook niet expliciet te bespreken. Niet is aangevoerd dat het horen van getuigen niet mogelijk zou zijn.
4.36
Het onderdeel slaagt niet.
Onderdeel 4: bepaaldheidsvereiste is verkeerd toegepast
4.37
Onderdeel 4 voert aan dat van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft en/of onbegrijpelijk is dat [verzoekster] niet op zoek is naar specifieke stukken om het bestaan van de gestelde overeenkomst te bewijzen, maar in feite op zoek zou zijn naar interne stukken die zij – naar zij hoopt – kan gebruiken om aan te tonen dat Oceanco zich bewust was van het feit dat zij (op basis van gebruik dan wel toezeggingen aan [verzoekster] ) een commissie verschuldigd is van 5% (rov. 6.6).
a. Dit oordeel berust op een onjuiste en/of onbegrijpelijke toepassing van het bepaaldheidsvereiste van art. 843a lid 1 Rv (oud). Hoewel het hof in rov. 6.2 op zichzelf terecht vooropstelt dat de vereisten van art. 843a Rv (oud), waaronder dus het bepaaldheidsvereiste, bedoeld zijn om zogenoemde fishing expeditions te voorkomen, oordeelt het hof in rov. 6.6 dat voor het voldoen aan het bepaaldheidsvereiste vereist zou zijn dat [verzoekster] individueel aanwijst in welke bescheiden zij inzage wenst te hebben (“specifieke stukken”). Maar in een geval als het onderhavige, waarin de verzoeker niet weet welke specifieke stukken de wederpartij onder zich heeft, is dit niet vereist. Dit heeft het hof miskend. Voor zover het hof dit niet miskend heeft, is zijn oordeel onbegrijpelijk.
b. Voor zover het hof tot het oordeel gekomen is dat, om te voldoen aan het bepaaldheidsvereiste van art. 843a lid 1 Rv (oud), [verzoekster] weliswaar niet individuele stukken zou behoeven aan te wijzen, maar desondanks niet voldaan zou hebben aan het bepaaldheidsvereiste, is dit oordeel volgens het onderdeel onjuist en/of onbegrijpelijk. [verzoekster] heeft haar inzageverzoek namelijk onder meer heeft afgebakend tot, zoals het hof expliciet heeft vastgesteld in rov. 5.1:
- correspondentie, interne bescheiden en andere bescheiden naar aanleiding van de e-mails van [verzoekster] aan Oceanco van 22 december 2015, 5 mei 2016, 16 april 2018, 27 april 2018, 25 oktober 2019, 23 december 2019 en 3 maart 2020; en
- de zoektermen ‘ [superjacht 2] ’, ‘commissie’, ‘commission’, ‘(broker) fee’, ‘2,5%’, ‘5%’, ‘ [verzoekster] ’, ‘[verzoekster]’, ‘MWA’, ‘Monaco Yacht Show (2015)’, ‘ [betrokkene 1] ’, ‘SS’ en ‘Little Buoy’, althans andere zoektermen zoals door het hof bepaald.
4.38
Volgens het onderdeel valt niet in te zien waarom, ondanks deze concrete afbakening, in casu geen sprake is van een inzageverzoek waarbij het gaat om ‘bepaalde bescheiden’ in de zin van art. 843a lid 1 Rv (oud). Immers, de bescheiden en zoektermen waar het bij dit verzoek om gaat, betreffen alle de overeenkomst die [verzoekster] wenst te bewijzen: de overeenkomst waarvan [verzoekster] stelt dat zij die ter gelegenheid van de Monaco Yacht Show met Oceanco gesloten heeft en waarop zij baseert dat zij recht heeft op een commissie van 5% van de aanneemsom voor het nieuwe (tweede) jacht, de [superjacht 2] , dat de klant van Oceanco gekocht heeft. Nu [verzoekster] volgens het onderdeel niet ermee bekend is welke concrete bescheiden Oceanco onder zich heeft wat betreft deze overeenkomst, kan van [verzoekster] , althans in beginsel, niet gevergd worden dat zij in haar inzageverzoek nog concreter omschrijft dan zij gedaan heeft van welke bescheiden zij inzage wenst. Dit heeft het hof miskend. Voor zover het hof dit niet miskend heeft, is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk waarom ondanks die afbakening in dat inzageverzoek geen sprake is van ‘bepaalde bescheiden’ in de zin van art. 843a lid 1 Rv (oud).
4.39
Ter bespreking van het onderdeel geldt het volgende.
4.40
In rov. 6.6 heeft het hof onder meer het volgende geoordeeld:
“(…) Daarbij komt dat MWA niet op zoek is naar specifieke stukken om het bestaan van de gestelde overeenkomst te bewijzen, maar in feite op zoek is naar interne stukken die zij - naar zij hoopt - kan gebruiken om aan te tonen dat Oceanco zich bewust was van het feit dat zij (op basis van gebruik dan wel toezeggingen aan MWA) een commissie verschuldigd is van 5%. Zoals gesteld is een artikel 843a-vordering echter niet bedoeld voor fishing expeditions.”
4.41
Deze overweging komt erop neer dat niet voldaan is aan het bepaaldheidsvereiste van art. 843a Rv (oud).
4.42
Het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat niet altijd als eis kan worden gesteld dat een partij die om inzage verzoekt steeds concreet en specifiek aangeeft om welke stukken het gaat. Of voldaan is aan het vereiste van bepaalde bescheiden, vergt volgens de Hoge Raad een beoordeling in het licht van de omstandigheden van het geval (Theodoor Gilissen Bankiers en ISG c.s./Cornefruit c.s). Deze interpretatie is ook terug te vinden in de parlementaire geschiedenis van art. 194 Rv.
4.43
Het vereiste van bepaalde bescheiden is onder het nieuwe bewijsrecht gehandhaafd in art. 194 lid 1 Rv.
4.44
In lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad heeft het hof de vraag of voldaan is aan het bepaaldheidsvereiste, beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval. Als gezegd moet het oordeel dat dat niet het geval is omdat [verzoekster] niet op zoek is naar specifieke stukken, worden gelezen in samenhang met ’s hofs oordeel dat [verzoekster] het bestaan van de door haar gestelde rechtsbetrekking onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat het gaat om interne informatie van Oceanco en dat [verzoekster] ook bewijs zou kunnen leveren door het horen van getuigen (zie onder 4.34). Anders gezegd: juist omdat [verzoekster] het bestaan van de door haar gestelde rechtsbetrekking onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, legt het hof de lat hoger voor de bepaaldheid van de stukken. Dat oordeel is noch onjuist noch onbegrijpelijk.
4.45
Hiermee faalt de klacht onder a.
4.46
Voor de klacht onder b geldt het volgende.
4.47
Op zichzelf is het juist dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in voorkomend geval (mede) aan de hand van (een combinatie van) zoekwoorden kan worden afgebakend welke bescheiden voldoen aan de eisen van bepaaldheid en rechtmatig belang bij inzage (Solid Nature en Belba).
4.48
Hieruit volgt echter niet dat wanneer sprake is van (een combinatie van) zoektermen, altijd voldaan is aan het bepaaldheidsvereiste. Of in een individuele zaak voldaan is aan het bepaaldheidsvereiste, hangt samen met de beoordeling van de Semtex-maatstaf. Die beoordeling heeft het hof uitgevoerd, waarbij het tot de conclusie is gekomen dat de afweging die gemaakt moet worden in het nadeel van [verzoekster] uitvalt. Dat het hof daarbij mede heeft aangenomen dat [verzoekster] niet specifiek heeft omschreven naar welke stukken zij op zoek is, is niet onbegrijpelijk. Een opgave van zoektermen betekent immers nog niet dat daarmee specifieke stukken zijn omschreven.
4.49
Ook de klacht van onderdeel 4b slaagt dus niet.
Onderdeel 5: Sworn Affidavit onbegrijpelijk uitgelegd
4.50
Volgens onderdeel 5 is het oordeel van het hof in rov. 6.5 bij het vijfde gedachtestreepje dat in de sworn affidavit niet staat hoe [betrokkene 2] , de CEO van Oceanco, reageerde op het op basis van gebruik verschuldigd zijn van een commissie van 5% bij een nieuwe aankoop door de klant en waarom [verzoekster] er toen op mocht vertrouwen dat [betrokkene 2] akkoord ging met een commissieafspraak van 5% voor een eventuele vervolgaankoop door de klant, onbegrijpelijk.
4.51
Het onderdeel citeert punt 8 van de sworn affidavit:
„Although [betrokkene 2] and [betrokkene 3] acknowledged the industry standard brokerage commission on a new build yacht is 5%, they asked me whether MWA would potentially be willing to accept a reduced 2.5% broker fee. They suggested the 2.5% was their idea of a reasonable repeat client commission. In response to this, I said that Oceanco owes MWA a full 5% commission on any subsequent yacht which [betrokkene 1] would buy from Oceanco. During our conversation, [betrokkene 2] and [betrokkene 3] agreed MWA is entitled to a commission on a client’s repeat purchase, like [betrokkene 1] , and further agreed the industry standard commission owed to a broker on a new build yacht purchase is 5%.”
4.52
Dit citaat laat volgens het onderdeel geen andere conclusie toe dan dat uit de sworn affidavit blijkt hoe [betrokkene 2] reageerde op het verschuldigd zijn van een commissie 5%, namelijk met de suggestie dat een commissie van 2,5% redelijk zou zijn, en waarom [verzoekster] erop mocht vertrouwen dat [betrokkene 2] akkoord ging met een commissieafspraak van 5%, namelijk dat [betrokkene 2] ermee akkoord ging dat MWA recht heeft op een commissie en dat een commissie van 5% standaard is. Daarom is het oordeel van het hof onbegrijpelijk.
4.53
M.i. faalt het onderdeel.
4.54
Het hof heeft het volgende overwogen bij het vijfde gedachtestreepje in rov. 6.5 (mijn onderstreping):
“De sworn affidavit van [verzoekster] maakt dit alles niet anders: deze is te weinig overtuigend en concreet. Zo vermeldt [verzoekster] onder punt 6 van die verklaring dat hij in de periode na 2008 diverse gesprekken heeft gevoerd met de CEO van Oceanco. [betrokkene 2] , over de op basis van gebruik verschuldigde commissie van 5% bij een nieuwe aankoop door de Klant. In deze verklaring staat echter niet hoe [betrokkene 2] daarop reageerde en waarom [verzoekster] er toen op mocht vertrouwen dat [betrokkene 2] akkoord was met een commissieafspraak van 5% voor een eventuele vervolgaankoop door de Klant.”
4.55
In het citaat van punt 8 van de sworn affidavit valt inderdaad niet te lezen hoe [betrokkene 2] reageerde op het standpunt van [verzoekster] dat op basis van gebruik een commissie van 5% verschuldigd is bij een nieuwe aankoop. Het voorstel van [betrokkene 2] om 2,5% als commissie te hanteren, was blijkens het citaat geen reactie op een voorstel van [verzoekster] om 5% als commissie te hanteren maar een voorstel uit eigen beweging. Uit het citaat blijkt dat juist [verzoekster] op deze uitspraak van [betrokkene 2] reageerde dat volgens [verzoekster] 5% commissie verschuldigd is.
4.56
Ook valt in het citaat niet te lezen waarom [verzoekster] erop mocht vertrouwen dat [betrokkene 2] akkoord was met een commissieafspraak van 5% voor een eventuele vervolgaankoop door een klant. Het citaat vermeldt dat [betrokkene 2] het eens was met het feit dat de industry standard commission op zichzelf 5% is en dat [verzoekster] op zich recht heeft op een commissie voor een vervolgaankoop door een klant. Hier staat echter niet hoe [betrokkene 2] reageerde op het standpunt van [verzoekster] dat 5% als commissie verschuldigd is. Dat [betrokkene 2] daarvóór uit eigen beweging heeft verklaard dat 2,5% een redelijke commissie zou zijn, wijst er juist ook op dat er geen commissieafspraak voor 5% tot stand is gekomen.
4.57
De uitleg van de sworn affidavit door het hof is dus niet onbegrijpelijk.
Onderdeel 6: Oceanco’s tegenverzoeken en de beslissing tot terugwijzing
4.58
In deze verzoekschriftprocedure heeft Oceanco de volgende tegenverzoeken ingesteld:
- verzoek tot veroordeling van [verzoekster] in de beslagkosten van het bewijsbeslag;
- verzoek tot veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het exhibitieverzoek;
- verzoek tot veroordeling van [verzoekster] in de volledige proceskostenvergoeding;
- opheffing van het bewijsbeslag.
4.59
De rechtbank heeft Oceanco ontvankelijk verklaard in deze verzoeken, maar de verzoeken, in afwachting van het door Oceanco in te stellen hoger beroep, vooralsnog niet toegewezen. In het dictum heeft de rechtbank iedere beslissing over de tegenverzoeken van Oceanco aangehouden (rov. 5.3).
4.60
Het hof heeft geoordeeld dat de rechtbank Oceanco terecht ontvankelijk heeft geacht in deze tegenverzoeken (rov. 6.11-6.12). Omdat de rechtbank de verzoeken nog niet inhoudelijk heeft beoordeeld, heeft het hof de zaak voor wat betreft de tegenverzoeken teruggewezen naar de rechtbank (rov. 6.13).
4.61
Subonderdeel 6.1 voert aan dat het oordeel van het hof in rov. 6.11-6.12, dat de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat Oceanco ontvankelijk is in haar tegenverzoeken, onjuist en/of onbegrijpelijk is:
a. Het hof heeft miskend dat hetgeen Oceanco met haar tegenverzoeken van de rechter toegewezen wenst te krijgen nu eenmaal geëist moet worden in een dagvaardingsprocedure, en niet verzocht kan worden in een verzoekschriftprocedure, zodat het hof Oceanco niet-ontvankelijk had te verklaren in haar tegenverzoeken.
b. Bovendien heeft het hof miskend dat deze tegenverzoeken niet het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek betreffen, in de zin van art. 282 lid 4 Rv, en dat het ook reeds daarom Oceanco niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar tegenverzoeken (dus: zelfs indien hetgeen Oceanco met haar tegenverzoeken van de rechter toegewezen wenst te krijgen op zichzelf verzocht zou kunnen worden in een verzoekschriftprocedure).
4.62
Voor de beantwoording van de vraag of een tegenverzoek hetzelfde onderwerp betreft als het oorspronkelijke verzoek, in de zin van art. 282 lid 4 Rv, gaat het volgens het subonderdeel mede erom of het doelmatig en kostenbesparend is om het oorspronkelijke verzoek en het tegenverzoek gezamenlijk te behandelen. Maar hier is het niet doelmatig of kostenbesparend om het oorspronkelijke verzoek van [verzoekster] en Oceanco’s tegenverzoeken gezamenlijk te behandelen. Want het oorspronkelijke verzoek van [verzoekster] betreft, kort gezegd, de inzage in bescheiden, terwijl het bij Oceanco’s tegenverzoeken in essentie gaat om de kosten die Oceanco heeft moeten maken in verband met een bewijsbeslag en het inzageverzoek en de opheffing van dit beslag. Derhalve staan bij het oorspronkelijke verzoek en de tegenverzoeken andere rechtsvragen centraal en moeten andere feiten beoordeeld worden. Het hof had Oceanco derhalve niet-ontvankelijk moeten verklaren in haar tegenverzoeken, aldus nog steeds het subonderdeel.
4.63
Het subonderdeel moet worden beoordeeld tegen de volgende achtergrond.
4.64
Art. 69 Rv – een zogenoemde wisselbepaling – bevat een regeling voor het geval waarin een procedure met een verzoekschrift is ingeleid in plaats van met een verplichte dagvaarding (of vice versa). Deze regeling houdt in dat een verkeerd ingeleide procedure niet tot niet-ontvankelijkheid leidt, maar tot gevolg heeft dat de procedure wordt aangepast naar de juiste procesgang.
4.65
Over de cumulatie van verzoekschrift- en dagvaardingsprocedures is in de parlementaire geschiedenis van art. 69 Rv het volgende opgemerkt (voetnoot weggelaten):
“Een ander, maar wel enigszins verwant geval is dat van de cumulatie van een verzoek- schriftprocedure met een dagvaardingsprocedure, iets wat zich in de praktijk herhaaldelijk voordoet. De rechtspraak van de Hoge Raad is hierover niet geheel eenduidig. Naar onze mening staat in de bedoelde gevallen er niets aan in de weg dat beide zaken gelijktijdig (in twee aparte procedures) worden behandeld, in die zin dat bijvoorbeeld comparitie na antwoord en mondelinge behandeling parallel lopen. Mede gezien de thans in het systeem aangebrachte „wissels” (het onderhavige artikel (…)) behoeft dit probleem geen uitdrukkelijke wettelijke regeling. Hier komt nog bij dat het probleem wat omvang betreft aanzienlijk is gereduceerd nu de grens tussen de verzoekschrift- en de dagvaardingsprocedure (zoals ook elders in deze memorie is aangestipt) scherper is getrokken dan voorheen.”
4.66
Art. 69 Rv biedt echter niet de mogelijkheid om bij connexiteit tussen geschillen over verschillende verbintenissen die deels wel en deels niet bij dagvaarding moeten worden beslecht, al deze geschillen in dezelfde dagvaardingsprocedure te beoordelen.
4.67
Art. 261 lid 2 Rv bepaalt dat met een verzoekschrift worden ingeleid de zaken ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit. Met opzet is hier het woord ‘voortvloeit’ gekozen. Met deze woordkeuze is beoogd ook zaken als verzoekschriftprocedure aan te kunnen merken waar de wet dit niet zozeer met zoveel woorden bepaalt, maar dit wel via uitleg van de wet als resultaat kan worden bereikt.
4.68
Ondanks dat art. 843a Rv (oud) spreekt over ‘vorderen’, kan een op die bepaling gebaseerd inzageverzoek ook in een verzoekschriftprocedure aanhangig worden gemaakt, hetzij als zelfstandig verzoek hetzij als nevenverzoek, zo heeft de Hoge Raad beslist.
4.69
In de rechtspraak van de Hoge Raad is regelmatig aan de orde geweest wat de vereiste procesingang is bij een combinatie van verzoeken en/of vorderingen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om een verklaring voor recht over pensioenverevening te verzoeken in een echtscheidingsverzoekschriftprocedure, bij dagvaarding en samen met de (voorheen in de wet geregelde) eis tot vanwaardeverklaring van een beslag het verhaal van bepaalde kosten te vorderen terwijl dit verhaal normaliter in een specifieke verzoekschriftprocedure moet worden verzocht, een verklaring voor recht of schadevergoeding te vorderen in een procedure die strekt tot verzet tegen fiscale dwangbevelen, twee verzoeken gebaseerd op hetzelfde feitencomplex te beoordelen in één procedure terwijl de wet hiervoor verschillende typen procedureregels voorschreef, en om vorderingen tot nakoming van een alimentatie-overeenkomst in een specifieke verzoekschriftprocedure in te stellen.
4.70
Art. 282 lid 4 Rv bepaalt verder dat een verweerschrift van een belanghebbende in een verzoekschriftprocedure een zelfstandig verzoek (‘tegenverzoek’) mag bevatten als dit verzoek betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek (‘connexiteitseis’). Of dat het geval is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Art. 282 lid 4 Rv stelt afgezien van de vereiste connexiteit geen nadere inhoudelijke eisen aan de inhoud van een tegenverzoek.
4.71
De Hoge Raad heeft zich verschillende keren uitgelaten over de vraag of een in de wet geregeld verzoek als reconventionele vordering kan worden ingesteld in een dagvaardingsprocedure, en vice versa. Uit deze rechtspraak kan worden afgeleid dat hier de goede procesorde bepalend is. In dat kader is (onder meer) relevant of de voorgeschreven rechtsgangen (te veel) van elkaar verschillen en dus zouden leiden tot processuele complicaties in het geding. In een zaak uit 1991 koos de Hoge Raad een formele lijn: waar een vordering tot betaling van alimentatie in een specifieke verzoekschriftprocedure moet worden beoordeeld, bestaat geen ruimte voor een reconventionele vordering tot betaling van alimentatie in een dagvaardingsprocedure.
4.72
Wat betreft het spiegelbeeldige geval waarin bij wege van tegenverzoek om een huurrechtelijke vergoeding in een verzoekschriftprocedure werd gevraagd, oordeelde de Hoge Raad dat dit niet mogelijk is nu uit de tekst en parlementaire geschiedenis van de wettelijke bepaling over deze specifieke vergoeding volgt dat een afzonderlijke dagvaardingsprocedure verplicht is. Een minder formele opstelling koos de Hoge Raad in een huurrechtelijke verzoekschriftprocedure over verlenging van een huurovereenkomst waarin bij wege van tegenverzoek een verzoek tot ontruiming werd gedaan (die normaliter in een dagvaardingsprocedure zou worden gevorderd). Dat was volgens de Hoge Raad toelaatbaar, omdat een andere uitkomst de verhuurder “zonder redelijke zin” zou kunnen dwingen tot het starten van een nieuwe procedure.
4.73
Uit het voorgaande laat zich afleiden dat de Hoge Raad een gevalsbenadering kiest en daarbij van belang acht of de goede procesorde zich verzet tegen een bepaalde procedurele inrichting, dan wel de goede procesorde juist gediend is met die procedurele inrichting.
4.74
Ook een aantal wettelijke bepalingen die het conservatoir (bewijs)beslag regelen verdienen nog aandacht.
4.75
Art. 700 lid 1-2 Rv bepaalt dat voor een conservatoir beslag verlof moet worden gevraagd aan de rechter met een verzoekschrift. Geoordeeld is echter dat een dergelijk verlof ook kan worden gevraagd bij wege van vordering in reconventie in een opheffingskortgeding (een dagvaardingsprocedure).NJ-annotator Heemskerk merkte hierover op dat deze combinatie praktisch goed werkbaar is gelet op de overeenkomsten tussen de procedures en voorts dat deze combinatie in lijn is met de regel dat een verzoekschriftprocedure niet gecombineerd kan worden met een dagvaardingsprocedure in één en hetzelfde geding (het verlof wordt immers als reconventionele vordering beoordeeld).
4.76
Art. 705 lid 1 Rv bepaalt dat de voorzieningenrechter die verlof tot een beslag heeft gegeven het beslag, rechtdoende in kort geding, op vordering van elke belanghebbende kan opheffen, onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter. Dit maakt enerzijds duidelijk dat een opheffingskortgeding bij dagvaarding moet worden ingeleid. Anderzijds laten de woorden ‘onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter’ ruimte voor opheffing in een gewone procedure.
4.77
Volgens art. 706 Rv kunnen de kosten van het beslag, al of niet in de hoofdzaak, van de beslagene worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was.
4.78
Uit de parlementaire geschiedenis van deze bepalingen kan worden afgeleid dat wat betreft opheffing van het beslag in een gewone procedure werd gedacht aan een inhoudelijke dagvaardingszaak; of opheffing ook verzocht kan worden in een verzoekschriftprocedure die voor het beslag als de hoofdzaak is aan te merken wordt uit de parlementaire geschiedenis niet duidelijk. Verder kan uit deze parlementaire geschiedenis worden afgeleid dat de wetgever meende dat de kosten van een beslag door de beslaglegger kunnen worden teruggevorderd in de hoofdzaak.
4.79
Verder verdient nog vermelding dat onder KEI verzoek- én vorderingsprocedures met een procesinleiding moesten worden aangebracht en dat verzoeken en vorderingen in dezelfde procesinleiding konden worden gecombineerd (art. 30a-30b Rv). Een dergelijk systeem geldt overigens al sinds 2014 voor verschillende gedingen met betrekking tot het einde van de arbeidsovereenkomst (art. 7:686a lid 2-3 BW). Onder KEI was ook voeging en verwijzing van verknochte vorderings- en verzoekprocedures mogelijk (art. 220, 222 en 285 Rv van het wetsvoorstel).
4.80
Recentelijk heeft de Adviescommissie burgerlijk procesrecht geadviseerd om het onderscheid tussen dagvaardings- en verzoekschriftprocedures op te heffen, zodat het burgerlijk procesrecht eenvoudiger wordt. Kort geleden heeft de minister opdracht gegeven tot een verkennend onderzoek.
4.81
Tot slot volgt onder het nieuwe bewijsrecht uit art. 205 lid 4 en 206 lid 4 Rv, in samenhang bezien, dat een beslagene bij wege van reconventionele tegenvordering in de hoofdzaak (te weten: de inzagezaak of een inhoudelijke bodemzaak) onder andere een bewijsbeslag kan laten opheffen. In de parlementaire geschiedenis is hierover het volgende vermeld:
“(…) De eis in de hoofdzaak zal bij het bewijsbeslag vaak bestaan in een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting, in het bijzonder een verzoek om inzage als bedoeld in artikel 204 (nieuw). Het verzoek kan ook het gelasten van een onderzoek van de in beslag genomen gegevens door een deskundige zijn als bedoeld in artikel 202 (nieuw). De eis in de hoofdzaak is niet beperkt tot een verzoek om een of meer voorlopige bewijsverrichtingen. Ook een vordering tot schadevergoeding is denkbaar. Voor het kennisnemen van de inhoud van het in beslag genomen bewijsmateriaal zal dan in de dagvaarding een incidentele vordering tot inzage of onderzoek door een deskundige moeten worden ingesteld. (…)
(…)
Op verzoek van de wederpartij of de derde, als het beslag onder een ander dan de wederpartij is gelegd, kan het beslag eerder vervallen. Het vierde lid van artikel 206 (nieuw) bevestigt dat iedere belanghebbende op grond van artikel 705 bij de voorzieningenrechter de opheffing van het beslag kan vorderen. Daarnaast kan de wederpartij in de procedure waarin de beslaglegger de eis in de hoofdzaak heeft ingesteld via een eis in reconventie als bedoeld in artikel 136 de opheffing van het beslag vorderen. Deze vordering of de eis in reconventie kan ook strekken tot het wijzigen van de beschikking van de voorzieningenrechter die het verlof heeft verleend, zoals het inperken van de omvang van het beslag, het (alsnog) stellen van zekerheid voor de schade als gevolg van de beslag legging of het opheffen of wijzigen van de dwangsom die is verbonden aan de (niet-) medewerking door de beslagene.”
4.82
Hieruit blijkt dat de wetgever het in het kader van het nieuwe bewijsrecht wenselijk acht dat een verweerder in de procedure over de eis in de hoofdzaak opheffing van het bewijsbeslag kan vorderen. Niet wordt vermeld dat dit in enigerlei opzicht anders ligt voor een bewijsbeslag waarop het oude bewijsrecht van toepassing is en waarvoor een inzageverzoek op de voet van art. 843a Rv (oud) wordt ingesteld. Een zaak over inzage (op grond van art. 843a Rv (oud)) wordt bij een bewijsbeslag (ook) onder het oude bewijsrecht als hoofdzaak als bedoeld in art. 700 Rv en 704 Rv aangemerkt, waarbij niet relevant is of het gaat om een afzonderlijke procedure of een incidentele vordering.
4.83
Hiermee wordt toegekomen aan de bespreking van het subonderdeel.
4.84
Het oordeel van het hof dat de rechtbank Oceanco in haar tegenverzoeken ontvankelijk mocht verklaren, is juist en begrijpelijk. Mede gelet op hetgeen hiervoor is uiteengezet, zijn daarvoor de volgende argumenten doorslaggevend (zie ook de argumentatie van de rechtbank (rov. 4.14) en het hof (rov. 6.8 e.v.):
- Niet valt in te zien waarom Oceanco haar tegenverzoeken niet zou kunnen indienen in de door [verzoekster] aanhangig gemaakte verzoekschriftprocedure. De wet stelt geen uitgebreide of specifieke procedurele voorschriften voor de tegenverzoeken die hier aan de orde zijn, die aan een gelijktijdige behandeling in dezelfde verzoekschriftprocedure in de weg zouden kunnen staan. De proceseconomie is gebaat bij een gelijktijdige behandeling in dezelfde procedure.
- Juist omdat de Hoge Raad eerder heeft geaccepteerd dat een inzageverzoek ex art. 843a Rv (oud) óók in een verzoekschriftprocedure kan worden gedaan, ligt het voor de hand dat in diezelfde verzoekschriftprocedure bij wijze van tegenverzoek opheffing van het bewijsbeslag en een kostenveroordeling in verband met dat beslag of inzageverzoek kan worden verzocht (zie onder 4.68).
- De tegenverzoeken van Oceanco tot opheffing van het bewijsbeslag en veroordeling in de kosten van dat bewijsbeslag en/of inzageverzoek, inclusief proceskosten, hebben betrekking op hetzelfde onderwerp als het oorspronkelijke verzoek, namelijk het inzageverzoek van [verzoekster] dat betrekking heeft op bescheiden waarvoor het bewijsbeslag is gelegd. Daarmee is voldaan aan het vereiste van voldoende connexiteit in de zin van art. 282 lid 4 Rv. Dat het inzageverzoek en de tegenverzoeken verschillende juridische en feitelijke vragen aan de orde stellen, maakt dit niet anders, omdat art. 282 lid 4 Rv het tegendeel niet vereist.
- Het verzoek van Oceanco tot veroordeling van [verzoekster] in de volledige proceskosten kan hoe dan ook in dezelfde procedure worden gedaan, omdat de grondslag voor zo’n veroordeling ligt in art. 237 Rv (voor verzoekschriftprocedures: art. 289 Rv). Deze bepalingen derogeren aan art. 6:96 lid 2 BW. Het gaat dus in feite niet om een ‘tegenverzoek’ op de voet van art. 282 lid 4 Rv. Voor de goede orde: in de hofbeschikking (rov. 4.2) en rechtbankbeschikking (rov. 3.2 en 3.5) wordt gerefereerd aan een vordering van Oceanco tot vergoeding van de schade als gevolg van het beslag en het inzageverzoek. M.i. moet het verweerschrift van Oceanco zo worden gelezen dat het in wezen slechts gaat om vergoeding van de integrale proceskosten. Een vordering tot vergoeding van andere schade als gevolg van een beslag of exhibitieverzoek (bijvoorbeeld bedrijfsschade) kan in een zaak als de onderhavige m.i. niet zomaar als tegenverzoek worden meegenomen.
- De hier bepleite opvatting strookt met het feit dat de wetgever voor art. 206 lid 4 Rv heeft uitgesproken dat (onder meer) opheffing van een bewijsbeslag in de procedure over de eis in de hoofdzaak als reconventionele vordering moet kunnen worden gevorderd (zie onder 4.81-4.82).
4.85
De conclusie is dus dat het subonderdeel faalt.
4.86
Op te merken is nog het volgende. Verdedigbaar is, zoals het hof ook in de bestreden beschikking overweegt (zie rov. 6.8 e.v.), dat met een analogische toepassing van de regels in art. 138 lid 2 Rv (splitsing in een dagvaardings- en verzoekschriftprocedure als de rechter oordeelt dat de bij dagvaarding ingeleide zaak in conventie of reconventie in een verzoekschriftprocedure moet worden behandeld) en 285 lid 2 Rv (voeging van samenhangende verzoekschriftprocedures) voeging van een verzoekschriftprocedure met een dagvaardingszaak (waarin de oorspronkelijk bij tegenverzoek naar voren gebrachte geschilpunten worden beslecht) mogelijk is. Deze mogelijkheid strookt bovendien met de regel van art. 69 Rv en de parlementaire geschiedenis van deze bepaling (zie onder 4.64-4.66), waaruit volgt dat bewust niet is gekozen voor niet-ontvankelijkheid in dit soort gevallen.
4.87
Subonderdeel 6.2 voert aan dat de beslissing van het hof in rov. 6.13 om de zaak wat betreft de tegenverzoeken terug te wijzen naar de rechtbank Rotterdam onjuist is. Immers, nu Oceanco niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in haar tegenverzoeken (subonderdeel 6.1), mocht geen terugwijzing plaatsvinden, en voor zover Oceanco wel ontvankelijk zou zijn in haar tegenverzoeken had het hof moeten bevelen dat wat betreft de tegenverzoeken de procedure bij de rechtbank wordt voorgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure.
4.88
Het subonderdeel slaagt niet.
4.89
Waar het subonderdeel er primair van uitgaat dat Oceanco niet-ontvankelijk is in haar tegenverzoeken gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting (zie de bespreking van subonderdeel 6.1). Het hof heeft Oceanco terecht ontvankelijk geacht.
4.90
Waar het subonderdeel er subsidiair van uitgaat dat het hof had moeten bevelen dat wat betreft de tegenverzoeken de procedure bij de rechtbank wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure, gaat het eveneens uit van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtbank mocht de tegenverzoeken van Oceanco in dezelfde verzoekschriftprocedure behandelen als het inzageverzoek van [verzoekster] . In het verlengde hiervan was het hof niet verplicht om bij terugwijzing van de zaak, voor zover het de tegenverzoeken betreft, te bepalen dat de tegenverzoeken (toch) alsnog volgens de dagvaardingsprocedure moeten worden beoordeeld. De beslissing daarover is bovendien strikt genomen aan de rechtbank na terugwijzing, zoals ook het hof lijkt te hebben overwogen.
Slotsom
4.91
Nu geen van de onderdelen slaagt, is de slotsom dat het cassatieberoep tevergeefs is voorgesteld.
5Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, NJ 2022/288 m.nt. H.B. Krans, JIN 2020/138 m.nt. J.E. Mink en A.F. Veldhuis en BIE 2020/20 m.nt. W.J.G. Maas (Semtex).
Hof Den Haag van 11 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:317, rov. 3.2.
HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, NJ 2022/288 m.nt. H.B. Krans, JIN 2020/138 m.nt. J.E. Mink en A.F. Veldhuis en BIE 2020/20 m.nt. W.J.G. Maas (Semtex).
Rb. Rotterdam 22 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2495.
Rb. Rotterdam 22 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2494. [verzoekster] lijkt pas getuigen te willen horen nadat inzage is verkregen. Zie beroepschrift [verzoekster] d.d. 21 juni 2023, nr. 2.23.
Zie Hof Den Haag 11 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:317.
HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, NJ 2022/288 m.nt. H.B. Krans, JIN 2020/138 m.nt. J.E. Mink en A.F. Veldhuis en BIE 2020/20 m.nt. W.J.G. Maas (Semtex).
HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201, NJ 2026/172 m.nt. K.J. Krzemiński en JBPr 2026/23 m.nt. E.M. Snijders.
HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, NJ 2022/288, m.nt. H.B. Krans, JIN 2020/138, m.nt. A.F. Veldhuis & J.E. Mink (Semtex), rov. 3.1.4.
Zie rov. 3.1.5 van het arrest Semtex, vindplaats vorige voetnoot.
HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (AIB/Novisem), rov. 4.1.5, en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (Synthon/Astellas), rov. 3.2.1-3.2.2; HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775 (Organik/Dow), rov. 5.1.3.
Conclusie A-G Wesseling-Van Gent, ECLI:NL:PHR:2020:128, nrs. 2.38 en 2.43.
Zie in deze zin bijvoorbeeld: noot van W.J.G. Maas, in BIE 2020/20, nrs. 6-8; W.J.G. Maas, Nederlands bewijsbeslag in rechtsvergelijkend perspectief, Den Haag: Boom juridisch 2021, p. 188 e.v.; A. Hammerstein, ‘Ontwikkelingen rond het inzagerecht’, RM Themis 2020, afl. 6, p. 275-277. Zie ook R.H. de Bock, ‘Kronieken. Bewijsrecht’, TCR 2016/2, p. 55 en ‘Kroniek. Bewijsrecht’, TCR 2020, afl. 4, p. 180-181.
Zie o.m. noot van A.F. Veldhuis & J.E. Mink in JIN 2020/138, nrs. 9 en 11; noot van H.B. Krans in NJ 2022/288, nr. 19; J. Ekelmans, ‘Moet een drempel van aannemelijkheid worden genomen om recht te hebben op inzage in gegevens op grond van art. 843a Rv?’, MvV 2020, afl. 11, par. 8; M.J.A.M. Ahsmann, De regierol van de rechter (BPP nr. 26) 2024/1255; L.P. Wiggers & S.T. Pennink, ‘Procederen met het mes op tafel’, TvPP 2026, afl. 2, p. 14.
Zie in deze zin: J. Ekelmans, ‘Efficiënt gebruik en beoordeling van inzagevorderingen na HR 13 november 2015’, NTBR 2016/7, p. 52; J.R. Sijmonsma, ‘Het inzagerecht van artikel 843a Rv nader bezien’, TvPP 2019, afl. 4, p. 108-109; noot van H.B. Krans in NJ 2022/288, nr. 19.
Kamerstukken II 2019-2020, 35498, nr. 3 (MvT), p. 47. Alblasserdam Yachtbuilding wijst er in haar verweerschrift op dat de memorie van toelichting dateert van vóór het Semtex-arrest. In latere parlementaire stukken is over dit punt niets meer te vinden.
Zie o.m. Asser Procesrecht/Asser 3 2023/198; C. Tjoa, ‘De 843a-vorderingen van Utrecht Holdings en het nieuwe inzagerecht’, Bb 2025/1, p. 3-4; GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv (T.R.B. de Greve), aant. 3.4 (actueel tot en met 1 januari 2024); S.L.H. Bergsma & S.Y.S. Dam, ‘Vergaring en bescherming van bewijs in IE-zaken’, BIE 2025/2, p. 3. Zie ook mijn eerdere conclusies van 12 september 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:996), nr. 5.10 3 oktober 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1073), nr. 4.17; en 4 juli 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:753), nr. 4.12.
Zie o.m. A.F. Veldhuis & J.E. Mink in JIN 2020/138, nr. 9; noot van H.B. Krans in NJ 2022/288, nr. 18; L.P. Wiggers & S.T. Pennink, ‘Procederen met het mes op tafel’, TvPP 2026, afl. 2, p. 13; S.C.M. van Thiel & R. Brandt, ‘Het vernieuwde bewijsrecht in de praktijk’, Ondernemingsrecht 2026/66, par. 4.4; A. Hammerstein, ‘Ontwikkelingen rond het inzagerecht’, RM Themis 2020, afl. 6, p. 277-278; C. Tjoa, ‘De 843a-vorderingen van Utrecht Holdings en het nieuwe inzagerecht’, Bb 2025/1, p. 3-4; noot van J. Lubbers in JOR 2026/65, nr. 10; noot van M.D. Schuilwerve, JOR 2026/84, nrs. 10-11. Zie over (voldoende) belang onder het nieuwe bewijsrecht: Kamerstukken II 2019-2020, 35498, nr. 3, p. 49 en 57-58.
Conclusie A-G Snijders, ECLI:NL:PHR:2026:223, nr. 3.8. In die richting ook, zo lijkt het: M. Huizingh, ‘Het wie, wat, hoe en wanneer van het nieuwe inzagerecht’, TvPP 2025, afl. 1, par. 3.
F.J.P. Lock, ‘De Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht: wat er (niet) gaat veranderen’, TCR 2024, afl. 3, p. 71, met name voetnoot 47.
Vgl. voor een soortgelijke redenering in een andere context: Conclusie A-G Asser, ECLI:NL:PHR:1991:ZC0438, NJ 1992/152, nr. 2.15.
Zoals [verzoekster] aanvoert, zie procesinleiding p. 4.
Verwezen wordt naar beroepschrift, par. 2.23.
HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2518, NJ 2018/306, m.nt H.B. Krans (Pretium/Tros), rov. 4.1.
Zie Kamerstukken II 2019-2020, 35498, nr. 3, p. 2 en 13.
Zie Kamerstukken II 2019-2020, 35498, nr. 3, p. 57-58.
HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9244, NJ 2013/220 m.nt. E. Verhulp (Theodoor Gilissen Bankiers) rov. 3.8.2. Zie ook HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706 (ISG c.s./Cornefruit c.s.), rov. 3.5.4. Zie uitgebreid over het bepaaldheidsvereiste conclusie A-G Wesseling-Van Gent, ECLI:NL:PHR:2020:10 (art. 81 RO), nrs. 2.14 e.v.; conclusie A-G Wesseling-Van Gent, ECLI:NL:PHR:2022:1145, nrs. 3.13 e.v.
Kamerstukken II 2019-2020, 35498, nr. 3 (MvT), p. 48; Kamerstukken II 2021-2022, 35498, nr. 6 (NnavV), p. 44.
Kamerstukken II 2019-2020, 35498, nr. 3 (MvT), p. 48.
HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:830, JBPR 2023/60, m.nt. G.J. Harryvan, JOR 2023/256, m.nt. R.L. Ubels (Solid Nature), rov. 3.1.2 en HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1773, JBPR 2025/5, m.nt. G.J. Harryvan, JIN 2025/26, m.nt. P.H. Bossema-De Greef, JOR 2025/75, m.nt. C.M. Harmsen (Belba), rov. 3.4 .
Productie 25 bij het beroepschrift.
Op te merken is dat in de stukken (hofbeschikking, rov. 4.2 en rechtbankbeschikking, rov. 3.2 en 3.5) ook wel wordt gesproken over een vordering van Oceanco tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het beslag en het inzageverzoek, maar m.i. gaat het in de kern uitsluitend om een verzoek om [verzoekster] te veroordelen in de volledige proceskosten, zo blijkt uit het verweerschrift van Oceanco (par. 11) in de procedure bij de rechtbank. Een schadevergoedingsvordering kan m.i. niet zomaar als tegenverzoek worden meegenomen in een verzoekschriftprocedure.
Parl. Gesch. Herz. Procesrecht 2002, p. 220 (MvT). Zie over het achterwege blijven van een niet-ontvankelijkheidsoordeel ook p. 222 (Verslag).
HR 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5824, JBPr 2006/10 m.nt. J.G.A. Linssen & N. van Vliet, rov. 3.4.
Parl. Gesch. Herz. Procesrecht 2002, p. 434 (MvT). Voor zover niet via uitleg van de wet kon worden vastgesteld of een verzoekschriftprocedure was voorgeschreven, bevatte de voorganger van art. 261 lid 2 Rv – art. 429b Rv (oud) – nog een subsidiair criterium. Dit subsidiaire criterium kwam erop neer dat in dergelijke gevallen een verzoekschriftprocedure voorgeschreven is als het gaat om een zaak die niet (direct) betrekking heeft op de rechtsbetrekking tussen partijen. Zie Kamerstukken II 1963-1964, 7753, nr. 3 (MvT), p. 6.
Zie HR 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1985 (Syngenta Seeds), rov. 3.3.2.
HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2473, NJ 1999/395 m.nt. J. de Boer, rov. 3.2. Zie hierover ook Parl. Gesch. Herz. Procesrecht 2002, p. 225 (Nota).
Zie HR 6 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0438, NJ 1992/152 (X/Gemeente Hengelo), rov. 3.2; HR 22 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0150, NJ 1988/890 m.nt. W.H. Heemskerk (Uitzendbureau Content), rov. 3; HR 16 februari 1973, ECLI:NL:HR:1973:AC5299, NJ 1973/370 m.nt. D.J. Veegens.
HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0487, NJ 1992/788 m.nt. H.J. Snijders & M. Scheltema (Ontvanger/X), rov. 3.2.
HR 23 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6534, NJ 1983/737 m.nt. P.A. Stein (Metz & Co).
HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0531, NJ 1992/356, rov. 3.2; HR 19 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1150, NJ 1994/241 m.nt. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, rov. 4.
Kamerstukken II 1963-1964, 7753, nr. 3 (MvT), p. 7 (t.a.v. de voorganger van art. 282 lid 4 Rv, art. 429h lid 4 Rv (oud)). Zie voor een ruime uitleg van de connexiteitseis in een familierechtelijke context HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1983, NJ 1996/569, rov. 4.2. Zie voorts T&C Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2026, A.I.M. van Mierlo, art. 282 Rv (aant. 7 onder e); Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/309.
HR 13 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC3067, NJ 1989/72 m.nt. W.H. Heemskerk (IJsunie), rov. 4.2 (combinatie van een dagvaardingsgeding met een specifiek verzoekschriftgeding niet mogelijk, met uitdrukkelijke verwijzing naar de goede procesorde, verschillen in de wettelijke regelingen en daaruit voortvloeiende processuele complicaties); Concl. A-G Verkade, ECLI:NL:PHR:2008:BG1682, nr. 4.2. Vgl. nog voor terughoudendheid bij een combinatie van een verschillend type conventioneel en reconventioneel verzoek in één verzoekschriftprocedure: HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0452 (X/OvJ), rov. 3.3 (in het kader van de BOPZ). Vgl. voorts ten aanzien van een bij repliek ingesteld verzoek in een dagvaardingsprocedure: HR 29 mei 1987, ECLI:NL:HR:1987:AK4754, NJ 1988/557 m.nt. W.H. Heemskerk (Sportlaan), rov. 3 (combinatie van een dagvaardingsgeding met een specifiek verzoekschriftgeding niet mogelijk, met uitdrukkelijke verwijzing naar de goede procesorde, verschillen in de aard van dagvaardings- en verzoekschriftprocedures en daaruit voortvloeiende praktische gevolgen).
HR 20 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0456, NJ 1992/624 m.nt. E.A.A. Luijten, rov. 3.3. Zie in dit verband Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/170, met verwijzing naar art. 69 Rv.
HR 10 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1347, NJ 1989/490 m.nt. P.A. Stein, rov. 3.5.
HR 19 november 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5808, NJ 1977/152 m.nt. P.A. Stein (Apparatenfabriek Bayards). Zie nader de NJ-noot van Stein.
HR 10 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5171, NJ 1987/55 m.nt. W.H. Heemskerk (Grasso-Drain), rov. 3.2.
Vgl. nog HR 22 mei 1936, ECLI:NL:HR:1936:55, NJ 1936/1064 (“dat voorts de subsidiaire stelling, dat de kosten, staande in verband met het beslag, niet tot de proceskosten behooren, niet juist is, (…)”), en hierover Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/121.
Zie Kamerstukken II 1980-1981, 16593, nr. 3 (MvT), p. 115; Kamerstukken I 1984-1985, 16593, nr. 141a (MvA), p. 10 en 19-20.
Zie Kamerstukken II 1980-1981, 16593, nr. 3 (MvT), p. 115-116.
Zie Kamerstukken II 2014-2015, 34059, nr. 3 (MvT), p. 59 e.v.; Kamerstukken II 2014-2015, 34212, nr. 3 (MvT), p. 4. e.v.
Zie hierover bijvoorbeeld mijn conclusie van 21 maart 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:356), voetnoot 6.
Zie Kamerstukken II 2014-2015, 34059, nr. 3 (MvT), p. 19 en 98-99.
Zie Advies opheffing onderscheid dagvaardings- en verzoekschriftprocedure d.d. 23 december 2024. Zie hierover A.I.M. van Mierlo, ‘Opheffing van het onderscheid dagvaardings- en verzoekschriftprocedure’, TCR 2025, afl. 2, p. 33 e.v.
Zie Kamerstukken II 2025-2026, 29279, nr. 1020 (Brief staatssecretaris), p. 3.
Kamerstukken II 2019-2020, 35498, nr. 3 (MvT), p. 71 en 75.
HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1812 (Sarabel), rov. 4.2.2. Zie uitgebreid mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:753), nrs. 4.34-4.38 en 4.45-4.51. Zie voorts mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:996), nr. 5.4.
Vgl. HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3477, rov. 6.2.1; HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7995, NJ 2009, 234 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.5. Vgl. voorts Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/117 en 122.
Zie o.m. HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:147, NJ 2016/167, rov. 3.4.2.
Zie noot 32.
Getwijfeld kan worden over het belang in cassatie nu het hof in rov. 6.11 heeft overwogen dat door de terugwijzing splitsing eigenlijk automatisch plaatsvindt (waarna in eerste aanleg op zich de dagvaardingsprocedure zou kunnen worden gevolgd, afhankelijk van wat de rechtbank daarover beslist). Zie verweerschrift Oceanco, p. 22.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02135
Zitting 4 september 2026
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
[verzoekster] Inc.
advocaten: mr. R.J. ter Rele en mr. J.H.M. van Swaaij
tegen
Alblasserdam Yachtbuilding B.V.
advocaten: mr. G.C. Nieuwland en mr. M.E.A. Möhring
1Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak gaat over een inzageverzoek op de voet van art. 843a Rv (oud). [verzoekster] stelt dat Alblasserdam Yachtbuilding (Oceanco) commissie aan haar verschuldigd is voor de bouw van een superjacht voor een klant. In dit kader heeft [verzoekster] bij Oceanco bewijsbeslag laten leggen en inzage verzocht in verschillende bescheiden. Oceanco heeft op haar beurt een aantal tegenverzoeken gedaan, te weten opheffing van het bewijsbeslag, vergoeding van de kosten van het bewijsbeslag, vergoeding van de kosten van het inzageverzoek en een veroordeling in de volledige proceskosten.
1.2
Rechtbank en hof hebben het inzageverzoek van [verzoekster] afgewezen omdat sprake is van een fishing expedition. Volgens het hof heeft [verzoekster] de rechtsbetrekking waarop het inzageverzoek ziet, de commissieafspraak, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook is volgens het hof niet voldaan aan het bepaaldheidsvereiste en ligt volgens het hof een getuigenverhoor meer in de rede. Verder hebben zowel rechtbank als hof geoordeeld dat Oceanco ontvankelijk is in haar tegenverzoeken. Omdat de rechtbank de tegenverzoeken nog niet inhoudelijk heeft behandeld, heeft het hof de zaak voor wat betreft de tegenverzoeken teruggewezen naar de rechtbank.
1.3
[verzoekster] voert in cassatie onder meer aan dat de Hoge Raad terug moet komen van het Semtex-arrest, waarin de aannemelijkheidsmaatstaf is ontwikkeld. Ook worden klachten aangevoerd tegen de toepassing van die maatstaf. Verder verzet [verzoekster] zich tegen het oordeel van het hof over de ontvankelijkheid van de tegenverzoeken van Oceanco en de terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.
1.4
M.i. falen alle klachten. Er is geen aanleiding om terug te komen van de Semtex-maatstaf in zaken over art. 843a Rv (oud). Het oordeel van het hof over die maatstaf is verder niet onbegrijpelijk. Wat betreft de tegenverzoeken zie ik geen goede reden waarom Oceanco daarin niet-ontvankelijk zou zijn.
2Feiten
2.1
De feiten in deze zaak, ontleend aan de beschikking van het hof Den Haag van 11 maart 2025, zijn als volgt.
2.2
[verzoekster] is een makelaar (hierna ook: broker) in de superjachtenbranche en is onder meer gespecialiseerd in de bemiddeling tussen kopers en verkopers (scheepswerven) van superjachten.
2.3
Alblasserdam Yachtbuilding B.V. is een Nederlandse scheepswerf die gespecialiseerd is in het ontwikkelen, bouwen en verkopen van luxe superjachten. Zij opereert onder de handelsnaam Oceanco.
2.4
In de exclusieve branche waarin partijen opereren komt het voor dat brokers bemiddelen tussen de scheepswerf die het superjacht bouwt en (potentiële) kopers. Hiervoor ontvangt de broker van de scheepswerf een commissie. De (potentiële) koper is van die commissiebetaling op de hoogte.
2.5
In 2008 hebben partijen een mondelinge commissieovereenkomst gesloten. [verzoekster] heeft een klant bijgestaan in de onderhandelingen met Oceanco voor de aankoop van het [superjacht 1] . [verzoekster] heeft hiervoor van Oceanco een commissie van 3,5% (ongeveer € 4,9 miljoen) ontvangen.
2.6
In april 2017 heeft Oceanco een shipbuilding contract gesloten met (indirect) dezelfde klant voor de bouw van een nieuw [superjacht 2] .
2.7
Bij e-mail van 15 maart 2022 van haar advocaat schreef [verzoekster] aan Oceanco dat en waarom zij commissie verschuldigd is voor de bouw van [superjacht 2] :
“This letter aims to provide Oceanco with a final opportunity to voluntarily fulfil its debt to MWA, consisting of the industry standard 5% broker fee with respect to the new build [superjacht 2] . As you are aware, MWA introduced [klant] to Oceanco.
This introduction by MWA has resulted in [de klant] (i) signing the shipbuilding contract in relation to one 86m Oceanco Motor Yacht with Hull No. [superjacht 1] ( [superjacht 1] ) and (ii) buying and taking delivery of [superjacht 1] .
Since MWA introduced [de klant] to Oceanco, Oceanco owed commission to MWA, calculated over the purchase price of [superjacht 1] .
This commission on [superjacht 1] has been paid by Oceanco to MWA.
Although it was a highly top-secret negotiation, MWA heard that a shipbuilding contract with respect to a new build yacht was concluded between Oceanco and [de klant] on or about 16 April 2018 (Shipbuilding Contract). Oceanco owes to MWA the industry standard 5% brokerfee with regard to this new build yacht [de klant] has bought from Oceanco. This has been made clear by MWA in inter alia various a-mails to Oceanco, both prior to and after the signing if the Shipbuilding Contract. (...)”
2.8
Oceanco heeft bij e-mail van 16 maart 2022 gereageerd en gesteld dat zij het niet eens is met de inhoud van voornoemde e-mail en dat [verzoekster] geen recht heeft op enige commissie.
2.9
Bij brief van 20 april 2022 heeft de advocaat van Oceanco geschreven waarom [verzoekster] niet gerechtigd is tot commissie:
“In your demand letter, MWA claims payment of a supposed brokerage commission of 5% of the Purchase Price regarding the sale of the new build [superjacht 2] to (...) (“the Client”), which supposedly was introduced to Oceanco by MWA.
As stated in the email of 16 March 2022, Oceanco explicitly denies MWA's claim and the allegations made in your letter.
At the end of 2007, the Client first visited the yacht of Oceanco's former owner. This first meeting (the "introduction") between the Client and Oceanco's former owner was not arranged by or through MWA. After this visit the Client - through one of his friends - involved MWA to explore the possibilities regarding an Oceanco yacht and in the end to help him negotiate a deal for [superjacht 1] . At that time AIWA was fully compensated for its services on that specific project through the commission (of 3,5 %, and not 5% as implied by MWA) paid to them by Oceanco.
Almost 10 years later the Client and Oceanco concluded a shipbuilding contract for a new yacht ( [superjacht 2] ). In relation to this agreement no brokers were used by the parties. Therefore, there have also not been any brokerage activities at all from MWA’s side regarding that order.
MWA's statement that it should nonetheless receive 5 % commission for project [superjacht 2] simply because it was involved with project [superjacht 1] cannot hold.
First, the fact that MWA received commission for [superjacht 1] of course does not mean that MWA would be entitled to commission (let alone a commission of 5 %) for any orders placed by the Client beyond [superjacht 1] without being involved.
Furthermore, Oceanco is not party to any oral or written commission agreement with MWA in connection with any orders placed with Oceanco by the Client beyond [superjacht 1] . Oceanco did not agree at all that any further orders from the Client would entitle MWA to a 5 % commission. In absence of such an agreement MWA are not entitled to any payment whatsoever
Oceanco never responded to MWA's (written) contentions concerning the commission on [superjacht 2] as these are simply not true. (...) The mere fact that Oceanco did not respond of course does not mean that Oceanco acknowledges these contentions, rather to the contrary. (...)
What is more,(...) Oceanco did not in any way discuss or "pitch" MWA for a 2,5% repeat client commission during the Monaco Yacht show in 2015. (...) Consequently, MWA is not entitled to any commission by Oceanco.”
2.10
Op 2 juni 2022 heeft [verzoekster] conservatoir bewijsbeslag gelegd op basis van het daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam van 2 mei 2022.
2.11
De beslagen bescheiden zijn in bewaring gegeven bij Digi Juris, die krachtens het verlof van de voorzieningenrechter is aangewezen tot gerechtelijk bewaarder volgens art. 709 Rv.
3Procesverloop
3.1
Bij verzoekschrift van 15 juni 2022 heeft [verzoekster] de rechtbank Rotterdam op de voet van art. 843a Rv (oud) verzocht om afschrift en (subsidiair) inzage van, kort gezegd, correspondentie en interne bescheiden ten aanzien van de gestelde verschuldigde commissie voor [superjacht 2] (verzoek I). Verder heeft [verzoekster] de rechtbank verzocht te bepalen dat primair afschrift en subsidiair inzage wordt verschaft op een door haar (eveneens gedetailleerd) gespecificeerde wijze (verzoek II), een dwangsom in verband met verzoeken I en II op te leggen (verzoek III) en een voorlopig getuigenverhoor te gelasten (verzoek IV).
3.2
Oceanco heeft enkele tegenverzoeken gedaan. Zij heeft verzocht te bepalen dat de beslagkosten en de kosten van het inzageverzoek door [verzoekster] aan Oceanco vergoed moeten worden. Ook heeft zij verzocht om veroordeling van Oceanco in de volledige proceskosten van de procedure, en ten slotte om opheffing van het bewijsbeslag.
3.3
Bij beschikking van 22 maart 2023 heeft de rechtbank de verzoeken van [verzoekster] afgewezen, omdat [verzoekster] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij tijdens de Monaco Yacht Show met Oceanco heeft gesproken over commissie voor een opvolgend jacht voor de klant en dat tussen partijen een commissieovereenkomst tot stand is gekomen inhoudende dat Oceanco aan [verzoekster] 5% commissie zou betalen voor de verkoop van de [superjacht 2] . Daarmee is niet voldaan aan de maatstaf uit het Semtex-arrest.
3.4
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat Oceanco ontvankelijk is in haar tegenverzoeken. De overige beslissingen (over de proceskosten en het inhoudelijk oordeel over de tegenverzoeken) heeft de rechtbank aangehouden. De rechtbank heeft – voor zover nodig – tussentijds hoger beroep opengesteld.
3.5
In een afzonderlijke beschikking van 22 maart 2023 heeft de rechtbank het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor toegewezen.
3.6
Bij beroepschrift van 21 juni 2023 heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld tegen de beschikking waarin de rechtbank haar exhibitieverzoeken heeft afgewezen.
3.7
Bij beschikking van 11 maart 2025 heeft het hof de afwijzing van het art. 843a Rv (oud)-verzoek van [verzoekster] bekrachtigd.
3.8
Allereerst heeft het hof de (gewijzigde) verzoeken I-V van [verzoekster] beschreven (rov. 5.1).
3.9
Hierna heeft het hof het juridisch kader voor inzageverzoeken weergegeven (rov. 6.2-6.4). Daarbij heeft het hof verwezen naar het Semtex-arrest van de Hoge Raad en rechtsoverwegingen uit dat arrest in zijn beschikking overgenomen.
3.10
Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat [verzoekster] gelet op het gemotiveerde verweer van Oceanco onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een rechtsbetrekking voor de beweerdelijk door Oceanco verschuldigde commissie van 5% bestaat. Dat heeft het hof als volgt gemotiveerd (rov. 6.5):
- Het ligt niet direct in de rede dat Oceanco heeft ingestemd met een commissie van 5% voor toekomstige aankopen nu tussen partijen vaststaat dat [verzoekster] aanspraak heeft gemaakt op een commissie van 3,5% voor de bouw van [superjacht 1] . Geenszins stond vast dat [verzoekster] bij latere aankopen dan de aankoop van [superjacht 1] de klant zou bijstaan.
- [verzoekster] heeft in reactie op de betwisting van haar stelling dat een commissie van 5% binnen de branche gebruikelijk is niet de stellingen van Oceanco weersproken dat commissieafspraken altijd per jacht worden gemaakt, dat het niet uitgesloten is dat bij een volgende aankoop een andere makelaar bemiddelt en dat in dat geval alleen deze andere makelaar recht op commissie heeft (wat nooit tot problemen heeft geleid).
- [verzoekster] heeft niet weersproken dat de klant via een vriend is uitgekomen bij Oceanco (waarna de klant van [verzoekster] heeft ingeroepen bij de onderhandelingen), terwijl [verzoekster] had gesteld dat zij de klant bij Oceanco had geïntroduceerd.
- De omstandigheid dat [verzoekster] over een langere periode in e-mails haar aanspraken heeft herhaald, wijst erop dat zij niet erop heeft vertrouwd (en ook niet gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen) dat Oceanco (al) met 5% commissie had ingestemd.
- De sworn affidavit van de heer [verzoekster] is te weinig overtuigend en concreet. Daarin vermeldt hij dat hij in de periode na 2008 diverse gesprekken heeft gevoerd met de CEO van Oceanco over de op basis van gebruik verschuldigde commissie van 5% bij een nieuwe aankoop door de klant. In deze verklaring staat echter niet hoe [betrokkene 2] daarop reageerde en waarom [verzoekster] er toen op mocht vertrouwen dat [betrokkene 2] akkoord was met een commissieafspraak van 5% voor een eventuele vervolgaankoop door de klant.
- Ook al is de verklaring van de heer [verzoekster] onder ede afgelegd, Oceanco heeft geen gelegenheid gehad om hem te bevragen.
3.11
Daarna heeft het hof overwogen dat in deze zaak een voorlopig getuigenverhoor meer in de rede ligt, en dat [verzoekster] niet op zoek is naar specifieke stukken om het bestaan van de gestelde overeenkomst te bewijzen maar in feite op zoek is naar interne stukken die zij – naar zij hoopt – kan gebruiken om aan te tonen dat Oceanco zich bewust was van het feit dat zij een commissie verschuldigd is van 5% (rov. 6.6). Voor dit laatste is een art. 843a Rv (oud)-verzoek echter niet bedoeld, aldus het hof.
3.12
Verder heeft het hof het oordeel van de rechtbank dat Oceanco ontvankelijk is in haar tegenverzoeken bekrachtigd (rov. 6.8-6.12). Volgens het hof is daarvoor redengevend dat de onderhavige procedure aan te merken is als de hoofdprocedure volgend op het conservatoir bewijsbeslag en dat de tegenverzoeken nauw samenhangen met deze onderhavige procedure (rov. 6.11-6.12).
3.13
Omdat de rechtbank nog niet inhoudelijk heeft beslist op de tegenverzoeken van Oceanco, geen sprake is van een eenstemmig verzoek om de zaak zelf af te doen en de tegenverzoeken nog niet in staat van wijzen zijn, heeft het hof de zaak ten aanzien van de tegenverzoeken van Oceanco naar de rechtbank teruggewezen (rov. 6.13).
3.14
[verzoekster] heeft op 11 juni 2025 cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 11 maart 2025.
3.15
Oceanco heeft bij incidenteel verzoek van 24 juni 2025 verzocht om [verzoekster] niet ontvankelijk te verklaren in haar cassatieberoep, omdat het niet tijdig zou zijn ingesteld. Volgens Oceanco is in de onderhavige zaak op de voet van de per 1 januari 2025 geldende Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht een verkorte cassatietermijn van acht weken van toepassing (art. 200 lid 1, in verbinding met art. 426 lid 2 Rv) en niet een cassatietermijn van drie maanden (art. 426 lid 1 Rv).
3.16
Op 17 juli 2025 heeft [verzoekster] een verweerschrift in het incident ingediend.
3.17
Bij beschikking van 6 februari 2026 heeft de Hoge Raad het incidentele verzoek afgewezen.
3.18
Vervolgens heeft Oceanco bij verweerschrift van 19 maart 2026 inhoudelijk gereageerd op het cassatieberoep van [verzoekster] .
4Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatieberoep is uitsluitend gericht tegen de afwijzing van het inzageverzoek (rov. 6.3 en 6.5-6.6), de beslissing van het hof dat Oceanco ontvankelijk is in haar tegenverzoeken (rov. 6.11-6.12) en de beslissing van het hof dat de zaak wat betreft deze tegenverzoeken wordt teruggewezen naar de rechtbank (rov. 6.13). Het cassatieberoep bevat zes onderdelen. Onderdeel 6 valt uiteen in twee subonderdelen.
Onderdeel 1: terugkomen van de Semtex-maatstaf
4.2
Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 6.3 en voert aan dat de Hoge Raad moet terugkomen van het Semtex-arrest. De juiste maatstaf voor het rechtsbetrekkingvereiste is volgens het onderdeel of de bescheiden waarvan inzage wordt verzocht het centrale onderwerp betreffen dat partijen verdeeld houdt, gelet ook op het arrest Theodoor Gilissen Bankiers en de parlementaire geschiedenis van het ingetrokken wetsvoorstel 33079 en de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. Met deze (andere) maatstaf wordt volgens het onderdeel beter recht gedaan aan het bewijsvergaringsbelang, waarmee in voorkomende gevallen bovendien een schending van art. 6 EVRM (informatie-asymmetrie) zou kunnen worden voorkomen.
4.3
Bij de bespreking van het onderdeel is het volgende voorop te stellen.
4.4
Art. 843a lid 1 Rv (oud) geeft drie cumulatieve voorwaarden voor toewijzing van een inzagevordering. Er moet sprake zijn van (i) een rechtmatig belang van de verzoeker bij de inzage en de inzage moet gericht zijn op (ii) bepaalde bescheiden die (iii) betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij (de rechtsvoorganger van) de verzoeker partij is. De drie cumulatieve voorwaarden moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld en zijn tot op zekere hoogte communicerende vaten. Bij onduidelijkheid over de rechtsbetrekking waarop een partij zich beroept, moeten bijvoorbeeld hogere eisen worden gesteld aan de eis van bepaaldheid van de bescheiden en het rechtmatig belang. Zo kunnen ongewenste fishing expeditions buiten de deur worden gehouden.
4.5
In het Semtex-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van art. 843a Rv (oud) te gelden heeft dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Die maatstaf, zo overweegt de Hoge Raad, stelt de rechter in staat een evenwicht te vinden tussen het belang van eiser of verzoeker om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van verweerder om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is. Die maatstaf biedt de rechter voorts voldoende ruimte om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede tekortkoming of onrechtmatige daad te kunnen aantonen, zal derhalve gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden dienen te stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die tekortkoming of onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen.
4.6
Ook overwoog de Hoge Raad dat de vraag wat als een ‘voldoende mate van aannemelijkheid’ kan worden beschouwd, niet in algemene zin kan worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij is enerzijds uitgangspunt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op (dreigend) tekortschieten of onrechtmatig handelen gebaseerde (ge- of verbods)vordering of vordering tot schadevergoeding; anderzijds dienen aan de mate van aannemelijkheid van de gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad bij de beoordeling van een inzagevordering hogere eisen te worden gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal. De Semtex-maatstaf is dus een flexibele norm.
4.7
De Hoge Raad heeft in het Semtex-arrest aansluiting gezocht bij zijn eerdere uitspraken AIB/Novisem, Synthon/Astellas en Organik/Dow. Uit deze laatste uitspraken volgde al dezelfde maatstaf voor IE-zaken en zaken over bedrijfsgeheimen.
4.8
De Semtex-maatstaf is door verschillende auteurs bekritiseerd. Zo stelde A-G Wesseling-Van Gent in haar conclusie voor het Semtex-arrest dat een dergelijke maatstaf niet passend is in andere zaken dan IE- en bedrijfsgeheimenzaken. Ook anderen menen dat de drempel in de Semtex-maatstaf te hoog is: met de Semtex-maatstaf wordt in wezen al gevraagd om een rechtsbetrekking aannemelijk te maken waarvoor inzage eerst nodig wordt geacht.
4.9
De uitspraak heeft echter ook bijval gekregen. Volgens deze auteurs stelt de Semtex-maatstaf de rechter goed in staat om een afweging te maken tussen conflicterende belangen bij inzageverzoeken in concrete gevallen. Voorstanders signaleren tevens dat niet goed valt in te zien waarom het rechtsbetrekkingsvereiste zou (moeten) verschillen voor IE- en bedrijfsgeheimenzaken en dat de Semtex-maatstaf ook geschikt is voor andere zaken.
4.10
In de memorie van toelichting bij het sinds 1 januari 2025 geldende art. 194 Rv, dat de basis vormt voor het vernieuwde inzagerecht, is expliciet vermeld dat onder het nieuwe recht de aannemelijkheidseis niet geldt. Dat voor het vernieuwde inzagerecht de eis van aannemelijkheid van de rechtsbetrekking niet geldt, wordt ook in de literatuur wel aangenomen. Er zijn echter ook auteurs die menen dat de Semtex-maatstaf ook onder het nieuwe inzagerecht van betekenis is, via het vereiste van ‘voldoende belang’ (art. 194 lid 1 en art. 196 lid 2 onder b Rv). Ook A-G Snijders is deze mening toegedaan. Lock betwijfelt echter of bij de eis van ‘voldoende belang’ moet worden getoetst aan de aannemelijkheidsmaatstaf.
4.11
De komende jaren zal zich in de rechtspraak moeten uitkristalliseren of, en zo ja hoe, de aannemelijkheidsmaatstaf nog relevant is bij de beoordeling van inzageverzoeken. Wel staat m.i. buiten kijf dat de toelichting die de Hoge Raad in het Semtex-arrest heeft gegeven op de aannemelijkheidsmaatstaf, namelijk dat deze de rechter in staat stelt “een evenwicht te vinden tussen het belang van eiser of verzoeker om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van verweerder om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is”, ook onder het nieuwe inzagerecht van betekenis blijft. Op dit punt is er immers niets gewijzigd in doel én begrenzing van het inzagerecht. Ook blijft relevant wat de Hoge Raad vervolgens overwoog, namelijk dat de aannemelijkheidsmaatstaf de rechter ruimte biedt om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen.
4.12
De vraag die het cassatieberoep aan de orde stelt is of de Semtex-maatstaf, na de inwerkingtreding van het nieuwe inzagerecht, nog steeds moet worden toegepast in procedures waarin het nog gaat om inzageverzoeken op de voet van art. 843a Rv (oud). Volgens het verzoekschrift zou de opmerking in de memorie van toelichting bij het nieuwe inzagerecht, dat de eis van aannemelijkheid van de rechtsbetrekking niet geldt voor inzageverzoeken onder het nieuwe recht, ook moeten gelden voor inzageverzoeken ex art. 843a Rv (oud). Daarmee wordt in wezen verzocht dat de Hoge Raad terugkomt van het Semtex-arrest.
4.13
M.i. zou de Hoge Raad dat niet moeten doen. De Hoge Raad heeft de Semtex-maatstaf zes jaar geleden welbewust aanvaard voor inzageverzoeken ex art. 843a Rv (oud). Het oude recht zal nog slechts bij hoge uitzondering van toepassing zijn. De rechtsontwikkeling of de rechtseenheid is er dan ook niet mee gebaat om voor de nu nog lopende art. 843a Rv (oud)-procedures terug te komen van het Semtex-arrest.
4.14
Daarbij komt dat nog helemaal niet is uitgekristalliseerd wat de consequenties zijn van de opmerking in de parlementaire geschiedenis dat voor het nieuwe inzagerecht de eis van aannemelijkheid van de rechtsbetrekking niet geldt, voor de rechterlijke beoordeling van een inzageverzoek op grond van art. 194 Rv.
4.15
Er zijn, tot slot, geen aanwijzingen dat de Semtex-maatstaf – in zijn algemeenheid – leidt tot strijd met het in art. 6 EVRM verankerde beginsel van equality of arms.
4.16
Het onderdeel faalt.
Onderdeel 2: de Semtex-maatstaf is verkeerd toegepast
4.17
Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 6.5-6.6. en voert aan dat het hof de Semtex-maatstaf onjuist en/of onbegrijpelijk heeft toegepast. Het hof heeft te hoge eisen gesteld aan de stelplicht van [verzoekster] wat betreft het aannemelijk maken van het bestaan van de rechtsbetrekking tussen [verzoekster] en Oceanco, op grond waarvan [verzoekster] aanspraak kan maken op 5% commissie in verband met een indirect door de klant met Oceanco gesloten overeenkomst voor de bouw van het jacht [superjacht 2] , of het hof heeft de aannemelijkheid van deze rechtsbetrekking te indringend getoetst. Het hof mocht het inzageverzoek van [verzoekster] niet, althans niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, afwijzen, in verband met haar bewijsvergaringsbelang. Ter toelichting wijst het onderdeel nog op de volgende twee omstandigheden (het onderdeel voert niet aan dat het hof stellingen in dit verband ten onrechte heeft gepasseerd):
- De (beweerdelijke) rechtsbetrekking vloeit voort uit een mondelinge overeenkomst, en is daarom naar haar aard moeilijk te bewijzen.
- MWA heeft al het haar beschikbare bewijsmateriaal in het geding gebracht, namelijk een sworn affidavit, zeven e-mails en een telefoonnotitie.
4.18
Bij de bespreking van de klachten moet voorop worden gesteld dat het oordeel van het hof dat het inzageverzoek moet worden afgewezen, berust op vier pijlers. In de eerste plaats is niet voldaan aan de aannemelijkheidsmaatstaf; in de tweede plaats is niet voldaan aan het bepaaldheidsvereiste omdat Oceanco niet op zoek is naar specifieke stukken om het bestaan van de gestelde overeenkomst te bewijzen; in de derde plaats gaat het om interne stukken van Oceanco; en in de vierde plaats ligt het meer in de rede dat [verzoekster] bewijs levert door middel van het horen van getuigen (rov. 6.5-6.6). Deze oordelen tezamen en in onderling verband bezien leiden het hof tot het oordeel dat sprake is van een ongewenste fishing expedition, zodat het inzageverzoek moet worden afgewezen.
4.19
Deze benadering sluit aan bij het Semtex-arrest. De Hoge Raad overwoog daarin immers, samengevat, dat de aannemelijkheidsmaatstaf de rechter in staat stelt een evenwicht te vinden tussen het belang van eiser om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van verweerder bij vertrouwelijkheid van bepaalde informatie, waarbij rekening moet worden gehouden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. Hieruit volgt dat toetsing aan de aannemelijkheidsmaatstaf niet los te zien is van de overige bijzonderheden van het geval, waarbij het er uiteindelijk om gaat een evenwicht te vinden tussen de belangen van partijen.
4.20
De aannemelijkheidsmaatstaf moet dus niet geïsoleerd worden beschouwd, maar in samenhang met de overige eisen die aan een inzageverzoek moeten worden gesteld. Als duidelijk omschreven is van welke specifieke stukken inzage wordt verzocht, en/of als die stukken concreet zijn afgebakend, dan kan de lat voor aannemelijkheid van de rechtsbetrekking minder hoog worden gelegd. Maar als dat eerste níet het geval is en bovendien sprake is van interne informatie van een partij, dan ligt het in de reden om van de partij die inzage verzoekt méér te vragen op het punt van het aannemelijk maken van de rechtsbetrekking. En als er géén mogelijkheid bestaat om op een andere wijze bewijs te leveren van stellingen dan via inzage, dan kan dat aanleiding zijn om eerder over te gaan tot toewijzing van een inzageverzoek. Dat de aannemelijkheidsmaatstaf op deze manier moet worden toegepast, blijkt ook uit de door de Hoge Raad omschreven flexibiliteit van de norm (zie onder 4.6).
4.21
Het hof heeft zijn oordeel dat [verzoekster] het bestaan van een commissieafspraak van 5% onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt onder andere gemotiveerd door erop te wijzen dat [verzoekster] de betwisting door Oceanco van het bestaan van deze rechtsbetrekking op verschillende, cruciale punten niet althans onvoldoende heeft weersproken (rov. 6.5). Het gaat dan met name om de stellingen van Oceanco over de wijze waarop commissieafspraken in het algemeen tot stand komen (te weten: per aankoop) en de wijze waarop de desbetreffende klant bij Oceanco terecht is gekomen (te weten: niet via [verzoekster] maar via een vriend).
4.22
Niet valt in te zien waarom deze motivering blijk geeft van een onjuiste dan wel onbegrijpelijke toepassing van de Semtex-maatstaf. De constatering van het hof dat [verzoekster] een aantal cruciale stellingen van Oceanco niet heeft weersproken, kan niet als een (te) indringende toetsing van de Semtex-maatstaf worden aangemerkt. Anders dan het onderdeel veronderstelt, kon van [verzoekster] dus wel méér worden verwacht, namelijk een reactie op de betwisting door Oceanco ten aanzien van deze verschillende, cruciale punten.
4.23
Voor het overige motiveert het hof in rov. 6.5 zijn oordeel door te wijzen op een aantal vaststaande omstandigheden, waaruit naar het oordeel van het hof op zichzelf niet kan worden afgeleid dat een commissieafspraak van 5% bestond. Het gaat hier met name om de omstandigheid dat in het kader van een eerdere aankoop 3,5% als commissie was overeengekomen, de herhaling van een standpunt in verschillende e-mails van [verzoekster] zonder bevestiging daarvan door Oceanco, en de weinig betekenisvolle inhoud van de sworn affidavit van [verzoekster] .
4.24
Ook hier valt niet in te zien waarom het hof de Semtex-maatstaf onjuist of onbegrijpelijk zou hebben toegepast. Deze vaststaande feiten en omstandigheden wijzen er op zichzelf inderdaad niet op dat een commissieafspraak bestond. Dat een mondelinge overeenkomst naar zijn aard moeilijk te bewijzen is, maakt dat niet anders.
4.25
Al met al heeft [verzoekster] naar het oordeel van het hof dus onvoldoende aangevoerd om te kunnen oordelen dat zij het bestaan van een commissieafspraak voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Dit oordeel is, als gezegd, niet los te zien van de omstandigheid dat [verzoekster] onvoldoende concreet heeft omschreven van welke stukken zij inzage wenst. Dat maakt het des te knellender dat [verzoekster] – in mijn woorden – niet gewezen heeft op concrete relevante gedragingen of verklaringen van Oceanco die op een commissieafspraak zouden kunnen duiden. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof dat niet is voldaan aan de Semtex-maatstaf, niet onjuist of onbegrijpelijk.
4.26
Het onderdeel slaagt niet.
Onderdeel 3: oordeel dat getuigenverhoor meer in de rede zou liggen is ontoereikend gemotiveerd
4.27
Volgens onderdeel 3 is het oordeel in rov. 6.6 dat het horen van [verzoekster] als getuige meer in de rede zou liggen dan een, naar haar aard ingrijpende, exhibitievordering, ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof ten onrechte niet zou hebben gerespondeerd op de volgende essentiële stellingen van [verzoekster] :
a. dat [verzoekster] er, gezien de stelligheid waarmee Oceanco haar positie verdedigt, dringend belang bij heeft dat bescheiden verkregen worden voordat overgegaan wordt tot het horen van getuigen, zodat de getuigen op basis van deze bescheiden bevraagd kunnen worden en het geheugen opgefrist kan worden, en
b. dat deze volgordelijkheid van inzage in de bescheiden van Oceanco en het getuigenverhoor van [verzoekster] de materiële waarheidsvinding dient en het getuigenverhoor zowel voor partijen als de rechter een zinvoller instrument maakt, waarmee het bewijs daadwerkelijk beschikbaar komt en de feiten aan het licht komen.
4.28
Deze stellingen zijn volgens het onderdeel essentieel omdat de rechter bij de beoordeling van een inzageverzoek rekening dient te houden met de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen. In de lezing van het onderdeel heeft [verzoekster] volgens deze stellingen thans onvoldoende mogelijkheid om haar vordering op Oceanco door getuigenbewijs te onderbouwen, nu zij de bescheiden waarin zij inzage wenst nodig heeft om goede vragen te formuleren die zij aan de getuige kan stellen.
4.29
Voor het onderdeel geldt het volgende.
4.30
In het arrest Pretium/Tros heeft de Hoge Raad overwogen dat in art. 843a lid 4 (oud) Rv niet in haar algemeenheid de eis besloten ligt dat een vordering tot inzage in of afgifte van bescheiden slechts toewijsbaar is indien andere mogelijkheden om bewijs te vergaren zijn uitgeput of afwezig zijn. De slotzinsnede van art. 843a lid 4 (oud) Rv, bepalende dat een inzagevordering niet toewijsbaar is “indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd”, moet in het licht van de omstandigheden van het geval en met inachtneming van de belangen van de betrokken partijen worden toegepast. Daarbij kan, zo overwoog de Hoge Raad, onder meer gewicht toekomen aan de omstandigheid dat een andere wijze van vergaring van bewijs bezwaarlijker of minder effectief kan zijn dan de gevraagde inzage in of afgifte van bescheiden. Wel moet voor ogen worden gehouden dat in dit arrest het recht op vrije meningsuiting en vrije nieuwsgaring in zin art. 10 EVRM betrokken was. Toewijzing van een inzagevordering zou daar mogelijk inbreuk op hebben kunnen maken.
4.31
In het Semtex-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de daarin aangenomen aannemelijkheidsmaatstaf de rechter ruimte biedt om rekening te houden met de aard van het onderliggende geschil en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de gevorderde exhibitie en de mogelijkheid om het bestaan van de gestelde vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen.
4.32
In de parlementaire geschiedenis van het nieuwe bewijsrecht is duidelijk gemaakt dat het inzagerecht niet moet worden gezien als een min of meer ultimum remedium. Het inzagerecht moet zoveel mogelijk op één lijn worden gesteld met andere bewijsverrichtingen. De uitzondering ‘behoorlijke rechtsbedeling wordt ook zonder inzage gewaarborgd’ is dan ook niet opgenomen in art. 194 Rv. Wel kan bij een inzageverzoek in de vorm van een voorlopige bewijsverrichting bij de beoordeling van het belang daarbij (art. 196 lid 2 onder b Rv in samenhang met art. 194 Rv) de beschikbaarheid en relevantie van andere voorlopige bewijsverrichtingen een rol spelen.
4.33
Aldus is duidelijk dat de mogelijkheid om het bestaan van een vordering met andere bewijsmiddelen te onderbouwen, in ieder geval onder art. 843a Rv (oud) door de rechter kan worden meegewogen bij het oordeel over een inzageverzoek. M.i. is dit onder het nieuwe recht niet anders. Maar het is níet zo (dat geldt zowel voor het oude als voor het nieuwe inzagerecht) dat een inzageverzoek slechts zou kunnen worden toegewezen indien er geen andere bewijsmiddelen ter beschikking staan van een partij.
4.34
Tegen deze achtergrond moet het oordeel van het hof dat een getuigenverhoor meer in de rede ligt, worden begrepen in samenhang met zijn oordelen dat (i) niet voldaan is aan de aannemelijkheidsmaatstaf, en (ii) niet voldaan is aan het bepaaldheidsvereiste en (iii) de informatie waarop het inzageverzoek zich richt interne informatie betreft. Dit oordeel is noch onjuist noch onbegrijpelijk.
4.35
De in het onderdeel aangehaalde stellingen zijn niet voldoende concreet om als essentiële stellingen te kunnen worden aangemerkt. Het hof hoefde die stellingen dan ook niet expliciet te bespreken. Niet is aangevoerd dat het horen van getuigen niet mogelijk zou zijn.
4.36
Het onderdeel slaagt niet.
Onderdeel 4: bepaaldheidsvereiste is verkeerd toegepast
4.37
Onderdeel 4 voert aan dat van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft en/of onbegrijpelijk is dat [verzoekster] niet op zoek is naar specifieke stukken om het bestaan van de gestelde overeenkomst te bewijzen, maar in feite op zoek zou zijn naar interne stukken die zij – naar zij hoopt – kan gebruiken om aan te tonen dat Oceanco zich bewust was van het feit dat zij (op basis van gebruik dan wel toezeggingen aan [verzoekster] ) een commissie verschuldigd is van 5% (rov. 6.6).
a. Dit oordeel berust op een onjuiste en/of onbegrijpelijke toepassing van het bepaaldheidsvereiste van art. 843a lid 1 Rv (oud). Hoewel het hof in rov. 6.2 op zichzelf terecht vooropstelt dat de vereisten van art. 843a Rv (oud), waaronder dus het bepaaldheidsvereiste, bedoeld zijn om zogenoemde fishing expeditions te voorkomen, oordeelt het hof in rov. 6.6 dat voor het voldoen aan het bepaaldheidsvereiste vereist zou zijn dat [verzoekster] individueel aanwijst in welke bescheiden zij inzage wenst te hebben (“specifieke stukken”). Maar in een geval als het onderhavige, waarin de verzoeker niet weet welke specifieke stukken de wederpartij onder zich heeft, is dit niet vereist. Dit heeft het hof miskend. Voor zover het hof dit niet miskend heeft, is zijn oordeel onbegrijpelijk.
b. Voor zover het hof tot het oordeel gekomen is dat, om te voldoen aan het bepaaldheidsvereiste van art. 843a lid 1 Rv (oud), [verzoekster] weliswaar niet individuele stukken zou behoeven aan te wijzen, maar desondanks niet voldaan zou hebben aan het bepaaldheidsvereiste, is dit oordeel volgens het onderdeel onjuist en/of onbegrijpelijk. [verzoekster] heeft haar inzageverzoek namelijk onder meer heeft afgebakend tot, zoals het hof expliciet heeft vastgesteld in rov. 5.1:
- correspondentie, interne bescheiden en andere bescheiden naar aanleiding van de e-mails van [verzoekster] aan Oceanco van 22 december 2015, 5 mei 2016, 16 april 2018, 27 april 2018, 25 oktober 2019, 23 december 2019 en 3 maart 2020; en
- de zoektermen ‘ [superjacht 2] ’, ‘commissie’, ‘commission’, ‘(broker) fee’, ‘2,5%’, ‘5%’, ‘ [verzoekster] ’, ‘[verzoekster]’, ‘MWA’, ‘Monaco Yacht Show (2015)’, ‘ [betrokkene 1] ’, ‘SS’ en ‘Little Buoy’, althans andere zoektermen zoals door het hof bepaald.
4.38
Volgens het onderdeel valt niet in te zien waarom, ondanks deze concrete afbakening, in casu geen sprake is van een inzageverzoek waarbij het gaat om ‘bepaalde bescheiden’ in de zin van art. 843a lid 1 Rv (oud). Immers, de bescheiden en zoektermen waar het bij dit verzoek om gaat, betreffen alle de overeenkomst die [verzoekster] wenst te bewijzen: de overeenkomst waarvan [verzoekster] stelt dat zij die ter gelegenheid van de Monaco Yacht Show met Oceanco gesloten heeft en waarop zij baseert dat zij recht heeft op een commissie van 5% van de aanneemsom voor het nieuwe (tweede) jacht, de [superjacht 2] , dat de klant van Oceanco gekocht heeft. Nu [verzoekster] volgens het onderdeel niet ermee bekend is welke concrete bescheiden Oceanco onder zich heeft wat betreft deze overeenkomst, kan van [verzoekster] , althans in beginsel, niet gevergd worden dat zij in haar inzageverzoek nog concreter omschrijft dan zij gedaan heeft van welke bescheiden zij inzage wenst. Dit heeft het hof miskend. Voor zover het hof dit niet miskend heeft, is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk waarom ondanks die afbakening in dat inzageverzoek geen sprake is van ‘bepaalde bescheiden’ in de zin van art. 843a lid 1 Rv (oud).
4.39
Ter bespreking van het onderdeel geldt het volgende.
4.40
In rov. 6.6 heeft het hof onder meer het volgende geoordeeld:
“(…) Daarbij komt dat MWA niet op zoek is naar specifieke stukken om het bestaan van de gestelde overeenkomst te bewijzen, maar in feite op zoek is naar interne stukken die zij - naar zij hoopt - kan gebruiken om aan te tonen dat Oceanco zich bewust was van het feit dat zij (op basis van gebruik dan wel toezeggingen aan MWA) een commissie verschuldigd is van 5%. Zoals gesteld is een artikel 843a-vordering echter niet bedoeld voor fishing expeditions.”
4.41
Deze overweging komt erop neer dat niet voldaan is aan het bepaaldheidsvereiste van art. 843a Rv (oud).
4.42
Het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat niet altijd als eis kan worden gesteld dat een partij die om inzage verzoekt steeds concreet en specifiek aangeeft om welke stukken het gaat. Of voldaan is aan het vereiste van bepaalde bescheiden, vergt volgens de Hoge Raad een beoordeling in het licht van de omstandigheden van het geval (Theodoor Gilissen Bankiers en ISG c.s./Cornefruit c.s). Deze interpretatie is ook terug te vinden in de parlementaire geschiedenis van art. 194 Rv.
4.43
Het vereiste van bepaalde bescheiden is onder het nieuwe bewijsrecht gehandhaafd in art. 194 lid 1 Rv.
4.44
In lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad heeft het hof de vraag of voldaan is aan het bepaaldheidsvereiste, beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval. Als gezegd moet het oordeel dat dat niet het geval is omdat [verzoekster] niet op zoek is naar specifieke stukken, worden gelezen in samenhang met ’s hofs oordeel dat [verzoekster] het bestaan van de door haar gestelde rechtsbetrekking onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat het gaat om interne informatie van Oceanco en dat [verzoekster] ook bewijs zou kunnen leveren door het horen van getuigen (zie onder 4.34). Anders gezegd: juist omdat [verzoekster] het bestaan van de door haar gestelde rechtsbetrekking onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, legt het hof de lat hoger voor de bepaaldheid van de stukken. Dat oordeel is noch onjuist noch onbegrijpelijk.
4.45
Hiermee faalt de klacht onder a.
4.46
Voor de klacht onder b geldt het volgende.
4.47
Op zichzelf is het juist dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in voorkomend geval (mede) aan de hand van (een combinatie van) zoekwoorden kan worden afgebakend welke bescheiden voldoen aan de eisen van bepaaldheid en rechtmatig belang bij inzage (Solid Nature en Belba).
4.48
Hieruit volgt echter niet dat wanneer sprake is van (een combinatie van) zoektermen, altijd voldaan is aan het bepaaldheidsvereiste. Of in een individuele zaak voldaan is aan het bepaaldheidsvereiste, hangt samen met de beoordeling van de Semtex-maatstaf. Die beoordeling heeft het hof uitgevoerd, waarbij het tot de conclusie is gekomen dat de afweging die gemaakt moet worden in het nadeel van [verzoekster] uitvalt. Dat het hof daarbij mede heeft aangenomen dat [verzoekster] niet specifiek heeft omschreven naar welke stukken zij op zoek is, is niet onbegrijpelijk. Een opgave van zoektermen betekent immers nog niet dat daarmee specifieke stukken zijn omschreven.
4.49
Ook de klacht van onderdeel 4b slaagt dus niet.
Onderdeel 5: Sworn Affidavit onbegrijpelijk uitgelegd
4.50
Volgens onderdeel 5 is het oordeel van het hof in rov. 6.5 bij het vijfde gedachtestreepje dat in de sworn affidavit niet staat hoe [betrokkene 2] , de CEO van Oceanco, reageerde op het op basis van gebruik verschuldigd zijn van een commissie van 5% bij een nieuwe aankoop door de klant en waarom [verzoekster] er toen op mocht vertrouwen dat [betrokkene 2] akkoord ging met een commissieafspraak van 5% voor een eventuele vervolgaankoop door de klant, onbegrijpelijk.
4.51
Het onderdeel citeert punt 8 van de sworn affidavit:
„Although [betrokkene 2] and [betrokkene 3] acknowledged the industry standard brokerage commission on a new build yacht is 5%, they asked me whether MWA would potentially be willing to accept a reduced 2.5% broker fee. They suggested the 2.5% was their idea of a reasonable repeat client commission. In response to this, I said that Oceanco owes MWA a full 5% commission on any subsequent yacht which [betrokkene 1] would buy from Oceanco. During our conversation, [betrokkene 2] and [betrokkene 3] agreed MWA is entitled to a commission on a client’s repeat purchase, like [betrokkene 1] , and further agreed the industry standard commission owed to a broker on a new build yacht purchase is 5%.”
4.52
Dit citaat laat volgens het onderdeel geen andere conclusie toe dan dat uit de sworn affidavit blijkt hoe [betrokkene 2] reageerde op het verschuldigd zijn van een commissie 5%, namelijk met de suggestie dat een commissie van 2,5% redelijk zou zijn, en waarom [verzoekster] erop mocht vertrouwen dat [betrokkene 2] akkoord ging met een commissieafspraak van 5%, namelijk dat [betrokkene 2] ermee akkoord ging dat MWA recht heeft op een commissie en dat een commissie van 5% standaard is. Daarom is het oordeel van het hof onbegrijpelijk.
4.53
M.i. faalt het onderdeel.
4.54
Het hof heeft het volgende overwogen bij het vijfde gedachtestreepje in rov. 6.5 (mijn onderstreping):
“De sworn affidavit van [verzoekster] maakt dit alles niet anders: deze is te weinig overtuigend en concreet. Zo vermeldt [verzoekster] onder punt 6 van die verklaring dat hij in de periode na 2008 diverse gesprekken heeft gevoerd met de CEO van Oceanco. [betrokkene 2] , over de op basis van gebruik verschuldigde commissie van 5% bij een nieuwe aankoop door de Klant. In deze verklaring staat echter niet hoe [betrokkene 2] daarop reageerde en waarom [verzoekster] er toen op mocht vertrouwen dat [betrokkene 2] akkoord was met een commissieafspraak van 5% voor een eventuele vervolgaankoop door de Klant.”
4.55
In het citaat van punt 8 van de sworn affidavit valt inderdaad niet te lezen hoe [betrokkene 2] reageerde op het standpunt van [verzoekster] dat op basis van gebruik een commissie van 5% verschuldigd is bij een nieuwe aankoop. Het voorstel van [betrokkene 2] om 2,5% als commissie te hanteren, was blijkens het citaat geen reactie op een voorstel van [verzoekster] om 5% als commissie te hanteren maar een voorstel uit eigen beweging. Uit het citaat blijkt dat juist [verzoekster] op deze uitspraak van [betrokkene 2] reageerde dat volgens [verzoekster] 5% commissie verschuldigd is.
4.56
Ook valt in het citaat niet te lezen waarom [verzoekster] erop mocht vertrouwen dat [betrokkene 2] akkoord was met een commissieafspraak van 5% voor een eventuele vervolgaankoop door een klant. Het citaat vermeldt dat [betrokkene 2] het eens was met het feit dat de industry standard commission op zichzelf 5% is en dat [verzoekster] op zich recht heeft op een commissie voor een vervolgaankoop door een klant. Hier staat echter niet hoe [betrokkene 2] reageerde op het standpunt van [verzoekster] dat 5% als commissie verschuldigd is. Dat [betrokkene 2] daarvóór uit eigen beweging heeft verklaard dat 2,5% een redelijke commissie zou zijn, wijst er juist ook op dat er geen commissieafspraak voor 5% tot stand is gekomen.
4.57
De uitleg van de sworn affidavit door het hof is dus niet onbegrijpelijk.
Onderdeel 6: Oceanco’s tegenverzoeken en de beslissing tot terugwijzing
4.58
In deze verzoekschriftprocedure heeft Oceanco de volgende tegenverzoeken ingesteld:
- verzoek tot veroordeling van [verzoekster] in de beslagkosten van het bewijsbeslag;
- verzoek tot veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het exhibitieverzoek;
- verzoek tot veroordeling van [verzoekster] in de volledige proceskostenvergoeding;
- opheffing van het bewijsbeslag.
4.59
De rechtbank heeft Oceanco ontvankelijk verklaard in deze verzoeken, maar de verzoeken, in afwachting van het door Oceanco in te stellen hoger beroep, vooralsnog niet toegewezen. In het dictum heeft de rechtbank iedere beslissing over de tegenverzoeken van Oceanco aangehouden (rov. 5.3).
4.60
Het hof heeft geoordeeld dat de rechtbank Oceanco terecht ontvankelijk heeft geacht in deze tegenverzoeken (rov. 6.11-6.12). Omdat de rechtbank de verzoeken nog niet inhoudelijk heeft beoordeeld, heeft het hof de zaak voor wat betreft de tegenverzoeken teruggewezen naar de rechtbank (rov. 6.13).
4.61
Subonderdeel 6.1 voert aan dat het oordeel van het hof in rov. 6.11-6.12, dat de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat Oceanco ontvankelijk is in haar tegenverzoeken, onjuist en/of onbegrijpelijk is:
a. Het hof heeft miskend dat hetgeen Oceanco met haar tegenverzoeken van de rechter toegewezen wenst te krijgen nu eenmaal geëist moet worden in een dagvaardingsprocedure, en niet verzocht kan worden in een verzoekschriftprocedure, zodat het hof Oceanco niet-ontvankelijk had te verklaren in haar tegenverzoeken.
b. Bovendien heeft het hof miskend dat deze tegenverzoeken niet het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek betreffen, in de zin van art. 282 lid 4 Rv, en dat het ook reeds daarom Oceanco niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar tegenverzoeken (dus: zelfs indien hetgeen Oceanco met haar tegenverzoeken van de rechter toegewezen wenst te krijgen op zichzelf verzocht zou kunnen worden in een verzoekschriftprocedure).
4.62
Voor de beantwoording van de vraag of een tegenverzoek hetzelfde onderwerp betreft als het oorspronkelijke verzoek, in de zin van art. 282 lid 4 Rv, gaat het volgens het subonderdeel mede erom of het doelmatig en kostenbesparend is om het oorspronkelijke verzoek en het tegenverzoek gezamenlijk te behandelen. Maar hier is het niet doelmatig of kostenbesparend om het oorspronkelijke verzoek van [verzoekster] en Oceanco’s tegenverzoeken gezamenlijk te behandelen. Want het oorspronkelijke verzoek van [verzoekster] betreft, kort gezegd, de inzage in bescheiden, terwijl het bij Oceanco’s tegenverzoeken in essentie gaat om de kosten die Oceanco heeft moeten maken in verband met een bewijsbeslag en het inzageverzoek en de opheffing van dit beslag. Derhalve staan bij het oorspronkelijke verzoek en de tegenverzoeken andere rechtsvragen centraal en moeten andere feiten beoordeeld worden. Het hof had Oceanco derhalve niet-ontvankelijk moeten verklaren in haar tegenverzoeken, aldus nog steeds het subonderdeel.
4.63
Het subonderdeel moet worden beoordeeld tegen de volgende achtergrond.
4.64
Art. 69 Rv – een zogenoemde wisselbepaling – bevat een regeling voor het geval waarin een procedure met een verzoekschrift is ingeleid in plaats van met een verplichte dagvaarding (of vice versa). Deze regeling houdt in dat een verkeerd ingeleide procedure niet tot niet-ontvankelijkheid leidt, maar tot gevolg heeft dat de procedure wordt aangepast naar de juiste procesgang.
4.65
Over de cumulatie van verzoekschrift- en dagvaardingsprocedures is in de parlementaire geschiedenis van art. 69 Rv het volgende opgemerkt (voetnoot weggelaten):
“Een ander, maar wel enigszins verwant geval is dat van de cumulatie van een verzoek- schriftprocedure met een dagvaardingsprocedure, iets wat zich in de praktijk herhaaldelijk voordoet. De rechtspraak van de Hoge Raad is hierover niet geheel eenduidig. Naar onze mening staat in de bedoelde gevallen er niets aan in de weg dat beide zaken gelijktijdig (in twee aparte procedures) worden behandeld, in die zin dat bijvoorbeeld comparitie na antwoord en mondelinge behandeling parallel lopen. Mede gezien de thans in het systeem aangebrachte „wissels” (het onderhavige artikel (…)) behoeft dit probleem geen uitdrukkelijke wettelijke regeling. Hier komt nog bij dat het probleem wat omvang betreft aanzienlijk is gereduceerd nu de grens tussen de verzoekschrift- en de dagvaardingsprocedure (zoals ook elders in deze memorie is aangestipt) scherper is getrokken dan voorheen.”
4.66
Art. 69 Rv biedt echter niet de mogelijkheid om bij connexiteit tussen geschillen over verschillende verbintenissen die deels wel en deels niet bij dagvaarding moeten worden beslecht, al deze geschillen in dezelfde dagvaardingsprocedure te beoordelen.
4.67
Art. 261 lid 2 Rv bepaalt dat met een verzoekschrift worden ingeleid de zaken ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit. Met opzet is hier het woord ‘voortvloeit’ gekozen. Met deze woordkeuze is beoogd ook zaken als verzoekschriftprocedure aan te kunnen merken waar de wet dit niet zozeer met zoveel woorden bepaalt, maar dit wel via uitleg van de wet als resultaat kan worden bereikt.
4.68
Ondanks dat art. 843a Rv (oud) spreekt over ‘vorderen’, kan een op die bepaling gebaseerd inzageverzoek ook in een verzoekschriftprocedure aanhangig worden gemaakt, hetzij als zelfstandig verzoek hetzij als nevenverzoek, zo heeft de Hoge Raad beslist.
4.69
In de rechtspraak van de Hoge Raad is regelmatig aan de orde geweest wat de vereiste procesingang is bij een combinatie van verzoeken en/of vorderingen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om een verklaring voor recht over pensioenverevening te verzoeken in een echtscheidingsverzoekschriftprocedure, bij dagvaarding en samen met de (voorheen in de wet geregelde) eis tot vanwaardeverklaring van een beslag het verhaal van bepaalde kosten te vorderen terwijl dit verhaal normaliter in een specifieke verzoekschriftprocedure moet worden verzocht, een verklaring voor recht of schadevergoeding te vorderen in een procedure die strekt tot verzet tegen fiscale dwangbevelen, twee verzoeken gebaseerd op hetzelfde feitencomplex te beoordelen in één procedure terwijl de wet hiervoor verschillende typen procedureregels voorschreef, en om vorderingen tot nakoming van een alimentatie-overeenkomst in een specifieke verzoekschriftprocedure in te stellen.
4.70
Art. 282 lid 4 Rv bepaalt verder dat een verweerschrift van een belanghebbende in een verzoekschriftprocedure een zelfstandig verzoek (‘tegenverzoek’) mag bevatten als dit verzoek betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek (‘connexiteitseis’). Of dat het geval is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Art. 282 lid 4 Rv stelt afgezien van de vereiste connexiteit geen nadere inhoudelijke eisen aan de inhoud van een tegenverzoek.
4.71
De Hoge Raad heeft zich verschillende keren uitgelaten over de vraag of een in de wet geregeld verzoek als reconventionele vordering kan worden ingesteld in een dagvaardingsprocedure, en vice versa. Uit deze rechtspraak kan worden afgeleid dat hier de goede procesorde bepalend is. In dat kader is (onder meer) relevant of de voorgeschreven rechtsgangen (te veel) van elkaar verschillen en dus zouden leiden tot processuele complicaties in het geding. In een zaak uit 1991 koos de Hoge Raad een formele lijn: waar een vordering tot betaling van alimentatie in een specifieke verzoekschriftprocedure moet worden beoordeeld, bestaat geen ruimte voor een reconventionele vordering tot betaling van alimentatie in een dagvaardingsprocedure.
4.72
Wat betreft het spiegelbeeldige geval waarin bij wege van tegenverzoek om een huurrechtelijke vergoeding in een verzoekschriftprocedure werd gevraagd, oordeelde de Hoge Raad dat dit niet mogelijk is nu uit de tekst en parlementaire geschiedenis van de wettelijke bepaling over deze specifieke vergoeding volgt dat een afzonderlijke dagvaardingsprocedure verplicht is. Een minder formele opstelling koos de Hoge Raad in een huurrechtelijke verzoekschriftprocedure over verlenging van een huurovereenkomst waarin bij wege van tegenverzoek een verzoek tot ontruiming werd gedaan (die normaliter in een dagvaardingsprocedure zou worden gevorderd). Dat was volgens de Hoge Raad toelaatbaar, omdat een andere uitkomst de verhuurder “zonder redelijke zin” zou kunnen dwingen tot het starten van een nieuwe procedure.
4.73
Uit het voorgaande laat zich afleiden dat de Hoge Raad een gevalsbenadering kiest en daarbij van belang acht of de goede procesorde zich verzet tegen een bepaalde procedurele inrichting, dan wel de goede procesorde juist gediend is met die procedurele inrichting.
4.74
Ook een aantal wettelijke bepalingen die het conservatoir (bewijs)beslag regelen verdienen nog aandacht.
4.75
Art. 700 lid 1-2 Rv bepaalt dat voor een conservatoir beslag verlof moet worden gevraagd aan de rechter met een verzoekschrift. Geoordeeld is echter dat een dergelijk verlof ook kan worden gevraagd bij wege van vordering in reconventie in een opheffingskortgeding (een dagvaardingsprocedure).NJ-annotator Heemskerk merkte hierover op dat deze combinatie praktisch goed werkbaar is gelet op de overeenkomsten tussen de procedures en voorts dat deze combinatie in lijn is met de regel dat een verzoekschriftprocedure niet gecombineerd kan worden met een dagvaardingsprocedure in één en hetzelfde geding (het verlof wordt immers als reconventionele vordering beoordeeld).
4.76
Art. 705 lid 1 Rv bepaalt dat de voorzieningenrechter die verlof tot een beslag heeft gegeven het beslag, rechtdoende in kort geding, op vordering van elke belanghebbende kan opheffen, onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter. Dit maakt enerzijds duidelijk dat een opheffingskortgeding bij dagvaarding moet worden ingeleid. Anderzijds laten de woorden ‘onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter’ ruimte voor opheffing in een gewone procedure.
4.77
Volgens art. 706 Rv kunnen de kosten van het beslag, al of niet in de hoofdzaak, van de beslagene worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was.
4.78
Uit de parlementaire geschiedenis van deze bepalingen kan worden afgeleid dat wat betreft opheffing van het beslag in een gewone procedure werd gedacht aan een inhoudelijke dagvaardingszaak; of opheffing ook verzocht kan worden in een verzoekschriftprocedure die voor het beslag als de hoofdzaak is aan te merken wordt uit de parlementaire geschiedenis niet duidelijk. Verder kan uit deze parlementaire geschiedenis worden afgeleid dat de wetgever meende dat de kosten van een beslag door de beslaglegger kunnen worden teruggevorderd in de hoofdzaak.
4.79
Verder verdient nog vermelding dat onder KEI verzoek- én vorderingsprocedures met een procesinleiding moesten worden aangebracht en dat verzoeken en vorderingen in dezelfde procesinleiding konden worden gecombineerd (art. 30a-30b Rv). Een dergelijk systeem geldt overigens al sinds 2014 voor verschillende gedingen met betrekking tot het einde van de arbeidsovereenkomst (art. 7:686a lid 2-3 BW). Onder KEI was ook voeging en verwijzing van verknochte vorderings- en verzoekprocedures mogelijk (art. 220, 222 en 285 Rv van het wetsvoorstel).
4.80
Recentelijk heeft de Adviescommissie burgerlijk procesrecht geadviseerd om het onderscheid tussen dagvaardings- en verzoekschriftprocedures op te heffen, zodat het burgerlijk procesrecht eenvoudiger wordt. Kort geleden heeft de minister opdracht gegeven tot een verkennend onderzoek.
4.81
Tot slot volgt onder het nieuwe bewijsrecht uit art. 205 lid 4 en 206 lid 4 Rv, in samenhang bezien, dat een beslagene bij wege van reconventionele tegenvordering in de hoofdzaak (te weten: de inzagezaak of een inhoudelijke bodemzaak) onder andere een bewijsbeslag kan laten opheffen. In de parlementaire geschiedenis is hierover het volgende vermeld:
“(…) De eis in de hoofdzaak zal bij het bewijsbeslag vaak bestaan in een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting, in het bijzonder een verzoek om inzage als bedoeld in artikel 204 (nieuw). Het verzoek kan ook het gelasten van een onderzoek van de in beslag genomen gegevens door een deskundige zijn als bedoeld in artikel 202 (nieuw). De eis in de hoofdzaak is niet beperkt tot een verzoek om een of meer voorlopige bewijsverrichtingen. Ook een vordering tot schadevergoeding is denkbaar. Voor het kennisnemen van de inhoud van het in beslag genomen bewijsmateriaal zal dan in de dagvaarding een incidentele vordering tot inzage of onderzoek door een deskundige moeten worden ingesteld. (…)
(…)
Op verzoek van de wederpartij of de derde, als het beslag onder een ander dan de wederpartij is gelegd, kan het beslag eerder vervallen. Het vierde lid van artikel 206 (nieuw) bevestigt dat iedere belanghebbende op grond van artikel 705 bij de voorzieningenrechter de opheffing van het beslag kan vorderen. Daarnaast kan de wederpartij in de procedure waarin de beslaglegger de eis in de hoofdzaak heeft ingesteld via een eis in reconventie als bedoeld in artikel 136 de opheffing van het beslag vorderen. Deze vordering of de eis in reconventie kan ook strekken tot het wijzigen van de beschikking van de voorzieningenrechter die het verlof heeft verleend, zoals het inperken van de omvang van het beslag, het (alsnog) stellen van zekerheid voor de schade als gevolg van de beslag legging of het opheffen of wijzigen van de dwangsom die is verbonden aan de (niet-) medewerking door de beslagene.”
4.82
Hieruit blijkt dat de wetgever het in het kader van het nieuwe bewijsrecht wenselijk acht dat een verweerder in de procedure over de eis in de hoofdzaak opheffing van het bewijsbeslag kan vorderen. Niet wordt vermeld dat dit in enigerlei opzicht anders ligt voor een bewijsbeslag waarop het oude bewijsrecht van toepassing is en waarvoor een inzageverzoek op de voet van art. 843a Rv (oud) wordt ingesteld. Een zaak over inzage (op grond van art. 843a Rv (oud)) wordt bij een bewijsbeslag (ook) onder het oude bewijsrecht als hoofdzaak als bedoeld in art. 700 Rv en 704 Rv aangemerkt, waarbij niet relevant is of het gaat om een afzonderlijke procedure of een incidentele vordering.
4.83
Hiermee wordt toegekomen aan de bespreking van het subonderdeel.
4.84
Het oordeel van het hof dat de rechtbank Oceanco in haar tegenverzoeken ontvankelijk mocht verklaren, is juist en begrijpelijk. Mede gelet op hetgeen hiervoor is uiteengezet, zijn daarvoor de volgende argumenten doorslaggevend (zie ook de argumentatie van de rechtbank (rov. 4.14) en het hof (rov. 6.8 e.v.):
- Niet valt in te zien waarom Oceanco haar tegenverzoeken niet zou kunnen indienen in de door [verzoekster] aanhangig gemaakte verzoekschriftprocedure. De wet stelt geen uitgebreide of specifieke procedurele voorschriften voor de tegenverzoeken die hier aan de orde zijn, die aan een gelijktijdige behandeling in dezelfde verzoekschriftprocedure in de weg zouden kunnen staan. De proceseconomie is gebaat bij een gelijktijdige behandeling in dezelfde procedure.
- Juist omdat de Hoge Raad eerder heeft geaccepteerd dat een inzageverzoek ex art. 843a Rv (oud) óók in een verzoekschriftprocedure kan worden gedaan, ligt het voor de hand dat in diezelfde verzoekschriftprocedure bij wijze van tegenverzoek opheffing van het bewijsbeslag en een kostenveroordeling in verband met dat beslag of inzageverzoek kan worden verzocht (zie onder 4.68).
- De tegenverzoeken van Oceanco tot opheffing van het bewijsbeslag en veroordeling in de kosten van dat bewijsbeslag en/of inzageverzoek, inclusief proceskosten, hebben betrekking op hetzelfde onderwerp als het oorspronkelijke verzoek, namelijk het inzageverzoek van [verzoekster] dat betrekking heeft op bescheiden waarvoor het bewijsbeslag is gelegd. Daarmee is voldaan aan het vereiste van voldoende connexiteit in de zin van art. 282 lid 4 Rv. Dat het inzageverzoek en de tegenverzoeken verschillende juridische en feitelijke vragen aan de orde stellen, maakt dit niet anders, omdat art. 282 lid 4 Rv het tegendeel niet vereist.
- Het verzoek van Oceanco tot veroordeling van [verzoekster] in de volledige proceskosten kan hoe dan ook in dezelfde procedure worden gedaan, omdat de grondslag voor zo’n veroordeling ligt in art. 237 Rv (voor verzoekschriftprocedures: art. 289 Rv). Deze bepalingen derogeren aan art. 6:96 lid 2 BW. Het gaat dus in feite niet om een ‘tegenverzoek’ op de voet van art. 282 lid 4 Rv. Voor de goede orde: in de hofbeschikking (rov. 4.2) en rechtbankbeschikking (rov. 3.2 en 3.5) wordt gerefereerd aan een vordering van Oceanco tot vergoeding van de schade als gevolg van het beslag en het inzageverzoek. M.i. moet het verweerschrift van Oceanco zo worden gelezen dat het in wezen slechts gaat om vergoeding van de integrale proceskosten. Een vordering tot vergoeding van andere schade als gevolg van een beslag of exhibitieverzoek (bijvoorbeeld bedrijfsschade) kan in een zaak als de onderhavige m.i. niet zomaar als tegenverzoek worden meegenomen.
- De hier bepleite opvatting strookt met het feit dat de wetgever voor art. 206 lid 4 Rv heeft uitgesproken dat (onder meer) opheffing van een bewijsbeslag in de procedure over de eis in de hoofdzaak als reconventionele vordering moet kunnen worden gevorderd (zie onder 4.81-4.82).
4.85
De conclusie is dus dat het subonderdeel faalt.
4.86
Op te merken is nog het volgende. Verdedigbaar is, zoals het hof ook in de bestreden beschikking overweegt (zie rov. 6.8 e.v.), dat met een analogische toepassing van de regels in art. 138 lid 2 Rv (splitsing in een dagvaardings- en verzoekschriftprocedure als de rechter oordeelt dat de bij dagvaarding ingeleide zaak in conventie of reconventie in een verzoekschriftprocedure moet worden behandeld) en 285 lid 2 Rv (voeging van samenhangende verzoekschriftprocedures) voeging van een verzoekschriftprocedure met een dagvaardingszaak (waarin de oorspronkelijk bij tegenverzoek naar voren gebrachte geschilpunten worden beslecht) mogelijk is. Deze mogelijkheid strookt bovendien met de regel van art. 69 Rv en de parlementaire geschiedenis van deze bepaling (zie onder 4.64-4.66), waaruit volgt dat bewust niet is gekozen voor niet-ontvankelijkheid in dit soort gevallen.
4.87
Subonderdeel 6.2 voert aan dat de beslissing van het hof in rov. 6.13 om de zaak wat betreft de tegenverzoeken terug te wijzen naar de rechtbank Rotterdam onjuist is. Immers, nu Oceanco niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in haar tegenverzoeken (subonderdeel 6.1), mocht geen terugwijzing plaatsvinden, en voor zover Oceanco wel ontvankelijk zou zijn in haar tegenverzoeken had het hof moeten bevelen dat wat betreft de tegenverzoeken de procedure bij de rechtbank wordt voorgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure.
4.88
Het subonderdeel slaagt niet.
4.89
Waar het subonderdeel er primair van uitgaat dat Oceanco niet-ontvankelijk is in haar tegenverzoeken gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting (zie de bespreking van subonderdeel 6.1). Het hof heeft Oceanco terecht ontvankelijk geacht.
4.90
Waar het subonderdeel er subsidiair van uitgaat dat het hof had moeten bevelen dat wat betreft de tegenverzoeken de procedure bij de rechtbank wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure, gaat het eveneens uit van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtbank mocht de tegenverzoeken van Oceanco in dezelfde verzoekschriftprocedure behandelen als het inzageverzoek van [verzoekster] . In het verlengde hiervan was het hof niet verplicht om bij terugwijzing van de zaak, voor zover het de tegenverzoeken betreft, te bepalen dat de tegenverzoeken (toch) alsnog volgens de dagvaardingsprocedure moeten worden beoordeeld. De beslissing daarover is bovendien strikt genomen aan de rechtbank na terugwijzing, zoals ook het hof lijkt te hebben overwogen.
Slotsom
4.91
Nu geen van de onderdelen slaagt, is de slotsom dat het cassatieberoep tevergeefs is voorgesteld.
5Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, NJ 2022/288 m.nt. H.B. Krans, JIN 2020/138 m.nt. J.E. Mink en A.F. Veldhuis en BIE 2020/20 m.nt. W.J.G. Maas (Semtex).
Hof Den Haag van 11 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:317, rov. 3.2.
HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, NJ 2022/288 m.nt. H.B. Krans, JIN 2020/138 m.nt. J.E. Mink en A.F. Veldhuis en BIE 2020/20 m.nt. W.J.G. Maas (Semtex).
Rb. Rotterdam 22 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2495.
Rb. Rotterdam 22 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2494. [verzoekster] lijkt pas getuigen te willen horen nadat inzage is verkregen. Zie beroepschrift [verzoekster] d.d. 21 juni 2023, nr. 2.23.
Zie Hof Den Haag 11 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:317.
HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, NJ 2022/288 m.nt. H.B. Krans, JIN 2020/138 m.nt. J.E. Mink en A.F. Veldhuis en BIE 2020/20 m.nt. W.J.G. Maas (Semtex).
HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201, NJ 2026/172 m.nt. K.J. Krzemiński en JBPr 2026/23 m.nt. E.M. Snijders.
HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, NJ 2022/288, m.nt. H.B. Krans, JIN 2020/138, m.nt. A.F. Veldhuis & J.E. Mink (Semtex), rov. 3.1.4.
Zie rov. 3.1.5 van het arrest Semtex, vindplaats vorige voetnoot.
HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (AIB/Novisem), rov. 4.1.5, en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (Synthon/Astellas), rov. 3.2.1-3.2.2; HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775 (Organik/Dow), rov. 5.1.3.
Conclusie A-G Wesseling-Van Gent, ECLI:NL:PHR:2020:128, nrs. 2.38 en 2.43.
Zie in deze zin bijvoorbeeld: noot van W.J.G. Maas, in BIE 2020/20, nrs. 6-8; W.J.G. Maas, Nederlands bewijsbeslag in rechtsvergelijkend perspectief, Den Haag: Boom juridisch 2021, p. 188 e.v.; A. Hammerstein, ‘Ontwikkelingen rond het inzagerecht’, RM Themis 2020, afl. 6, p. 275-277. Zie ook R.H. de Bock, ‘Kronieken. Bewijsrecht’, TCR 2016/2, p. 55 en ‘Kroniek. Bewijsrecht’, TCR 2020, afl. 4, p. 180-181.
Zie o.m. noot van A.F. Veldhuis & J.E. Mink in JIN 2020/138, nrs. 9 en 11; noot van H.B. Krans in NJ 2022/288, nr. 19; J. Ekelmans, ‘Moet een drempel van aannemelijkheid worden genomen om recht te hebben op inzage in gegevens op grond van art. 843a Rv?’, MvV 2020, afl. 11, par. 8; M.J.A.M. Ahsmann, De regierol van de rechter (BPP nr. 26) 2024/1255; L.P. Wiggers & S.T. Pennink, ‘Procederen met het mes op tafel’, TvPP 2026, afl. 2, p. 14.
Zie in deze zin: J. Ekelmans, ‘Efficiënt gebruik en beoordeling van inzagevorderingen na HR 13 november 2015’, NTBR 2016/7, p. 52; J.R. Sijmonsma, ‘Het inzagerecht van artikel 843a Rv nader bezien’, TvPP 2019, afl. 4, p. 108-109; noot van H.B. Krans in NJ 2022/288, nr. 19.
Kamerstukken II 2019-2020, 35498, nr. 3 (MvT), p. 47. Alblasserdam Yachtbuilding wijst er in haar verweerschrift op dat de memorie van toelichting dateert van vóór het Semtex-arrest. In latere parlementaire stukken is over dit punt niets meer te vinden.
Zie o.m. Asser Procesrecht/Asser 3 2023/198; C. Tjoa, ‘De 843a-vorderingen van Utrecht Holdings en het nieuwe inzagerecht’, Bb 2025/1, p. 3-4; GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv (T.R.B. de Greve), aant. 3.4 (actueel tot en met 1 januari 2024); S.L.H. Bergsma & S.Y.S. Dam, ‘Vergaring en bescherming van bewijs in IE-zaken’, BIE 2025/2, p. 3. Zie ook mijn eerdere conclusies van 12 september 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:996), nr. 5.10 3 oktober 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1073), nr. 4.17; en 4 juli 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:753), nr. 4.12.
Zie o.m. A.F. Veldhuis & J.E. Mink in JIN 2020/138, nr. 9; noot van H.B. Krans in NJ 2022/288, nr. 18; L.P. Wiggers & S.T. Pennink, ‘Procederen met het mes op tafel’, TvPP 2026, afl. 2, p. 13; S.C.M. van Thiel & R. Brandt, ‘Het vernieuwde bewijsrecht in de praktijk’, Ondernemingsrecht 2026/66, par. 4.4; A. Hammerstein, ‘Ontwikkelingen rond het inzagerecht’, RM Themis 2020, afl. 6, p. 277-278; C. Tjoa, ‘De 843a-vorderingen van Utrecht Holdings en het nieuwe inzagerecht’, Bb 2025/1, p. 3-4; noot van J. Lubbers in JOR 2026/65, nr. 10; noot van M.D. Schuilwerve, JOR 2026/84, nrs. 10-11. Zie over (voldoende) belang onder het nieuwe bewijsrecht: Kamerstukken II 2019-2020, 35498, nr. 3, p. 49 en 57-58.
Conclusie A-G Snijders, ECLI:NL:PHR:2026:223, nr. 3.8. In die richting ook, zo lijkt het: M. Huizingh, ‘Het wie, wat, hoe en wanneer van het nieuwe inzagerecht’, TvPP 2025, afl. 1, par. 3.
F.J.P. Lock, ‘De Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht: wat er (niet) gaat veranderen’, TCR 2024, afl. 3, p. 71, met name voetnoot 47.
Vgl. voor een soortgelijke redenering in een andere context: Conclusie A-G Asser, ECLI:NL:PHR:1991:ZC0438, NJ 1992/152, nr. 2.15.
Zoals [verzoekster] aanvoert, zie procesinleiding p. 4.
Verwezen wordt naar beroepschrift, par. 2.23.
HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2518, NJ 2018/306, m.nt H.B. Krans (Pretium/Tros), rov. 4.1.
Zie Kamerstukken II 2019-2020, 35498, nr. 3, p. 2 en 13.
Zie Kamerstukken II 2019-2020, 35498, nr. 3, p. 57-58.
HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9244, NJ 2013/220 m.nt. E. Verhulp (Theodoor Gilissen Bankiers) rov. 3.8.2. Zie ook HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706 (ISG c.s./Cornefruit c.s.), rov. 3.5.4. Zie uitgebreid over het bepaaldheidsvereiste conclusie A-G Wesseling-Van Gent, ECLI:NL:PHR:2020:10 (art. 81 RO), nrs. 2.14 e.v.; conclusie A-G Wesseling-Van Gent, ECLI:NL:PHR:2022:1145, nrs. 3.13 e.v.
Kamerstukken II 2019-2020, 35498, nr. 3 (MvT), p. 48; Kamerstukken II 2021-2022, 35498, nr. 6 (NnavV), p. 44.
Kamerstukken II 2019-2020, 35498, nr. 3 (MvT), p. 48.
HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:830, JBPR 2023/60, m.nt. G.J. Harryvan, JOR 2023/256, m.nt. R.L. Ubels (Solid Nature), rov. 3.1.2 en HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1773, JBPR 2025/5, m.nt. G.J. Harryvan, JIN 2025/26, m.nt. P.H. Bossema-De Greef, JOR 2025/75, m.nt. C.M. Harmsen (Belba), rov. 3.4 .
Productie 25 bij het beroepschrift.
Op te merken is dat in de stukken (hofbeschikking, rov. 4.2 en rechtbankbeschikking, rov. 3.2 en 3.5) ook wel wordt gesproken over een vordering van Oceanco tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het beslag en het inzageverzoek, maar m.i. gaat het in de kern uitsluitend om een verzoek om [verzoekster] te veroordelen in de volledige proceskosten, zo blijkt uit het verweerschrift van Oceanco (par. 11) in de procedure bij de rechtbank. Een schadevergoedingsvordering kan m.i. niet zomaar als tegenverzoek worden meegenomen in een verzoekschriftprocedure.
Parl. Gesch. Herz. Procesrecht 2002, p. 220 (MvT). Zie over het achterwege blijven van een niet-ontvankelijkheidsoordeel ook p. 222 (Verslag).
HR 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5824, JBPr 2006/10 m.nt. J.G.A. Linssen & N. van Vliet, rov. 3.4.
Parl. Gesch. Herz. Procesrecht 2002, p. 434 (MvT). Voor zover niet via uitleg van de wet kon worden vastgesteld of een verzoekschriftprocedure was voorgeschreven, bevatte de voorganger van art. 261 lid 2 Rv – art. 429b Rv (oud) – nog een subsidiair criterium. Dit subsidiaire criterium kwam erop neer dat in dergelijke gevallen een verzoekschriftprocedure voorgeschreven is als het gaat om een zaak die niet (direct) betrekking heeft op de rechtsbetrekking tussen partijen. Zie Kamerstukken II 1963-1964, 7753, nr. 3 (MvT), p. 6.
Zie HR 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1985 (Syngenta Seeds), rov. 3.3.2.
HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2473, NJ 1999/395 m.nt. J. de Boer, rov. 3.2. Zie hierover ook Parl. Gesch. Herz. Procesrecht 2002, p. 225 (Nota).
Zie HR 6 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0438, NJ 1992/152 (X/Gemeente Hengelo), rov. 3.2; HR 22 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0150, NJ 1988/890 m.nt. W.H. Heemskerk (Uitzendbureau Content), rov. 3; HR 16 februari 1973, ECLI:NL:HR:1973:AC5299, NJ 1973/370 m.nt. D.J. Veegens.
HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0487, NJ 1992/788 m.nt. H.J. Snijders & M. Scheltema (Ontvanger/X), rov. 3.2.
HR 23 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6534, NJ 1983/737 m.nt. P.A. Stein (Metz & Co).
HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0531, NJ 1992/356, rov. 3.2; HR 19 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1150, NJ 1994/241 m.nt. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, rov. 4.
Kamerstukken II 1963-1964, 7753, nr. 3 (MvT), p. 7 (t.a.v. de voorganger van art. 282 lid 4 Rv, art. 429h lid 4 Rv (oud)). Zie voor een ruime uitleg van de connexiteitseis in een familierechtelijke context HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1983, NJ 1996/569, rov. 4.2. Zie voorts T&C Rv, Deventer: Wolters Kluwer 2026, A.I.M. van Mierlo, art. 282 Rv (aant. 7 onder e); Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/309.
HR 13 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC3067, NJ 1989/72 m.nt. W.H. Heemskerk (IJsunie), rov. 4.2 (combinatie van een dagvaardingsgeding met een specifiek verzoekschriftgeding niet mogelijk, met uitdrukkelijke verwijzing naar de goede procesorde, verschillen in de wettelijke regelingen en daaruit voortvloeiende processuele complicaties); Concl. A-G Verkade, ECLI:NL:PHR:2008:BG1682, nr. 4.2. Vgl. nog voor terughoudendheid bij een combinatie van een verschillend type conventioneel en reconventioneel verzoek in één verzoekschriftprocedure: HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0452 (X/OvJ), rov. 3.3 (in het kader van de BOPZ). Vgl. voorts ten aanzien van een bij repliek ingesteld verzoek in een dagvaardingsprocedure: HR 29 mei 1987, ECLI:NL:HR:1987:AK4754, NJ 1988/557 m.nt. W.H. Heemskerk (Sportlaan), rov. 3 (combinatie van een dagvaardingsgeding met een specifiek verzoekschriftgeding niet mogelijk, met uitdrukkelijke verwijzing naar de goede procesorde, verschillen in de aard van dagvaardings- en verzoekschriftprocedures en daaruit voortvloeiende praktische gevolgen).
HR 20 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0456, NJ 1992/624 m.nt. E.A.A. Luijten, rov. 3.3. Zie in dit verband Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/170, met verwijzing naar art. 69 Rv.
HR 10 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1347, NJ 1989/490 m.nt. P.A. Stein, rov. 3.5.
HR 19 november 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5808, NJ 1977/152 m.nt. P.A. Stein (Apparatenfabriek Bayards). Zie nader de NJ-noot van Stein.
HR 10 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5171, NJ 1987/55 m.nt. W.H. Heemskerk (Grasso-Drain), rov. 3.2.
Vgl. nog HR 22 mei 1936, ECLI:NL:HR:1936:55, NJ 1936/1064 (“dat voorts de subsidiaire stelling, dat de kosten, staande in verband met het beslag, niet tot de proceskosten behooren, niet juist is, (…)”), en hierover Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/121.
Zie Kamerstukken II 1980-1981, 16593, nr. 3 (MvT), p. 115; Kamerstukken I 1984-1985, 16593, nr. 141a (MvA), p. 10 en 19-20.
Zie Kamerstukken II 1980-1981, 16593, nr. 3 (MvT), p. 115-116.
Zie Kamerstukken II 2014-2015, 34059, nr. 3 (MvT), p. 59 e.v.; Kamerstukken II 2014-2015, 34212, nr. 3 (MvT), p. 4. e.v.
Zie hierover bijvoorbeeld mijn conclusie van 21 maart 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:356), voetnoot 6.
Zie Kamerstukken II 2014-2015, 34059, nr. 3 (MvT), p. 19 en 98-99.
Zie Advies opheffing onderscheid dagvaardings- en verzoekschriftprocedure d.d. 23 december 2024. Zie hierover A.I.M. van Mierlo, ‘Opheffing van het onderscheid dagvaardings- en verzoekschriftprocedure’, TCR 2025, afl. 2, p. 33 e.v.
Zie Kamerstukken II 2025-2026, 29279, nr. 1020 (Brief staatssecretaris), p. 3.
Kamerstukken II 2019-2020, 35498, nr. 3 (MvT), p. 71 en 75.
HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1812 (Sarabel), rov. 4.2.2. Zie uitgebreid mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:753), nrs. 4.34-4.38 en 4.45-4.51. Zie voorts mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:996), nr. 5.4.
Vgl. HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3477, rov. 6.2.1; HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7995, NJ 2009, 234 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.5. Vgl. voorts Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/117 en 122.
Zie o.m. HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:147, NJ 2016/167, rov. 3.4.2.
Zie noot 32.
Getwijfeld kan worden over het belang in cassatie nu het hof in rov. 6.11 heeft overwogen dat door de terugwijzing splitsing eigenlijk automatisch plaatsvindt (waarna in eerste aanleg op zich de dagvaardingsprocedure zou kunnen worden gevolgd, afhankelijk van wat de rechtbank daarover beslist). Zie verweerschrift Oceanco, p. 22.